CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Lemselermaten_Bijlagen _Bijlage 1 Inrichtingsplan Lemselermaten.pdf

Commissie Omgeving & Economie 10 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Lemselermaten (incl. een presentatie)29.395 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3 Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS))

39

Inrichtingsplan Lemselermaten

Natuurherstelmaatregelen uit het Beheerplan M22 Verwijderen ontwatering en natschaderegeling

Definitief maatregelenpakket Gewijzigd

M23 Verwijderen ontwatering zonder natschade landbouw

Gewijzigd, ontwatering wordt niet verwijderd

M24 Verondiepen Weerselerbeek (ca. 30 cm -mv)

Ongewijzigd

M24 Verondiepen Weerselerbeek en Dollandbeek (ca. 30 cm -mv)

Gewijzigd

M25 Verondiepen sloot (Holtwijkerbeek) gelegen tussen percelen behorend bij de maatregelen M16 en M18

Vervallen

M26 Onderzoeksopgave vermesting grondwater

Ongewijzigd

Onderbouwing In slechts enkele van de M22 percelen heeft verwijderen van ontwatering een positief effect op de habitattypen (alleen op de percelen ten noorden van de Weerselerbeek). Dempen van de huidige Dollandbeek is effectiever dan opheffen ontwatering op hoog gelegen dekzandrug, zie scenario 4 en 5 (Willems 2018 d,e). Maatregel is ongewijzigd opgenomen in dit inrichtingsplan. Huidige Dollandbeek wordt binnen de Natura 2000begrenzing gedempt. Dempen van de Dollandbeek is significant gunstiger voor de habitattypen dan verondiepen van de beek. In berekeningen met het grondwatermodel is naar voren gekomen dat deze watergang door de grote afstand benedenstrooms van Lemselermaten geen negatief (verdrogend) effect heeft op de habitattypen. Deze maatregel wordt nog uitgevoerd. Het betreft een peilbuizenonderzoek naar het voorkomen van sulfaat in relatie tot de bedreigde habitats. De locaties voor peilbuizen kunnen pas goed worden bepaald als duidelijk is hoe de experimentele evenwichtsbemesting wordt opgezet.

5.3 MAATREGELEN AAN HET OPPERVLAKTEWATERSYSTEEM Om de grondwatersituatie voor de habitattypen in het Natura 2000-gebied Lemselermaten te verbeteren zijn ingrepen aan het oppervlaktewatersysteem noodzakelijk. Een sterke verondieping van de Weerselerbeek en het dempen van de Dollandbeek zijn hierbij als effectieve maatregelen benoemd. Voor de Weerselerbeek ligt er tevens een KRW-opgave, waarbij een meer natuurlijke inrichting gewenst is, met natuurvriendelijke oevers en waarbij ook de beek minder vaak en minder lang droogvalt. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vispasseerbaar maken van de beek behoren ook tot de KRW-doelen. Maatregelen aan de beken worden gerekend tot de externe maatregelen, ook al ligt de Dollandbeek grotendeels binnen de Natura 2000-begrenzing. Het inrichtingsplan ten aanzien van het oppervlaktewatersysteem vormt een uitwerking van de volgende maatregelen uit het beheerplan: M6 voorkomen inundatie beekdal Weerselerbeek bij piekafvoeren door bekading of verdeelwerk M24 Verondiepen Weerselerbeek en Dollandbeek (ca. 30 cm -mv) Weerselerbeek De Weerselerbeek beek begint bij het verdeelwerk met de Boschbeek op ca. 80 cm -mv en wordt richting de Glipsdijk geleidelijk tot 0,30 m verondiept. Van de Glipsdijk tot het beoogde tracé van de rondweg wordt de beek verondiept tot 30 cm onder maaiveld.

Begroeiing langs de beek is wenselijk, zowel vanuit KRW-doelen (beschaduwing) als het oogpunt van beheer en onderhoud (hoe meer schaduw, hoe minder begroeiing in de beek). Omdat de beek wordt verondiept dient het profiel ook verbreed te worden om de basisafvoer te kunnen verwerken en inundatie van landbouwgrond en natuurgrond (habitattypen Kalkmoeras en Blauwgrasland) zo veel mogelijk te voorkomen. De verbreding van het profiel wordt vormgegeven met flauwe en steile taluds om een gradiëntrijke oeverzone te creëren (Figuur 5.2 en Figuur 5.3). Hiervoor is een strook van ca. 8 tot 13 m breed (deels voor de profielverbreding, deels voor één of tweezijdig 5.00 m brede in te planten strook) nodig. Beek De exacte vorm en afmetingen van de Weerselerbeek (incl. de uitwerking van de hierboven genoemde benodigde kunstwerken) wordt uitgewerkt in de realisatiefase (bij opstellen DO). De dimensies zijn afhankelijk van de voorjaarsafvoeren en het realiseren van voldoende stroming. Een indicatieve weergave van het toekomstige profiel is op Figuur 5.3 weergegeven (principeprofiel). Uitgaande van de verhoging van de grondwaterstand dient nagedacht te worden over hoe de beek onderhouden kan worden.

Mogelijk dient gewerkt te worden met ander materieel of wordt het beheer minder intensief en enkel uitgevoerd in droge perioden, waarbij te forse plantengroei op de oevers en de beekbodem bijvoorbeeld met een bosmaaier kan worden uitgemaaid. Dit geldt met name voor de eerste jaren (periode van overgangsbeheer) waarbij de nieuwe beplantingen langs de beek nog onvoldoende voor schaduw zorgen.

40

Inrichtingsplan Lemselermaten

Het beheer wordt zeker in de beginperiode intensiever en kan hoogstwaarschijnlijk niet met de gebruikelijke machines of zelfs niet machinaal worden uitgevoerd (handmatig) vanwege de te verwachten toegenomen grondwaterstand.. Wanneer de beek volledig in het hout komt neemt de beheerinspanning af naarmate de beschaduwing toeneemt. Onduidelijk hoe lang dit duurt. Waar de beek niet in het hout komt vraagt het beheer in de toekomst meer inspanning. Over het inplanten van de natuurstrook worden aanvullende afspraken vastgelegd met de aanliggende grondeigenaar.

Figuur 5.2 Principeprofiel Weerselerbeek ter hoogte van het natuurgebied Lemselermaten.

Figuur 5.3 Principeprofiel Weerselerbeek tussen Boschbeek en Glipsdijk.

Kunstwerken Om de Weerselerbeek langer watervoerend te maken wordt de beek verbonden met de Boschbeek. Doel is het oorspronkelijke natuurlijke beeksysteem te herstellen waardoor de Bosch en Weerselerbeek een stromende en fauna passerbare verbinding verkrijgt met de Middensloot. Er wordt een nieuwe verbinding gegraven tussen de Weerselerbeek en de hoek van de Boschbeek met de Middensloot. Hier wordt een robuust verdeelwerk aangebracht die ervoor zorgt dat de basisafvoer naar de Weerselerbeek gaat, maar piekafvoeren via de Middensloot afgevoerd worden. Hierdoor wordt voorkomen dat de verondiepte Weerselerbeek te veel erodeert/uitspoelt en benedenstrooms, bij de toekomstige rondweg en de kern Weerselo, wateroverlast optreedt. De verbinding krijgt een vergelijkbare diepte als de Boschbeek. Vanaf deze verbinding loopt de bodem van de Weerselerbeek geleidelijk op tot de gewenste 30 cm onder maaiveld bij de Glipsdijk. Dit zorgt ervoor dat de beek jaarlijks langer watervoerend wordt. Dit dient zowel doelen vanuit Natura 2000 (tegengaan van verdroging) als KRW (watervoerendheid beek) en sluit aan bij de Weerselerbeekvisie van waterschap Vechtstromen. 41

Inrichtingsplan Lemselermaten

Op verschillende plekken moeten, met het verondiepen van de Weerselerbeek, ook duikers worden aangepast (veelal vervangen en verhoogd aangelegd). Qua obstakels kent de Weerselerbeek een stuw ter hoogte van de plek waar de Holtwijkerbeek en de Weerselerbeek samen komen. Deze is nu niet vispasseerbaar. Deze stuw wordt vervangen voor een vistrap. Omdat de vistrap een behoorlijk hoogteverschil moet overwinnen door middel van sprongen van elk 5 cm en er minimaal 12-15m aan ruimte moet zitten tussen de trappen is extra beeklengte noodzakelijk. Hiervoor wordt ter plaatse een meander aangelegd om deze extra lengte te winnen. Boschbeek en Middensloot Deze beken blijven in hun huidige vorm gehandhaafd, waarbij in de bocht van de nieuwe aantakking met de Weerselerbeek, een verdeelwerk wordt aangelegd. Dit verdeelwerk leidt normale afvoeren naar de Weerselerbeek en zorgt ervoor dat piekafvoeren via de Middensloot afgevoerd blijven worden. Dollandbeek De Dollandbeek wordt binnen het natuurgebied volledig gedempt. Verondiepen van de Dollandbeek heeft een significant minder positief effect op de habitattypen dan dempen. Omdat de beek onderin het beekdal ligt, blijft er een natuurlijke laagte aanwezig die zorgt voor oppervlakkige afvoer van afstromend water.

