Motivering Oppersveldweg 4 Agelo
Tekst van het document
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 , met name afdeling 5.1 ‘ Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld , zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie . Voor zover relevan t is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen.
De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb ), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiv eerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.
Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale re sultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling ( ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkeling en kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 27 Stedelijke ontwikkeling Het voorliggende project maakt de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2 mogelijk. Uit jurisprudentie (ABRvS 3 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4409) blijkt dat een uitbreiding van een bestaande functie met circa 400 m2 geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is.
Gezien het aangebouwd bijbehorend bouwwerk slechts 42 m2 zal worden is deze zodanig kleinschalig dat deze niet kan worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan geen stedelijke ontwikkeling is en dat de ladder niet van toepassing is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: • de EU-richtlijn mer (mer -richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb -richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor.
Deze mer -procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan -mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer - (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer - (beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer -plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan -mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1.
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan -mer-beoordeling worden uitgevoer d. De mer -(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 28 In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan -mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan -mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit . Dit project heeft betrekking op de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2, waarbij afgeweken moet worden van de gebruiksfunctie van natuur. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kant oorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: • de aard en omvang van de ontwikkeling; • de vormgeving en opzet; • de schaalgrootte; • de ligging; • de voorgenomen functie(wijziging), en; • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). De voorgenomen ontwikkeling betreft de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2. De ontwikkeling vindt gedeeltelijk plaats binnen de functie Bos-Natuur.
Natuurwaardenonderzoek en een effectenbeoordeling heeft aangetoond dat de impact minimaal is. Bovendien wordt er geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit middels landschapsmaatregelen. Gezien de kleinschaligheid van dit project kan worden geconcludeerd dat dit geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Er is dus geen sprake van een project-mer-(beoordelings)plichtig project. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 29 Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer - en vervoerplan 201 9. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019.
Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeersgeneratie Gezien de voorgenomen ontwikkeling slechts de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft, zal dit geen extra verkeersbewegingen met zich meebrengen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat voor het aspect verkeersgeneratie geen belemmeringen zijn. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. In voorgenomen ontwikkeling wordt de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2 mogelijk gemaakt. Dit aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt enkel gebruikt voor opslag ten behoeve van spullen van de accommodatie (zoals tuinmeubilair en afvalbakken) en de gasten van de boerderijkamers.
Gezien het aangebouwd bijbehorend bouwwerk enkel wordt gebruikt voor opslag en er geen uitbreiding van verblijfsmogelijkheden plaatsvindt, kan geconcludeerd worden dat extra parkeergelegenheid niet noodzakelijk is. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘parkeren’ geen belemmering vormt. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn - en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 30 Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv.
ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000 -gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied is ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ en ligt op een afstand van 1,6 kilometer van de projectlocatie. De afstand tot de projectlocatie is aangegeven in figuur 5.1. Er is in het kader van gebiedsbescherming en soortenbescherming een QuickScan Natuurwaarden uitgevoerd. Het volledige onderzoek is weergegeven in bijlage 1. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 31 Figuur 5.1 – Afstand tot Natura 2000-gebied ‘Springendal dal van de Mosbeek’ (Bron: Atlas van de Leefomgeving) Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000 -gebied.
Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Gelet op de aard , namelijk een zeer kleinschalige ontwikkeling, van de voorgenomen activiteiten kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000 -gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt de uitstoot van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Daarom hoeft voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Conclusie Met de gevraagde vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt geen oordeel gegeven over de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 -activiteit benodigd is, maar wordt rekening gehouden met (de effecten op) de Natura 2000 -waarden. Ge let op de bovenstaande motivering staat het Natura 2000 -gebiedsbeschermingsrecht niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het gevraagde project in de weg.
5.4.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS w erd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee,
AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 32 tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overi jssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied ligt volledig binnen het Natuurnetwerk Nederland. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. Figuur 5.2 – Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. (bron: Natuurbank Overijssel). Voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie Overijssel beleidsregels vastgelegd in de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregels zijn als volgt: Artikel 4.62 (afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen) In afwijking van artikel 4.58 kan een Omgevingsplan voorzien in een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. Er uit onderzoek blijkt dat een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; b. De wezenlijke kenmerken van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast; en c.
Er maatregelen worden getroffen waardoor per saldo: 1)versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden; of 2) een vergroting van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland plaatsvindt. Conclusie Er is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. De punten van Artikel 4.62 zoals hierboven benoemd zijn getoetst op pagina 17. Er is een zorgvuldige afweging gemaakt van alternatieven en er is een landschapsplan opgesteld. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast.
BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 5.4.3 Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende | beschermingsregimes | gehanteerd | waaraan | verschill | ende | verbodsbepalingen | zijn gekoppeld: • | Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); • | Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); • | Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied In het kader van soortenbescherming is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd door de Natuurbank Overijssel, de conclusie m.b.t.
soortenbescherming is als volgt: ‘ | De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied, er nestelen geen vogels in het plangebied en er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Daarnaast bezetten grondgebonden zoogdieren of amfibieën geen vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen | activiteiten | wordt | geen | beschermd | dier | gedood | en | wordt | geen | vaste | rust | - of voortplantingsplaats beschadigd of vernield.’ Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze onderbouwing. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg, nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl | instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl | . Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • | er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • | het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • | het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
33 AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 34 De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaa n over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3% -grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project d e 3% -grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM -tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. Situatie plangebied De voorliggende ontwikkeling betreft enkel de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2. Gezien dit geen extra verkeersbewegingen met zich mee zal brengen, zal dit niet zorgen voor een toename in NO2 en PM10. Er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van dit plan. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook ge luid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 35 dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals • verzorgingstehuizen, • psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: Figuur 5.3 - Standaardwaarden (Bron art.
5.78T van het BKL) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluids beleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd - en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Weg- en verkeerslawaai De initiatiefnemer is voornemens een aangebouwd bijbehorend bouwwerk te legaliseren van 42 m2, waarbij gedeeltelijk zal moeten worden afgeweken van de functie ‘Natuur en Bos’. Met de oprichting van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt geen geluidsgevoelig object opgericht. Toetsing aan de weg- en railverkeerslawaai is hiermee niet noodzakelijk.
AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 36 Industrielawaai De initiatiefnemer is voornemens een aangebouwd bijbehorend bouwwerk te legaliseren van 42 m2, waarbij gedeeltelijk zal moeten worden afgeweken van de functie ‘Natuur en Bos’. Met de oprichting van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt geen geluidsgevoelig object opgericht , tevens vinden geen activiteiten plaats die enige vorm van industrielawaai met zich mee kunnen brengen . Toetsing aan de industrielawaai is hiermee niet noodzakelijk. Geluid door belastende activiteiten De initiatiefnemer is voornemens een aangebouwd bijbehorend bouwwerk te legaliseren van 42 m2, waarbij gedeeltelijk zal moeten worden afgeweken van de functie ‘Natuur en Bos’. Met de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk kan eventueel een negatief effect ontstaan om de omgeving m.b.t. het aspect geluid. Er zullen geluidswerende maatregelen getroffen worden waardoor het geluid dat afkomstig is uit het aangebouwd bijbehorend bouwwerk zal worden beperkt. Geluidswerende maatregelen Om de impact van geluid afkomstig uit de overkapping op de omgeving te beperken, worden bij het aangebouwd bijbehorend bouwwerk van de plattelandskamers gerichte geluidswerende maatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn erop gericht om geluidsuitstraling naar het omliggende landschap te minimaliseren.
De volgende voorzieningen worden getroffen: Afsluitbare zijwanden: Het aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt voorzien van een afsluitbare wand ter hoogte van de nu open delen, waardoor geluidsuitstraling naar de omgeving wordt beperkt en zich niet ongecontroleerd naar buiten verspreidt. Dakconstructie met geluidsdemping: De dakconstructie wordt geïsoleerd en/of voorzien van geluidsabsorberend materiaal aan de onderzijde om nagalm en weerkaatsing van geluid te beperken. Gebruik van zachte materialen: Binnen het aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt gekozen voor zachte materialen (bijv. stoffering, houten wandbekleding, vloerkleden), die bijdragen aan de demping van het geluid. Beperking van geluidsbronnen: In de huisregels van de boerderijkamers wordt opgenomen dat het gebruik van versterkte muziek niet is toegestaan. Daarnaast is er in het kader van soortenbescherming een effectenbeoordeling uitgevoerd voor het in gebruik nemen van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk m.b.t. de aspecten licht en geluid. Het geluid en verlichting, afkomstig van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk, leidt niet tot het doden van beschermde dieren of het beschadigen of vernielen van vaste rust - en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren. Het in gebruik nemen van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het in gebruik nemen van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk . Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 37 5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur.
Dit w ordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor nie t meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied Het perceel aan de Oppersveldweg 4 is gelegen in het buitengebied van Agelo en Ootmarsum. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Zonnebergweg 6-8 en betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hierbij geldt een minimale afstand van 50 meter tot gevoelige objecten in het buitengebied. De afstand van het bouwvlak tot het aangebouwd bijbehorend bouwwerk behorende bij de boerderijkamers bedraagt minimaal 200 meter. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de benodigde afstand, enige geurhinder vanuit het agrarische bedrijf is uitgesloten.
