CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 IP 6 Hydrologische effectberekening.pdf

Commissie Omgeving & Economie 10 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Lemselermaten (incl. een presentatie)13.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

54\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.6 Correlatie van stationaire kalibratie I. fcond1 is de conductiviteit van de legger watergangen, fcond2 is de conductiviteit van de top10 watergangen

3.4.3 Resultaten De kalibratie behaalt de meeste verbetering van de RMSE (root mean squared error) bij de parameterwaardes in tabel 3.5. Deze waarden worden gebruikt als uitgangspunt van de stationaire kalibratie Tabel 3.5 Resultaat van de kalibratie

Parameter

Uiteindelijke resultaat

Minimale bandbreedte

Maximale bandbreedte

kD1 en kD2

4.47

0.5

6

kD3 en kD4

0.72

0.25

2

kD5 en kD 6

0.5

0.5

2

kD7, kD8 en kD9

1.59

0.5

2

C2

0.5 4.95

0.5 1

2

4.04

1

5

Legger Top10

5

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

55\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Vergelijkbaar met de eerste kalibratie, worden de grondwaterstanden in de Dolland te hoog berekend, zoals te zien in figuur 3.7. De grondwaterstand blijft begrensd door het maaiveld van het model. In de instationaire kalibratie wordt op de droge (GLG) en natte situaties (GHG), hiermee wordt gekeken naar het uitzakken van de grondwaterstand door het model. Hierdoor kunnen de parameters van het model nog wijzigen. Opvallend aan het kalibratie resultaat zijn de lagere grondwaterstanden op de stuwwal in figuur 3.8 en figuur 3.9. De lagere grondwateraanvulling leidt tot een verdroging van de stuwwal, om deze reden wordt de kD3 en kD4 verlaagd in het model. Deze parameters zorgen voor een lagere toestroming naar Lemselermaten. De doorlatendheid van de slenk wordt verhoogd om dit te compenseren, zodat bij de winning de grondwaterstanden niet verlaagd worden.

Figuur 3.7 Afwijking stationaire model in laag 1 ten opzichte van de gemiddelde grondwaterstand

56\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.8 Afwijking stationaire model in laag 2 ten opzichte van de gemiddelde grondwaterstand

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

57\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.9 Afwijking stationaire model in laag 3 ten opzichte van de gemiddelde grondwaterstand

3.4.4 Conclusies Het ondiepe kalibratie II resultaat blijft duiden op een te nat model. De grondwaterstanden staan in de stationaire omstandigheden aan het maaiveld. Voor de ondiepe parameters is het noodzakelijk om instationair te kalibreren, waarbij meer wordt gekeken naar het uitzakken van de grondwaterstanden in droge omstandigheden. De diepe modellagen, kD 5 tot 9 worden vastgezet. Tot slot worden de watergangen van de legger en de top10 samengenomen in de instationaire kalibratie, omdat deze vergelijkbaar reageren op wijzigingen.

58\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

3.5

Instationaire kalibratie

De instationaire kalibratie heeft als doel de dynamiek van het grondwatersysteem in het model te verbeteren. Hierbij wordt gekeken naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand, gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand en gemiddeld laagste grondwaterstand. 3.5.1 Gevoeligheden Het model blijft gevoelig voor aanpassingen aan de doorlatendheid van modellaag 3 en 4 en de weerstand van de Boxtel klei in laag 2, zoals te zien in tabel 3.6. De gevoeligheid van de watergangen is sterk toegenomen in de instationaire kalibratie. Vergelijkbaar met de stationaire kalibratie blijkt dat de ondiepe doorlatendheid (kD 12) een beperkte gevoeligheid heeft. Tabel 3.6 Gevoeligheid van de instationaire kalibratie

Parameter

Absolute gevoeligheid

Relatieve gevoeligheid

kD1 en kD2 (fkd12)

0.000

0.002

kD3 en kD4 (fkd34)

0.011

0.012

C2 (fc2)

0.010

0.005

Legger én top10 (fcond1)

0.006

0.007

3.5.2 Correlaties De berekende correlaties van het model zijn opgenomen in figuur 3.10.

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

59\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.10 Correlatie van instationaire kalibratie. fcond1 is de conductiviteit van de legger watergangen én de top10 watergangen

3.5.3 Resultaten Uit tabel 3.7 blijkt dat kalibratie leidt tot 2 parameters op de maximale of minimale waarde van de bandbreedte bevindt. Uit de correlatie blijkt dat een verlaging van de ondiepe conductiviteit mogelijk is, als deze gecompenseerd wordt met een afname van C2, echter is dit niet mogelijk omdat C2 bij de start van de kalibratie op de minimale bandbreedte bevindt. De weerstand van de boxtelklei (C2) kan om dezelfde reden niet worden verhoogd, omdat de ondiepe conductiviteit niet kan worden verhoogd.