De Dollandbeek heeft een afwaterfunctie voor de landbouw en voert water van het ten oosten van de Lemselermaten gelegen landbouwgebied af. Deze functie moet gehandhaafd blijven, maar kan niet verenigd worden met demping van de Dollandbeek. Er is daarom een oplossing gezocht in het aanleggen van een alternatieve afwateringssloot voor dit water ten zuiden van de Dollanddijk. Deze nieuwe watergang wordt de Nieuwe Dollandbeek genoemd. Een bijkomend voordeel van de aanleg van de Nieuwe Dollandbeek is dat landbouwwater niet meer door het natuurgebied stroomt en er dus geen risico is op inundatie van het natuurgebied met nutriëntenrijk water. Omdat de Holtwijkerbeek niet verondiept of gedempt hoeft te worden kan het water uit de Nieuwe Dollandbeek via deze beek afgevoerd worden naar de Weerselerbeek. Bij het dempen van de huidige Dollandbeek blijft een natuurlijke meestromende laagte achter die geschikt blijft voor macrofauna (o.a. kokerjuffers). Nieuwe Dollandbeek De Dollandbeek stroomt vanaf het oosten naar de Lemselermaten. Het laatste stuk voor de grens met het natuurgebied wordt de beek verondiept naar 50 cm onder maaiveld.

Vanaf de grens met de Lemselermaten, ter hoogte van de landlopers begraafplaats, wordt aan de zuidzijde van de Dollanddijk een nieuwe watergang gegraven, eveneens met een diepte van 50 cm onder maaiveld, die vervolgens onder de Rutermedenweg door loopt langs de westzijde van de Rutermedenweg en de noordzijde van de N343 Lemselosestraat uitkomt in de Holtwijkerbeek. Uit berekeningen met het oppervlaktemodel is gebleken dat het profiel van deze beek voldoende ruim is om dit extra water van de Dollandbeek af te voeren. Om geen drainerend effect op de natuur te krijgen mag de beekbodem niet dieper dan 50 cm onder maaiveld komen te liggen. Vanaf de aansluiting van de Rutermedenweg op de provinciale weg stroomt het water verder via een bestaande (te herprofileren) watergang naar de Holtwijkerbeek. Door deze ligging (langs de provinciale weg) worden de percelen ten westen van de Rutermedenweg niet doorsneden door een nieuwe watergang. Kunstwerken Op verschillende plekken moeten, met het verondiepen van de Dollandbeek, ook stuwen, duikers en drainage worden aangepast. Studietracé nieuwe Dollandbeek De ligging van de nieuwe Dollandbeek kan nog worden aangepast na overleg met de betreffende perceeleigenaren. Zo is er de mogelijkheid om de nieuwe beek gedeeltelijk langs de Dollanddijk aan te leggen en nog voor de Rutermedenweg af te laten buigen richting de provinciale weg (N343).

Dit deel van de beek kan natuurlijker aangelegd worden, met een slingerend verloop en flauwere taluds.

42

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 5.4 Principeprofiel Dollanddijk met nieuwe Dollandbeek (ligging beek met schouwpad indicatief).

De Dollanddijk is een zandweg met een laanbeplanting van eiken. De greppel aan de noordzijde van de dijk, binnen de begrenzing van het Natura 2000 gebied, wordt gedempt. De betreffende greppel aan de zuidzijde wordt verondiept tot 20 cm onder maaiveld om oppervlakkig afstromend water te kunnen afvoeren. De zandweg moet waarschijnlijk worden opgehoogd om bij hoge grondwaterstanden voldoende drooglegging te houden (paragraaf 6.3.2 Wegen en erven). De weg wordt gebruikt door klootschietvereniging Nijstad. Het nieuw tracé van de Dollandbeek vanaf de landlopersbegraafplaats richting de Rutermedenweg loopt (voorlopig) parallel aan de Dollanddijk, op 10 m uit de Dollanddijk.

5.4 MAATREGELEN AAN- EN RONDOM HET NATUURGEBIED In voorgaande paragraaf zijn de maatregelen aan de beken toegelicht (externe maatregelen). Alle overige maatregelen worden in deze paragraaf toegelicht en zijn weergegeven in kaartbeelden. Eerst worden de overige externe maatregelen beschreven, daarna volgen de interne maatregelen (paragraaf 5.4.2 Interne maatregelen) en bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen (paragraaf 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat en 5.4.4 Sulfaatmaatregelen) en meekoppelkansen (paragraaf 5.5 Meekoppelkansen).

43

Inrichtingsplan Lemselermaten

5.4.1 Externe maatregelen Externe maatregelen zijn alle, voor instandhouding van de habitattypen benodigde, maatregelen op- of buiten de Natura 2000-begrenzing. Hieronder vallen ook de maatregelen aan de Weerselerbeek en Dollandbeek buiten de Natura 2000begrenzing zoals in paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem staan beschreven. M17, M18, M21, M22 verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) (M6 en M24 zijn behandeld in paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem)

Figuur 5.5 Kaartbeeld externe maatregelen ten noorden van Lemselermaten.

De maatregelen M17, M18, M21 en M22 liggen ten noorden van de Glipsdijk/Weerselerbeek en hebben (samen met verondieping van de Weerselerbeek) tot doel de kweldruk binnen Lemselermaten te verhogen en/of de wegzijging en afvoer van grondwater te verminderen. In dit inrichtingsplan zijn ze vertaald in het dempen van watergangen/greppels (blauwe lijnen) en het verwijderen of onklaar maken van aanwezig drainage (gele kruisraster). Ten behoeve van de ontwatering van de Glipsdijk en oppervlakkige afvoer van water van aangrenzende landbouwpercelen worden de greppels langs de dijk niet volledig gedempt, maar verondiept tot 30 cm onder de maaiveldhoogte van de wegberm. Vanwege de verondieping van de Weerselerbeek (paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem) moet de duiker onder de Glipsdijk worden aangepast. De eigenaar van de percelen bovenstrooms van deze duiker, noordelijk van de beek heeft het verzoek om de beek iets naar het zuiden te verleggen (zodat de beek tussen de inlaat met de Boschbeek en de kruising met Glipsdijk wat meer één lijn wordt). Dit zal in de realisatiefase nader onderzocht en uitgewerkt worden. De Boschbeek wordt met de Weerselerbeek verbonden via een nieuw stuk beekloop en een verdeelwerk. Ook deze aansluiting van de Weerselerbeek op de Boschbeek/Middensloot wordt in de realisatiefase nader uitgewerkt.

Aan de noordzijde van het landbouwperceel, in de bocht van de Glipsdijk is als maatregel het aanleggen van een kade langs de beek opgenomen (rode lijn). Concreet bestaat de maatregel uit het ophogen van de noordzijde van het perceel met ca. 30 cm om inundatie van dit relatief laaggelegen perceel vanuit de Weerselerbeek te voorkomen. De ophoging dient met flauwe, maaibare taluds te worden uitgevoerd. Vanaf de bermsloot van de Bentertsteeg ligt er een duiker naar de Weerselerbeek. Deze buis moet aansluiten op de nieuwe bodemhoogte van de Weerselerbeek en staat gedeeltelijk als te herleggen op de plankaart (oranje lijn achter erf Glipsdijk). Deze buis zorgt voor de afwatering van het erf nr. Glipsdijk 1/1a. Vanaf het erf Bentertsteeg nr. 2/2a wordt ook een bestaande afvoerbuis verlegt en verlengt. Deze moet zorgen voor de afwatering van het betreffende erf richting de Weerselerbeek.

44

Inrichtingsplan Lemselermaten

M14, M16, M21 Verwijderen ontwatering

Figuur 5.6 Kaartbeeld externe maatregelen ten zuid-oosten van Lemselermaten.

