Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 IP 2 Systeemanalyse.pdf
Tekst van het document
Te lage waterstanden (GVG, vooral GLG)
c.
Verminderde opbolling in de dekzandruggen
b. Verminderde kweldruk
5. Verzuring
6. Eutrofiëring Door een combinatie van verdroging en eutrofiëring, is er sprake van veenafbraak in het
gebied, dat op zijn beurt het gebied extra verdroogt. Hieronder worden de knelpunten toegelicht en wordt tot slot ingegaan op de herstelstrategie op grote lijnen.
6.1 Verdroging Voor goed ontwikkelde vegetaties is het van belang dat de hydrologie op orde is. Vooral in de directe nabijheid van de ontwateringsmiddelen is verruigd Elzenbroekbos aanwezig. Er
is sprake van veenafbraak waardoor de elzen op stelten zijn komen te staan. Doordat het
maaiveld van de beekdalen (maar met name van de Weerselerbeek) verlaagd is door de veenafbraak is het drainerende effect van de beekdalen groter geworden. Dit is
waarschijnlijk het gevolg van een combinatie van verdroging en de invloed van meststoffen. Toch komen ook elders in het dalenstelsel, zoals in het dal van de Weerselerbeek wel
redelijk goed ontwikkelde Elzenbroekbossen voor. Deze stukken zijn echter meer beperkt tot de allerlaagste delen, en bovendien zijn de aan basenrijk kwelwater gebonden soorten
veel minder talrijk aanwezig dan in de noordelijke tak van het dalsysteem van de Dollandbeek.
De hydrologie omvat onder andere de stijghoogte van het water, de invloed van kwel (en daarmee de basenverzadiging van de bodem) en de inundatieduur van natte laagtes. In deze paragraaf is gekeken naar de peilbuizen om op basis daarvan iets te kunnen zeggen over of de waterstanden voldoende zijn voor de voorkomende vegetatietypen. Om te bepalen of het gebied is verdroogd is, is bepaald of er een verschil is tussen de gemiddelde
grondwaterstanden en de optimale grondwaterstanden van het habitattype waar de peilbuis in staat (een ‘doelgat’). Deze bepaling is een goed hulpmiddel voor het inschatten van hydrologische knelpunten in het gebied. Belangrijk om te realiseren is dat niet alleen de
feitelijke waterstanden maar ook de mate van basenverzadiging en inundatieduur belangrijk zijn. Zo kunnen de waterstanden goed zijn, maar is de invloed van grondwater te gering, waardoor de basenverzadiging niet voldoende blijkt.
6.1.1
Waterstanden: doelgat
Van de peilbuizen zijn de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) berekend. Deze waarden zijn vergeleken met de optimale
waterstanden voor de habitattypen waar de buizen in staan. Voor de referentiewaarden zijn
Waternood en SynBioSys gebruikt (zie Tabel 2). Voor het voorkomen van vegetaties zijn 67
Unie van Bosgroepen
zowel de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) als de gemiddelde laagste
grondwaterstand (GLG) bepalend waarbij de relatie met de GVG heel direct is en de relatie met de GLG indirect (Runhaar et al., 2009). Er is gekozen om zowel het doelgat voor de GVG als de GLG te berekenen. Er staan geen peilbuizen in het habitattype Zwak gebufferde
vennen, dus van dit habitattype kon niet worden berekend of er een hydrologisch doelgat is.
Tabel 2: Referentiewaarden van GLG en GVG zoals gebruikt in deze studie in cm ten opzichte van maaiveld, < = lager dan, > = hoger dan. De referentiewaarden komen uit Waternood. In geval van de GLG is voor sommige vegetatietypen gebruik gemaakt van SynBioSys (aangeduid met *, toelichting zie tekst). Habitattype
Plantengemeenschap
GVG
GLG
Zwak gebufferde vennen**
Associatie van Waterpunge en
+35 tot +5
-35 tot -10*
Heischrale graslanden
Associatie van Klokjesgentiaan en
-35 tot -15
-122 tot -80*
Blauwgraslanden
Veldrus-associatie
-25 tot -5
-71 tot -56*
Kalkmoeras
Associatie van Vetblad en
-5 tot +10
>-50
Pioniervegetatie met
Associatie van Bruine snavelbies
-25 tot +5
-84 tot -43*
Vochtige heiden
Associatie van Gewone dophei;
-35 tot -8
-145 tot -86*
Droge heiden
Associatie van Struikhei en
<-70
-200 tot -162*
Elzenzegge-Elzenbroek; typische
-15 tot +10
>-50
Elzenzegge-Elzenbroek; met
-15 tot +10
>-40
-60 tot -25
-140 tot -125*
snavelbiezen
Oeverkruid
Borstelgras
Typische subassociatie Vlozegge
en Moeraswolfsklauw
typische subassociatie Stekelbrem; typische
-25 tot 0
-71 tot -50*
subassociatie Vochtige alluviale bossen
subassociatie
Bittere veldkers (ook Moeraszegge)
