CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 8 september 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsgplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19”27.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief wordt beïnvloed, geldt een vrijstelling bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 41 van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Conclusie Op voorhand staat het aspect 'soortenbescherming' staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. 5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl.

De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.

42 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 5.5.2 Situatie plangebied Het plangebied in de gemeente Dinkelland ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen van zeven nieuwe woningen inclusief infrastructuur, groen en water), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM, kan worden gesteld dat het plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van zeven nieuwe woningen inclusief infrastructuur en groen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Een verdere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 5.5.3 Conclusie Uit bovenstaande volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.

De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 43 Figuur 5.4: Standaardwaarden (bron: artikel 5.78t van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). 5.6.2 Situatie plangebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving.

Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen. Het plangebied ligt wel binnen het geluidaandachtsgebied van de Drosteweg en de Zoekerdijk. Om de geluidbelasting van het wegverkeer op de gevels van de nieuwe woningen te onderzoeken, is door Geluid Plus een akoestisch onderzoek uitgevoerd (RdG/25.033, versie 03, d.d. 4 december 2025). Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 5 bij deze motivering opgenomen. De berekeningen van de geluidbelastingen zijn uitgevoerd conform de Meet- en Rekenmethode Geluid Wege, bijlage IVe van de Omgevingsregeling. In onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven.

Figuur 5.5: Tabel geluidbelasting (bron: Geluid Plus Adviseurs) Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting vanwege de omliggende gemeentewegen ten hoogste 48 dB bedraagt 44 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 ter plaatse van de woningen in het plan. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Conform het gemeentelijk beleid betreft de gebiedstypering van de dorpskern van Saasveld een “woonwijk”. Voor de planlocatie geldt voor wegverkeerslawaai de ambitiewaarde “redelijk rustig” met een plafondwaarde “onrustig”. De geluidbelasting op de gevels van de rijwoningen bedraagt ten hoogste 46 dB en valt daarmee in de geluidklasse “rustig”. De woningen aan de Drosteweg 19 en 19a ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 48 dB, deze geluidbelasting valt in de klasse “redelijk rustig”. De geluidbelasting ter plaatse van de woningen van het plan voldoet aan de ambitiewaarde van het gemeentelijk beleid. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het aspect 'wegverkeerslawaai'. Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen vormt geen belemmering voor dit plan.

Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het plangebied zijn enkele milieuhinderlijke activiteiten en bedrijfsactiviteiten aanwezig. Het betreft onder andere een bakkerij, een slager/vleeshouwerij en een horeca-functie. Het uitgangspunt is om voldoende ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende bedrijven enerzijds en milieugevoelige functies zoals wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies (woningen). Om te onderzoeken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden en om eventueel aanwezige milieubelastende activiteiten en/of bedrijven de zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen blijven uitoefenen, wordt hieronder getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreikin 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarbij is allereerst van belang om te bepalen in welk omgevingstype het plangebied ligt. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Saasveld waar overwegend woningen aanwezig zijn.

Hoewel er enkele milieuhinderlijke activiteiten en/of bedrijfsactiviteiten in de omgeving aanwezig zijn, geldt dat het plangebied aangemerkt moet worden als 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende milieuhinderlijke activiteiten en/of bedrijfsactiviteiten aanwezig: Figuur 5.6: Tabel richtafstanden De afstand is gemeten vanaf de grens van de milieubelastende functie tot aan de dichtstbijzijnde grens van de nieuwe woonfunctie (in dit geval de nieuwe woning aan de Drosteweg 19a). De overige woningen en daarbijbehorende functie 'Wonen - Wonen in de bebouwde kom' liggen immers op een grotere afstand van deze milieubelastende activiteiten. Ten aanzien van het cateringbedrijf aan de Drosteweg 23 wordt opgemerkt dat de horeca-bebouwing reeds gesloopt is en ter plaatse van de gronden een bestemmingsplan als ontwerp ter inzage is gelegd (Saasveld, Drosteweg 8) waarin het perceel herontwikkeld wordt naar woningbouw. Dat bestemmingsplan is echter niet (nog) niet vastgesteld en in werking getreden, maar toont des te meer aan dat de bedrijfsactiviteiten van de horecagelegenheid gestaakt zijn. Uit de tabel volgt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan (deze richtafstanden gelden zowel voor geluid als geur).