De maatregelen M14, M16 en M21 liggen ten oosten van het Natura 2000-gebied en hebben tot doel de hydrologische situatie binnen de habitattypen te verbeteren en eventuele natschade voor de landbouw te compenseren of mitigeren. In het inrichtingsplan zijn de hydrologische maatregelen vertaald in het dempen van diverse watergangen/greppels tussen landbouwpercelen en op de grens met het natuurgebied, samen met het verwijderen of onklaar maken van aanwezige drainage. Aan de oostzijde wordt een nieuwe greppel aangelegd om water van de landbouwpercelen naar de Lemseloseschoolweg te kunnen afvoeren. De maatregel ‘duiker afdoppen’ heeft betrekking op de hier aanwezig duiker van 500 m lengte (en diameter 230 mm) die vanaf de grens van het Natura-2000 gebied in contact staat met de Lemseleresbeek. We overwegen om de duiker geheel te verwijderen zodat er geen “weesleidingen” in de grond achterblijven, in ieder geval tot aan de Glipsdijk. De Dollandbeek langs de Dollanddijk wordt verondiept tot 50 cm -mv conform de maatregel uit het Beheerplan. Voor het deel van de Dollandbeek tussen de Lemseloseschoolweg en het te verondiepen deel geldt dat in de realisatiefase onderzocht moet worden of herprofilering van de watergang nodig is, om de afvoerfunctie goed te kunnen vervullen.

Mogelijk moeten er ook aanwezige stuwen worden verwijderd, duikers worden vervangen of moet de ligging van duikers worden aangepast. Ten behoeve van de afwatering van de percelen ten noorden van de Dollanddijk naar de Dollandbeek ten zuiden daarvan, wordt een nieuwe duiker onder de Dollanddijk aangebracht. Omdat de Nieuwe Dollandbeek minder diep wordt dan de huidige moet de aanwezige buisdrainage in een perceel ten zuiden van de Dollanddijk aangepast worden naar deze hoogte. De drainage ligt dieper dan de nieuwe bodemhoogte van de beek, waardoor water uit de buisdrains niet afgevoerd kan worden. Dit betekent dat de drainage uitgenomen wordt en op de juiste hoogte (50 cm -mv) wordt teruggeplaatst. Dit geldt ook voor de hier aanwezige verduikering. Deze staat als herleggen buis naar nieuwe bodemhoogte op de plankaart. Een alternatief in de vorm van een peil-gereguleerd systeem wordt nog onderzocht en in de ontwerpfase nader uitgewerkt. Voor de landbouwpercelen ten oosten en ten zuiden van de Lemselermaten gelden bemestingsbeperkende maatregelen (paragraaf 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat).

45

Inrichtingsplan Lemselermaten

M17, M18 Verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage)

Figuur 5.7 Kaartbeeld externe maatregelen westzijde Lemselermaten.

De maatregelen M17 en M18 liggen ten westen van het Natura 2000-gebied en hebben tot doel de hydrologische situatie binnen de habitattypen te verbeteren. De maatregelen zijn concreet vertaald in het dempen van beide bermsloten van de Rutermedenweg ter hoogte van de Lemselermaten en het dempen van alle watergangen tussen de Holtwijkerbeek en de Rutermedenweg. De invloed van de Holtwijkerbeek reikt niet tot binnen Natura 2000-gebied. Hier vindt dan ook geen maatregel plaats (M25 is vervallen). Ditzelfde geldt voor de percelen binnen het uitwerkingsgebied ten westen van de Holtwijkerbeek. Verondieping van de Weerselerbeek (M24 reeds beschreven in paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem) leidt mogelijk tot een benodigde aanpassing van de duiker onder de Rutermedenweg. Maar het is ook zeer waarschijnlijk dat de duiker geheel verwijderd kan worden aangezien de Rutermedenweg met de komst van de rondweg Weerselo afgesneden en verwijderd zal worden. In de realisatiefase wordt dit, in afstemming met de planuitwerking van de rondweg Weerselo, nader uitgewerkt. De aanleg van een hellingpassage, om het hoogteverschil op te vangen tussen het verondiepte deel van de Weerselerbeek met de huidige beekbodemhoogte ten westen hiervan, is ook reeds beschreven in paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem.

Bij aanleg van de nieuwe Dollandbeek wordt ook een nieuwe duiker in de Rutermedenweg aangebracht. Dit wordt in de realisatiefase, bij het opstellen van het definitief ontwerp (DO), nader uitgewerkt.

46

Inrichtingsplan Lemselermaten

5.4.2 Interne maatregelen De interne maatregelen betreffen inrichtingsmaatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing, zowel op gronden van Staatsbosbeheer als op particuliere gronden. Reguliere beheermaatregelen zoals verwijderen van opslag, hooilandbeheer en het lokaal afschrapen van de strooisellaag/zode zijn niet meegenomen in dit inrichtingsplan. M1 Verwijderen ontwatering (sloten en buis drainage) en inrichten in verworven NNN-percelen binnen Natura 2000 gebied

Figuur 5.8 Kaartbeeld interne maatregelen Lemselermaten.

Om de gewenste hydrologie te herstellen moet ook de detailontwatering worden aangepast. Door deskundigen van Staatsbosbeheer is bekeken welke watergangen en kunstwerken moeten worden aangepast, waarbij voldoende afvoercapaciteit behouden blijft om stagnatie van water te voorkomen. De interne hydrologische maatregelen zijn zowel op percelen van Staatsbosbeheer als particuliere percelen uitgewerkt. Greppels en sloten liggen echter vaak op een perceelsgrens en kennen dan een gedeeld eigendom. Concrete invulling maatregel: 1. Alle watergangen en greppels dempen (voor een watergang in het westen van Lemselermaten geldt verondiepen tot een diepte van 30 cm onder maaiveld); 2. Verwijderen van drainage op voormalige landbouwperceel (in eigendom provincie); 3. Op 5 locaties (niet op kaart) wordt er een opening gemaakt in bestaande grondwallen. Deze maatregel heeft als doel oppervlakkige afstroming te bevorderen en daarmee stagnatie te voorkomen. De maatregel is op de plankaart opgenomen als ‘doorstroming optimaliseren’. M3 verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) en inrichten verworven NNN-perceel binnen Natura 2000 gebied Het betreft hier de inrichting van een voormalig landbouwperceel. Om de hydrologie te herstellen moet de detailontwatering worden aangepast en wordt de zode van een deel van het perceel afgeschraapt. Concrete invulling maatregel: 1.

300 meter watergang wordt gedempt; 2. In het perceel wordt circa 1 ha van de zode afgeschraapt.

47

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 5.9 Kaartbeeld inrichtingsmaatregelen voormalig landbouwperceel (M3).

M9 (af)Schrapen strooisellaag/zode en verwijderen bos (zoekgebied boskap en schrapen zie Figuur 5.8) Om de kwaliteit van de kalkmoerassen te behouden is zowel behoud als uitbreiding noodzakelijk. Het huidige restant van het kalkmoeras is te klein (te kwetsbaar) om te kunnen overleven. De locatie vlakbij het huidige Westelijke en Oude Maatje is het meest geschikt voor de uitbreiding. Hiervoor dient bos gekapt te worden en dient de strooisellaag te worden verwijderd. Op het kaartbeeld is deze maatregel alleen ingetekend op de percelen van Staatsbosbeheer. Ook op het tussenliggende particuliere perceel kan het bos deels omgevormd worden naar Kalkmoeras. Het gaat in dit geval om het perceel aan de Reservaatsweg. Direct ten westen van de maatjes van Staatsbosbeheer. Het zoekgebied boskap in het westelijk deel is ten behoeve van de ontwikkeling van vochtige heide. Concrete invulling maatregel: 1. Circa 2,6 ha Vochtig Alluviaal bos binnen het zoekgebied wordt omgevormd naar Kalkmoeras door het kappen van het bos en het verwijderen van de strooisellaag (ca. 10 cm): a. Stobben worden tot maaiveld gefreesd, om het perceel maaibaar te maken; b. De strooisellaag wordt tot de minerale bodem afgeschraapt en afgevoerd; 2. Voor uitvoering van de maatregel wordt de verspreiding van de Zeggekorfslak en grote zeggensoorten in kaart gebracht; 3.

Na uitvoering van de maatregel is minimaal 3 jaar intensief vervolgbeheer nodig, aanvullend op het huidige SNLbeheer en bestaande uit houtige opslag trekken en inzet van een klepelmaaier.

M11 Omvormen Landbouwpercelen Op de gronden in eigendom van Staatsbosbeheer binnen de Natura 2000-begrenzing is het perceel aan de zuidkant langs de Dollanddijk aangewezen voor M11. In een deel van dit perceel wordt de organische zode door middel van schrapen verwijderd tot op de minerale bodem.