Vogelkers-Essenbos *Uit SynBioSys in plaats van Waternood
**Geen peilbuisgegevens voorhanden, geen doelgat berekend.
Doelgat Het doelgat is berekend met referentiewaarden uit Waternood en ontbrekende waarden zijn aangevuld uit SynBioSys (zie paragraaf 2.3.1 en Tabel 2). Een tabel met berekeningen van de doelgaten per peilbuis is opgenomen in Bijlage 10. De GVG (gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand) lijkt voor vrijwel alle locaties waar een peilbuis staat, in orde (Figuur 38). Een uitzondering betreft het Blauwgrasland (in mozaïek met Kalkmoeras), hier is de GVG tussen de 2 en 22 cm te laag voor een goede ontwikkeling van deze vegetaties 68
(Figuur 39). De waterstanden in peilbuis in het Heischraal grasland (aangemerkt met rode pijl in Figuur 38) voldoen voor Heischraal grasland, maar ligt nabij het zoekgebied voor Blauwgrasland, waarvoor de GVG 3 tot 28 cm te laag is. In tegenstelling tot de GVG is de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) wel op meerdere plekken te laag (Figuur 40). Dit betekent dat voor een goede ontwikkeling van de vegetatietypen, de waterstanden in de zomer te diep wegzakken. De waterstanden in de peilbuis nabij het zoekgebied voor Blauwgrasland voldoen voor Heischraal grasland, maar de GLG is 17 tot 38 cm te laag voor Blauwgrasland.
Figuur 38: Doelgat voor de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) berekend op basis van de peilbuizen uit Hullenaar en de provinciale peilbuizen. De cijfers geven het doelgat weer (x cm te laag). Groen bolletje betekent geen doelgat. Soms gaat het hier om een range wanneer de referentiewaarden ook een range zijn, dit is aangegeven met een -. De GVG is vrijwel overal op orde, behalve in het centrale deel van Lemselermaten, bij het Blauwgrasland. Op het blauwgrasland in het rode vierkant wordt in Figuur 39 ingezoomd. De rode pijl geeft een peilbuis aan in het Heischraal grasland (waarvoor de GVG voldoet), maar nabij het zoekgebied voor Blauwgrasland. De GVG is 3 tot 28 cm te laag voor Blauwgrasland.
69
Unie van Bosgroepen
Figuur 39: Doelgat voor de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) voor het Blauwgrasland in het centrum van Lemselermaten. De cijfers geven het doelgat weer (x cm te laag). De GVG is tussen de 2 en 22 cm te laag. Groen bolletje betekent geen doelgat.
Figuur 40: Doelgat voor de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) berekend op basis van de peilbuizen uit Hullenaar en de provinciale peilbuizen. De cijfers geven het doelgat weer (x cm te laag). Groen bolletje betekent geen doelgat. De GLG is plaatselijk te laag in het Blauwgrasland en het Vochtig alluviaal bos. De rode pijl geeft een peilbuis aan in het 70
Heischraal grasland (waarvoor de GLG voldoet), maar nabij het zoekgebied voor Blauwgrasland. De GLG is 17 tot 38 cm te laag voor Blauwgrasland. 6.1.2
Verminderde kweldruk
De grondwaterstanden zakken plaatselijk te diep weg, met name in de zomer, zoals de vorige paragraaf liet zien. Maar het belangrijkste probleem met betrekking tot hydrologie,
waar het gebied mee te kampen heeft, heeft te maken met de versnelde afvoer van kwel. De (diep) liggende beken en overige watergangen voeren kwel versneld af. De Weerselerbeek
heeft invloed op de stijghoogte van het grondwater in de terreindelen langs de beek, zoals op de blauwgraslanden en kalkmoeras van het Oude en Westelijke Maatje. Het gevolg is dat de stijghoogte van het basenrijke grondwater slechts een korte periode enkele centimeters
boven maaiveld reikt (zie tijd-stijghoogtegrafieken in 3.3.2.). Hierdoor treedt zowel verdroging van de standplaats op als verzuring door toename van oxiderende processen,
verminderde aanvulling van de basenverzadiging met basenrijk grondwater en een toename van zuur neerslagwater. Wanneer het diepe grondwater door de sterke drainage van de
beken echter niet meer hoog genoeg komt, worden de basen niet langer aangevuld en wordt een zuur, basenarm zeer lokaal systeem uit direct omringende dekzandruggen dominant bovenop het basenrijke grondwater. In het dal van de Dollandbeek is de stijghoogte een heel stuk sterker en staat het basenrijke grondwater in grote delen van het gebied 50-70% van het jaar in of boven maaiveld (paragraaf 3.3.2.). Het stijghoogteverschil
is kleiner in de zomer, de kwel is dus sterk afgenomen in het Dollanddal. Door een effectieve afwatering via sloten en greppels wordt het grondwater uit het gebied afgevoerd
op een te laag niveau waardoor de standplaatsen verdrogen. Hierdoor vindt er op de drogere delen onvoldoende aanvulling van basen plaats, waardoor de standplaatsen op termijn zullen verzuren (Aggenbach et al., 2009). Om meer informatie te krijgen over de
basenverzadiging van de bodem in Lemselermaten, kan bijvoorbeeld gekozen worden om van locaties met goed ontwikkelde basenminnende vegetaties de bodem te analyseren op
basenverzadiging en te vergelijken met bodems waar minder goed ontwikkelde vegetaties
staan. Dat is in dit onderzoek niet uitgevoerd. Door grondwater gevoede sloten te verondiepen wordt zeer waarschijnlijk de kwelinvloed vergroot. Met het hydrologisch model
wordt de verandering van de kwelflux over de leemlagen in beeld gebracht. Wat daarmee
niet in beeld gebracht kan worden is de exacte kwelflux naar de wortelzone, terwijl deze bepalend is voor de basenverzadiging. Dit is nodig om te bepalen of het systeem voldoende gebufferd wordt.