Andersom brengt het plaatsen van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk geen activiteiten met zich mee die eventueel voor geurhinder op omliggende gevoelige functies zou kunnen zorgen. Conclusie Het aspect geur vormt, gezien het vorenstaande, geen belemmering voor dit plan. . 5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.
Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het • Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 38 het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn te gen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand - of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl ). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art.
4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl ). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengen oemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 39 Situatie plangebied De initiatiefnemer is voornemens een aangebouwd bijbehorend bouwwerk te legaliseren ten behoeve van opslag/stalling van spullen van de recreatieve voorziening en de recreanten van de boerderijkamers.
Hiermee is geen sprake van oprichting van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er worden geen brandbare en/of gevaarlijke materialen opgeslagen. Figuur 5.4 – aandachtsgebieden en risicobronnen t.o.v. het projectgebied (Bron: Atlasleefomgeving) Er wordt geen gevoelige functie opgericht in het kader van omgevingsveiligheid, en de functie is ook niet binnen een aandachtsgebied gelegen (zie figuur 5.4). Verdere toetsing aan het omgevingsaspect ‘omgevingsveiligheid’ kan hiermee achterwege blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen vormt voor het planvoornemen. 5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl .
Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toede ling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 40 Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder tri llingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen functies te vinden die trillingen veroorzaken , zoals spoorwegen. Spoorwegen en dergelijke andere functies kunnen trillingen veroorzaken. Teven is binnen het projectgebied geen trillingsgevoelig gebouw aanwezig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Trilling en’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.10 Archeologie en Cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een pro ject binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 41 Situatie plangebied Archeologie Figuur 5.5 – archeologische waardenkaart (Bron: gemeente Dinkelland) Het projectgebied valt onder het kopje ‘stuwwalhel lingen met droge zandige en/of grindrijke bodems ’. Binnen deze gronden is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebied groter dan 2500 m2 bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m2 geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Gezien de voorgenomen ontwikkeling de legalisatie van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2 betreft, heeft deze ontwikkeling vrijstelling van archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 42 Figuur 5.6 – cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Provincie Overijssel) Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ geen belemmering zijn voor het planvoornemen. 5.11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl . Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl).
AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 43 Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie plangebied De initiatiefnemer is voornemens om een aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 42 m2 te legaliseren ten behoeve van de opslag/stalling van spullen van recreanten van de boerderijkamers. Artikel 5.89g van het Bkl geeft aan dat een bodemgevoelig gebouw een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Dit is echter niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is in dit geval dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling 5.12 Waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke water toets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan loz ingen van industrieel afvalwater mag toestaan.
Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Situatie plangebied Op 19 mei 2025 is via de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er mogelijk belangen van het Waterschap worden geraakt. Het advies van het waterschap was een korte procedure. Aangaande deze procedure is contact geweest met het wate rschap. In een mail heeft het Waterschap Vechtstromen geuit, dat het plan gering en/of tijdelijk van aard is en geen bezwaar heeft tegen het voorgenomen plan. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar bijlage 3. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 44 6. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie . Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over: nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. AD FONTEM RU IM TELIJK A DVIES BOPA OPPERSVELDWEG 4 AGELO 45 7. Voorwaarden omgevingsvergunning Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten evenwichtig over locaties te reguleren. In dat verband worden de volgende voorwaarden aan de vergunning verbonden: Bijvoorbeeld: 1. Geluidswerende maatregelen a.
Afsluitbare zijwanden: Het aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt voorzien van een afsluitbare wand ter hoogte van de nu open delen, waardoor geluidsuitstraling naar de omgeving wordt beperkt en zich niet ongecontroleerd naar buiten verspreidt. b. Dakconstructie met geluidsdemping: De dakconstructie wordt geïsoleerd en/of voorzien van geluidsabsorberend materiaal aan de onderzijde om nagalm en weerkaatsing van geluid te beperken. c. Gebruik van zachte materialen: Binnen het aangebouwd bijbehorend bouwwerk wordt gekozen voor zachte materialen (bijv. stoffering, houten wandbekleding, vloerkleden), die bijdragen aan de demping van het geluid. d. Beperking van geluidsbronnen: In de huisregels van de boerderijkamers wordt opgenomen dat het gebruik van versterkte muziek niet is toegestaan. 2. De landschapsmaatregelen uit het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze motivering dienen binnen 2 jaar na verlening van de vergunning te worden uitgevoerd.