Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 IP 2 Systeemanalyse.pdf
Tekst van het document
hebben zich doorontwikkeld tot Elzenzegge-Elzenbroekbossen op de meest natte plekken en Vogelkers-Essenbossen op de wat drogere standplaatsen. Grote delen van de Lemselermaten
bestaan
tegenwoordig
uit
Elzenboekbossen
waarin
de
zeldzame
Zeggekorfslak voorkomt. In de Lemselermaten vormen de vochtige alluviale bossen met
een dominante ondergroei van breedbladige zeggensoorten (vooral Moeraszegge) de ideale leefomgeving voor deze slakkensoort.
3.3.2
Tijd-stijghoogtegrafieken peilbuizen Provincie Overijssel
Bell & Van ’t Hullenaar (2015) hebben een uitgebreide peilbuisanalyse gedaan. In 2012 zijn B28H1804, 1805, 1806 en 1808 erbij geplaatst door provincie Overijssel. In 2015 zijn vervolgens B28H1879 tot en met 1886 bijgeplaatst. Deze peilbuizen hebben filters op verschillende diepten, daarmee geven ze een duidelijk beeld van de kweldruk in het gebied. Bij kwelsituaties zal de stijghoogte van de peilbuis met het diepe filter hoger zijn dan de stijghoogte van een ondiep filter, terwijl dit bij een inzijgingssituatie andersom is. De metadata (o.a. filterdiepten) van de peilbuizen zijn opgenomen in Bijlage 1. De stijghoogtegrafieken van de nieuwe peilbuizen zullen hieronder worden besproken. Hierbij wordt uitgelegd wat er te zien is en wat dit betekent voor het functioneren van het systeem. Eerst worden de peilbuizen in het Dollanddal van oost naar west behandeld. Daarna komen de buizen in het dal van de Weerselerbeek aan bod. Deze buizen zijn, naast de buizen die door Bell & Van ’t Hullenaar (2015) al zijn geanalyseerd, gebruikt in de knelpuntenanalyse (hoofdstuk 6).
29
Unie van Bosgroepen
Figuur 8: Locaties van de provinciale buizen met meerdere filterdieptes die geplaatst zijn in 2012 (rood) en 2015 (wit). B28H1805 (2012) ligt op dezelfde locatie als B28H1882 (2015). Peilbuizen Dollanddal van oost naar west B28H1882 en B28H1805 Peilbuizen B28H1882 en B28H1805 staan in het oostelijk deel van het Dollanddal. Bij
B28H1882 zijn twee filters aanwezig op ongeveer 8 meter (rode lijn) en 14 meter onder
maaiveld (groene lijn). De lijnen laten geen duidelijke stijghoogteverschillen zien omdat de weerstand in de bodem tussen de filters vermoedelijk laag is en er geen diepe drainerende beek in de nabijheid ligt. De stijghoogte is gedurende een half jaar hoger dan maaiveld en bevat pieken op 60 cm boven maaiveld. Dit stuk bos is gedurende die tijd ook
daadwerkelijk geïnundeerd. In de droge periode zakken deze standen in relatief korte tijd
tot 60 cm onder maaiveld weg. Door het verhang wordt het grondwater via het natuurlijke beekdal afgevoerd richting het lager gelegen deel in het westen.
Van B28H1805 zijn de filters ondieper: op 1,2 en 4,5 meter onder maaiveld. Het diepere filter laat kwel zien, net als B28H1882. Interessant is dat het ondiepe filter geen
waterstanden boven maaiveld weergeeft, terwijl de buis is afgewerkt op 70 cm boven maaiveld. Dit geeft aan dat deze filter in het pakket staat dat waarschijnlijk wordt gedraineerd door de beek.
30
0.6
B28H1882_1 B28H1882_2
Groundwater level (m+surf)
0.4
0.2
0
-0.2
-0.4
-0.6
Nov15
Jan16
Mar16
Jul16
May16
Sep16
Nov16
Jan17
Date
Figuur 9: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1882. B28H1805_1 B28H1805_2
0.6
0.4
Groundwater level (m+surf)
0.2
0
-0.2
-0.4
-0.6
-0.8
2013
2015
2014
2016
2017
Date
Figuur 10: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1805 (zelfde locatie als 1882, maar ondiepere filters op 1,2 en 4,5 m onder maaiveld).
B28H1804 en B28H1808 Verder benedenstrooms staan, wederom vlak langs de Dollandbeek, peilbuizen B28H1804 en B28H1808 (Figuur 11 en Figuur 12). Deze buizen laten hetzelfde patroon zien als
B28H1805 (Figuur 10). De filters staan op vergelijkbare dieptes (ca 1,5 en 4,5 meter onder maaiveld). Ook hier laat het diepere filter kwel zien, terwijl de waterstand in het ondiepere
31
Unie van Bosgroepen
filter net aan maaiveld komt. De Dollandbeek draineert het oppervlakkige pakket, wat zich uit in lagere waterstanden.
0.2
Groundwater level (m+surf)
0
-0.2
-0.4
-0.6
-0.8
B28H1804_1 B28H1804_2 2013
2014
2015
2016
2017
Date
Figuur 11: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1804 (filters op 1,5 en 4,5 meter onder maaiveld).
0.5
Groundwater level (m+surf)
0
-0.5
-1 B28H1808_1 B28H1808_2
-1.5 2013
2014
2015
2016
2017
Date
Figuur 12: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1808 (filters op 1 en 4,5 meter onder maaiveld)
32
B28H1885 Peilbuis B28H1885 ligt in het midden van het Dollanddal (in de Lemselermaten). De filters
van de vier buizen liggen op circa 2, 4, 9 en 14 meter onder maaiveld, waarbij de rode lijn het ondiepe filter voorstelt en de paarse lijn het diepste filter. Hier is een zeer sterke kwel
zichtbaar in de winter met grondwaterstanden die niet ver uitzakken in de zomer (tot circa
40cm –mv). Hierbij blijft er in de zomer enige kweldruk aanwezig. Deze peilbuis ligt op een
plek waar het diep-lokale of sub-regionale grondwater door het beekdal aangesneden
wordt. Hierdoor is er jaarrond veel voeding uit het grondwater aanwezig. Opvallend is de veel lagere grondwaterstand van de meest ondiepe filter. Dit is zo duidelijk zichtbaar
doordat er waarschijnlijk een weerstand biedende laag in de bodem aanwezig is. Hierdoor
blijft het water in diepere bodemlagen op druk. Het bovenste pakket waar het ondiepe filter in staat, staat in verbinding met de Dollandbeek, die dit pakket draineert. B28H1885_1 B28H1885_2 B28H1885_3 B28H1885_4
0.6
Groundwater level (m+surf)
0.4
0.2
0
-0.2
-0.4
Nov15
Jan16
Mar16
May16
Jul16
Sep16
Nov16
Jan17
Date
Figuur 13: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1885. B28H1883 en B28H1884 Peilbuis B28H1883 ligt in het westelijk deel van het Dollanddal (binnen het natuurgebied).
De filters zitten ongeveer op 1, 3, 9 en 14 m waarbij de rode lijn het meest ondiepe filter is en de paarse het diepste. Ook hier is in de winter sprake van sterke kwel, met stijghoogtes ruim boven maaiveld. Opvallend is weer het verschil tussen de ondiepe filters en de diepe. Ook hier wordt het ondiepe watervoerend systeem gedraineerd door de beek, waardoor waarschijnlijk minder hoge stijghoogtes bereikt worden. In de zomer zakt de
grondwaterstand hier weg tot circa 60cm beneden maaiveld. Peilbuis B28H1884 ligt net ten westen van peilbuis B28H1883 en laat een zeer vergelijkbaar beeld zien van sterke kwel in de winter en het wegzakken van het systeem in mei. Hier is het verschil tussen de filters minder groot dan de vorige peilbuis. Waarschijnlijk is er hier geen, of een minder,
weerstandbiedende laag aanwezig dan in bij peilbuis B28H1883. In de zomer zakt de grondwaterstand hier weg tot circa 60cm beneden maaiveld.
33
Unie van Bosgroepen
0.6
Groundwater level (m+surf)
0.4
0.2
0
-0.2
-0.4
-0.6 B28H1883_1 B28H1883_2 B28H1883_3 B28H1883_4
-0.8 Nov15
Jan16
Mar16
May16
Jul16
Sep16
Nov16
Jan17
Date
Figuur 14: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1883.
B28H1884_1 B28H1884_2 B28H1884_3 B28H1884_4
0.4
Groundwater level (m+surf)
0.2
0
-0.2
-0.4
-0.6
-0.8 Nov15
Jan16
Mar16
May16
Jul16
Sep16
Nov16
Date
Figuur 15: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1884.