6.1.3
Verminderde opbolling
In de winter vindt door overvloedige neerslag een opbolling plaats in de hogere zandruggen. De snel dalende waterstanden in het voorjaar leiden tot een te snelle daling
van de waterstanden in de hogere zandruggen. Hierdoor verdrogen ook de standplaatsen hoger op de gradiënt zoals de vochtige heiden en heischrale graslanden. Dit komt tot uiting
in onder andere de vochtige heiden waarin de grondwaterstanden te sterk fluctueren en
Pijpenstrootje is gaan domineren en Wilde gagel zich momenteel een stuk lager dan
voorheen op de gradiënt verjongt. De opbolling van het lokale grondwater is daarnaast ook van belang voor het samenspel tussen basenrijk subregionaal grondwater en lokaal water.
Alleen met een voldoende opbolling ontstaat er genoeg druk en stroming van lokaal 71
Unie van Bosgroepen
grondwater om het basenrijke subregionale grondwater in de basis van de zandzandrug mee te nemen naar de voet van de dekzandrug. (Zie paragraaf 3.4.1 )
De snelle afname van de opbolling in de zandruggen valt samen met alle lokale ontwateringen in het gebied en de regionale drainagebasis: Weerselerbeek en Dollandbeek.
Op veel plekken in het gebied wordt de ondergrond gekenmerkt door een ondiep gelegen zandige bodemlaag met slechts een zeer beperkt aandeel leem (<8%). Deze redelijk goed
watervoerende bodemlaag is waarschijnlijk belangrijk in het op druk houden van het
freatisch grondwater in het voorjaar en zomer. Doordat de Dollandbeek en Weerselerbeek
deze zandige bodemlaag aansnijden, en de Weerselerbeek zelfs voor een groot deel door het onderliggende leempakket heen snijdt (zie paragraaf 3.3.2 ), vindt versnelde drainage
plaats in het voorjaar via deze bodemlaag op het moment dat de subregionale grondwaterstand begint te dalen (Figuur 41). Hierdoor dalen de waterstanden zowel dicht
bij de beek als in de hogere zandruggen te snel en treedt verdroging op (zie berekeningen Bijlage 7).
Figuur 41: Schematisch dwarsdoorsnede van het Westelijke Maatje op basis van (Bell & van 't Hullenaar 2015), waarop het functioneren van de zomersituatie schematisch is weergegeven. In grote delen van het beekdal blijkt de Weerselerbeek ook door het dikke (donkerbruine) leempakket heen te snijden. 6.2 Oorzaken verdroging De verdroging hangt samen met de verbetering van de ontwatering ten behoeve van de omliggende landbouw door het aanleggen van diepe beken, sloten, greppels en 72
buisdrainages.
Door
oppervlaktewaterstanden
optimalisatie (freatisch
van
de
grondwater)
ontwateringsmiddelen
zijn
de
gedaald
in
de
kwetsbare
verdroging
van
Lemselermaten
grondwaterafhankelijke vegetatietypen. Al ver voordat er in het natuurgebied een hydrologische
meetnet
werd
ingericht,
is
de
plaatsgevonden. Al eind jaren vijftig werd in het kader van de ruilverkaveling Rossumerveld
de waterhuishouding van het gebied drastisch aangepast en er vindt vanaf 1966 winning
van grondwater plaats.
6.2.1
Drainagebasis: Weerselerbeek en Dollandbeek
Op grond van de resultaten van de kartering van het oppervlaktewatersysteem volgt met
name de diepe ontwateringssystemen (Weerselerbeek en Dollandbeek) maar ook kleine slootjes, greppels en wallen het functioneren van het systeem op negatieve wijze
beïnvloeden. Zo wordt in het dalsysteem van de Dollandbeek op vijf plekken kwelwater gedraineerd door greppels, waardoor het in mindere mate in staat is de wortelzone van de
vegetatie te voeden. Bovendien wordt door enkele van deze greppels ook de natuurlijke afvoer van het kwelwater over maaiveld
weggenomen doordat deze het kwelwater
opvangen en versneld naar de beek afvoeren (Bell & Van ’t Hullenaar, 2015).
De diepte van de beken is in kader van dit onderzoek nader in kaart gebracht (Figuur 42). De Weerselerbeek is gemiddeld 120 cm diep (ten opzichte van maaiveld). In het bovenstroomse deel, ter hoogte van de eerste meting in het noordoosten, is de beek 77 cm
diep. Vanaf dit punt loopt de diepte in oostelijke richting snel op tot 120 cm. Daar waar de
Weerselerbeek en Dollandbeek samenkomen, wordt de Weerselerbeek tijdelijk minder diep. Hier bevindt zich ook een stuw.
De Dollandbeek is binnen de grenzen van het natuurgebied een stuk minder diep dan erbuiten. Vooral bovenstrooms is de beek in landbouwgebied zo’n 1-1.5 meter diep. Zodra de beek het natuurgebied binnenkomt loopt de diepte snel terug tot 40-50 cm. Alleen in
het gedeelte van de graslandpercelen in het zuiden is de beek dieper gegraven tot ongeveer 80 cm, waarschijnlijk om de graslandpercelen beter te kunnen ontwateren. Het traject door
de broekbossen hebben we niet kunnen meten in verband met een te dicht bladerdek. De beek is in dit stuk betrekkelijk ondiep, 40-60 cm diep. Omdat de beek door een hogere rug
is gegraven, zal de diepte op dit gedeelte wat groter zijn. In het benedenstrooms gelegen
deel, daar waar de beek in noordelijke richting stroomt en afwatert op de Weerselerbeek, is de Dollandbeek ongeveer 80-100 cm diep gegraven.