60\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Tabel 3.7 resultaat van de instationaire kalibratie

Parameter

Uiteindelijke resultaat

Minimale bandbreedte

Maximale bandbreedte

kD1 en kD2

6.0

0.5

6

kD3 en kD4

1.03

0.25

2

C2

0.5

0.5

2

Legger en top10

1.18

1

5

Uit de ballenkaarten in figuren 3.11 tot 3.14 volgt dat het model een goede fit heeft bij Lemselermaten. Richting de stuwwal is er echter sprake van te lage grondwaterstanden in de GHG en in de GLG situatie.

Figuur 3.11 Afwijkingen van het model ten opzichte van de GHG in modellaag 1

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

61\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.12 Afwijkingen van het model ten opzichte van de GLG in modellaag 1

62\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.13 Afwijkingen van het model ten opzichte van de GHG in modellaag 3

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

63\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 3.14 Afwijkingen van het model ten opzichte van de GLG in modellaag 3

3.5.4 Kalibratieresultaat Bij de instationaire kalibratie zijn de parameters gekalibreerd die effect hebben op de dynamiek van de grondwaterstand. Bij deze kalibratie zijn een aantal parameters vastgesteld op de waarde 1 omdat de gevoeligheid beperkt is en optimalisatie zou leiden tot onrealistische waarden voor de kalibratie. In onderstaand tabel is het uiteindelijk kalibratieresultaat gepresenteerd voortgekomen uit zowel de stationaire kalibratie (kD5, kD6, kD7, kD8, kD9, C1 en C4) als de instationaire kalibratie (kD1, kD2, kD3, kD4, C2, Legger en Top10).

64\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Tabel 3.8 Kalibratieresultaat

Parameter

kalibratieresultaat

Minimale bandbreedte Maximale bandbreedte

kD1 en kD2

6.0

0.5

6

kD3 en kD4

1.03

0.25

2

kD5 en kD6

0.5

0.5

2

kD7, kD8 en kD9

1.59

0.5

2

C1

1*

0.5

2

C2

0.5

0.5

2

C4

1*

0.5 1

2

1

5

Legger

1.18**

Top10

1.18**

*

Vastgezet

**

Legger en top10 watergangen zijn gelijktijdig gekalibreerd

5

De invloed van de kalibratie op de gehanteerde weerstanden en doorlatendheden in het model zijn weergegeven in tabel 3.9. De tabel bevat de weerstand en doorlatendheid voor en na kalibratie. Tabel 3.8 Bandbreedte bij kD en C waarden ter plaatse van Lemselermaten in gekalibreerd en ongekalibreerd model

Laag

Ongekalibreerde

Factor Gekalibreerde

Ongekalibreerde C Factor C

Gekalibreerde C

nummer

kD (m2/d)

KD (-) kD (m2/d)

(dagen)

(-)

(dagen)

1

0.1 t/m 0.7

6

0.6 t/m 4.2

0.1 t/m 1.5

1

0.1 t/m 1.5

2

0.3 t/m 5

6

1.8 t/m 30

8 t/m 20

0.5

4 t/m 10

3

0.3 t/m 5

1.03

0.3 t/m 5

1 t/m 3

1

1 t/m 3

4

110 t/m 210

1.03

115 t/m 220

400 t/m 10.000

1

400 t/m 10.000

5

0.001 t/m 80

0.5

0.001 t/m 40

0.1 t/m 1.5

1

0.1 t/m 1.5

6

0.001 t/m 80

0.5

0.001 t/m 40

0.3 t/m 1.5

1

0.3 t/m 1.5

7

0.001 t/m 80

1.59

0.001 t/m 125

0.1 t/m 1.5

1

0.1 t/m 1.5

8

0.001 t/m 80

1.59

0.001 t/m 125

0.1 t/m 1.5

1

0.1 t/m 1.5

9

0.001 t/m 80

1.59

0.001 t/m 125

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

65\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

4 Performance eindmodel 4.1

Residuen

Figuur 4.1 toont de residuen voor de GHG van het freatisch pakket (modellaag 1 en 2). Het valt op dat in het oosten van Lemselermaten te berekenen grondwaterstanden te hoog zijn en in het westen te laag. Op de stuwwal worden te hoge grondwaterstanden berekend, de flanken zijn te droog. Verder valt op dat de residuen groter zijn in de GLG situatie. De tijdstijghoogtelijnen in bijlage 6 tonen een verbetering ten opzichte van MIPWA3.0.