34
Jan17
B28H1879 Peilbuis B28H1879 bevindt zich op de zuidelijke gebiedsgrens van de Lemselermaten op de hogere gronden. De filters bevinden zich ongeveer op 5, 14 en 34 meter diepte. De rode lijn is de meest ondiepe buis en de zwarte lijn de meest diepe. De stijghoogten van de verschillende buizen zijn vrijwel gelijk. Dit wijst er op dat er geen kwel is en ook geen
inzijging; ook wel een ‘neutrale situatie’genoemd. -0.6
-0.8
B28H1879_1 B28H1879_2 B28H1879_3
Groundwater level (m+surf)
-1
-1.2
-1.4
-1.6
-1.8
-2 Oct15
Jan16
Apr16
Jul16
Oct16
Jan17
Date
Figuur 16: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1879.
Peilbuizen Weerselerbeek B28H1881 Peilbuis B28H1881 bevindt zich in het landbouwgebied ten noorden van de Lemselermaten. De filters bevinden zich op circa 7, 16, 23 en 45 meter. De waterstand van het meest
ondiepe filter lijkt sterk op die van het diepe filter; er is hier dus weer sprake van een
neutrale situatie (geen inzijging, geen kwel). Los van de effecten van de ontwatering op de waterstanden in deze buis, bevindt hij zich op de hogere gronden. Hierdoor is een inzijgingssituatie ook te verwachten.
35
Unie van Bosgroepen
-0.8
-1
Groundwater level (m+surf)
-1.2
-1.4
-1.6
-1.8
-2 B28H1881_1 B28H1881_2 B28H1881_3 B28H1881_5
-2.2
-2.4 Nov15
Jan16
Mar16
May16
Jul16
Sep16
Nov16
Jan17
Date
Figuur 17: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1881. Filter 4 is verstopt geraakt en wordt niet meer opgenomen, daarom is deze reeks niet opgenomen in de grafiek.
B28H1886
Groundwater level (m+ref)
19
18.5 B28H1886_1 B28H1886_2 B28H1886_3 B28H1886_4 18
17.5
17
Nov15
Jan16
Mar16
May16
Jul16
Sep16
Nov16
Jan17
Date
Figuur 18: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1886 ten opzichte van NAP. De maaiveldhoogte is aangegeven met een bruine lijn en de hoogte van de bodem van de Weerselerbeek met een blauwe lijn. Peilbuis B28H1886 staat op de oever van de Weerselerbeek en is interessant om de invloed van de beek te bekijken. De filters zitten op 2, 4, 8 en 15 meter diepte. De stijghoogtes
komen tot mei tot boven maaiveld, maar in tegenstelling tot het Dollanddal is dit voor de ondiepe filter maar net het geval en voor de diepe filters tot maximaal 30 cm boven 36
maaiveld (ten opzichte van 60 cm in het Dollanddal). De waterstanden zakken uit tot circa
18 m+NAP. De Dollandbeek is circa 1,2 m diep, wat op deze locatie een diepte van ca 17,6 m+NAP betekent. Dat is dieper dan de GLG van dit jaar, de beek trekt dus het hele jaar door aan de waterstanden.
Een interessant verschil met de peilbuizen in het Dollanddal is dat het verschil tussen de ondiepe en diepe buizen hier niet zo abrupt aanwezig is. De bodemweerstand tussen de
verschillende filters is waarschijnlijk geringer. Dat heeft mogelijk tot resultaat dat ook het diepere grondwater hier wordt beïnvloed door de beek. In dwarsprofiel B-B’ (Bijlage 2) is een kleipakket te zien dat de Weerselerbeek isoleert ten opzichte van de omgeving. De
peilbuis laat zien dat de diepere lagen ook beïnvloed worden door de drainage van de beek
waardoor de stijghoogtes veel minder groot zijn dan te verwachten is op basis van de diepe ligging van het beekdal en de stijghoogtes in het Dollanddal. In Figuur 19 is te zien dat de beek plaatselijk door de slecht doorlatende laag heen snijdt. Daarnaast is de slecht
doorlatende laag minder kleiig dan de doorsnede doet vermoeden (Van der Werfhorst,
2016; Bor, 2017). Enkel ter hoogte van de plek waar nu het kalkmoeras voorkomt is het
drainerende effect van de beek het minst.
Figuur 19: Locaties (rood omlijnd) waar de Weerselerbeek zich waarschijnlijk door de slecht doorlatende laag heeft ingesneden (uit Bor, 2017).
37
Unie van Bosgroepen
B28H1806 Peilbuis B28H1806 ligt ten noorden van de Reservaatweg in het blauwgrasland. Het diepste filter laat in de winter kwel zien. In de zomer is er geen sprake meer van kwel. In het ondiepe filter komen de waterstanden tot zo’n 10 cm onder maaiveld.
0
Groundwater level (m+surf)
-0.2
-0.4
-0.6
-0.8
B28H1806_1 B28H1806_2
-1 2013
2015
2014
2016
2017
Date
Figuur 20: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1806 (filters op 0,9 en 2,8 m onder maaiveld). B28H1880 Peilbuis B28H1880 staat wat verder naar het zuiden, op de overgang van het beekdal naar de centrale dekzandrug. Dit is terug te zien aan de diepe grondwaterstanden. Toch is er
wel overdruk in het diepste filter (paarse lijn). De stijghoogte van dit filter is hoger dan die
van de twee filters daarboven (zwart en groen) maar min of meer gelijk met de stijghoogte van de ondiepe filter (rode lijn). De filters bevinden zich op 3, 16, 24 en 30 m, waarvan de rode lijn het meest ondiepe filter is en de paarse lijn het meest diepe. Er is aan maaiveld dus inzijging, maar dieper in de dekzandrug staat het grondwater wel onder druk. In de
boring in het DINOloket is te zien dat er tussen deze filter en de hogere filter (zwarte lijn) een leemlaag zit die het water op druk houdt.
38
B28H1880_1 B28H1880_2 B28H1880_3 B28H1880_4
-0.8
Groundwater level (m+surf)
-1
-1.2
-1.4
-1.6
-1.8
Oct15
Jan16
Jul16
Apr16
Oct16
Jan17
Date
Figuur 21: Tijd-stijghoogtegrafiek van peilbuis B28H1880.
Conclusies Geconcludeerd kan worden is dat op veel locaties kwel optreedt, in het Dollanddal zelfs tot 60 cm boven maaiveld. De diepe stijghoogten in het Weerselerbeekdal lager zijn dan in het dal van de Dollandbeek. Dit is ook te zien in Figuur 22. De invloed van de beken op de stijghoogte van de ondiepe filters is goed te zien.
39
Unie van Bosgroepen
Figuur 22: De diepte stijghoogte (van filters op ca 15 m-mv) is in het dal van de Weerselerbeek (1880, 1881, 1886) lager dan in het Dollanddal (1879, 1885).
3.3.3 Om
Gemiddelde grondwaterstanden een
indruk
te
krijgen
van
de
huidige
waterstanden,
zijn
de
gemiddelde
voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) berekend
van de peilbuizen in de habitattypen. De locaties van de peilbuizen die zijn gebruikt, zijn
opgenomen in Figuur 23. De peilbuizen staan in de habitattypen Vochtige heide (H4010A), Zwakgebufferd ven (H3130), Blauwgrasland (H6410), Kalkmoeras (H7230), Heischrale
graslanden (H6230) en Vochtig alluviaal bos (H91E0C). Verder is een aantal peilbuizen meegenomen in de analyse die in elzenbroekbos of vogelkers-essenbos staan, maar wat
niet is aangewezen als habitattype 2. Van de peilbuizen met meerdere filters is steeds het
meest ondiepe filter gebruikt. Er is niet gecontroleerd of deze filters daadwerkelijk in het freatische pakket staan.
De peilbuizen bestaan uit twee sets:
1. Rode symbolen in Figuur 23: Dit zijn buizen (B28H07XX) die geanalyseerd zijn door Bell & van ’t Hullenaar (2015). De GVGs en GLGs die in dat onderzoek zijn
berekend, zijn rechtstreeks overgenomen, omdat zij veel correcties hebben uitgevoerd wat betreft meetfouten, fouten in het vastleggen van de waterstanden en
2
In de eindfase van deze studie werd bekend dat er ‘verbijzondering’ van de habitattypekaart komt, waarbij een aantal bossen aanvullend wordt aangewezen als Vochtige alluviale bossen. 40
ontbrekende data. Alleen de peilbuizen binnen of vlakbij habitattypen zijn
meegenomen. Aanvullend is B28H0714 meegenomen, deze ligt in een bos waar de Zeggekorfslak is aangetroffen.
2. Gele symbolen in Figuur 23: Dit zijn provinciale buizen met relatief korte reeksen
(B28H18XX). Deze buizen worden opgenomen vanaf 2012 of 2015. Een gangbare
reekslengte om gemiddelde grondwaterstanden te berekenen is acht jaar. Daarom
zijn de reeksen verlengd tot en met 2008. Hiervoor zijn tijdreeksmodellen gemaakt, de uitkomsten van de modellen zijn opgenomen in Bijlage 8. Hiervoor zijn enkel de
stijghoogtes uit de ondiepe filters gebruikt. De reeksen konden allemaal worden verklaard op basis van neerslag en verdamping en zijn daarom allemaal verlengd.