48

Inrichtingsplan Lemselermaten

Concrete invulling maatregel: 1. Afschrapen 1,7 ha voormalige landbouwgrond in het in Figuur 5.10 aangegeven gebied; 2. Na uitvoering van de maatregel is minimaal 3 jaar intensief vervolgbeheer nodig, aanvullend op het huidige SNLbeheer en bestaande uit houtige opslag trekken en inzet van een klepelmaaier.

Figuur 5.10 Kaartbeeld inrichtingsmaatregel (af)schrapen voormalige landbouwgrond (M11).

Ten oosten van de Reservaatweg ligt een groot landbouwperceel dat in eigendom is van de provincie. Hier ligt buisdrainage die verwijderd moet worden (Figuur 5.11). Het perceel gaat als gevolg van het verwijderen van de drainage en het dempen van omliggende sloten/greppels vernatten en wordt omgevormd naar natuur. Het beoogde natuurbeheertype is kruidenen faunarijk grasland, waarbij het beheer bestaat uit maaien en afvoeren. Om het beoogde natuurbeheertype sneller te verkrijgen is uitmijnen van het perceel voorgesteld. Hiervoor moet in de realisatiefase een uitmijnadvies opgesteld worden. Na uitmijnen/verschralen kan hier op termijn droog schraalgrasland ontstaan met in de nattere delen vochtige heide. Maaiveldverlaging (verwijderen voedselrijke toplaag) is hier niet toegestaan, omdat dit de hydro-ecologische relaties kan verstoren met significant negatieve effecten op de aangrenzende habitattypen. M13 verwerven percelen, verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) en inrichten binnen Natura 2000 gebied Het particuliere perceel ten zuiden van de Reservaatweg (Figuur 5.11) is niet gedraineerd, maar wel voorzien van sloten en greppels. Alle aangrenzende sloten/greppels worden op dit perceel gedempt. Het perceel ligt binnen de Natura 2000begrenzing en wordt omgevormd naar natuur.

Voortzetting van het agrarisch gebruik is onwenselijk omdat er vanuit bemesting en grondwater directe beïnvloeding is door de ligging direct aan kwetsbare habitats. Het beoogde natuurbeheertype is kruiden- en faunarijk grasland, waarbij het beheer na uitmijnen bestaat uit maaien en afvoeren. Na verschraling kan hier op termijn vochtige heide ontwikkelen. Maaiveldverlaging is niet toegestaan, omdat dit de hydro-ecologische relaties kan verstoren met significant negatieve effecten op de aangrenzende habitattypen.

49

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 5.11 Landbouwpercelen binnen de begrenzing die omgevormd worden naar natuur (groen).

Het graslandperceel in de hoek van de Weerselerbeek en Rutermedenweg (Figuur 5.12) wordt als gevolg van de hydrologische maatregelen verder vernat. Dit perceel ligt binnen de Natura 2000-begrenzing maar wordt niet omgevormd naar natuur. Wanneer de eigenaar wenst om dit perceel om te zetten in natuur, dan is dat in combinatie met afwaardering tot aan de vaststelling van het PIP mogelijk. Dit laatste bepaald de grondeigenaar zelf. Mocht het op termijn toch natuur worden, dan is het natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland van toepassing. Op langere termijn kan het perceel zich ontwikkelen tot vochtig hooiland. Verwerven is geen doel op zich, zelfrealisatie door de eigenaar is mogelijk.

Figuur 5.12 Landbouwperceel binnen Natura 2000 die de bestemming Agrarisch houdt (hoek Rutermedenweg - Weerselerbeek).

50

Inrichtingsplan Lemselermaten

5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat Op basis van risico’s van stikstof en fosfaat zijn met de bemestingsmaatregelenwijzer per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte (paragraaf 3.6 Onderzoek invloed bemesting landbouwpercelen op natuur) de risico’s bepaald op uitspoeling van meststoffen. Vervolgens zijn door deskundigen de benodigde maatregelen bepaald om deze risico’s weg te nemen. Bemestingsmaatregel V leidt tot omvorming naar natuur. Dat is geen keuze van de perceeleigenaar maar wordt in het PIP vastgelegd. De betreffende percelen moeten beheerd worden op basis van het beheerpakket N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland (Figuur 5.13). Op termijn liggen er potenties om dit natuurtype door te ontwikkelen naar bijvoorbeeld N10.02 Vochtig hooiland of N10.01 Nat schraalland. De keuze voor deze doorontwikkeling is aan de grondeigenaar. Voor de natuurpercelen (maatregel V, Figuur 5.14) wordt een uitmijnadvies opgesteld en wordt de grond in het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) qua bestemming omgezet naar Natuur. Dit advies wordt in de realisatiefase omgezet naar een uitwerking van een uitmijnstrategie. Het doel van uitmijnen is de fosfaattoestand in deze percelen terug te brengen naar een niveau dat er geen risico meer is op uitspoelen naar het natuurgebied.

Na de uitmijnperiode vervalt de mogelijkheid tot bemesting, omdat het risico op nitraatuitspoeling naar de natuur te groot is. Omvorming naar natuur is het gevolg van deze maatregel. Beweiding volgens de regels voor natuurterreinen behoort alleen tot de mogelijkheden na het uitmijnproces als dit het behalen van het natuurdoeltype ten goede komt (een en ander ter beoordeling aan de handhaver van de provincie Overijssel) en als hiervoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is afgegeven. Zo niet, dan is beweiden niet toegestaan.

Figuur 5.13 Natuurbeheertypen i.r.t. de Natura 2000 doelen.

Het beheer van de natuurpercelen met daarop een beheerpakket N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland houdt een actief beheer in. Dit active beheer bestaat uit:

-

-

Percelen niet te bemesten. Een uitzondering hierop is bemesting met als doel het uitmijnen van de grond op basis van een door een ter zake kundig adviesbureau opgesteld uitmijnadvies. Bij grasland, zoals die gebruikt wordt in de normale, gangbare agrarische bedrijfsvoering, de 1e 6 jaar na omvorging van landbouwgrond in natuur in het geheel niet beweiden en zoveel mogelijk maaien en afvoeren. Na deze 1e 6 jaar niet beweiden, tenzij dit het natuurdoel ten goede komt. Doch nooit meer dan met maximaal 1,5 GVE per hectare. Alle maatregelen en effecten daarvan te dulden die leiden tot een waterpeil behorend bij een ontwikkeling/instandhouding van het betreffende natuurbeheertype. Tenminste eenmaal per jaar te maaien en het gewas af te voeren. Niet bij te voeren met ruwvoer. 51

Inrichtingsplan Lemselermaten

-

Insporing en structuurbedrerf voorkomen.

5.4.4 Sulfaatmaatregelen Op basis van de onderzoeken naar de effecten van sulfaat op de habitats (paragraaf 3.3 Onderzoek bodem- en grondwaterkwaliteit) is het noodzakelijk ten zuidoosten van het Natura 2000-gebied de uitspoeling van nitraat te stoppen. Het meest effectief hiervoor is bemestingsmaatregel V, stoppen met bemesten. Consequentie hiervan is dat deze gronden dan de bestemming natuur krijgen. Vanwege het verlies aan landbouwgrond dat optreedt bij de maatregel stoppen met bemesting, heeft de Bestuurlijke AdviesGroep (BAG) aan professor Van Diggelen de vraag voorgelegd of ook evenwichtsbemesting een optie zou zijn. Van Diggelen raadt dit af vanwege de actuele risico’s, het voorzorgsbeginsel en het reële risico op verslechtering van de toestand van de habitats wanneer wel de hydrologie verbetert maar de sulfaattoevoer niet volledig stopt. Hij geeft echter aan dat het theoretisch wel mogelijk is om door het instellen van evenwichtsbemesting ervoor te zorgen dat vanuit de landbouwpercelen geen uitspoeling van mineralen naar het bovenste grondwater plaatsvindt. Hij geeft hierbij aan dat dit een hoog technisch niveau vereist, zoals een zeer nauwkeurige dosering van de mestgift, aangepast aan de weersomstandigheden (neerslag en temperatuur) en het gebruik van slow-release meststoffen, die ervoor zorgen dat de voedingsstoffen langzaam en gedoseerd vrijkomen.