Figuur 4.1 Freatische residuen GHG

66\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 4.2 Freatische residuen GLG.

Figuur 4.3 en figuur 4.4 tonen de residuen voor modellaag 3. Hierin is te zien dat de residuen beperkt zijn ter plaatse van Lemselermaten. De stijghoogte wordt in zowel de GHG als de GLGsituatie systematisch te laag berekend. Ter plaatse van de drinkwaterwinning Weerselo zijn de afwijkingen groter, met name in de GHG situatie. De stijghoogte systematisch te laag berekend. Het is echter niet mogelijk om dit te verbeteren, omdat er ter plaatse van de winning geen boringen zijn die voldoende nauwkeurige boorbeschrijvingen hebben om op basis daarvan het model aan te passen.

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

67\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 4.3 Residuen modellaag 3 voor de GHG (links)

68\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 4.4 Residuen modellaag 3 voor de GLG (links)

Bijlage 7 toont de gemiddelde residuen voor modellagen 4 t/m 9. Voor modellaag 4 wordt over het algemeen een wat te lage grondwaterstand berekend ter plaatse van Lemselermaten. Ter plaatse van de winning Weerselo zijn de afwijking groter. Ook in de diepere lagen zijn de afwijking hier groter dan in de omgeving. Dit komt doordat in het algemeen het ter plaatse van een grote onttrekking moeilijker is om het model te kalibreren vanwege onttrekkingsregime. Daarnaast is het niet duidelijk waar de slenk zich precies bevindt, doordat er ter plaatse van de winning geen boringen zijn met voldoende nauwkeurige boorbeschrijvingen.

4.2

Berekende grondwaterstanden

In figuur 4.5 zijn de berekende grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld weergegeven. In de figuren zijn de delen die in de winter en voorjaar inunderen goed te herkennen. Ook de hogere delen van Lemselermaten zijn te herkennen. In de GLG-situatie is de grondwaterstand in de lage

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

69\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

delen van Lemselermaten nog steeds vrij hoog (0,5 tot 1 m -mv). In de omgeving is de grondwaterstand echter diep gezakt (dieper dan 2 m-mv).

Figuur 4.5 Berekende grondwaterstanden (m) ten opzichte van maaiveld

70\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

In figuur 4.6 zijn de isohypsen voor de GVG weergegeven met een contourinterval van 25 cm. De drainerende invloed van de Weerselerbeek en de Dollandbeek op de grondwaterstand is duidelijk zichtbaar. Daarnaast is het lage gedeelte in het oosten van Lemselermaten, waar grondwater over het maaiveld wordt afgevoerd, duidelijk herkenbaar.

Figuur 4.6 Isohypsen voor de GVG

4.3

Tijdstijghoogtelijnen

In bijlage 6 zijn de tijdstijghoogtelijnen weergegeven met de berekende stijghoogte door het aangepaste model en door MIPWA3.0 tot 2001. Hierna crasht MIPWA. Uit de tijdstijghoogtelijnen blijkt dat berekende grondwaterstanden voor modellaag 2 over het algemeen zijn verbeterd, met name ter plaatse van Lemselermaten. Voor modellaag 3 is er ter plaatse van Lemselermaten een

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

71\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

verbetering. Daar buiten is echter sprake van een lichte verslechtering. Er zijn voor deze laag echter in de omgeving van Lemselermaten niet voldoende boringen van voldoende kwaliteit om de kD hier aan te passen.

4.4

Kwel- en infiltratiefluxen

Figuur 4.7 toont de verticale flux in de winter van modellaag 2 naar modellaag 1. Er is dus geen laterale doorstroming van grondwater zichtbaar in deze figuur. Ook hier is de kwel rondom de beken zichtbaar. Daarnaast is de kwel in het lage gedeelte in het oosten van Lemselermaten zichtbaar.