Daarbij wordt opgemerkt dat de afstand tot de aaneengebouwde woningen achter op het perceel fors meer bedraagt dan de in de tabel opgenomen gemeten afstand, waardoor de milieuhinderlijke activiteiten en bedrijfsactiviteiten geen belemmering vormt voor dit plan. Tot slot wordt een woning niet aangemerkt als milieubelastende functie. Derhalve heeft het plan geen negatief effect op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Warmtepompen bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 45 Mogelijk dat de toekomstige woningen worden voorzien van warmtepompen. Deze warmtepompen mogen een bronvermogen hebben van maximaal 40 dB(A). Daarmee zullen deze geen negatieve invloed hebben op het referentieniveau (heersende niveau). Gezien het zeer geringe geluidniveau t.g.v. de warmtepompen zal er op het cumulatieve aanwezige geluidniveau geen bijdrage geleverd worden. Een goed woon en leefklimaat wordt hiermee gewaarborgd. 5.6.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande leidt het aspect 'geluid' afkomstig van wegen, solitaire bedrijven en industrieterreinen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds worden bedrijven ook niet gehinderd in hun bedrijfssvoering door de realisatie van de nieuwe woningen.

5.7 Geur 5.7.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. 5.7.2 Situatie plangebied Het plan maakt nieuwe geurgevoelige functies/gebouwen mogelijk. Zoals in paragraaf 5.6.2 is beschreven zijn er in de omgeving van het plangebied enkele solitaire bedrijven aanwezig zoals een bakkerij, slagerij/vleeshouwerij en horeca die invloed kunnen hebben op het aspect 'geur'. Zoals echter uiteen is gezet wordt voldaan aan de richtafstanden. De richtafstanden van geur en geluid zijn gelijk, waardoor reeds is aangetoond dat de solitaire bedrijven geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. In de omgeving van het plangebied bevindt zich daarnaast een agrarisch bedrijf (veehouderij). In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden In de omgeving van het plangebied bevindt zich aan de Koninksweg 20 in het buitengebied van Saasveld een veehouderijbedrijf waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden.

De afstand van het bouwvlak van het agrarische bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde nieuwe woning bedraagt circa 330 meter. Om te onderzoeken of voldaan kan worden aan de geurnormen is door SAB Adviseurs een geuronderzoek (Geuronderzoek met betrekking tot het woningbouwproject aan de Drosteweg 19 en 19a te Saasveld, d.d. 3 december 2025) uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Op basis van bijlage 1 van de Meststoffenwet is de gemeente Dinkelland in een concentratiegebied gesitueerd. De gemeente Dinkelland heeft tevens nog geen bebouwingscontour geur vastgelegd. Daarom blijft het verschil tussen binnen/buiten de bebouwde kom van toepassing op deze ontwikkeling als tijdelijke bebouwingscontour. De ontwikkeling ligt en zal liggen in de bebouwde kom. Daarom zijn de normen voor binnen bebouwde kom 46 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 gebruikt bij de berekeningen.

De volgende normen en afstanden zijn van toepassing op het plangebied: Daarmee gelden de volgende normen en afstanden voor deze locatie: 3,0 ouE/m3 voor ou-dieren (landbouwhuisdieren waarvoor een vastgestelde geuremissiefactor geldt): geurbelasting op de geurgevoelige gebouwen afkomstig uit de omliggende veehouderij(en); 100 meter voor landbouwhuisdieren waarvoor een vaste afstand gelden: afstand vanuit het bouwblok tot aan het geurgevoelige gebouw; 50 meter voor alle dieren: gevel-tot-gevel afstand. Binnen 500 meter van het plangebied zijn de volgende veehouderijen aanwezig: Figuur 5.7 Tabel veehouderijen binnen 500 meter afstand (bron: SAB Adviseurs) Ten aanzien van de vaste-afstand dieren bedragen de afstanden meer dan 100 meter. Hiermee wordt op voorhand voldaan aan de wettelijke eisen. De relatief grote afstand in combinatie met de lage geuremissie maakt het mogelijk om te concluderen dat er op voorhand voldaan aan de norm van 3 ouE/m3 ten aanzien van de veehouderij aan de Saterslostraat 37. Voor de veehouderij aan de Koninksweg 20 is wel een berekening uitgevoerd ten aanzien van de voorgrond- en achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting Als gevolg van de Koninksweg 20 komt de geurbelasting nooit hoger uit dan 2,3 ouE/m3 op de plaats van de beoogde ontwikkeling.