Van die reeksen zijn vervolgens ook de GVG en GLG berekend, over de periode 2008-2016 (acht jaar, de gangbare lengte voor een berekening van GxGs).
Figuur 23: Locaties van de peilbuizen die voor deze analyse zijn gebruikt. Groen = uit Bell & Van 't Hullenaar (2015), rood = provinciale buizen die aanvullend zijn geanalyseerd. De berekende GVG en GLG zijn weergegeven in Figuur 24 en Figuur 25. Opgemerkt dient te
worden dat de periode waarover de GxG zijn berekend bij de buizen uit Bell & Van ’t
Hullenaar een andere periode is (ongeveer 1991-2004) dan de provinciale peilbuizen (2008-2016). De neerslaghoeveelheid is anders in deze periode dan in de periode 1991-
2000. In 1991-2000 zaten meer droge jaren dan in 2008-2016. Daarnaast zijn de reeksen
van de provinciale peilbuizen verlengd door middel van simulatie. De resultaten van de tijdreeksmodellen zijn opgenomen in Bijlage 8.
41
Unie van Bosgroepen
De GVG is op veel plekken rond maaiveld en zakt op zijn diepst tot 28 cm onder maaiveld weg. De GLG ligt tussen de 33 en 92 cm onder maaiveld. In het voorjaar is de
grondwaterstand hoger dan in de zomer, dit komt overeen met ervaringen in omliggende landbouwgronden (mondeling mededeling LTO).
Figuur 24: Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstanden (GVG) berekend over 2008-2016. De standen liggen op of boven maaiveld (0) en zakken maximaal weg tot -28 cm in het blauwgrasland. Linksonder is ingezoomd op de maatjes.
42
Figuur 25: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) berekend over 2008-2016. De standen liggen rond maaiveld en zakken maximaal weg tot -92 cm in de vochtige heide. Linksonder is ingezoomd op de maatjes. 3.3.4
Bodem
In het kader van dit onderzoek zijn boringen gedaan met name in de omliggende landbouwpercelen ten behoeve van de effectberekeningen in de volgende fase. Echter kon op basis van deze informatie ook een bodemkaart worden gemaakt (Figuur 26) en is de GHG (Figuur 27) en GLG (Figuur 28) ingeschat. De bodemkaart is opgenomen in Figuur 26 en laat net als Bell & Van ’t Hullenaar zien dat de beekdalen met name bestaan uit gronden die zijn ontstaan onder invloed van grondwater (beekeerdgronden). Aan de zuidkant wordt het Natura 2000-gebied geflankeerd door veldpodzolgronden (rood), die ontstaan onder invloed van inzijging. De geschatte GHGs geven een indicatie van de opbolling van water in de dekzandruggen.
Op de vochtige heide in de zuidoosthoek van de Lemselermaten, is bijvoorbeeld de GHG op
15/20 cm onder maaiveld geschat. Dit is een relatief hoog gelegen deel in het landschap, een dekzandrug, waar het water in het winterseizoen opbolt. Verder is het verschil tussen
de GHG en GLG in de dekzandruggen groter dan daarbuiten: het water bolt daar in de
winter op (hetgeen het uittreden van grondwater in de lagere delen stimuleert), en zakt in
de zomer weer diep uit.
43
Unie van Bosgroepen
Figuur 26: Bodemkaart op basis van het aanvullend bodemkundig onderzoek in 2016.
Figuur 27: GHG geschat op basis van kenmerken in het bodemprofiel. Uit de kaart is de opbolling van water in de dekzandruggen af te lezen.
44
Figuur 28: GLG geschat op basis van kenmerken in het bodemprofiel. Uit de kaart is de opbolling van water in de dekzandruggen af te lezen. 3.3.5
Biogeochemie
In 2016 heeft onderzoekscentrum B-WARE onderzoek gedaan naar de waterkwaliteit in peilbuizen op 1,8 meter onder maaiveld. De resultaten zijn gerapporteerd in Lucassen & Roelofs (2016) en in deze paragraaf samengevat. De locaties van de watermonsters is
weergegeven in Figuur 29. De peilbuizen zijn geplaatst op meerdere locaties langs de
randen van het projectgebied. Daarnaast is er op drie locaties waar nog (redelijk) goed
ontwikkelde, kwelafhankelijke natuur voorkomt, het grondwater bemonsterd om te
bekijken of er sprake is van interne eutrofiëring. Van het water zijn de concentraties
gemeten van elementen die kunnen afspoelen en uitspoelen vanuit landbouwgronden en in
potentie een negatief effect teweeg kunnen brengen in grondwater afhankelijke natuur (sulfaat, nitraat, ammonium en fosfor) (Lucassen & Roelofs, 2016).
De concentraties van nitraat, ammonium en fosfor in het grondwater zijn zeer laag (Figuur 29). De lage fosforconcentratie is te verklaren doordat fosfaat weinig mobiel is en snel aan de bodemdeeltjes gebonden blijft. Dit wordt versterkt door het feit dat er in de Lemselermaten klei en kalk in de ondergrond aanwezig is. Ook ijzer is een belangrijke
binder van fosfaat, maar dit is echter in de Lemselermaten weinig aanwezig. Stikstof is echter in de vorm van nitraat echter wel mobiel en spoelt uit naar het grondwater (Lucassen & Roelofs, 2016). Ondergronds wordt een deel ondervangen door reacties met pyrietrijke
bodemlagen (hier wordt verderop dieper op ingegaan) en een (klein) deel spoelt uit naar de beekdalen.
45
Unie van Bosgroepen
Sulfaat is op een aantal locaties sterk verhoogd met concentraties van rond de 1200 µmol/l (Figuur 29). In de overige peilbuizen liggen de concentraties tussen de 100 en 300 µmol/l
waarmee de concentraties sterk overeenkomen met de gevonden waarden in het
grondwater van het Westelijke en Oude Maatje uit 2009 (Hunneman & Aggenbach, 2009).
Wel zijn hier de nitraatwaarden verhoogd (kritische waarde is 200 µmol/L), terwijl deze laag
zijn op de plekken met een verhoogde sulfaatwaarde. Dit ondersteunt dat er nitraatrijk grondwater
uitspoelt
naar
het
gebied,
dat
plaatselijk
reageert
met
pyrietrijke
bodemmaterialen. Kennelijk vindt deze reactie voornamelijk plaats in het zuidelijke gebied (gezien de lage nitraat- en hoge sulfaat gehalten) en kan het nitraat in het noordelijk deel
wel het gebied bereiken. Het diepe grondwater dat bij Weerselo gewonnen wordt, vertoont ook een stijgende trend in sulfaat (Figuur 30), wat aantoont dat de aanwezigheid van sulfaat niet volledig verklaard kan worden door natuurlijke sulfaatrijke afzettingen (dan was
het gehalte in het grondwater constant gebleven). De waarden in het Dollanddal zijn hoger
dan die uit de waterwinning. Dit betekent waarschijnlijk dat er hier meer interactie met
nitraat plaatsvindt dan ter hoogte van de winning. Dit zal deels ook komen door de diepte waarop bemonsterd wordt. Bij een diepe bemonstering zoals bij de drinkwaterwinning is
het grondwater langer onderweg geweest waardoor het sulfaat verdunt is. Terwijl bij een
relatief ondiepe bemonstering zoals in de Lemselermaten het effect van nitraat op pyrietrijke afzettingen nog weinig verdund is.
46
Figuur 29: Gemeten nitraat-, fosfor-, ammonium- en sulfaatconcentraties in peilbuizen langs de randen van de Lemselermaten en op drie locaties met (redelijk) goed ontwikkelde kwelafhankelijke natuur (Lucassen & Roelofs 2016).
Figuur 30: Gemeten sulfaatconcentraties in de waterwinningsputten van de waterwinning bij Weerselo tussen 1991 en 2016 (bron: Hunneman & Aggenbach, 2009).
47
Unie van Bosgroepen
3.4 Synthese Op basis van de systeemanalyse van Bell & Van ’t Hullenaar en aanvullend onderzoek, is een beschrijving ten aanzien van het functioneren van het systeem in hoofdlijnen opgesteld.
3.4.1
Hydrologisch systeem
Lemselermaten heeft van nature een zeer sterke kweldruk door smaller worden van het watervoerend pakket ter hoogte van de Lemselermaten. Hierdoor komt het diepe
grondwater onder druk te staan en treedt het uit aan maaiveld op plekken waar de
beekdalen van de Weerselerbeek en de Dollandbeek zorgen voor een verlaging van het
maaiveld. De ecohydrologische dwarsdoorsneden van Bell & Van ’t Hullenaar (2015) laten dit goed zien (zie Bijlage 2). Het lokale en subregionale grondwatersysteem zijn in de Lemselermaten een sterk samenhangend geheel. Er is sprake van diep en ondiep
grondwater waarbij het diepe grondwater basenrijk is en het ondiepe grondwater zuur en basenarm is. (zie bijlage 7, hydrologische berekeningen).