Drijf- of stalmest is in zo’n situatie volledig uit den boze. Beleidsmatig vereist evenwichtsbemesting een strikte en regelmatige (maandelijkse) controle van de chemie van het infiltrerende water. Dit vereist een accuraat meetnet waarbij de financiering moet zijn voorzien om de metingen gedurende vele jaren vol te kunnen houden. Als alternatief voor evenwichtsbemesting noemt van Diggelen een sterk verlaagde bemesting (niveau jaren 50 20ste eeuw) of een bestemming zonder te bemesten zoals natuurgras of natuurbos. Dit alles in het licht van de eerder genoemde sense of urgency. Een meerderheid van de leden van de BAG ziet in de beoordeling van Van Diggelen mogelijkheden om bij Lemselermaten in een groot deel van de 0-30-jaarszone evenwichtsbemesting toe te passen, ook al is dit geen bewezen maatregel en kan die slechts op experimentele basis plaats vinden. Daarom is deze maatregel in dit inrichtingsplan opgenomen. Om die op een bedrijfsmatig reële schaal toe te kunnen passen is ook een deel van de reguliere bemestingsmaatregelen voor stikstof en fosfaat (paragraaf 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat) vervangen door evenwichtsbemesting.

Winst wordt van de maatregel verwacht doordat die reeds vanaf 2022 zal worden toegepast, vooruitlopend op het definitief en onherroepelijk worden van het inrichtingsplan/het Provinciaal Inpassingsplan. De percelen aan de oostzijde met bemestingsmaatregel V worden daarom, vooruitlopend op de effectuering hiervan, ook vanaf 2022 onder evenwichtsbemesting gebracht. Voor de eigenaar van het gearceerde deel ten zuiden van de Dollanddijk is dit voorwaardelijk voor de toepassing van evenwichtsbemesting hier. Neemt de eigenaar de percelen met maatregel V niet vanaf 2022 mee, dan valt de gehele zuidelijke strook onder maatregel V.

Figuur 5.14 Aanpassing bemestingsmaatregelen met een zone stoppen bemesting en een zone waar een evenwichtsbemesting wordt gerealiseerd (gearceerd).

52

Inrichtingsplan Lemselermaten

LTO-noord is verantwoordelijk voor de invulling van de evenwichtsbemesting. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden die van Diggelen stelt. In de loop der jaren moet blijken of de maatregel voldoende effectief is voor de instandhouding van de habitats. Zo niet, dan wordt in het gearceerde gebied alsnog bemestingsmaatregel V toegepast. Indien een grondeigenaar afziet van deelname aan het experiment met evenwichtsbemesting, hier tussentijds mee wil stoppen en geen koper heeft die de maatregel voort wil zetten, dan krijgen de gronden alsnog de bestemming natuur.

5.5 MEEKOPPELKANSEN Meekoppelkansen worden alleen in het plan meegenomen als ten tijde van de gewenste realisatie via een extern proces: de financiering is geregeld; de vergunningen zijn geregeld; er voldoende draagvlak is. De kaderrichtlijnwater-doelen (KRW) zijn waar mogelijk meegenomen in dit inrichtingsplan. De doelen vormen een belangrijke meekoppelkans. De belangrijkste is de invulling van de KRW-opgave voor de Weerselerbeek, waaronder het verbinden van de Boschbeek met de Weerselerbeek en de aanleg van een vispassage. Deze maatregelen zijn al omschreven in paragraaf 5.3 Maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem. Daarnaast liggen er kansen voor het verbeteren van de wandelmogelijkheden rond en door de Lemselermaten (in combinatie met informatievoorzieningen over het natuurgebied en rustplekken). Dit moet afgestemd worden met de uitwerking van de eventuele rondweg Weerselo, aangezien deze een fysieke barrière gaat vormen tussen de kern Weerselo en het natuurgebied. In voorliggend inrichtingsplan zijn genoemde voorzieningen niet opgenomen.

53

Inrichtingsplan Lemselermaten

6. Effecten In het voorgaande hoofdstuk zijn de benodigde natuurherstelmaatregelen beschreven. Dit hoofdstuk beschrijft of de maatregelen ook doeltreffend zijn. Met andere woorden, of de maatregelen gaan leiden tot het beoogde positieve effect op de natuur. Daarnaast worden in dit hoofdstuk de effecten van de maatregelen op de omgeving en de overige milieuaspecten beschreven.

6.1. VERKENNINGEN, ALTERNATIEVEN EN SCENARIO’S Er zijn verschillende scenario’s doorgerekend om uiteindelijk tot eindscenario 12 te komen. Aanvankelijk zijn een aantal verkenningen gedaan die in 2019 hebben geleid tot een voorlopig eindscenario 10. In scenario 6 is de drinkwaterwinning uitgeschakeld weergegeven, om te laten zien wat het effect van de waterwinning is op de habitattypen. De effecten van scenario 10 zijn – ter onderbouwing van de keuze voor dit eindscenario – vergeleken met het Beheerplanscenario (scenario 5, maar exclusief de Holtwijkerbeek4) en scenario 6 (alleen uitschakelen drinkwaterwinning). De Unie van Bosgroepen heeft uiteindelijk in januari 2020 de ecologische toets Lemselermaten verantwoording definitief maatregelenpakket natura 2000 – uitkomst iteratief proces – n.a.v. scenario 10 opgeleverd (Kieskamp en Eysink, 2020). Nadien is er echter nog een ontwerpslag gemaakt in een nadere uitwerking van de Weerselerbeek en de Dollandbeek. Dat heeft geleid tot een tussenscenario 11. De verbeterde resultaten van het oppervlaktewatermodel (Arcadis, 2021) zijn door vertaald naar het grondwatermodel (Tauw, 2021), waarbij de overlandflow ook wel OLF genoemd de nodige aandacht heeft gekregen. De OLF bepaald de hoogte van de afvoer van het oppervlaktewater boven het maaiveld.

Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het nieuwe eindscenario 12 op basis van de geactualiseerde maatregelenkaart (Figuur 6.1 en Bijlage 1).

Figuur 6.1 Maatregelenkaart inrichtingsplan Natura 2000 Lemselermaten.

4

Uit de modellering van eindscenario 12 (Capel, Beije, 2021) bleek dat de Holtwijkerbeek geen significant effect heeft op de habitattypen, daarom vervallen de voorgenomen maatregelen aan deze watergang.

54

Inrichtingsplan Lemselermaten

6.2 EFFECTEN OP NATUUR 6.2.1 Effecten van hydrologische maatregelen Het effect van de hydrologische maatregelen op de stijghoogte en de doorstroming van het grond- en oppervlaktewater is positief in de beekdalen van de Dollandbeek en Weerselerbeek. Op de maatregelenkaart is met pijlen aangegeven waar obstakels voor afstroming van oppervlaktewater aanwezig zijn (Figuur 6.1), die verwijderd zouden moeten worden. Verwijderd om de doorstroming van het met sulfaat verrijkte oppervlaktewater te verbeteren en daarmee de verdere achteruitgang van de habitats te stoppen. Met het grondwatermodel zijn door Tauw op de peilbuislocaties en puntlocaties kwel, wegzijging, duurlijnen, GVG en GLG voor de huidige situatie en scenario 12 berekend. De puntlocaties zijn op representatieve locaties in de habitats gekozen waar geen peilbuizen staan, maar met het grondwatermodel wel dezelfde informatie als van de peilbuislocaties kan worden verkregen. Acht locaties verspreid over het gebied en de habitats zijn geselecteerd en worden in deze notitie nader beschouwd (Figuur 6.2 rood omcirkeld). Dit zijn ‘referentielocaties’ die in habitattypen liggen die het meest kwetsbaar zijn en het meest belang hebben bij hydrologische herstelmaatregelen.

Uitgangspunt is dat de rest van de habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘meeliften’ met maatregelen die worden genomen om de meest kwetsbare gebiedsdelen te herstellen. De locaties zijn (Figuur 6.2): peilbuis B28H1805, B28H1884 en B28H1885 in Vochtige alluviale bossen (H91E0C); peilbuis B28H1806 in Kalkmoeras (H7230)/Blauwgrasland (H6410) (mozaïek); locaties 5, 6 en 14 in Blauwgrasland (H6410); locatie 3 in Zwakgebufferd ven (H3130).