Deze hoogste belasting komt voor bij de planologische situatie, dat wil zeggen op het dichtstbijzijnde punt van het bouwvlak. De veehouderij aan de Koninksweg 20 belemmert de ontwikkeling niet. Op haar beurt, pleegt de ontwikkeling geen inbreuk op de rechten van de voornoemde veehouderijen. De resultaten zijn in bijlage A van Bijlage 6 bijgevoegd. Achtergrondbelasting Artikel 5.92 van het Bkl schrijft voor dat er rekening moet wordt gehouden met aspect geur in een omgevingsplan. Om een uitspraak te kunnen doen over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan als gevolg van de verschillende veehouderijen in de omgeving, dient daarom aanvullend gekeken te worden naar de cumulatieve geurberekening. De cumulatieve geurberekening betreft in dit geval de gecumuleerde geuremissie van alle veehouderijen in een straal van 2.000 meter rondom het besluitgebied. Veehouderijen op grotere afstand hebben per definitie geen invloed meer op de cumulatieve geurhinder. Er bestaan geen wettelijke normen ten aanzien van cumulatieve geurbelasting, maar er kan wel worden aangesloten bij de indeling van geurklasses die in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij stonden. Hierna wordt de geurklasses weergegeven. De rekenresultaten zijn in bijlage B bijgevoegd.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 47 Figuur 5.8: Tabel geurklasses (bron: SAB Adviseurs) Uit de berekening van de achtergrondbelasting blijkt dat de resultaten tussen 6,87 en 8,66 ouE/m3 schommelen. De hoogste geurbelasting bevindt zich aan de westzijde van het besluitgebied. Op de plaats van de ontwikkellocatie is het geurklimaat als ‘goed’ tot ‘redelijk goed’ te bestempelen. De geurnormen uit artikel 5.109 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben betrekking op de voorgrondbelasting. De geurnorm van 3,0 ouE/m3 wordt niet overschreden waardoor het niet noodzakelijk is om een hogere toelaatbare waarde van geur op geurgevoelige gebouwen in het omgevingsplan op te nemen. Er is geen sprake van overschrijding van de voorgrondbelasting. Ten aanzien van de achtergrondbelasting geldt dat er sprake is van een redelijk goede milieukwaliteit. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Tevens worden omliggende veehouderijen niet belemmerd door deze ontwikkeling. 5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, 48 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). G roepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.1 Onderzoek Aan de hand van de kaart 'omgevingsveiligheid' van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Op deze kaart staan onder andere de brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van externe risicobronnen. In figuur 5.5 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.

Figuur 5.5: Uitsnede Atlas Leefomgeving, omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) Uit de kaart blijkt dat de dichtstbijzijnde risicobron op een afstand van circa 2 kilometer ligt. Het betreft een bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 49 opslagtank met propaan van Maatschap Hesselink aan de Holscherdijk. Daarnaast ligt op een afstand van circa 2,6 kilometer een LPG-tankstation aan de Bornsestraat (Tankstation Krabbe). Het plangebied ligt op ruime afstand van de brand- en explosieaandachtsgebieden waardoor het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmering vormt voor deze ontwikkeling. 5.8.2 Conclusie Als gevolg van het plan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Evenmin ligt het plangebied in een aandachtsgebied van een risicobron. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. 5.9 Trilling 5.9.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten.

Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden.

Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 5.9.2 Situatie plangebied Het aspect 'trillingen' is niet relevant voor dit plan aangezien het plangebied zich niet bevindt in de nabijheid van spoorlijnen, bedrijven of andere functies waar trillingen kunnen plaatsvinden. Tevens wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt die kan leiden tot trillingshinder bij omwonenden. 5.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10 Archeologie 5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; 50 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Situatie plangebied Op grond van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland geldt dat het plangebied is gelegen in het gebiedstype "beekdalen en overige laagten".