De Dollandbeek valt in de zomer van 2016 vrijwel geheel droog (Figuur 43). Alleen het stuk
tussen de graslanden, waar de beek dieper is gegraven, blijft in de zomer van 2016 water staan. Het waterpeil in de Weerselerbeek was in de zomer van 2016 zeer laag met slechts
10-20 cm water eind augustus. Daarmee is de beek het grootste deel van het jaar watervoerend. Alleen bovenstrooms van het gebied, vanaf de eerste meting, is een klein
deel waar de beek in de zomer geheel droogvalt (Figuur 43). In de huidige situatie wordt het water van de Weerselerbeek omgeleid naar het noorden waardoor de beek een groot deel van het jaar geen aanvoer heeft, maar vooral grondwater draineert. Deze beek is in het
verleden omgelegd om wateroverlast in Weerselo te voorkomen.
73
Unie van Bosgroepen
Daarnaast is door veraarding van veen het maaiveld met name in het dal van de Weerselerbeek lager komen te liggen. Hierdoor heeft het beekdal waarschijnlijk een sterker drainerend karakter gekregen.
Figuur 42: Diepte van de beken en sloten in meter onder maaiveld.
74
Figuur 43: Droogval van de belangrijkste beken en sloten in de zomer van 2016, opgenomen op 29-8-2016. 6.2.2
Detailontwatering
Op veel plekken in het omliggende landbouwgebied zijn (diepe) sloten aangelegd om ervoor te zorgen dat landbouwpercelen vroeg in het voorjaar begaanbaar zijn voor landbouwkundige activiteiten. Naast greppels, sloten en beken is in verscheidene
landbouwpercelen geprobeerd het grondwater af te voeren via buisdrainage. De meeste
buisdrainages zijn logischerwijs aangelegd in de natte beekeerdgronden rondom de Weerselerbeek. Maar ook in de gooreerdgrond binnen de grenzen van het Natura2000 gebied is buisdrainage aangelegd die afwatert in de diepe sloot langs de Reservaatweg (Figuur 44).
Doordat de buisdrainage zich over het algemeen op de meest laaggelegen gronden
bevinden en hierdoor het omhoogkomende grondwater draineren heeft dit relatief veel effect op het natuurgebied. Binnen de grenzen van het Natura 2000 is nog een aanzienlijk
drainagestelsel aanwezig. In Figuur 44 is te zien dat naast de beide beken er een stelsel aan greppels en sloten in de bospercelen gelegen is die water afvoeren naar de dieper gelegen
Dollandbeek en Weerselerbeek. Bovendien zijn er op meerdere plekken nog ondiepe
greppels gegraven voor een betere afwatering die niet zijn weergegeven op deze kaart. Zo
ligt er in het midden van het vochtige heidecomplex in het westen nog een ogenschijnlijk
onschuldig greppeltje met een diepte van 20-30 cm. Echter, deze greppel watert via sloten
van 40-60 cm diepte af op de Weerselerbeek waarmee de vochtige heide vooral in de natte winterperiode wordt ontwaterd (foto 6).
75
Unie van Bosgroepen
Naast buisdrainage is op drie locaties een verduikering aangelegd. Hiermee is het mogelijk om specifieke percelen te ontwateren en via een ondergrondse verduikering het water te
lozen op een afvoerende sloot of beek zonder dat er een ontwaterende sloot door het natuurgebied hoeft te worden getrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de verduikering
ten zuiden van de Reservaatweg. De verduikering ten oosten van de Lemselermaten is
aangelegd om te voorkomen dat nutriënten uitspoelen met neerslagwater en via het oppervlaktewater of ondiepe grondwater de Elzenbroekbossen kan instromen. Via de verduikering
wordt
het
landbouwwater
in
noordelijk
richting
afgevoerd
naar
de
Weerselerbeek. Deze verduikering is aangelegd in de tijd dat er bovengronds nog drijfmest mocht worden uitgereden (begin jaren 1980).
Figuur 44: Drainage in de landbouwpercelen rond de Lemselermaten.
76
Foto 6: Greppel in de vochtige heide van 20-30 cm diep. In de vegetatie met dopheide is een geel lint van Pijpenstrootje te zien, dat de greppel markeert.
6.2.3
Waterwinning Weerselo
Ten zuiden van het Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt de drinkwaterwinning
Weerselo. Hier wordt al sinds 1966 grondwater onttrokken voor de winning van drinkwater. Gemiddeld wordt jaarlijks 1 miljoen kubieke meter grondwater onttrokken op een diepte van 30-55 meter onder maaiveld. In eerdere studies zijn de effecten van de waterwinning op het Natura 2000 gebied berekend (Ngo, 1999; Commissie van Deskundigen
Grondwaterwet, 2001; Waterschap Regge en Dinkel, 2011). Echter, de situatie is bijzonder complex omdat de winning mogelijk plaatsvindt in het zandpakket onder de slecht
doorlatende keileemlaag. Omdat deze keileem geen aaneengesloten geheel vormt en lokaal
kan bestaan uit zandige gronden (Bell & van ’t Hullenaar, 2015), kan niet worden gesproken
over een ander watervoerend pakket dan het pakket dat van invloed is op de Lemselermaten. Bovendien ligt in de directe omgeving van de winning nog een breuklijn en een slenk waardoor de hydrologische situatie ter plekke van de winning bijzonder complex
is. Wat de werkelijke effecten zijn is op basis van de huidige kennis daarmee niet te
zeggen. Met meer gedetailleerde informatie is het hydrologisch model recent aangepast,
zodat effecten beter in beeld zijn te brengen (Bor, 2017). Een pompproef waarbij de winning voor langere tijd stil wordt gelegd is echter waarschijnlijk de enige methode
waarop het verdrogende effect van de winning tot een bepaalde hoogte in beeld kan worden gebracht.