Figuur 4.6 Berekende verticale flux (m3/dag) in de winter van modellaag 2 naar modellaag 1

4.5

Stroombanen

Figuur 4.8 toont de stroombanen naar Lemselermaten voor een gemiddelde situatie. De stroombanen zijn met backward tracé berekend vanuit modellaag 1. De stroombanen lopen in het oosten niet door, omdat het rekenwindow hier stopt. Bij een groter rekenwindow zullen de stroombanen doorlopen naar de stuwwal van Oldenzaal. Uit de 3D stroombanen blijkt dat grondwater vanaf de stuwwal via modellaag 4 (boven keileem, onder boxtel klei) naar Lemselermaten stroomt.

72\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 4.7 Berekende stroombanen

4.6

Conclusie performance

Op basis de berekeningsresultaten van het aangepaste model worden de volgende conclusies getrokken: • De peilbuizen op de stuwwal geven aan dat de flanken van de stuwwal te droog zijn, op de stuwwal is de grondwaterstand te hoog. De doorlatendheid van het watervoerend pakket op de stuwwal is beperkt, het verhogingen van de doorlatendheid op de stuwwal heeft negatieve gevolgen op Lemselermaten •

In het oosten Lemselermaten is de freatische grondwaterstand te hoog, dit wordt mogelijk veroorzaakt door een te hoog overlandflow peil. Op basis van de meetreeksen kan op puntniveau correcties worden, echter zijn deze aanpassingen hierdoor niet vlakdekkend. Bij

•

dieper gelegen peilbuizen in de deklaag (modellaag 2) is deze afwijking niet zichtbaar. Om deze redenen is het model niet aangepast De GXG (zomer-, winter- en voorjaarsgrondwaterstand) ten opzichte van maaiveld komen

•

overeen met het beeld dat er van het gebied is. In de natte periode is het gebied rondom de beken zeer nat. De grondwaterstand komt dan boven het maaiveld uit Uit de kwel/infiltratiefluxen blijkt dat de beken sterk draineren. Op enige afstand van de beken vindt infiltratie plaats. Dit komt overeen met het beeld dat er van het gebied is

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

73\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

•

In modellaag 3 (middeldiep) worden de GHG (winter-situatie) en GLG (zomer-situatie) ter plaatse van Lemselermaten systematisch te laag berekend. Ter plaatse van de drinkwaterwinning Weerselo wordt de stijghoogte wel systematisch te laag berekend. Het is echter niet mogelijk om het model hier te verbeteren, omdat er ter plaatse van de winning geen boringen zijn die voldoende nauwkeurige boorbeschrijvingen hebben om op basis

•

daarvan het model aan te passen Uit de stroombanen blijkt dat het grondwater vanuit het oosten wordt aangevoerd. Bij het bekijken van de stroombanen in 3D blijkt dat het grondwater ter plaatse van Lemselermaten vanuit modellaag 4 (boven keileem) naar de bovenste modellagen stroomt. Dit komt overeen met het beeld dat er van het gebied is

Op basis van de bovengenoemde conclusies wordt afgeleid dat de performance van het model voldoende is om het hydrologische effect van de PAS-maatregelen te bepalen. Ter plaatse van de winning Weerselo is de performance minder goed dan in Lemselermaten. De modelverbeteringen en modelkalibratie zijn gebaseerd op alle beschikbare gegevens bij de winning. De geohydrologische opbouw is echter complex door de aanwezigheid van de slenk. De huidige beschikbare gegevens bieden geen mogelijkheid om het model hier verder te verbeteren zonder het resultaat in Lemselermaten te verslechteren. Omdat de modelnauwkeurigheid van het model bij Weerselo iets achterblijft, is ook de betrouwbaarheid van de berekeningsresultaten (de berekende effecten) kleiner. Hierdoor is het effect van de winning met minder zekerheid te bepalen. De modelresultaten geven desondanks voldoende inzicht in de verhouding tussen het effect van de winning en het effect van de PAS-maatregelen bij Lemselermaten.