Voor dit gebiedstype geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm, met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebied met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. In figuur 5.6 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven. Figuur 5.6: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Zoals uit bovenstaande figuur 5.6 blijkt grenst het plangebied niet aan een van de uitzonderingsgebieden. Gelet op vorenstaande wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor dit plan. 5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk.

Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving geen rijks- en gemeentelijke monumenten waarvan bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 51 de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief beïnvloed kan worden. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor dit plan. Ook ligt het plangebied niet in een landschap dat als cultuurhistorisch waardevol is aan te merken. 5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11 Bodem 5.11.1 Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit.

De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art.

5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe bodemgevoelige functies en gebouwen. Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de nieuwe woningen, is door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2025-0978, versie 1.0, d.d. 22 juli 2025) conform NEN 5740. Het bodemonderzoek is als Bijlage 7 bij deze motivering opgenomen. Het verkennend bodemonderzoek betreft een actualisatie van het bodemonderzoek dat in 2018 is uitgevoerd (zie Bijlage 8). Hieronder worden de resultaten weergegeven van het bodemonderzoek uit 2025. Resultaten grond Chemisch analytisch zijn in de boven- en ondergrond licht verhoogde gehalten aan barium aangetoond. De verhoogde gehalten aan barium in de grond hebben vermoedelijk een natuurlijke oorzaak. Deze zijn bij het voorgaande onderzoek in 2018 eveneens aangetoond.

Resultaten grondwater Chemisch analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan naftaleen aangetoond. Het is niet bekend waardoor de aangetoonde verontreiniging met naftaleen wordt veroorzaakt. De peilbuis staat op dezelfde plek als tijdens het onderzoek van 2018. De verhoogde concentratie valt niet te relateren aan de activiteiten welke na 2018 zijn uitgevoerd en daarmee wordt de zorgplicht niet van toepassing geacht. Conclusies De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmering tegen de voorgenomen planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek 52 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 is niet noodzakelijk. 5.11.3 Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor de nieuwe wooonfuncties. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 5.12 Waterbelang Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen.

5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden.

Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling. bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 53 5.12.2 Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.

Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren.

Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt.

Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. 5.12.3 Situatie plangebied Weging van het waterbelang Op 28 november 2025 is het plan in het kader van 'Het Wateradvies' voorgelegd aan het waterschap en per mail is het waterschap eveneens gevraagd om advies uit te brengen. Vervolgens heeft op 4 december 2025 een overleg met het waterschap Vechtstromen plaatsvinden. Op grond van het 'Water- en Rioleringsprogramma 2025-2030' van de gemeente Dinkelland geldt een bergingseis van 40 mm per verhard oppervlakte (daken en alle verhardingen) voor hemelwater. De oppervlakte van de nieuwe bebouwing (aaneengebouwde woningen inclusief bijgebouwen en verharding zoals parkeerplaatsen, voetpad en achterpad inritten bedraagt circa 1.246 m2, waarbij wordt opgemerkt dat voor de aaneengebouwde woningen met bijgebouwen een vaste oppervlakte van 100 m2 aan bebouwing per kavel is gerekend. Daarmee geldt een waterbergingseis van (1.246 * 40 mm = 49,84 m3) afgerond 50 m3. Tussen het voorgenomen plan en woningbouwplan Saasveld de Lenne is een bestaande groenstrook met wadi aanwezig. De bestaande wadi heeft een inhoud van 185 m3 en voorziet ten opzichte van het woningbouwplan De Lenne in een overschot van 15 m3.

Immers, op grond van de verharding van woningbouwplan Saasveld, De 54 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Lenne gold dat 170 m3 aan waterberging noodzakelijk was. Om te voorkomen dat er wadiruimte verloren gaat door het aanleggen van een duiker of brug voor de nieuwe inritten, wordt gekozen voor onderstaande oplossing zoals in figuur 5.7 is weergegeven (welke ook in Albergen aan de Kanaalweg is toegepast) waardoor de wadi's verbonden blijven. Figuur 5.7:Toepassing inrit Kanaalweg Albergen (bron: Cyclomedia) Aan de achterzijde van dit plan is ruimte gereserveerd voor waterberging (wadi). In de regels van dit omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting (specifieke functieregel) voor het aanleggen en nadien instandhouden van de waterbergingsvoorzieningen opgenomen. Daarmee is geborgd dat er voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd. De daken én de verharde oppervlakten kunnen afwateren op deze wadi, waardoor op voorhand is aangetoond dat voldaan kan worden aan de verplichte waterbergingseis. De wijze waarop de waterhuishouding exact plaatsvindt, zal bij de aanvraag omgevingsvergunning nader uitgewerkt worden. Op voorhand is aangetoond dat het plan voldoet aan de verplichte waterbergingseis.