6.3 Verzuring en interne eutrofiëring Op veel plekken zakken de waterstanden in de zomer te diep weg. Door een te lage GLG
ontstaat droogte in de wortelzone van vooral de grondwaterafhankelijke vegetatietypen. De 77
Unie van Bosgroepen
te lage grondwaterstanden bieden in de huidige situatie meer ruimte aan oxidatieprocessen
in de organisch stofrijke bodems waarbij onder andere oxidatie van ijzersulfide (pyriet)
optreedt. Hierbij wordt gereduceerd zwavel door zuurstof geoxideerd tot sulfaat en gereduceerd ijzer tot geoxideerd ijzer. Dit proces is zuur genererend waardoor de bovengrond lokaal verzuurt en daarmee verschuivingen in de plantensamenstelling optreden. Dit proces kan in de Lemselermaten ertoe leiden dat de blauwgraslanden oppervlakkig verzuren en Gewone waternavel zich sterk heeft kunnen uitbreiden.
Het vrijgekomen sulfaat oxideert samen met sulfaat dat via het grondwater wordt aangevoerd
met
organisch
materiaal.
Hierbij
wordt
o.a.
bicarbonaat
(HCO 3 -)
en
waterstofsulfide (HS-) geproduceerd. HS- kan verder reageren tot ijzersulfide (FeS). Omdat de binding van sulfide (S2-) aan ijzer sterker is dan die van fosfaat, slaat het ijzer neer als
ijzersulfide (FeS) en kan de beschikbaarheid van fosfaat (P) toenemen. Dit proces leidt tot een aanzienlijke vermindering van de ijzervoorraad (die al niet te hoog is in het grondwater)
in deze bodems (Kemmers et al., 2003) en kan minder fosfaat worden vastgelegd aan ijzer met het risico tot vermesting. Een toename van bicarbonaat (HCO 3 -) leidt bovendien tot een sterkere decompositie van organisch materiaal, waarbij extra voedingsstoffen zoals stikstof (N) en fosfaat (P) vrijkomen. Dit kan verklaren waarom in het Oude Maatje vanuit de randen Veldrus sterk aan het uitbreiden is. Veldrus kan profiteren van lokale eutrofiëring. In terreindelen met organische bodems leiden beide processen (afbraak van organisch
materiaal en P-desorptie) tot interne eutrofiëring (Jansen & Roelofs, 1996). Snel groeiende
plantensoorten zoals Gewone wederik en Hennegras kunnen hiervan profiteren. In feite liggen in de organisch stofrijke bodems veel nutriënten opgeslagen die een erfenis uit het verleden vormen.
Het natuurgebied Lemselermaten wordt bedreigd door waterkwaliteitsproblemen die
samenhangen met vermesting van het grondwater en de natuurlijke aanwezigheid van
sulfaat in de tertiaire kleigronden waarbij op basis van dit onderzoek het onderscheid niet is te maken. Om het giftige effect van sulfide tegen te gaan is hydrologisch herstel het eerste speerpunt. Het is belangrijk dat er voldoende kweldruk komt en dat het water voldoende kan doorstromen naar de (te verondiepen) beken. Op bepaalde plekken
blokkeren wallen de oppervlakkige afvoer over maaiveld heen. Vooral bij demping van de ontwateringsmiddelen zal door de aanwezigheid van de wallen stagnatie op gaan treden van zuur neerslagwater. Het is dus belangrijk dat deze wallen in dat geval opgeruimd of
doorgestoken worden. In de loop van het droge seizoen drogen de dalen oppervlakkig uit, waardoor er naar verwachting weinig risico is op sulfidetoxiciteit. Inundatie van de
beekdalen met (voedselrijk) beekwater is naar verwachting geen probleem zolang de kweldruk op orde is en het water niet blijft stagneren.
6.4 Veenafbraak Er is sprake van veenafbraak waardoor de elzen op stelten zijn komen te staan (foto 7). Dit
is waarschijnlijk het gevolg van een combinatie van voorgenoemde knelpunten: verdroging
en meststoffen. Er is hier sprake van een vicieuze cirkel: afbraak van de veenbodem heeft
als gevolg dat ook de sterk veraarde terreindelen aan weerszijden van het beekdal momenteel sterker verdrogen door de lagere drainagebasis van het beekdal. De afbraak van
de veenbodem kan plaatsvinden onder verschillende omstandigheden. Enerzijds kan 78
veenafbraak plaatsvinden onder invloed van zuurstof door verdroging (aeroob), anderzijds kan veen afgebroken worden onder zuurstofloze (anaerobe) omstandigheden. Hierbij
fungeert sulfaat als vervanger van zuurstof. Verdroging heeft hier een rol doordat de waterstanden plaatselijk te laag zijn en de invloed van grondwater wordt beperkt doordat
kwel versneld wordt afgevoerd via onder andere de twee beken. Naast de rol van verdroging in veenafbraak, zijn er hoge concentraties sulfaat in het grondwater gevonden.