In de winterperiode versterken de lokale waterstromen vanuit de dekzandruggen onder
invloed van neerslag plaatselijk de kweldruk in en rond de Lemselermaten. De lokale grondwaterstromen zijn dan aan de voet van de dekzandruggen dominant (Figuur 31) en
bevatten basenarm, vrij zuur water. Door neerslag en geringe verdamping is er een overvloed aan water. Het lokale systeem duwt hierbij beetje bij beetje het basenrijke
subregionale grondwater vanuit de basis van de dekzandrug voor zich uit, waardoor basenrijke kwel aan maaiveld uittreedt in het beekdal en plaatselijk zelfs tot op de flank. Wanneer de zeer lokale waterstromen in de zomer vrijwel stilvallen, kan dankzij de
overdruk en grotere stijghoogten uit diepere lagen (zie peilbuis B28H1880 in 3.3.2.) het basenrijke grondwater wat meer omhoog komen in de basis van de dekzandruggen.
Hierdoor wordt de basenvoorraad hier weer aangevuld. Door deze ‘pomp’ kan plaatselijk aan de voet van dekzandruggen ten noorden en ten zuiden van het gebied toch basenrijke
kwel uittreden, waar eigenlijk zuur lokaal regenwater te verwachten is. (zie bijlage 7,
hydrologische berekeningen).
48
Figuur 31: Waterstromen en maaiveldverloop in de Lemselermaten van oost (rechts in de doorsnede) naar west (links in de doorsnede). In de hogere gronden van de Lemselermaten domineren lokale waterstromen. Zowel in het dal van de Dollandbeek als de Weerselerbeek domineren sterke, subregionale stromingen. Op de overgangen tussen hogere gronden en de beekdalen is er een interactie tussen het lokale en subregionale grondwatersysteem. Voor de ligging van de doorsnede, zie bijlage 5. 3.4.2
Grondwater
De stijghoogtes in zowel het dal van de Weerselerbeek als het Dollanddal zijn vanuit diepe bodemlagen met meer dan 30 cm boven maaiveld in de winter zeer hoog te noemen, zoals
de peilbuizen laten zien. Door de zeer diepe ligging wordt met name het grondwater door de Weerselerbeek en in mindere mate door de Dollandbeek gedraineerd (Figuur 31). Zoals Bell & Van ’t Hullenaar beschrijven, stroomt vanwege de aanwezigheid van het
weerstandsbiedende laagpakket van Boxtel (klei en leem) het grondwatersysteem niet al te snel ‘leeg’ en blijft het (enigszins) op druk (zie dwarsprofiel B-B’, Bijlage 2). Wel hebben de
beken een negatief effect op de kwelsterkte, en plaatselijk (nabij de verdiepte beeklopen)
leidt dit tot een omslag naar inzijging. Zodoende kan het kwelwater in het winterseizoen in
de beekdalen dus minder goed / minder langdurig in de wortelzone van de vegetatie van het natuurgebied doordringen (Bell & Van ’t Hullenaar, 2015).
3.4.3 Het
Waterkwaliteit lijkt
onwaarschijnlijk
dat
het
verschil
in
sulfaatconcentraties
tussen
het
Weerselerbeekdal (100 - 300 µmol/l) en het Dollanddal (1200 µmol/l) zoals bepaald door onderzoekscentrum B-WARE kan worden verklaard door organisch stofrijke bodems ter 49
Unie van Bosgroepen
hoogte van de filters. Wanneer sulfaatrijk grondwater in contact is geweest met organisch
stofrijke bodems, reduceert een deel van het sulfaat en wordt het omgezet in sulfide, waardoor de concentraties bij bemonstering een stuk lager kunnen liggen. Dit is echter in
dit geval zeer onwaarschijnlijk doordat de filters van de peilbuizen waar het grondwater uitgehaald is ruim onder het veen liggen en soms ook nog onder lemig zand of klei (Lucassen & Roelofs, 2016). Hierdoor heeft het grondwater dus nog het ‘oorspronkelijke’ sulfaatgehalte.
De grote verschillen tussen de beide beekdalen duiden erop dat beide gebiedsdelen
grondwater ontvangen met een andere herkomst. Het dal van de Weerselerbeek zal water vanuit het oosten ontvangen, terwijl het Dollanddal water van zowel oost als zuidoost ontvangt (dit blijkt ook uit de peilbuisanalyse, zie Figuur 22). De stroombanenanalyse die in
de volgende fase wordt uitgevoerd, zal dit valideren. De tertiaire afzettingen in dit deel van
Twente zijn over het algemeen van mariene oorsprong en sulfaathoudend in de vorm van pyriet, waardoor al snel door ontwatering en bemesting sulfaat vrij komt. Dit komt doordat
nitraat bij bemesting deels uitspoelt naar het grondwater. Bij de pyrietrijke afzettingen
reageert de nitraat met de pyriet, hetgeen er voor zorgt dat er sulfaat vrij komt. De mate waarin dit speelt verschilt per bodemtype, vochttoestand en stroombanen. Hierdoor kunnen de gehaltes in het noordelijk deel van het gebied zo afwijken van het zuiden. Sulfaat
reageert met organische bodems zoals veen, waarbij veen wordt afgebroken en het giftige sulfide ontstaat. Vaak is het vrijkomen van sulfide in gebieden met (plaatselijk) ijzerarm grondwater schadelijk omdat het giftig is en tot sterfte van bomen en planten kan leiden en
omdat het tot interne eutrofiëring kan leiden (Smolders et al., 2006). Sulfide heeft een sterkere binding met ijzer dan fosfaat, waardoor de fosfaatdeeltjes verdrongen worden van
het aanwezige ijzer. Hierdoor is dubbel kans op eutrofiëring: enerzijds door de afbraak van
het veen, en anderzijds door het vrijkomen van fosfaat (Lucassen et al., 2004). Dit door
sulfide verdrongen fosfaat zal echter weinig problemen opleveren omdat de fosfaten ook gebonden worden door calcium dat in de Lemselermaten volop aanwezig is in het
grondwater (op 1-2 meter) en er weinig fosfaat in het systeem aanwezig is. De binding van
fosfaat aan calcium is zeer sterk en wordt slechts door langzame verwering ongedaan gemaakt (Lucassen & Roelofs, 2016).
3.4.4
Kwaliteit van de maatjes en de elzenbroekbossen
Bell & Van ’t Hullenaar (2015) beschrijven dat de Maatjes en de noordelijke tak van de
Dollandbeek er relatief gunstig bij liggen, met een GLG op 35 à 45 cm-mv. De peilbuizen
die in dit onderzoek aanvullend zijn geanalyseerd, laten een GLG van 33 à 88 cm-mv zien in de maatjes. De GVG is rond maaiveld. De relatief gunstige situatie is te danken aan het geheel ontbreken van ontwateringsmiddelen in het dal zelf (binnen de grenzen van het
Natura 2000-gebied). Hierdoor kan het kwelwater op diffuse wijze in het gehele beekdal
uittreden en is in het centrale deel van dit dal een zeer nat, goed ontwikkeld Elzenbroekbos aanwezig met indicatoren voor basenrijke kwel zoals Gewone dotterbloem.
In een zone langs de beken is wel verruiging met Gewone braam en Framboos zichtbaar.
Daarnaast komen in beide beekdalen elzen op stelten voor. Dit wijst op verdroging en als
gevolg daarvan mineralisatie (interne eutrofiering). Er worden sulfaatgehalten gemeten, die deels zijn toe te schrijven aan een natuurlijke vervuiling van de aanwezige mariene 50
afzettingen in de ondergrond en deels als gevolg van stikstofbemesting. Hoe groot het aandeel van beide bronnen is, is onbekend.
De situatie ter plaatse van de Maatjes is ondanks de relatieve nabijheid van de sterk
drainerende Weerselerbeek om een aantal redenen relatief gunstig (Bell & Van ’t Hullenaar, 2015):
5. Dit deelgebied in een uitstulping van het beekdal van de Weerselerbeek, waardoor de afstand tot deze sterk drainerende hoofdwaterloop relatief groot is.
6. Deze uitstulping voor het grondwater ook min of meer bovenstrooms ten opzichte van het verstorende effect van de Weerselerbeek.
7. Er is een behoorlijk dikke kleilaag in de ondergrond aanwezig: zodoende is de
weerstand van het slecht doorlatende laagpakket van Boxtel hier relatief hoog, en vanwege de behoorlijke dikte wordt de kleilaag op dit punt gelukkig net niet
doorsneden door de diepe Weerselerbeek. Dus zodoende blijft ondanks deze
sterke aantasting het grondwatersysteem (op enige afstand van de beek) toch nog voldoende op druk om een gestage voeding met kwelwater te kunnen genereren. Desondanks zal de drainage aan weerszijden van de kleilaag wel een drainerend effect hebben op de maatjes (zie Figuur 19).