Figuur 6.2 Locaties peilbuizen in Lemselermaten (bron: Tauw) rood omcirkeld zijn de locaties opgenomen in Tabel 6.1 Kwel en wegzijging op onderzoek locaties Op de representatieve locaties zijn kwel (+) en wegzijging (-) in mm/dag weergegeven voor scenario 12 (eindscenario) en de huidige situatie (referentiesituatie). In donkergroen is aangegeven op welke locaties op basis van het grondwatermodel de randvoorwaarde kwel voor de habitats wordt gerealiseerd. In grijs is het verschil tussen de huidige situatie en scenario 12 weergegeven. (VAB) = Vochtig Alluviaal Bos. De locaties zijn terug te vinden in 55

Inrichtingsplan Lemselermaten

In de volgorde kwel, duurlijnen, GVG en GLG (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader) worden hieronder de effecten van de maatregelen, zoals beschreven in voorliggend inrichtingsplan, weergegeven. Hierbij is niet het effect per maatregel te benoemen, maar wel het effect van het totaalpakket aan maatregelen. Om het definitieve pakket aan maatregelen te onderbouwen zijn de effecten naast de effecten van het inrichtingsmaatregelenpakket uit de Gebiedsanalyse ofwel het Beheerplan gezet. Kwel en wegzijging Uit de modelberekeningen blijkt dat op de peilbuislocaties in het dal van de Dollandbeek en de Weerselerbeek de modelkwel in mm/dag flink toeneemt en daarmee een gunstig effect zal hebben op de habitats, doordat de buffercapaciteit verbetert en mits de belasting met nutriënten laag is (Tabel 6.1). Voor de habitattypen H6410 Blauwgraslanden en H7230 Kalkmoerassen komt dat in de orde van grootte te liggen tussen de 2 en 3 mm/dag en voor H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) tussen 4 en 11 mm/dag (Tabel 6.1). De wegzijging op de locatie B28H1806 (Blauwgraslanden/Kalkmoeras) laat zich verklaren door de ligging op de overgang van de dekzandrug naar het dal van de Weerselerbeek waar de kwelflux in de knik van het landschap in werkelijkheid wel aanzienlijk groter is of zal zijn.

Tabel 6.1 Kwel en wegzijging op onderzoek locaties Op de representatieve locaties zijn kwel (+) en wegzijging (-) in mm/dag weergegeven voor scenario 12 (eindscenario) en de huidige situatie (referentiesituatie). In donkergroen is aangegeven op welke locaties op basis van het grondwatermodel de randvoorwaarde kwel voor de habitats wordt gerealiseerd. In grijs is het verschil tussen de huidige situatie en scenario 12 weergegeven. (VAB) = Vochtig Alluviaal Bos. De locaties zijn terug te vinden in Figuur 6.2. Kwel en wegzijging mm/dag

Scenario

Scenario

Huidig

Huidig

Verschil

Verschil

12 winter

12 zomer

winter

zomer

winter

zomer

3. Dal Weerselerbeek (Zwakgebufferd ven)

+2,6

+0,7

+0,8

+0,2

+1,8

+0,5

5. Dal Weerselerbeek (Blauwgrasland)

+2,9

+0,8

+0,9

+0,6

+2,0

+0,2

6. Dal Weerselerbeek (Blauwgrasland)

+2,5

+0,6

-0,0

+0,2

+2,5

+0,4

B28H1806. Dal Weerselerbeek (Blauwgrasland)

-0,7

+0,1

-0,9

-0,0

+0,2

+0,1

B28H1884. Dal Dollandbeek (westzijde) (VAB)

+4,2

+1,8

+1,7

+0,6

+2,5

+1,2

B28H1805_1 Dal Dollandbeek (oostzijde) (VAB)

+11,0

+4,9

+9,1

+3,9

+1,9

+1,0

B28H1885. Dal Dollandbeek (midden) (VAB)

+4,0

+2,2

+2,0

+1,0

+2,0

+1,2

14. Dal Dollandbeek (zuidzijde) (Blauwgrasland)

-0,2

-0,1

-0,3

+0,8

+0,1

-0,7

Locaties peilbuis en puntlocaties (Figuur 6.2)

De wegzijging op locatie 14 laat zich verklaren door de ligging van de puntlocatie aan de rand van een modelgrid (25x25 m) en waar in de aangrenzende grids de Overland flow is aangepast voor de vochtige alluviale bossen, zodat de bossen maximaal 0,1 tot 0,2 m kunnen overstromen/inunderen. Hier is het grondwatermodel vanwege schaalgrootte minder geschikt. De randvoorwaarde van de vochtige alluviale bossen met het vegetatietype elzenbroekbos subassociatie van bittere veldkers met voorjaarsgrondwaterstanden van + 0,1 en – 0,1 m ten opzichte van maaiveld wordt hier gerealiseerd (Eysink, 2018). Duurlijnen De duurlijnen geven het verloop van de waterstanden weer over een periode van een jaar, gerangschikt van hoogste naar laagste standen. De duurlijn heeft twee hoofdvormen: de bolle lijn is kenmerkend voor grondwateraanvoer (kwel); de holle duurlijn is kenmerkend voor infiltratie of wegzijging. Op locaties waar kwel en wegzijging elkaar afwisselen heeft de duurlijn een S-vorm. Alle acht representatieve locaties vertonen kenmerken van kwel. De berekende kwel wegzijging van de locaties B28H1806 (Weerselerbeek) en locatie 14 (Dollandbeek) met Blauwgraslanden resulteert voor de wintersituatie in een negatieve waarde wat wegzijging betekent. De schaalgrootte van het model past niet bij het detailniveau van de werkelijkheid.

De bolle duurlijnen van beide locaties wijzen echter ook op kwel. Locatie B28H1806 met een S-vormige duurlijn wijst op de afwisseling kwel/wegzijging wat op de overgang van de dekzandrug naar de beekdallaagte een natuurlijk gegeven is. Zwak gebufferde ven Voor de zwak gebufferde vennen is de inundatieduur van belang. Het model is geen oppervlaktewatermodel, maar een grondwatermodel waarmee met de Overland flow de afvoerhoogte van het oppervlaktewater worden bepaald (drempelhoogte). We kijken naar de berekende grondwaterstanden (duurlijnen), die boven maaiveld uitstijgen. Dat is bij de zwak gebufferde vennen minimaal 60% van de tijd en wordt op puntlocatie 3 zwak gebufferde vennen met 70% ruimschoots gehaald (Figuur 6.3).

56

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 6.3 Locatie 3. Zwak gebufferde vennen. Het maaiveld is gecorrigeerd van model (groen) naar AHN grid 0,5m (rood). De gebogen rode lijn is scenario 12. Het maaiveld wordt met 80% van de tijd overschreden, zodat de randvoorwaarde van 60% ruimschoots wordt gerealiseerd.

Blauwgraslanden De Blauwgraslanden van de Lemselermaten behoren tot de parnassiarijke vorm (Cirsio-Molinietum parnassietosum). De modeluitkomsten wijzen op grondwaterstanden langdurig aan maaiveld, zeg maar plas dras en dat is gunstig, maar de gemeten maaiveldhoogte ligt 0,1 m lager tot 70% van de tijd. Door het handhaven van de greppels blijft afvoer over maaiveld wel mogelijk. Voor de blauwgraslanden op puntlocatie 6 (Figuur 6.2) geldt hetzelfde (Figuur 6.4). Op de locatie van peilbuis B28H1806 (Figuur 6.2 en Figuur 6.5), representatief voor blauwgraslanden/kalkmoerassen, berekent het model een gemiddelde over de gradiënt waar in werkelijkheid kwel en wegzijging elkaar op korte afstand afwisselen. Hier is het grondwatermodel vanwege schaalgrootte minder geschikt. De duurlijn wijst met de S-vorm op kwel en wegzijging wat uit de modeluitkomsten niet tot uiting komt (Tabel 6.1). Op puntlocatie 14 Blauwgraslanden (Figuur 6.2) liggen de grondwaterstanden tot 60% van de tijd rond het maaiveld. Dat past binnen de hydrologische randvoorwaarden van het habitattype. Hier wijst de bolle vorm van de duurlijn op kwelinvloed in plaats van wegzijging (Tabel 6.1). Het model berekend een gemiddelde over de gradiënt waar in werkelijkheid kwel en wegzijging elkaar op korte afstand afwisselen.

57

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 6.4 Het maaiveld is gecorrigeerd van model (groen) naar AHN grid 0,5m (rood). De gebogen rode lijn is scenario 12. De grondwaterstand blijft tot 80% van de tijd 0,1 m boven het maaiveld.

De representatieve peilbuislocaties (Figuur 6.2) van de vochtige alluviale bossen worden gekenmerkt door het elzenbroekbostype met bittere veldkers. Peilbuislocatie B28H1885 voldoet goed aan de randvoorwaarde van maximaal 0,1 m + maaiveld voor 80% van de tijd (Figuur 6.5). Ook peilbuislocatie B28H1805 voldoet op vergelijkbare wijze aan de randvoorwaarde van 0,1 m boven maaiveld en op de peilbuislocatie B28H1884 worden de standen tot 0,1 m boven maaiveld tot bijna 70% van de tijd gerealiseerd. Daarmee voldoen de representatieve locaties aan de vereiste randvoorwaarde.