Dit zou een goede verklaring kunnen vormen voor de veenafbraak in het Dollanddal, zij het
niet dat dit proces zeer langzaam gaat. Sulfaat is in tegenstelling tot nitraat minder agressief tegenover veenbodems. Op basis van voorgaande metingen door Hunneman &
Aggenbach (2009) in het Oude en Westelijke Maatje is geen sprake van een eenduidig patroon dat indicatief is voor vermesting. Zij hanteerden een norm van 100-200 µmol/L
waar de sulfaatwaarden gemiddeld gezien over de jaren onder bleven, maar soms hoger
waren (tot 400 µmol/L). . In 2016 zijn er ook verhoogde waarden in het dal van de
Weerselerbeek gevonden die boven de nitraatnorm van 100umol/l liggen (B-ware, 2016).
Aan de oostzijde van de Lemselermaten is een verduikering aangelegd om met meststoffen
verontreinigd landbouwwater bij piekafvoeren uit het Dollanddal te weren en via deze ondergrondse verduikering af te voeren op de Boschbeek - Middensloot. Voordat deze
verduikering werd aangelegd, liep het landbouwwater oppervlakkig de Lemselermaten
binnen en kan naast verdroging ook nitraat tot veenafbraak hebben geleid waardoor de Zwarte elzen op stelten zijn komen te staan.
Het is van belang om afbraak van de veenbodem tegen te gaan en het veenpakket weer te
laten uitbreiden. Momenteel is de hydrologie niet op orde en vormen verdroging en de hoge concentraties sulfaat nog een knelpunt.
Foto 7: Zwarte elzen in het Dollanddal staan op stelten, de veenbodem is gemineraliseerd en daardoor lager komen te liggen rondom de stamvoet van de Zwarte elzen.
79
Unie van Bosgroepen
6.5 Herstelmogelijkheden Ingrepen in het landschap zouden in eerste instantie vooral betrekking moeten hebben op herstel van de lokale hydrologie. Dit komt neer op het verminderen van de drainerende
werking van de Weerselerbeek door het verhogen van de beekbodem gezien de invloed op de
grondwaterstand,
beperken
van
de
afvoer
van
kwelwater
via
lokale
ontwateringsmiddelen (greppels, sloten en Dollandbeek) en het langer vasthouden ervan in
het voorjaar. Maar ook inzetten op een maximale infiltratie van neerslagwater in de lokale zandruggen en omliggende, hoger gelegen landbouwpercelen zal bijdragen aan verhoging van de kwaliteit en duurzaamheid van de habitattypen.
Met de PAS maatregelen kan wel worden bevorderd dat de diepe kwel, die nu nog aanwezig is het maaiveld weer bereikt, maar waarschijnlijk is er weinig effect van te verwachten om
de diepe kwel te intensiveren vanuit de bufferzones. De lokale ingrepen hebben vooral
invloed op het effectiever benutten van het basenrijke grondwater. Naast hogere, stabielere
waterstanden in de grondwaterafhankelijke natuur leiden de maatregelen ook tot een grotere opbolling in lokale zandruggen. Hierdoor worden de vochtige heiden hoger op de gradiënt
positief
beïnvloed
met
hogere
waterstanden
en
minder
grote
waterstandsfluctuaties. Een grotere opbolling betekent ook dat wanneer de waterstanden
langzaam dalen, de opbolling nog lange tijd kan zorgen voor hogere waterstanden in de kwetsbare blauwgraslanden. Het systeem loopt met andere woorden langzamer leeg dan wanneer diepe drainagesloten en beken het kwelwater snel afvoeren.
Belangrijk is wel, met het oog op de waterkwaliteit, om een goede doorstroming te handhaven. Het uittredende grondwater is namelijk rijk aan sulfaat en arm aan ijzer. Hierdoor ontstaat het risico dat bij een te grote vernatting stagnatie optreed van met
sulfaat verontreinigd grondwater. Hierdoor kan interne eutrofiering optreden waardoor
vooral snelgroeiende plantensoorten kunnen gaan domineren zoals Mannagras. Het is dus belangrijk om een goede doorstroming te garanderen door hoofdafvoeren te verondiepen
tot op het juiste niveau waarbij het sulfaatrijke kwelwater via ondiepe, niet drainerende
greppels op deze hoofdafvoeren kan worden geloosd en het gebied kan verlaten. Vooral in het Dollanddal is in een groot deel van het jaar een stijghoogte aanwezig die ruim boven het maaiveld reikt. Hierdoor kan lange tijd grondwater in maaiveld treden als kwel en het
systeem goed doorstromen met kalkrijk grondwater. De kalk verdringt namelijk ammonium
(NH 4 +) van het bodemcomplex waardoor in enkele jaren tijd de voedselbeschikbaarheid van stikstof sterk kan afnemen in de veenbodem (Kemmers & Jansen, 1979; Lucassen et al.,
2006) .
Op plekken waar veenbodems aanwezig zijn leiden de hoge sulfaatconcentraties tot een weliswaar langzame maar continue anaerobe (zuurstofloze) afbraak. Daarom wordt
geadviseerd om in de toekomst uitspoeling van nitraat te voorkomen, waardoor de
concentraties sulfaat sterk zullen afnemen. Het doel is om de sulfaatbelasting in de broekbossen terug te dringen tot maximaal 300 µmol/l en in de blauwgraslanden tot maximaal 100 µmol/l (Lucassen & Roelofs, 2016). Daarmee liggen er goede kansen voor een duurzame ontwikkeling van de habitattypen.