8. De dikte van de kleilaag is ter plaatse van de dalflank dunner dan in het centrale deel van het dal, waardoor kwelwater hier gemakkelijker kan uittreden.
Om al deze redenen kan in dit deelgebied het basenrijke kwelwater nu al goed aan maaiveld kan komen, en in de wortelzone van de vegetatie doordringen. In samenhang
hiermee komt in een aanzienlijk deel van het Oude en Westelijke Maatje een goed ontwikkeld, soortenrijk beekdalblauwgrasland en is in het laagste deel zelfs kalkmoeras
aanwezig. Toch is dit een verslechtering ten opzichte van de situatie van voor de ruilverkaveling Rossumerveld. De meest kritische soorten van blauwgrasland/kalkmoeras zoals Grote muggenorchis, Parnassia en Moeraswespenorchis zijn sinds de jaren 1960
verdwenen (mondelinge mededeling J. Kleuver Staatsbosbeheer). De mossen die afhankelijk zijn van basenrijk grondwater zijn zeer sterk afgenomen en sommige inmiddels geheel
verdwenen, waaronder Geel schorpioenmos en Kammos (Jansen, 1991). Soorten als Waternavel in de maatjes wijst op oppervlakkige verzuring. Eutrofe soorten als Veldrus en
Moeraszegge (Jalink en Jansen, 1993. Indicatorenreeks beekdalen, deel 2) hebben de plaats van het voormalige trilveen in het midden van het Oude maatje ingenomen.
51
Unie van Bosgroepen
4
Natura 2000-doelen
De opgave voor het Natura2000 gebied Lemselermaten is om de volgende habitattypen in oppervlakte / populatiegrootte gelijk te houden (Tabel 2): -
-
-
-
-
Heischraal grasland (H6230)
Blauwgrasland (H6410)
Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150)
Vochtige alluviale bossen (H91E0C)
Zeggekorfslak (H1016)
Voor de volgende habitattypen geldt een uitbreidingsdoelstelling in oppervlakte: -
Vochtige heiden (H4010a)
Kalkmoerassen (H7230)
Wanneer het gaat om de kwaliteit van de habitattypen dan moet deze voor alle habitattypen minimaal gelijk blijven. Alleen voor de volgende habitattypen geldt dat de kwaliteit verbeterd dient te worden (Tabel 2): -
-
-
Vochtige heiden (H4010a) Kalkmoerassen (H7230)
Vochtige alluviale bossen (H91E0C)
Zeggekorfslak (H1016)
Tabel 2: Natura2000 doelen zoals gedocumenteerd in het aanwijsbesluit (KWR et al., 2015). Habitattype
Natura 2000-doel Natura 2000-doel oppervlak
kwaliteit
H4010A (Vochtige heiden, subtype A)
>
>
H6230 (Heischrale graslanden)*
=
=
H6410 (Blauwgraslanden)
=
=
H7150 (Pioniervegetaties met snavelbiezen)
=
=
H7230 (Kalkmoerassen)
>
>
H91E0C (Vochtige alluviale bossen, subtype C)* =
>
H1016 (Zeggekorfslak)
>
=
* Prioritair habitattype = Behoudsdoelstelling > Uitbreiding- of verbeterdoelstelling Er zit een verschil in de habitattypen uit de habitattypenkaart en de habitattypen waarvoor het gebied in het aanwijsbesluit is aangewezen. Zwak gebufferde vennen en Droge heide staan wel op de kaart staan maar niet in het aanwijsbesluit. Kalkmoeras is wel aangewezen
als habitattype maar in de kaart enkel opgenomen als mozaïek met blauwgrasland. In deze rapportage is uitgegaan van de aangewezen habitattypen die in het aanwijsbesluit genoemd worden.
52
5
Actuele status van de habitattypen
5.1 Toestand van de habitattypen en habitatsoort Tabel 1 laat per habitattype de Natura 2000-doelen zien en de huidige toestand met
betrekking tot de kwaliteit en de trend van de vegetatie binnen die habitattypen. Na de tabel wordt per habitattype een toelichting gegeven. Op
basis
van
de
aanwezige
vegetatietypen
(Pranger
&
Tolman,
2011)
in
de
habitattypenkaart is de kwaliteit bepaald volgens de definitietabel van Bal (2010) (Bijlage 6).
Hieruit komt dat de Pioniervegetaties met snavelbiezen, Kalkmoerassen, Vochtige alluviale
bossen en Vochtige heide als goed beoordeeld worden, omdat ze op associatieniveau
voorkomen. Echter blijkt in de praktijk dat er in de aangewezen Vochtige heide ook Romgemeenschappen van Gewone dophei voorkomen. Dit maakt dat de Vochtige heide lokaal matig ontwikkeld is. Heischrale graslanden en Blauwgraslanden worden als goed en matig beoordeeld, omdat ze op associatieniveau maar ook als rompgemeenschap voorkomen (Tabel 1).
De trend van de kwaliteit van de vegetatie-/habitattypen is op basis van diverse eerdere onderzoeken (o.a. Jansen, 1991, Eysink et al., 2001, Hofstra et al., 2016) bepaald.
Tabel 1: Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen zoals gedocumenteerd in het aanwijzingsbesluit (KWR et al., 2015) en de beoordeling van de huidige, gemiddelde kwaliteit en de trend. Habitattype
Natura 2000-
doel oppervlak
Natura 2000doel kwaliteit
Kwaliteit
Trend
H4010A (Vochtige heiden, subtype A)
>
>
Matig
=/↑
H6230 (Heischrale graslanden)*
=
=
Matig
↑
H6410 (Blauwgraslanden)
=
=
Matig
↓/=
snavelbiezen)
=
=
Goed
↓
H7230 (Kalkmoerassen)
>
>
Goed
=
subtype C)*
=
>
Goed
=/↓
H1016 (Zeggekorfslak)
=
>
?
?
H7150 (Pioniervegetaties met
H91E0C (Vochtige alluviale bossen,
* Prioritair habitattype = Behoudsdoelstelling > Uitbreiding- of
verbeterdoelstelling
53
Unie van Bosgroepen
5.1.1
Beschrijving en trend habitattypen
De vegetatiekartering is uitgangspunt voor de aanwijzing van de habitattypen – vegeatatietypen. Lemselermaten staat vooral bekend om zijn bijzondere hooimaatjes. Daarvan zijn veel historische data verzameld (Westhoff en Jansen, 1990 en Jansen, 1991). Daarnaast zijn in het kader van Effectgerichte maatregelen (EGM) maatregelen genomen en gemonitord (Eysink en de Bruijn, 1997, Eysink et al., 2001, Aggenbach en Jansen, 2008 en Hofstra et al., 2016). Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A): In het gebied liggen twee terreindelen waar het habitattype “vochtige heiden” is
aangewezen, in het noordwesten een groot complex en in het zuidoosten een kleine strook
(Figuur 32). De vegetatie van de vochtige heide in het noordwesten bestaat voor het
overgrote deel uit Gewone dopheide (Erica tetralix) met een hoge abundantie van Veenmossen (Sphagnum spp.) met lokaal Wilde gagel (Myrica gale) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Verder is er een hoge bedekking van Pijpenstrootje (Molinia
caerulea) aanwezig in het terrein. Pijpenstrootje kan toenemen bij eutrofiëring door atmosferische depositie en door mineralisatie van opgehoopt strooisel en ook bij
verdroging. Daarbij kan een ontwikkeling optreden naar de Rompgemeenschap van Pijpenstrootje (Aggenbach et al., 1998). In Lemselermaten spelen al deze processen een rol.
Figuur 32: Links de habitattypenkaart van vochtige heiden en rechts de onderliggende vegetatietypen. Op de hogere kop in het noorden van dit natte heidecomplex wordt de vegetatie gedomineerd door Pijpenstrootje met Struikhei (Calluna vulgaris) en Gewone dopheide. De droge heide wordt in het aanwijsbesluit gerekend tot een verdroogde vochtige heide.
Westhoff rekent deze vegetaties in de jaren 1940 tot de droge heide (Westhoff en Jansen, 1990). Daarnaast zijn er plekken met een monotone bedekking van Gewone dophei. Hier ontbreken
de
kensoorten
van
de
associatie
(zoals
Veenbies)
waardoor
dit
een
rompgemeenschap te noemen is met een matige kwaliteit. Deze kop functioneert als een lokaal systeem waar water infiltreert en naar de lagere delen stroomt. Op de helling staan 54
de oude gagelstruiken tot vlak onder de hoge zandkop terwijl aan de onderzijde van de helling de Wilde gagel zich verjongt (veldwaarneming tijdens onderzoek UvB). De oude gagelstruiken geven aan dat in het verleden de opbolling van het grondwater in deze
hogere zandkop tot vlak onder de kop reikte. Lagere waterstanden leiden tot een minder
hoge opbolling in de winter en daardoor treed regenwater lager op de gradiënt in maaiveld.