74\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

5 Effectmodel De Unie van Bosgroepen heeft geconstateerd dat de waterlopen gelegen rond het N2000-gebied Lemselermaten door de gemeente met het onderhoud sterk zijn verdiept. Uitgaande van de informatie van de Unie van Bosgroepen zijn de watergangen verdiept tot circa 70 à 80 cm –mv. Daarnaast zijn de waterlopen ten westen van de Rutermedenweg, gelegen in agrarische percelen, verdiept met recent onderhoud tot circa 70 à 80 cm -mv. Hierdoor zijn in de huidige situatie de waterlopen dieper in het gebied dan opgenomen in het eindmodel. Voor het eindmodel heeft deze recente onderhoudsactie van de watergangen geen effect aangezien het model is gekalibreerd gebruik makend van langjarige grondwatermeetreeksen. Deze reeksen zijn hoofdzakelijk opgenomen in een periode voorafgaand aan het verdiepen van de watergangen. Onduidelijk is of de watergangen in het verleden ook tot eenzelfde relatief diep niveau zijn uitgegraven. Dit zou van invloed kunnen zijn op de gemeten grondwaterstanden en daarmee op het gekalibreerde model. Opgemerkt wordt dat effect van het verdiepen van de watergangen niet is terug te zien in de gemeten grondwaterstanden. Voor de effectberekeningen is het noodzakelijk dat van de huidige situatie in het veld wordt uitgegaan. Daarom wordt voorafgaand aan het uitvoeren van de effectberekeningen de nieuwe diepte van de TOP10 watergangen opgenomen in het model.

Hierbij wordt vastgehouden aan de huidige gehanteerde waterdiepte. In figuur 5.1 is de wijziging van de top10 watergangen ten opzichte van het eindmodel opgenomen.

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

75\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 5.1 Wijziging diepteligging Top10 watergangen ten opzichte van eindmodel. Te zien is dat de top 10 watergangen verdiept worden ten opzichte van het eindmodel.

5.1

Berekende grondwaterstanden

In figuur 5.2 zijn de berekende grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld weergegeven. De grondwaterstanden zijn berekend met het effectmodel.

76\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 5.2 Berekende grondwaterstanden (m) ten opzichte van maaiveld

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

77\79

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

5.2

Kwel- en infiltratiefluxen

Figuur 5.3 toont de verticale flux in de winter van modellaag 2 naar modellaag 1. Er is dus geen laterale doorstroming van grondwater zichtbaar in deze figuur.

Figuur 5.3 Berekende verticale flux (m3/dag) in de winter van modellaag 2 naar modellaag 1

5.3

Stroombanen

Figuur 5.4 toont de stroombanen naar Lemselermaten voor een gemiddelde situatie. De stroombanen zijn met backward tracé berekend vanuit modellaag 1. De stroombanen lopen in het oosten niet door, omdat het rekenwindow hier stopt. Bij een groter rekenwindow zullen de stroombanen doorlopen naar de stuwwal van Oldenzaal. Uit de 3D stroombanen blijkt dat grondwater vanaf de stuwwal via modellaag 4 (boven keileem, onder boxtel klei) naar Lemselermaten stroomt.

78\79

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

Kenmerk R001-1244201BMP-mdg-V03-NL

Figuur 5.4 Berekende stroombanen

Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten

79\79

Bijlage

1

Plan van aanpak aanpassing lagenmodel

Notitie Contactpersoon Margarietha Bor Datum 2 mei 2017 Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten 1 Inleiding Omdat de performance van het model (WRD2014) ter plaatse van Lemselermaten en de drinkwaterwinning Weerselo tegenvalt, is besloten om het lagenmodel van het WRD2014 te vergelijken met MIPWA 3.0 (nog niet opgeleverd), REGISII.V2 en boringen. In het tekstkader is wat meer informatie gegeven over het MIPWA3.0 model. Opmerkingen over MIPWA3.0: 

Het model is nog niet opgeleverd

Het model is nog niet gekalibreerd (inclusief De kD- en c-waarden)

De kD- en c-waarden zijn overgenomen van REGISII.v2 en verdeeld over 9 modellagen, zie bijlage 3 voor de mapping.

Voor Twente is modellaag 1 van WRD2014 opgedeeld in twee lagen: de deklaag (bron: bodemkaart) en Formatie van Boxtel ( bxk1 en bxk2 gedeeltelijk).