80
Verder is bij herstel belangrijk om de blauwgraslanden niet te extreem te vernatten.
Oppervlakkige uitdroging van de organisch stofrijke bodem in de zomermaanden is ook belangrijk. Om onder andere te voorkomen dat nieuwe ammonium die op de bodem valt (atmosferische depositie) zich ophoopt, is het van belang dat natte en droge episoden elkaar afwisselen. Daarom moet de bodem van blauwgraslanden in de zomer juist oppervlakkig droogvallen, waardoor reductie- en oxidatieprocessen elkaar kunnen
afwisselen in de toplaag, met als gevolg dat de mate van voedselrijkdom wordt verlaagd
(De Mars, 1996; Smolders et al., 2003; Lucassen et al., 2005). Het tijdelijk droogvallen van venige bodems hoeft niet zonder meer te leiden tot een versnelde oxidatieve afbraak van
het veen. Dit is alleen het geval bij het langdurig droogvallen van veenbodems, waardoor
het vochtvasthoudend vermogen van de bodem wordt verminderd (Aggenbach et al., 2009; Grootjans & ten Klooster, 1980).
81
Unie van Bosgroepen
Literatuur Aggenbach, C.J.S., M.J. Jalink & A.J.M. Jansen, 1998. Indicatorsoorten voor verdroging,
verzuring en eutrofiering van plantengemeenschappen in vennen. Deel 5 uit de serie ‘Indicatorsoorten”. Staatsbosbeheer, Driebergen.
Aggenbach, C.J.S., D. Groenendijk, R.H. Kemmers, H.H. van Kleef, A.J.P. Smolders, W.C.E.P.
Verberk & P.F.M. Verdonschot, 2009. Preadvies beekdallandschappen; Knelpunten,
kennislacunes en kennisvragen voor natuurherstel in beekdalen. Ministerie van LNV, directie IFZ/Bedrijfsuitgeverij.
Aggenbach, C.J.S., R. van Diggelen, A.P. Grootjans, H.H. van Kleef, L.P.M. Lamers & A.J.P. Smolders,
2011.
Pilotstudie
herstel
veenvormende
zeggenbegroeiingen
in
beekdalen. Den Haag: Directie Kennis en Innovatie, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
Beije, H.M., A.J.M. Jansen, Q.L. Smits & N.A.C. Slings, jaar onbekend. Herstelstrategie H6410: Blauwgraslanden.
Bell, J.S. & J.W. van ’t Hullenaar, 2015. „Ecohydrologische systeemanalyse Lemselermaten.” Zwolle.
Bor, 2017. Hydrologische modellering Lemselermaten in voorbereiding.
Boesveld, A. & V. Kalkman, 2007. Verspreiding en habitat van de zeggekorfslak Vertigo moulinsiana in Zuid-Holland. Leiden: EIS, Stichting European Invertebrate Survey –
Nederland.
Commisie
van
Deskundigen
Grondwaterwet,
Grondwateronttrekking Weerselo.”
2001.
„Schadeonderzoek
De Mars, H.,1996. Chemical and physical dynamics of fen hydro-ecology. Utrecht: Dissertatie Universiteit Utrecht.
Eysink, A.T.W. en O. de Bruijn, 1994. Kruipnieuws van de gradiënt….de Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) floreert weer in Twente. Standplaats en beheer van de draadgentiaangemeenschap (Cicendietum filiformis). Plantensociologische Kring Nederland, Stratiotes 9 (1994), ISSN 0928-2297, Wageningen. Eysink, F & O. de Bruijn, 1997. Kleinschalig herstelbeheer in de Lemselermaten (OostTwente). De Levende Natuur 98 (7) 258-265 (1997). Eysink,
F.,
J.
Westerik
en
A.
Jansen,
2001.
Natuurontwikkeling
op
voormalige
landbouwgronden. Staatsbosbeheer, rapportnummer 2002-1. ISSN 0926-4558
Grootjans, A.P. & W.P. ten Klooster, 1980. „Changes of groundwater regime in wet meadows.” ActaBotanicaNeerlandica 29: 541-554.
Grootjans, A.P., P.C. Schipper & H.J. van der Windt, 1986. „Influence of drainage on Nmineralization and vegetation response in wet meadows. II: Cirsio-Molinietum
stands.” OecologiaPlantarum 7: 3-14.
Hunneman, H. & C.J.S. Aggenbach, 2009. De vermestingstoestand van het grondwater in Natura 2000-gebied De Lemselermaten. Nieuwegein: KWR Watercycle Research
Institute, 2009. Hofstra, J., F. Eysink en R. Ruis, 2016. Het optreden van Carex x pauliana F.W. Schultz 1854 in
heden en verleden in de Lemselermaten. Hypericum 14, oktober 2016. Floristische Werkgroep Twente. 82
Jalink, M.H. en A.J.M. Jansen, 1995. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en
eutrofiëring van grondwater-afhankelijke beekdalgemeenschappen. Deel 2 uit de serie ‘Indicatorsoorten’. Staatsbosbeheer Driebergen.
Jansen, A.J.M., 1991. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring van natte schraallanden prea-advies Lemselermaten
Jansen, A.J.M. & J.G.M. Roelofs, 1996. „Restoration of Cirsio-Molinietum wet meadows by sod cutting.” Ecological Engineering 7: 279-298.