Hierdoor kan de Wilde gagel zich momenteel laag op de gradiënt verjongen. Op de zandkop wisselen de waterstanden sterk waardoor Pijpenstrootje de overhand heeft in de vegetatie.
Momenteel worden alleen periodiek boompjes getrokken. Het terrein heeft te maken met
verdroging en verbossing (Provincie Overijssel, 2016). Het oppervlakte van de veenmosrijke subassociatie
van
vochtige
heide
is
toegenomen
doordat
het
deel
dat
op
de
habitattypekaart als Pioniervegetatie staat aangegeven zich door natuurlijke successie
grotendeels doorontwikkeld heeft. De soorten: Klokjesgentiaan, Kussentjesveenmos
(Sphagnum compactum) en Gewone veenbies zijn hier aangetroffen (Provincie Overijssel,
2016 en veldwaarneming tijdens onderzoek UvB) waardoor het tot (sub) associatieniveau op naam te brengen is en de kwaliteit als goed te beoordelen is.
In het zuidoosten ligt nog een perceel vochtige heide. Deze vochtige heide is gelegen op
een hogere rug waar de waterstanden in de winter door opbolling tot vlak onder maaiveld reiken (GHG 15-20 cm-mv, o.b.v. bodemboring, zie Figuur 27) terwijl de waterstanden in
de zomer diep wegzakken (GLG 140 cm-mv, o.b.v. bodemboring, zie Figuur 28). Het
perceel wordt gedomineerd door Pijpenstrootje met lokaal enige Gewone dophei, Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en veel Gewone veenbies (Trichophorum
cespitosum). Soorten duiden op een vochtig karakter, maar het totaalbeeld is een sterk aan
grondwaterstandsschommelingen
onderhevig
terrein.
Het
terrein
achterstallig beheer waardoor de heide sterk vergrast en verbost is.
kent
een
sterk
Op basis van het onderzoek is te motiveren dat het habitattype Vochtige heide aan de oostzijde in Lemselermaten op wordt gegeven ten gunste van een grotere opgave in het
centrale deel. De randvoorwaarden vanuit Natura 2000 zijn echter sturend. De huidige aanwijzing moet gehandhaafd blijven tot de nieuwe locatie ontwikkeld is. Bovendien ligt er een uitbreidingsdoel waarvan de omvang nog niet is bepaald. Heischrale graslanden (H6230): In het noordoosten van het projectgebied ligt een perceel met als doelstelling heischrale graslanden (H6230). Het gaat om de zuidoosthoek van het Oostelijke Maatje waar zich matig ontwikkelde heischrale graslandvegetaties bevinden die gerekend kunnen worden tot de associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras met plantensoorten zoals Gevlekte orchis
(Dactylorhiza maculata), Tormentil (Potentilla erecta), Tandjesgras (Danthonia decumbens)
en Stijve ogentroost (Euphrasia stricta) (Figuur 33). Dit perceel is in de jaren 1990 van landbouw naar natuur omgevormd en
ingericht. Momenteel is nog veel Haarmos
(Polytrichum spp.) aanwezig wat duidt op oppervlakkige verzuring, maar passend binnen de
ontwikkelingen die plaats vinden. De plantensoorten die hier groeien indiceren dat het
basenrijkere grondwater niet diep zit en de bovengrond een schraal karakter heeft (Foto 1). Doordat er kensoorten van vochtige heischrale graslanden ontbreken is het vegetatietype 55
Unie van Bosgroepen
geclassificeerd als een rompgemeenschap van Welriekende nachtorchis en reukgras
waardoor de kwaliteit als matig beoordeeld wordt. Dit is in dit geval een tijdelijke (pionier) fase waarbij de vegetatie nog volop in positieve ontwikkeling is. In bijlage 6 is de trend in
ontwikkeling geschetst van maïsakker naar heischraal blauwgrasland (Eysink et al., 2001). Of het vegetatietype heischraal blauwgrasland of
de Associatie van Klokjesgentiaan en
Borstelgras (Gentiano Pneumonanthes-Nardetum) van heischrale graslanden (Nardo-Galion
Saxatilis) (Schaminée et al., 1996) ook bereikt gaat worden, is nog niet duidelijk. Wel zijn
de kansen reëel dat heischraal grasland zich duurzaam ontwikkeld wanneer de
hydrologische maatregelen worden genomen (dempen bermsloot Reservaatsweg en opheffen buisdrainage oostzijde van die zandweg).
Foto 1: Heischraal grasland met bloeiende Gevlekte orchis en oude Struikheide pollen. Langs de gehele oostrand van dit perceel begint zicht een heischrale vegetatie te ontwikkelen met stuikheide en diverse kruidachtige plantensoorten van heischrale
standplaatsen. Deze bevinden zich aan de bovenzijde van het gradiënt. Lager op de helling gaat de vegetatie over in de begroeiingen van de blauwgraslanden (zie aldaar).
Doordat er in dit perceel stukken niet gemaaid worden, krijgen struikheidepollen de kans
zich te ontwikkelen. Hierdoor ontstaat een structuurrijke vegetatie die zeer aantrekkelijk is voor veel insecten (bijen en vlinders).
56
Figuur 33: Links de habitattypenkaart van de heischrale graslanden en rechts de onderliggende vegetatietypen. Blauwgrasland (H6410): De
blauwgraslanden
concentreren
zich
hoofdzakelijk
in
het
stroomdal
van
de
Weerselerbeek (Figuur 34) en op een locatie in het dal van de Dollandbeek. Het gaat hier
om vegetaties behorende tot de associatie van Blauwgrasland (Cirsio dissecti-Molinietum) en Veldrus-associatie (Crepido-Juncetum acutiflori).
Begroeiingen van de Veldrus-associatie vormen weinig productieve en betrekkelijk
soortenarme vegetaties. Deze vegetaties worden gedomineerd door de naamgevende
Veldrus (Juncus acutiflorus). Ze komt het beste tot ontwikkeling op plekken waar ondiep, min of meer zuur, vaak lokaal grondwater toestroomt. Het vegetatietype wordt
aangetroffen in het Oostelijke Maatje en op een locatie in het dal van de Dollandbeek. In het oostelijke maatje groeit Veldrus samen met onder andere Blonde zegge (Carex
hostiana), Vlozegge (Carex pulicaris), Brede orchis (Dactylorhiza majalis), Zwarte zegge (Carex nigra), Blauwe zegge (Carex panicea) en Zeegroen zegge (Carex flacca). Op de laagtse delen ook Ronde zegge (Carex diandra) en Stijve moerasweegbree (Baldellia ranunculoides). Aan het voorkomen van Grote wederik (Lysimachia vulgaris) en Kale jonker (Cirsium palustre) valt af te lezen dat het hier gaat om een wat voedselrijker standplaatstype (Jalink en Jansen, 1995). De Veldrus-associatie behoort tot de zure kant van de blauwgraslanden. Het oppervlak blauwgrasland, Veldrus-associatie lijkt te zijn
toegenomen ten opzichte van de begrenzing op de habitattypenkaart en vegetatiekaart
(Pranger en Tolman, 2011). Doordat deze vegetatie te classificeren is tot de Veldrus-
associatie is de kwaliteit goed. Deze locatie is onderdeel van het perceel waarin ook het
Heischraalgrasland voor komt en in de jaren 1990 van landbouw naar natuur is omgevormd en
ingericht. In bijlage 6 is de trend in ontwikkeling geschetst van maïsakker naar
blauwgrasland (Eysink et al., 2001). Of het stadium van de Associatie van Blauwgrasland
ook bereikt gaat worden is nog niet duidelijk. Wel zijn de kansen reëel dat de Veldrusassociatie zich duurzaam ontwikkelt wanneer de hydrologische maatregelen worden
genomen (dempen bermsloot Reservaatsweg en daarmee opheffen buisdrainage oostzijde
van die zandweg). De Veldrus-associatie, habitattype blauwgrasland, in het dal van de Dollandbeek heeft zich in 30 jaar tijd ontwikkeld door een verschralingsbeheer vanuit
cultuurgrasland. Met de hydrologische maatregelen in het vooruitzicht van perceelssloten 57
Unie van Bosgroepen
dempen en Dollandbeek verondiepen is het vooruitzicht voor duurzaamheid positief. De kenmerkende combinatie Veldrus, Veelbloemige veldbies en Gevlekte orchis komt al veel wijder verspreid voor dan op de habtitattypenkaart en de vegetatiekaart (Pranger en Tolman, 2011) is aangegeven. De kwaliteit is goed en de trend positief.