Bronnen: 

Deltares, MIPWA 3.0 actualisatie fase 1 – Lagenmodel, kenmerk 1210383-000, mei 2015, concept

Mondeling overleg met André Blonk, regioadviseur MIPWA3.0 voor provincie Overijssel

De volgende bijlagen zijn bij deze notitie bijgevoegd: 1. Dwarsdoorsneden verschillende bronnen 2.

Vergelijking c- en kD-waarden modellagen

3.

Mapping REGISII.v2 naar MIPWA3.0

1 Vergelijking In bijlage 1 zijn de volgende dwarsdoorsneden opgenomen:  Een ondiepe doorsneden uit de Ecohydrologische systeemanalyse Lemselermaten (Bell Hullenaar, mei 2015)  

Ondiepe dwarsdoorsnede WRD2014 Ondiepe dwarsdoorsnede MIPWA3.0

Doorsnede REGIS II.v2

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

1\9

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Doorsnede uit Ondergrond van de Lemselermaten (TNO, juli 2016)

Doorsnede uit Geologische Kaart van Nederland, kaartblad Almeo-Denekamp Oost (28

Oost/29) Diepe dwarsdoorsnede WRD2014 met boorprofielen

Diepe dwarsdoorsnede MIPWA3.0 met boorprofielen

Ondiep (modellaag 1) In de dwarsdoorsnede van Hullenaar zijn in het noorden twee lemige lagen weergegeven. In het WRD2014 model zijn deze twee lagen samengevoegd tot één weerstand biedende laag (c1). In dit model varieert de weerstand van deze laag 10 tot 1.000 dagen. Verder blijkt dat watervoerende laag 1 in het model, in tegenstelling tot Hullenaar, dikker wordt naar het noorden. De kD-waarden nemen ook toe naar het noorden (zie bijlage 2). In MIPWA3.0 zijn ondiep wel twee aparte lemige lagen aangehouden. Uit de dwarsdoorsnede blijkt dat de c2 ten zuiden van de ongeveer de Dollandbeek stopt. Bij de dwarsdoorsnede van Hullenaar loopt deze laag nog verder door naar het zuiden. In bijlage 2 zijn ook kaarten opgenomen. Uit deze bijlage blijkt dat de bodemkaart is vertaald naar een c1. De c2 bestaat uit de REGIS-laag bxk1 (Formatie van Boxtel). In deze laag zit een “gat” in de c2. Uit de dwarsdoorsnede van Hullenaar blijkt dat de bodem van de Weerselerbeek in de Boxtelklei ligt. Daarom is het mogelijk dat bij lage waterpeilen de tussenzandlaag de omgeving draineert. Daarom is besloten om de deklaag en bxk1 in twee modellagen op te delen. Middeldiep Door Waterschap Vechtstromen1 is voor het eerste watervoerend pakket een vergelijking gemaakt tussen WRD2014, REGISII.v2 en dinoboringen. In het eerste watervoerend pakket komen met name (matig) fijnzandige en lemige lagen voor.

De doorlatendheid van REGISII.v2 (ca. 30 m/dag) komt overeen met grofzandige pakketten. De doorlatendheid van het WRD2014 is beduidend lager en komt beter overeen met de boringen. Diep Uit de REGISII.v2 doorsnede blijkt dat de drgik1-laag (Formatie van Drenthe – Laagpakket Gieten) in REGISII.v2 doorloopt tot en met de winning Weerselo. Uit het rapport van TNO blijkt echter dat het lastig te interpreteren is of deze laag doorloopt t/m de winning. Daarnaast komt

deze laag is het zuiden van Lemselermaten (boring B28H1879) niet voor. Qua vorm komt drgik1 van WRD2014 overeen met MIPWA3.0 en REGISII.v2. De waarde is echter minstens een factor 5 lager door kalibratie.

1 Memo: Geohydrologische schematisatie ter plaatse van natura200-gebied AVAV en Lemselermaten, Harmen van

de Werfhorst, 30-08-2016

2\9

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Uit de boringen blijkt dat de samenstelling van deze laag zeer heterogeen is. Daarom kan niet geconcludeerd worden welke c-waarde meer realistisch is. Het tweede watervoerende pakket onder deze laag is het pakket waarin de putten van de winning Weerselo zich bevinden. Deze bevinden zich in een slenk. In bijlage 2 zijn kaarten opgenomen waarbij de kD’s van alle watervoerende lagen onder de drgik1-laag zijn gesommeerd. Uit de kaarten blijkt dat de somkD van WRD2014 lager is dan MIPWA3.0 en REGISII.v2. Daarnaast is geen slenk te herkennen. Deze slenk is wel duidelijk aanwezig in MIPWA3.0 en REGISII.v2. Uit de boringen blijkt echter dat de zanden richting het zuiden grofzandiger en grindiger worden en dat de diepte van het watervoerend pakket toeneemt. MIPWA3.0/REGIS komen dus beter overeen met de boringen dan WRD2014.