Tot slot adviseert het waterschap om de parkeerplaatsen ietwat verdiept aan te leggen ten opzichte van de woningen, zodat de parkeerplaatsen bij extreme regenbuien kan fungeren als bufferzone voor waterberging. Daarnaast adviseert het waterschap om het vloerpeil van de woning 30 cm boven de as van de weg te realiseren. Ten aanzien van het huishoudelijk afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke riool. Gemeenten hebben de plicht om afvalwater in te zamelen in de bebouwde kom. De aansluiting van de riolering zal moeten voldaan aan de gemeentelijke eisen. Daarbij geldt in ieder geval dat de riolering onder vrij verval aangesloten moet worden op de bestaande riolering. De rioolaansluitingen moeten zo min mogelijk de wadi doorkruizen. Daar zal bij de definitieve uitwerking van het plan bij de omgevingsvergunning rekening mee gehouden worden. Dit vormt op voorhand geen belemmering voor dit omgevingsplan. Op voorhand wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor dit plan. 5.12.4 Conclusie Het waterschap heeft op voorhand akkoord gegeven op de plannen. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot het waterbelang, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen 5.13.1 Algemeen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 55 het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.

De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van rekenmodellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

5.13.2 Situatie plangebied Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich agrarische productiegronden welke voorzien zijn van de functie 'Agrarisch - 1' op grond van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland, onderdeel 'bestemmingsplan Buitengebied 2010'. Daarmee zijn de gronden aangewezen voor het agrarische gebruik en kunnen gewassen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf geteelt worden. De afstand van de functie 'Wonen - Wonen in de bebouwde kom' tot aan het kadastrale perceel met nummer 4029 bedraagt 55 meter. Deze grond is in eigendom van het waterschap en betreft de Saasvelderbeek. De afstand van de functie 'Wonen - Wonen in de bebouwde kom' tot aan het kadastrale perceel met nummer 4 bedraagt 61 meter waardoor voldaan wordt aan de afstandseis van 50 meter. Ten noorden van het plangebied bevinden zich op grond van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland, onderdeel 'Saasveld' ook gronden met een agrarische functie. Deze gronden worden niet voor een grondgebonden agrarisch bedrijf gebruikt maar zijn in ingericht en gebruik als tuin bij de naastgelegen woning en als hobbymatige dierenweide. Daarbij wordt opgemerkt dat op het perceel met nummer 5106 een grondgebonden zonnepanelenveld met een oppervlakte van 695 m2 aanwezig is.

De omgevingsvergunning voor het zonnepanelenveld is op 11 september 2023 verleend en de omgevingsvergunning is voor een termijn van 25 jaar aangevraagd (en verleend). Het zonnepanelenveld bestaat uit 217 zonnepanelen en voorziet in 55% van de energiebehoefte van de bakkerij. Daarmee zijn die gronden eveneens niet in agrarisch gebruik waardoor op deze gronden geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. 5.13.3 Conclusie Het aspect 'gewasbeschermingsmiddelen' vormt geen belemmering voor dit plan. Ten opzichte van de agrarische productiegronden aan de westzijde van het plangebied wordt voldaan aan de afstand van 50 meter. De agrarische gronden ten noorden van het plangebied zijn in ingericht en in gebruik als tuin bij de naastgelegen woning, als hobbymatige dierenweide en als zonnepanelenveld waardoor er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. 56 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkeling moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie.

Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten. Los van het kostenverhaal zijn initiatiefnemers leges verschuldigd voor het doorlopen van de planologische procedure. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het onderhavige plan financieel uitvoerbaar.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 57 58 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19 Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1050/documents/25590