Blauwgrasland is in tegenstelling tot de Veldrus-associatie zeer soortenrijk en groeit
optimaal op zwak zure tot neutrale zand- en veenbodems welke onder invloed staan van
basenrijk grondwater. Het Oude Maatje wordt gekenmerkt door een goed ontwikkelde vegetatie van blauwgrasland met vele kenmerkende plantensoorten zoals Blonde zegge, Blauwe zegge, Zeegroene zegge, Bevertjes (Briza media), Brede orchis, Gevlekte orchis,
Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata) en Kleine valeriaan (Valeriana dioica). Doordat
deze soorten aanwezig zijn kan het vegetatietype tot associatieniveau worden bepaald en is de kwaliteit goed te noemen. Toch zijn er aanwijzingen dat er knelpunten optreden in de standplaatscondities voor een optimale ontwikkeling. In de jaren 1940 en ten tijden van de ruilverkaveling Rossumerveld is
achteruitgang opgetreden in de schrale basenminnende
vegetaties. Kritische soorten als Grote muggenorchis, Moeraswespenorchis en Parnassia, die in jaren 1940 nog voorkwamen (Westhoff en Jansen, 1990) zijn verdwenen (Jansen,
1991, Eysink en de Bruijn, 1997 en mondelinge mededeling J. Kleuver Staatsbosbeheer). Tegenwoordig zijn er nog steeds aanwijzingen dat de situatie achteruit gaat. Tussen de
kenmerkende plantensoorten van het blauwgrasland groeit Knoopkruid (Centaurea jacea),
die in de jaren 1940 ook in geringe mate voorkwam (Westhoff en Jansen, 1990), maar nu een groter aandeel heeft in bedekking (Pranger en Tolman, 2011) als indicator van verdroging. Op de lage flanken van het blauwgrasland staan enkele gagelstruiken en hebben zich opvallend grote groeiplekken met Veldrus ontwikkeld. Beide soorten indiceren
de toestroom van zuur, lokaal grondwater. Op de plek van het voormalige trilveen (Westhoff en Jansen, 1990) in het midden van het Oude maatje groeien nu Veldrus en Moeraszegge met hoge bedekkingen (Pranger en Tolman, 2011). Beide soorten wijzen op
een voedselrijke standplaatsen (Jalink en Jansen, 1995. Indicatorsoorten deel 2 beekdalen).
Door stagnant oppervlaktewater (afvoerloos deel van de laagte) zijn er risico’s voor het ontstaan van Grote zeggenmoeras (Foto 2).
58
Figuur 34: Links de habitattypenkaart van de blauwgraslanden en kalkmoeras en rechts de onderliggende vegetatietypen. Bovendien valt op dat Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) tegenwoordig algemeen voorkomt. Dit is een plantensoort die in de opnamen van het blauwgrasland in de jaren 1940 niet voorkwam (Westhoff en Jansen, 1990). Grote waternavel geeft de voorkeur aan zuurdere standplaatsen (Jalink en Jansen, 1995).
De zuidkant van het Oude Maatje wordt gekenmerkt door het algemeen voorkomen van Hennegras
(Calamagrostis
canescens)
welke
indicatief
is
voor
sterk
wisselende
waterstanden (verdroging) en samen met Gewone wederik en Moerasspirea (Filipendula
ulmaria) verruiging indiceert als gevolg van voortschrijdende eutrofiëring (Hunneman & Aggenbach, 2009).
Het voorkomen van deze indicatieve soorten geven aan dat het blauwgrasland onder druk
staat van verdroging en daardoor de toename van het lokale zure grondwatersysteem of processen die zorgen voor lokale verzuring en vermesting in de bovenste bodemlaag. De
sterke
achteruitgang
uit
het
verleden
en
de
recente
ontwikkelingen
in
de
soortensamenstelling, naast het voorkomen van de Rompgemeenschap van Blauwe knoop
zorgen er voor dat de kwaliteit als matig wordt beoordeeld. De trend is wisselend. Door
herstelmaatregelen voor de Veldrus-associatie positief, maar voor het oude maatje met blauwgraslandvegetaties negatief.
59
Unie van Bosgroepen
Foto 2: In het blauwgrasland vormt Moeraszegge een grote groeiplek evenals Veldrus dat links achter de grote gagelstruik te herkennen is aan de ietwat bruine kleuring. Pioniervegetaties met Snavelbiezen (H7150) In de laagste delen van het noordelijk gelegen vochtige heidecomplex bevinden zich de
vegetaties van de Associatie van Moeraswolfsklauw en Snavelbies die behoren tot het
habitattype van Pioniervegetaties met Snavelbiezen (Figuur 35). Dit habitattype is vrijwel
niet meer aanwezig in het terrein en heeft zich doorontwikkeld tot een vochtige heide. Typische
soorten van vochtige heide
zijn aangetroffen zoals Klokjesgentiaan en
Kussentjesveenmos (Sphagnum compactum) (Provincie Overijssel, 2016). Ook Gewone
veenbies, Kleine/Ronde zonnedauw (Drosera intermedia/rotundifolia) en Moeraswolfsklauw
(Lycopodiella inundata) groeien in het terrein. Pioniervegetaties met Snavelbiezen komen
duurzaam voor in hoogveenslenken. In de Vochtige heide komen ze enkel kortstondig voor als gevolg van ingrepen (plaggen). Wanneer de grondwaterstanden voldoende hoog zijn (zie
paragraaf 2.3.1) wordt de successie wat vertraagd. Wanneer niet opnieuw geplagd wordt en
een pionier situatie wordt gecreëerd, dan zal dit habitattype binnen 5-10 jaar volledig verdwenen zijn (Provincie Overijssel, 2016). De trend is negatief als gevolg van successie naar vochtige heide.
60
Figuur 35: Links de habitattypenkaart van de pioniervegetaties met snavelbiezen en rechts de onderliggende vegetatietypen. Kalkmoerassen (H7230): De westelijke helft van het blauwgraslandcomplex (Westelijke Maatje) betreft een bijzondere vegetatie die gerekend wordt tot de associatie van Vetblad en Vlozegge (Figuur
34) en wordt gekenmerkt door soorten zoals Breed wollegras (Eriophorum latifolium), Armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora), Vlozegge en Vetblad (Pinguicula vulgaris)
(Foto 3). In dit perceel groeien de hiervoor behandelde blauwgrasland vegetaties in mozaïek
met soorten van het kalkmoeras (H7230). De associaties groeien op een hoogtegradiënt van zuid naar noord waarbij op het laagste punt de vegetatie overgaat in een zwak
gebufferde ven vegetatie, en duurzaam lijkt (veldwaarneming). De situatie komt sterk overeen zoals in de jaren 1940 de vegetaties in de directe omgeving beschreven zijn
(Westhoff en Jansen, 1990). Opvallend is dat Riet (Phragmites australis) in de laagste delen dominant aanwezig is en zich in zuidelijke richting, dus hoger op de gradiënt, duidelijk aan
het uitbreiden is (Foto 3). Deze ontwikkeling gaat ten koste van het open karakter van de vegetaties van het kalkmoeras. Aan de bovenkant van de gradiënt gaat de vegetatie over in een vegetatie waarin Veldrus dominant lijkt. Dit is indicerend voor lokale, zure
waterstromen hoger op de gradiënt en vormt dus een natuurlijke overgang mits deze niet
steeds lager op de gradiënt komt te liggen. Doordat deze vegetatie in mozaïek voorkomt
met Blauwgrasland zijn in de kwaliteitsbeoordeling alleen de snippers van de associatie van
Vetblad en Vlozegge meegenomen. Hierdoor is de kwaliteit als goed beoordeeld. In deze vegetatie zijn de pioniersoorten weer aan het verdwijnen waardoor de soortenrijkdom iets
afneemt (Eysink en de Bruijn, 1997, Jansen et al., 2007, Hofstra et al., 2016. Kalkmoeras
heeft zich begin jaren 1990 gevestigd na verwijderen broekbos en afplaggen tot op minerale bodem. (bijlage 6; vegetatiekaart uit Eysink en de Bruijn). De uitgangssituatie was bos en de ontwikkelingen in de korte vegetatie mogen als stabiel worden gezien. Trend gelijk.
61
Unie van Bosgroepen
Foto 3: Links de soortenrijke vegetaties met Brede orchis (lila) en Vetblad (lila-roze) en rechts Breed wollegras (wit) en de dominante groei van Riet in het kalkmoeras. Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91E0C): De vochtige alluviale bossen komen voor in grote delen van het gebied op de lagere
terreindelen die onder invloed staan van een sterke aanvoer van basenrijk grondwater (Figuur 36, Foto 4). Voor een deel betreft het voormalige blauwgraslanden en kalkmoerassen die uit beheer zijn geraakt en met bos zijn dichtgegroeid. In de
Lemselermaten is veel variatie in de Elzenbroekbossen te zien: zowel een type met Elzenzegge (geïnundeerd), een type met Moeraszegge (geïnundeerd), een type met Kleine valeriaan (niet geïnundeerd) en het type ‘Rompgemeenschap brandnetels’ (verdroogd) komen voor. De terreinen die tot het habitattype vochtige alluviale bossen worden
gerekend, zijn te classificeren als Elzenzegge-Elzenbroekbos met enkele subassociaties
(Carici elongatae-Alnetum typicum, Carici elongatae-Alnetum cardaminetosum amarae en
Carici elongatae-Alnetum rubertosum).