58

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 6.5 Locatie B28H1885 Vochtig alluviaal bos. Het maaiveld is gecorrigeerd van model (groen) naar ingemeten AHN (rood). De

gebogen rode lijn is scenario 12. De grondwaterstand blijft tot 80% van de tijd tot 0,1 m boven maaiveld wat kenmerkend is voor het elzenbroekbos type bittere veldkers.

De voorjaars- en zomergrondwaterstanden In Tabel 6.2 worden de GVG en GLG in de huidige situatie en scenario 12 met elkaar vergeleken. Tabel 6.2 GLG en GVG in huidige situatie en scenario 12. Op de representatieve locaties zijn voor scenario 12 (eindscenario) en de huidige situatie (referentiesituatie) de GLG en GVG weergegeven. Het verschil in model maaiveldhoogte (mv) en gemeten & AHN 0,5 m grid is gecorrigeerd in meters, zodat zoveel mogelijk de werkelijke situatie benaderd wordt. In groen is aangegeven op welke locaties op basis van het grondwatermodel de randvoorwaarden GLG en GVG voor de habitats worden gerealiseerd. (Sc = scenario). Voorjaars- (GVG) en

Sc 12

Sc 12

huidig

huidig

zomergrondwaterstanden (GLG)

Sc 12

Sc 12

huidig

huidig

GLG

GVG

GLG

GVG

aange-

in meters Locaties peilbuis en puntlocatie

mv past

GLG

GVG

GLG

GVG

m-mv

m-mv

m-mv

m-mv

3. Zwakgebufferde vennen

0,37

0,1

0,72

0,18

-0,12

0,25

(+) 0,02

0,6

0,06

5. Blauwgraslanden

0,41

0,11

0,74

0,18

-0,13

0,28

(+) 0,02

0,61

0,05

6. Blauwgraslanden

0,51

0,12

0,78

0,18

-0,11

0,4

0,01

0,67

0,07

B28H1806. Kalkmoerassen /

0,88

0,22

1,16

0,38

-0,37

0,51

(+) 0,15

0,79

0,01

0,65

0,26

0,87

0,31

-0,13

0,52

0,13

0,74

0,18

0,92

0,81

0,98

0,83

-0,81

0,11

0

0,17

0,02

0,37

0,19

0,62

0,24

-0,11

0,26

0,08

0,51

0,13

0,54

0,13

0,98

0,63

-0,06

0,48

0,07

0,92

0,57

Blauwgraslanden B28H1884. Vochtige alluviale bossen B28H1805_1. Vochtige alluviale bossen B28H1885. Vochtige alluviale bossen 14. Blauwgraslanden

De GVG en GLG op de referentielocaties komen met uitvoering van de herstelmaatregelen binnen de randvoorwaarden van de doelvegetaties (Eysink, 2018) met uitzondering van peilbuis B28H1884, waarvan de GLG 0,13 m te laag zal blijven en de 59

Inrichtingsplan Lemselermaten

GVG ook net te laag zal zijn (Tabel 6.2). Daar staat tegenover dat de kwel ruim verdubbeld zal worden. Door het huidige afwateringsniveau van de greppels ten noorden van het westelijke maatje in het dal van de Weerselerbeek te handhaven wordt het risico op overstroming/inundatie bij peilbuis B28H1806 van het kalkmoeras/blauwgrasland voorkomen. Uit de resultaten van de duurlijnen blijkt dat de stijghoogte van het grondwater en de duur van die standen sterk wordt verbeterd. De Overland flow is grotendeels aangepast naar de stijghoogte van het grondwater in de ondiepe peilbuizen tot max + 0,10 m boven maaiveld. Een afwatering dieper dan het bestaande maaiveld om de afstroming van oppervlaktewater te bevorderen is vanuit die randvoorwaarde niet gewenst. Conclusies 1. De hydrologische condities worden door de herstelmaatregelen (Figuur 6.1) sterk verbeterd en komen op de referentielocaties nagenoeg alle binnen de randvoorwaarden van de ecologische vereisten. 2. De kwel in het dal van de Weerselerbeek wordt door scenario 12 sterk verbeterd tot 2,6 en 2,9 mm/dag in de wintersituatie voor de blauwgraslanden en de zwakgebufferde vennen. De kwel in het dal van de Dollandbeek wordt door scenario 12 ook fors verbeterd tot 4 en 11 mm/dag. Het gaat hier om modelkwel en niet om kwel naar maaiveld.

De fluxen naar de wortelzone zijn over het algemeen lager dan de fluxen zoals deze over de scheidende laag berekend worden, maar zal voor beide beekdalen waarschijnlijk tot forse verbetering leiden van de basenverzadiging en zuurbuffering, mits de toestroom van nutriënten wordt gestopt. De kwel/wegzijging is bij peilbuis B28H1806 en locatie 14 door de ligging waarschijnlijk gunstiger dan uit de modelberekening naar voren komt. De duurlijnen van beide locaties tonen aan dat er kwel optreedt en bij peilbuis B28H1806 deels ook wegzijging. 3. Uit de duurlijnen blijkt dat op alle locaties de situatie binnen de randvoorwaarden van de ecologische vereisten komt. Bij de inrichting is extra aandacht nodig als het om de vrije afstroming over de laagste maaivelddelen gaat. Voor de maatjes in het dal van de Weerselerbeek betekent dit handhaven van de greppels ten noorden van de maatjes en voor het dollandbeek aandacht voor het dempen van de beek en de aansluitingen op de laagtes van de te dempen beek. Uitgangspunt is afwatering over maaiveld zodat stijghoogte enkele decimeters hoger ligt dan afvoerniveau en de grondwaterstanden ter hoogte van het blauwgrasland maximaal op maaiveld ligt. 4. De (grond)waterstanden (GVG en GLG) zijn aanzienlijk verbeterd.

De grondwaterstanden in het dal van de Weerselerbeek en Dollandbeek voldoen aan de randvoorwaarden van de ecologische vereisten voor hydrologie met uitzondering van locatie B28H1884. Met name de GLG blijft met 0,13 m te laag (Tabel 6.2). Alle relevante lokale maatregelen worden effectief ingezet. Wanneer blijkt dat de duurzaamheid van het habitattype op die locatie terugvalt in kwaliteit (elzenbroekbos van subassociatie met bittere veldkers (kwaliteit goed) naar Rompgemeenschap met grote brandnetel binnen de Klasse van de Elzenbroekbossen (kwaliteit matig) dan zijn waarschijnlijk extra maatregelen nodig waarbij grondwateronttrekking (drinkwaterwinning, beregening) en ontwatering de belangrijkste knoppen zijn. Eerdere verkennende berekeningen lieten in ieder geval een effect van de winning zien aan de zuidkant van de Lemselermaten op GLG en fluxen (Capel, Beije, 2021). 5. Op basis van de berekende veranderingen in scenario 12 met het grondwatermodel is de voorspelling dat de hydrologische randvoorwaarden van de ecologische vereisten op de representatieve locaties (Figuur 6.2) gerealiseerd kunnen worden.

60

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 6.6 Verandering van de GVG a.g.v.de maatregelen uit het inrichtingsplan (scenario 12,2021) ten opzichte van de huidige situatie.

Figuur 6.7 Verandering van de GLG a.g.v.de maatregelen in voorliggend inrichtingsplan (scenario 12) ten opzichte van de huidige situatie.

6.2.2 Effecten overige maatregelen Schrapen Schrapen (afschrapen van de organische laag, waarbij de minerale bodem intact blijft) is een maatregel om opgehoopte stikstof en/of fosfaat versneld af te voeren of om pionierssituaties te creëren binnen een vegetatieblok. Hierdoor ontstaat ruimtelijke afwisseling in soorten en vegetaties binnen een blok. Door kleinschalig te schrapen kan de voor het habitattype kenmerkende vegetatie terugkeren, daar waar deze is verdwenen. Schrapen kan echter ook nadelige effecten hebben op de buffercapaciteit (de mogelijkheid van een bodem om stoffen op te kunnen nemen en om te kunnen zetten) van de bodem. 61

Inrichtingsplan Lemselermaten

In Lemselermaten zijn echter bodems met een goede basenverzadiging (dus hoge buffercapaciteit) aanwezig, waardoor dit hier niet speelt. Schrapen geeft in dit soort situaties juist vaak heel goede resultaten (bron: B-ware). Toch wordt geadviseerd om terughoudend om te gaan met schrapen. Het is en blijft een ingreep in het bodemsysteem.