2 Proefrun Omdat er geen slenk in het WRD2014 aanwezig is, is er een proefrun gedraaid waarbij de c’s en kD’s zijn vervangen door die van MIPWA3.0. MIPWA3.0 is nog niet gekalibreerd dus in feite zijn deze c’s kD’s vervangen door REGISII.v2. In tabel 3.1 is weergegeven hoe deze zijn verdeeld over de 7 modellagen van WRD2014. Tabel 3.1 Overzicht vervanging kD’s en C’s

WRD2014

MIPWA3.0

REGISII.v2

Kd1

Kd1+kd2

Bxz1

C1

C1+c2

Deklaag (niet in REGIS), bkx1

Kd2

Kd3

Bxz2, bxz3, drz1

C2

C3

n.v.t.

Kd3

Kd4

Bxz2, bxz3, drz1

C3

C4

Drgik1, dtc, druik1

Kd4

Kd5

Drz3, doz1, brz1, ooz1, ooz2,ooz3

C4

C5

Nvt

Kd5

Kd6

Drz3, doz1, brz1, ooz1, ooz2,ooz3

C5

C6

Nvt

Kd6

Kd7

Drz3, doz1, brz1, ooz1, ooz2,ooz3

C6

C7

N.v.t.

Kd7

Kd8+kd9

Drz3, doz1, brz1, ooz1, ooz2,ooz3

Hydrologische basis

Brk1, dok1, ruk1

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

3\9

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

2.1 Modellaag 1 (freatisch pakket) In volgende figuren zijn de gemiddelde residuen voor de modelperiode 1989 t/m 2002 weergegeven voor het WRD2014 model en de proefrun. Uit de bovenste figuur blijkt dat de berekende grondwaterstand bijna overal te laag. Ter plaatse van Lemselermaten zijn de residuen 0.1 tot meer dan 1 m. Bij de proefrun is een lichte verbetering ter plaatse van Lemselermaten zichtbaar. De performance van het model is echter nog niet goed te bepalen, omdat de leggerwatergangen nog niet zijn vervangen door het te maken SOBEK model. De oude leggerwatergangen zitten nog in het model en het peil en de bodemhoogte hiervan kunnen significant afwijken van de realiteit.

4\9

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Figuur 1.1 Gemiddelde residuen 1989 t/m 2002 modellaag 1 WRD2014 (boven) en proefrun (onder). Cirkel is locatie drinkwaterwinning Weerselo

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

5\9

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

In figuur 3.2 zijn gemiddelde residuen voor modellaag 2 en 3 weergeven. In het originele model zijn in het oosten van Lemselermaten zijn de berekende stijghoogten te hoog. Ter plaatse van winning Weerselo (cirkel) is de berekende stijghoogte 0.5 tot 1.0 m te laag. Bij de proefrun zijn in het originele model in het oosten van Lemselermaten zijn de berekende stijghoogten te hoog. Ter plaatse van winning Weerselo (cirkel) is de berekende stijghoogte nog steeds te laag, maar de afwijking is afgenomen tot 0.1 tot 0.5 m. Hier is dus een significante verbetering. Verder valt het op dat ten oosten van de winning de residuen groter worden.

6\9

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Figuur 1.2 Gemiddelde residuen 1989 t/m 2002 modellagen 2 en 3 WRD2014 (boven) en proefrun (onder). Cirkel is locatie drinkwaterwinning Weerselo

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

7\9

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

Onderstaande figuur toont de residuen voor modellaag 4 t/m 7. Dit is dezelfde laag waarin de putten van winning Weerselo staan. Ook in deze laag is de berekende stijghoogte voor beide runs rondom de winning, te laag. Voor het originele model bedragen de residuen 0.5 tot 1.5 m. De residuen bij de proefrun nemen af tot 0.2 tot 1 m.