62
Foto 4: Inundatie van het Elzenbroekbos in de winter Kenmerkende soorten zoals Elzenzegge (Carex elongata), Moeraszegge, Waterviolier (Hottonia palustris), Bosbies (Scirpus sylvaticus), Gewone dotterbloem (Caltha palustris), Holpijp (Equisetum fluviatile), Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Kleine valeriaan, Aalbes (Ribes rubrum) en lokaal Zwarte bes (Ribes nigrum) komen in mozaïek voor. Op de meeste plekken zien de bossen er ook in de zomer nog vochtig uit en laten de Elzenbroekbossen in
het dal van de Dollandbeek maar heel weinig verruiging zien met Grote brandnetel (Urtica
dioica) en Gewone braam (Rubus fruticosus) (Jalink en Jansen, 1995). Dit duidt erop dat de hydrologie voldoende op orde is, waardoor deze verdrogingsindicatoren niet domineren.
Het zijn vooral de bossen langs de noordgrens van het gebied, die onder sterke invloed van de drainerende Weerselerbeek liggen, waar een grotere verruiging voorkomt dan in de bossen in het Dollandbeekdalsysteem.
Figuur 36: Links de habitattypenkaart van vochtige alluviale Bossen en rechts de onderliggende vegetatietypen. In het Dollanddal zijn het vooral de randen van de vochtige bossen die sterker verruigd zijn.
Hier
is
vaak
een
scherpe
grens
te
vinden
tussen
veraard
veen
met
verdrogingsindicatoren en de goed ontwikkelde Elzenbroekbossen. Deze scherpe overgang
wordt veroorzaakt doordat het huidige beekdalbodem sterk is verlaagd door de afbraak van
de veenbodem. Veel van de Elzen staan op stelten (Foto 4). Door mineralisatie van de
veenbodem is het maaiveld 30-50 cm lager geworden. Hierdoor is het drainerende effect
van het beekdal ook groter geworden. In bepaalde delen van het Dollandbeekdal zijn de flanken van de Elzenzegge-Elzenbroekbossen wel sterk verdroogd en worden gedomineerd door Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata).
Aan de randen van het gebied, vooral aan de noordrand (buiten de Natura 2000 habitattypen) zijn terreindelen die een iets droger karakter hebben en daardoor overgangen vormen naar het Vogelkers-Essenbossen. Hier groeien plantensoorten zoals Bosandoorn
(Stachys sylvatica), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Gewoon nagelkruid (Geum 63
Unie van Bosgroepen
urbanum) en Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea). Doordat alleen de stukken met de typische
en
bittere
veldkersrijke
subassociaties
van
Elzenzegge-Elzenbroek
zijn
aangewezen als habitattype is de kwaliteit als goed beoordeeld. Doordat de goed
ontwikkelde stukken geen verstoringsindicatoren laten zien, maar verder op veel plekken
sterk verdroogde varianten van deze natte bossen liggen, is de trend neutraal/negatief beoordeeld. Historische referenties ontbreken.
5.1.2
Beschrijving habitatsoort
Zeggekorfslak (H1016) De Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) heeft een uitgesproken voorkeur voor grote
zeggensoorten. Het meest wordt de soort aangetroffen op Moeraszegge (Carex acutiformis)
maar maakt ook vaak gebruik van Oeverzegge (C. riparia) en Pluimzegge (C. paniculata). De slakken verblijven het gehele jaar op de zeggeplanten alwaar ze zich voeden met schimmels (roesten) die zich op de bladeren bevinden. Ondanks dat de dieren in vochtige
milieus leven kunnen ze niet tegen frequente grote wisselingen in het waterpeil. Bij een
hogere waterstand verplaatsen de dieren zich naar boven toe. De Zeggekorfslak wordt zowel in beschaduwde Elzenbroekbossen als open, onbeschaduwde biotopen aangetroffen (Boesveld & Kalkman, 2007).
Foto 5: Het leefgebied van de Zeggekorfslak in de Lemselermaten met hoge abundantie van Moeraszegge. Tijdens het veldbezoek op 5 augustus 2016 zijn op drie plekken grote populaties met
Zeggekorfslakken aangetroffen in het Elzenbroekbos (Figuur 37). Het betreffen vochtige tot
natte standplaatsen in het Elzenbroekbos waar Moeraszegge in hoge abundantie voorkomt
(Foto 5). Twee van de vindplekken liggen buiten de aangewezen habitattypen. Het betreffen 64
volgens de vegetatiekaart rompgemeenschappen van Moeraszegge. Alleen in het westen is
de Zeggekorfslak gevonden binnen het aangewezen habitattype vochtig alluviaal bos. Rompgemeenschap
is
hier
eigenlijk
misplaatst,
omdat
het
om
goed
ontwikkeld
Elzenbroekbos gaat met pleksgewijs een dominantie van Moeraszegge. In het grotere
geheel van het Elzenzegge-Elzenbroekbos dus goed passend. Over de trend in de jaren kan
op basis van dit eenmalige veldbezoek geen uitspraak worden gedaan. Enkel voor de
zuidoostelijke verspreidingskern zijn peilbuisgegevens beschikbaar. Hier wordt in de doelgatanalyse verder op in gegaan.
Figuur 37: De vindplekken van de Zeggekorfslak op 5-8-2016 in relatie tot de vegetatietypen waarin de soort is aangetroffen. 5.2 Kwaliteit habitattypenkaart De habitattypen die op de habitattypenkaart zijn weergegeven zijn ook daadwerkelijk in het veld aangetroffen. De habitattypenkaart lijkt dus goed te kloppen. Toch zijn er enkele kleine afwijkingen:
65
Unie van Bosgroepen
Het habitattype pioniervegetatie met snavelbiezen is nog wel aanwezig in het gebied maar heeft zich sinds de vegetatiekartering doorontwikkeld naar vochtige heide. Om het
habitattype met de vastgestelde oppervlakte in stand te houden is het noodzakelijk dat er
altijd geplagde delen van het oorspronkelijke formaat van het habitattype (ongeveer 0.2ha) in de Vochtige heide aanwezig moeten zijn. Op dit moment is Vochtige heide met een
relatief klein oppervlakte in het gebied (ca. 0,9 ha) aanwezig. Voor Vochtige heide geldt een uitbreidingsdoelstelling voor dit gebied, waardoor de omvang naar verwachting robuuster
zal worden. Het is echter de vraag of er voldoende ruimte is om de oppervlakte van H7150 permanent te behouden. Door het vele verjongen van de heide (door het plaggen) ontstaat
er geen oude structuurrijke Vochtige heide wat sterk ten nadele is van kenmerkende fauna van vochtige heiden. In het aanwijzingsbesluit (KWR et al., 2015) worden de
instandhoudingsdoelstellingen genuanceerder gebracht, namelijk dat het belangrijk is om
her en der in het terrein pionierplekken te behouden. Deze nuancering is van belang omdat daarmee de fauna van de natte heide ook nog een kans heeft.
Het Oostelijke Maatje staat op de habitattypenkaart vermeld als blauwgrasland en
zoekgebied voor blauwgrasland. Echter, dit perceel vormt een gradiënt van het hoger
gelegen heischraal grasland, via veldrusschraalland naar blauwgrasland en gaan in het
laagste deel over in een venvegetatie. De noordwestzijde van dit perceel staat als zoekgebied voor blauwgrasland op de kaart maar wordt door de lage ligging in het
landschap gekenmerkt door een rietlaagte met aspect van een venvegetatie. De vegetatie
wordt gekenmerkt door Riet, Stijve moerasweegbree, Tweerijige zegge (Carex disticha) en
Veldrus. Deze plantensoorten indiceren een mengwater tussen lokaal zuur water en
regionaal basenrijk grondwater. Helemaal langs de westelijke perceelgrens ligt een laagte
waar zich een vegetatie ontwikkeld dat richting het habitattype van trilvenen gaat met soorten zoals Ronde zegge, Holpijp en Gewone waterbies (Eleocharis palustris). De invloed van basenrijk grondwater is hier groot.
Verder komen er in de Lemselermaten, grenzend aan de huidige aangewezen Vochtige alluviale
bossen,
bosvegetaties
voor
met
vergelijkbare
kwaliteit,
waaronder
elzenbroekbossen. Dit zijn bijvoorbeeld de rompgemeenschappen met Moeraszegge. Bovendien is de Zeggekorfslak, die afhankelijk is van vochtige Elzenbroekbossen,
aangetroffen op twee plekken buiten de grenzen van het huidig areaal vochtig alluviaal bos (Figuur 37).
De aangetroffen afwijkingen hebben geen invloed op de knelpuntenanalyse in het volgende hoofdstuk.
66
6
Knelpuntenanalyse
De grondwaterafhankelijke vegetaties in Lemselermaten hebben last van verruiging (zie hoofdstuk 5). De systeemanalyse heeft een aantal knelpunten aan het licht gebracht die hieronder worden besproken. Samengevat heeft het gebied te maken met: 4. Verdroging a.