Boskap Kleinschalige boskap op locaties aan de randen van kalkmoeras en vochtige heide leidt tot een kwaliteitsverbetering en uitbreiding van het oppervlak van laatstgenoemde habitattypen. Het kappen van bomen geeft meer ruimte voor korte vegetatie, meer licht en minder verdamping.

Bemestingsmaatregelen De bemestingsmaatregelen zorgen ervoor dat er (op termijn) geen nutriënten meer af- of uitspoelen naar de habitattypen, waardoor eutrofiering, en daarmee verruiging (bijv. door braam of grassen), wordt tegengegaan. Hierdoor worden de groeiomstandigheden voor de habitattypen verbeterd, heeft de habitateigen vegetatie meer ontwikkelruimte en neemt de kwaliteit van de habitattypen toe.

6.3 EFFECTEN OP OVERIGE FUNCTIES 6.3.1 Landbouw De effecten op de omliggende landbouwpercelen zijn in beeld gebracht door de verwachte toekomstige grondwaterstanden mee te nemen in de gebruikswaarde van de percelen, en deze af te zetten tegen de huidige gebruikswaarde van de percelen. De toename van de GLG en GVG is weergegeven in paragraaf 6.2.2 Effecten overige maatregelen (Figuur 6.6 en Figuur 6.7). Het uitstralingseffect van de natuurherstelmaatregelen is het grootst bij de GVG en GHG. Het uitstralingseffect reikt verder dan het uitwerkingsgebied (paragraaf 2.1 Ligging, begrenzing en omvang plangebied). Tot ver buiten het Natura 2000 gebied kunnen waterstanden in de winter toenemen met 5 tot 15 cm. De effecten zijn vooral groot ten noorden van Lemselermaten (en ten noorden van de Weerselerbeek). De GHG kan hier als gevolg van het verwijderen van de drainage, het dempen van watergangen en het sterk verondiepen van de Weerselerbeek met 40 tot 60 cm toenemen. De maatregelen leiden ook tot langere natte omstandigheden in het voorjaar (GVG) wat gunstig is voor de natuur, maar minder gewenst voor de landbouw. De grond blijft langer nat en koud en kan pas later in het voorjaar worden bewerkt. Wanneer eigenaren wensen om deze percelen om te zetten in natuur, dan is dat mogelijk. Dit laatste bepaald de grondeigenaar zelf.

De natuurpercelen krijgen aanvankelijk het beheerpakket N12.02 Kruiden- en Faunarijk grasland.

Figuur 6.8 Verandering van de GHG a.g.v.de maatregelen in voorliggend inrichtingsplan 2021 ten opzichte van de huidige situatie.

62

Inrichtingsplan Lemselermaten

Verandering in bodemgeschiktheid voor grasland/weidebouw De effecten voor de toekomstige situatie laten een duidelijke achteruitgang zien van gronden waar eerst nog ruime mogelijkheden waren naar gronden met beperkte mogelijkheden. In de toekomst zijn de gronden het meest geschikt voor gras (al is het voor gras ook niet optimaal). De natste delen van het gebied blijven in dezelfde geschiktheidsklasse liggen, omdat hier de mogelijkheden in de huidige situatie al beperkt zijn en een verdere verslechtering niet tot uiting komt in de gebruiksmogelijkheden. De geschiktheid van de grond, vooral de berijdbaarheid en bewerkbaarheid, nemen wel verder af. Verandering in bodemgeschiktheid voor akkerbouw (maisteelt) De verandering voor akkerbouw laat grotendeels hetzelfde patroon zien als voor grasland. Alleen zijn de gevolgen bij grote vernatting voor akkerbouw in de toekomstige situatie groter dan bij grasland. Dit komt omdat akkerbouw minder goed tegen nattere omstandigheden kan. Dit gevolg is het duidelijkst zichtbaar bij de Reservaatweg. In de toekomstige situatie vindt een verschuiving plaats van gronden met ruime mogelijkheden naar gronden met beperkte of zelfs geen mogelijkheden voor akkerbouw (veelal maisteelt). De effecten zijn het grootste aan de noordzijde van het Natura 2000-gebied Lemselermaten.

Hier liggen percelen met in de huidige situatie ruime mogelijkheden en in de toekomstige situatie geen mogelijkheden voor akkerbouw. Effecten nat- en droogteschade In de toekomstige situatie wordt een flinke stijging van de natschade verwacht. De uitstraling van de effecten is in een wijde straal om het gebied zichtbaar. In de huidige situatie komen in de beekdalen (Holtwijkerbeek, Weerselerbeek en Dollandbeek) al percelen voor met een opbrengstderving van meer dan 50% en in de toekomstige situatie neemt het areaal van deze gronden sterk toe. Ook op percelen waar in de huidige situatie geen natschade wordt ondervonden zal in de toekomstige situatie sprake kunnen zijn van opbrengstderving als gevolg van natte omstandigheden. In de toekomstige situatie is alleen geen natschade te verwachten op de hoge zandruggen langs de Haarsteeg en in het oostelijk gedeelte van het gebied.

6.3.2 Wegen en erven Wegen Door de gemeente Dinkelland is onderzoek uitgevoerd naar de toekomstige drooglegging van de gemeentelijke wegen in en rond het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de veranderende hoogte van de grondwaterstanden (berekend met het grondwatermodel), is op een aantal locaties in het gebied met behulp van het AHN2 hoogtebestand bepaald wat de toekomstige minimale drooglegging is (de drooglegging bij hoge grondwaterstanden (GHG)). Ook is gekeken naar het wegtype en de wegdekverharding. Er wordt door gemeente Dinkelland een norm van 80 cm drooglegging gehanteerd. Op die plaatsen waar de berekende drooglegging minder dan 0,80 meter bedraagt zou er sprake kunnen zijn van een vergroot risico op schade aan de wegen. Op alle onderzochte locaties is dit het geval met uitzondering van Glipsdijk oost. Met name bij de Rutermedenweg en Reservaatweg is de drooglegging na uitvoering van de natuurherstelmaatregelen gering. Bij de Rutermedenweg staat het water in de GHG-situatie vrijwel op maaiveldhoogte. Alle wegen, waarbij de drooglegging geen 80 cm is zijn op de plankaart weergegeven als ‘mitigerende maatregel drooglegging weg.’ Het verdiepen van sloten of op diepte houden van sloten om drooglegging van sloten in stand te houden is geen optie. Dan worden natuurdoelen niet gehaald. Het ophogen van bestaande wegen is een mogelijke maatregel.

Dit wordt in de realisatiefase nader uitgewerkt. In afstemming met de wegbeheerder en op basis van toekomstige functionaliteit wordt gekeken hoe en wat aangepast moet worden Erven Ook bij een aantal erven in de omgeving van Lemselermaten nemen de grondwaterstanden toe. Om te zorgen voor voldoende drooglegging bij de erven is in een aantal gevallen aanvullende drainage nodig onder het erf (paragraaf 6.4 Mitigerende maatregelen). Bij alle erven binnen het invloedsgebied waar een mogelijk risico op natschade is te verwachten (tenzij de eigenaar hiervoor geen toestemming heeft verleend) zijn peilbuizen geplaatst om de grondwaterstanden te monitoren. Op basis van uitgevoerde bebouwingsonderzoeken op erven rond de Lemselermaten door Avedo de Bondt (voorheen Wareco) en IB Vreeswijk, kan in een aantal gevallen niet met zekerheid gesteld worden dat er geen schade ontstaat aan de aanwezige bebouwing. Aanvullend onderzoek is in deze gevallen nodig. Hierbij moet gedacht worden aan onderzoek naar het risico van opdrijven van aanwezige (mest)kelders en onderzoek naar de exacte aanlegdiepte van de funderingsconstructies en de kwaliteit van het mogelijk aanwezige funderingsmetselwerk. Een compleet overzicht van de nog uit te voeren onderzoeken is opgenomen in de per erf opgestelde bebouwingsonderzoeksrapporten van Aveco de Bondt (voorheen Wareco).

Aanvullend onderzoek moet in de realisatiefase duidelijk maken of aanvullende maatregelen nodig zijn.

6.3.3 Recreatie Er zijn geen effecten op de recreatieve functies in of rondom het gebied, met uitzondering van het fietspad Rutermedenweg (paragraaf 6.3.2 Wegen en erven). Mogelijk dat dit fietspad komt te vervallen. Dit kan zonder de natuurherstelmaatregelen ook een gevolg zijn van de toekomstige rondweg. Er zijn voldoende alternatieve routes in de directe omgeving, waardoor dit niet als knelpunt wordt gezien. 63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/691/documents/18902