Figuur 1.3 Gemiddelde residuen 1989 t/m 2002 modellagen 4 t/m 7 WRD2014 (boven) en proefrun (onder). Cirkel is locatie drinkwaterwinning Weerselo

8\9

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

Kenmerk N001-1244201BMP-ibs-V01-NL

3 Conclusies en advies De volgende conclusies worden getrokken: 

De toename van de kD van modellaag 1 richting het noorden komt niet overeen met de

bevindingen van Hullenaar De kD-waarde van het eerste watervoerend pakket (modellagen 2 en 3) van het WRD2014-

pakket wordt te hoog geacht. De ruimtelijk verbreiding van drgik1 is moeilijk te bepalen op basis van de beschikbare

model wordt op basis van de boringen plausibel geacht. kD-waarde in REGIS II.v2 van dit

boringen. De c-waarde van deze laag in het wrd2014 model is minimaal een factor 5 lager dan in REGIS II.v2. Door het heterogene karakter van de keileem is niet te bepalen welke cwaarde plausibeler is 

De som kD van modellagen 4 t/m 7 in het WRD2014 model komen zowel als ruimtelijk patroon als kD-waarden totaal niet overeen met REGIS. Uit de boringen blijkt dat het tweede watervoerend pakket in dikte toeneemt richting het zuiden. Dit pakket bestaat uit grove en grindige zanden. OP basis hiervan wordt geconcludeerd dat MIPWA3.0 beter overeenkomt met de boringen. Dit blijkt uit de verbetering van de residuen nabij het pompstation Weerselo

Advies Het lagenmodel van MIPWA3.0 is op dit moment nog niet gekalibreerd en is in feite REGISII.V2 verdeeld over 9 modellagen. Omdat we de deklaag en de bxk1 in twee modellagen willen opdelen en omdat de slenk in MIPWA3.0 is opgenomen, wordt voorgesteld om de grondwatermodellering met MIPWA3.0 uit te voeren. In dit model dienen wel de volgende aanpassingen gemaakt te worden: 

Ter plaatse van Lemselermaten dienen de kD- en c-waarden van de modellagen 1 en 2 afgeleid worden boorprofielen. Het gaat daarbij om dinoboringen en boringen van Hullenaar. Daarnaast heeft de Bosgroepen per boring aangegeven wat de onderkant en de bovenkant van de zware beekleem is. Deze gegevens worden ook meegenomen om de c-waarde van de deze laag te bepalen. Daarnaast wordt de diepte van deze laag gebruikt om te bepalen waar de beken deze laag doorsnijden

De kD-waarden van WRD2014 modellagen 2 en 3 worden overgezet naar MIPWA3.0

modellagen 3 en 4 Ter plaatse van boring B28H1879 in Lemselermaten wordt de c-waarde van de drgik1 (c-4 in MIPWA3.0) verwijderd

Na de aanpassen van het lagenmodel is het waarschijnlijk noodzakelijk dat het model gekalibreerd moet worden. Dit kan echter pas wanneer de leggerwatergangen vanuit het SOBEK model aan het model toegevoegd zijn.

Analyse geologie en bodemopbouw Lemselermaten

9\9

Bijlage 1

Ondiepe dwarsdoorsneden Lemselermaten (bron: Bell Hullenaar Ecohydrologisch Adviesbureau, Door, mei 2015)

Ondiepe dwarsdoorneden noord-zuid van WRD2014 (links) en MIPWA3.0 (rechts)

Ondiepe dwarsdoorsnede WRD2014 model langs dezelfde lijn als bovenstaande.

Ondiepe dwarsdoorsnede MIPWA3.0 (concept) model langs dezelfde lijn als bovenstaande. Scheidende laag 1 heeft in mipwa3 geen dikte. Om de weerstand te kunnen laten zien, heb ik de laag een dikte van 1 m gegeven.

Diepe dwarsdoorsnede noord-zuid van REGISII v2.1

Diepe dwarsdoorsnede zuid-noord (bron: TNO, De ondergrond van de Lemselermaten, kenmerk 2015 R11611, d.d. 8 juli 2016)

Let op! Deze dwarsdoorsnede loopt van zuid naar noord.

Diepe dwarsdoorsnede west-oost (bron: Geologische kaart van Nederland)

Diepe dwarsdoorsnede noord-zuid van WRD2014 in combinatie met dinoboringen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/691/documents/18912