Kemmers, R.H. & P.C. Jansen, 1979. Onderzoek naar de relatie vegetatie-waterhuishouding
in het komgrondenreservaat Tielerwaard-West. Deelrapport 3. Wageningen: ICW-
nota.
Kemmers, R.H., F.P. Sival & P.C. Jansen, 2003. Effecten van bevloeiing op de basentoestand en nutriëntenbeschikbaarheid van natte schraalgraslanden op klei-, zan- en
veengronden. Alterra-rapport 534.
KWR, Witteveen+Bos, & Royal HaskoningDHV, 2015. Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Lemselermaten. In opdracht van Provincie Overijssel.
Leunk, I., 2011. Analyse effect ingrepen in Fochteloërveen. KWR 2011.006. Lucassen, E.C.H.E.T., A.J.P. Smolders, J. Van de Crommenacker & J.G.M. Roelofs, 2004.
„Effects of stagnating sulphate-rich groundwater on the mobility of phosphate in
freshwater wetlands: a field experiment.” Archiv für Hydrobiologie 160: 117-131.
Lucassen, E.C.H.E.T., A.J.P. Smolders, L.P.M. Lamers & J.G.M. Roelofs, 2005. „Water table fluctuations and groundwater supply are important in preventing phosphate eutrophication in sulphate-rich fens: consequences for wetland restoration.” Plant and Soil 269: 109-115.
Lucassen, E.C.H.E.T. & J.G.M. Roelofs, 2016. „Uitwerking onderzoeksvragen gerelateerd aan bodemonderzoek, Nijmegen.
grondwaterkwaliteit
en
inschatting
interne
eutrofiëring.”
Ngo, X.T., 1999. Duurzaamheidsonderzoek Grondwaterwinning Weerselo (aspect water). Waterleiding Maatschappij Overijssel.
Pranger D.P. & M.E. Tolman, 2011. Vegetatie- en plantensoortenkartering Gammelke 2010.EGG consult, Pranger & Tolman ecologen, Groningen. Rappartnummer 902-c
EGG-P&T.
Provincie Overijssel, 2016. „NATURA 2000-GEBIED: LEMSELERMATEN, VERSLAG VELDBEZOEK 18 MEI 2016.”
Runhaar,
H.
&
S.
Hennekens,
gebruikershandleiding
Onderzoek Waterbeheer.
2015.
Hydrologische
(waternoodapplicatie
versie
randvoorwaarden 3).
Stichting
natuur:
Toegepast
Schaminée J.H.J., A.H.F. Stortelder en E.J. Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus press, Uppsala, Leiden.
Smolders, A.J.P., E.C.H.E.T. Lucassen & J.G.M. Roelofs, 2003. „Waterpeilregulatie in broekbossen: bron van aanhoudende zorg.” H2O 36: 17-19.
Smolders, A.J.P., L.P.M. Lamers, E.C.H.E.T. Lucassen & Roelofs J.G.M, 2006. „Internal eutrophication: how it works and what to do about it - a review.” Chemistry & Ecology 22: 93-111.
83
Unie van Bosgroepen
Ter Braak, J.F. & J. Wiertz, 1994. „On the statistical analysis of vegetation change: a wetland affected by water extraction and soil acidification.” Journal of VegetationScience 5: 361-372.
Van der Werfhorst, 2016. Geohydrologische schematisatie ter plaatse van natura
2000gebied Waterschap
AVAV en Lemselermaten. Waterschap Vechtstromen.
Regge
(concept).”
en
Dinkel,
2011.
„Achtergronddocument
GGOR
Lemselermaten
Westhoff, V. & A.J.M. Jansen, 1990. Vegetatiegegevens uit de jaren veertig van noordoosttwente. Kiwa, Nieuwegein. Rapportnummer SWE 90.025. www.natuurkennis.nl.
84
Bijlagen Bijlage 1: Metadata peilbuizen
Bijlage 2: Ecohydrologische dwarsprofielen
Bijlage 3: Duurlijnen provinciale peilbuizen Bijlage 4: Boorprofielen
Bijlage 5: Ligging dwarsdoorsnede A – A’ Bijlage 6: Vegetatietypen en kwaliteit
Bijlage 7: Hydrologische berekeningen (externe bijlage) Bijlage 8: Uitkomsten tijdreeksmodellen Bijlage 9: Neerslag Twente
Bijlage 10: Berekening doelgaten
85
Unie van Bosgroepen
Bijlage 1 Metadata peilbuizen In oranje zijn de buizen weergegeven die door Bell & Van ’t Hullenaar (2015) zijn geanalyseerd. Deze reeksen lopen tot en met 2000. De overige buizen lopen tot heden.
Peilbuis
FILTER NR
SURFACE X
Y
MEAS
TOP
BOTTOM
ref)
(m-ref)
(m-ref)
FILTER
LEV (mref)
START DATE
LEV (m-
FILTER
POINT
B28H0704
1
256080 485180
19,18
18,29
17,79
19,24
21-10-1991
B28H0706
1
256160 485280
20,18
19,27
18,77
20,81
21-10-1991
B29H0707
1
256260 485330
19,17
17,06
16,56
19,56
21-10-1991
B28H0714
1
256560 485050
19,62
18,3
17,8
20,15
21-10-1991
B28H0717
2
256360 485240
19,61
18,51
18,01
19,61
1-12-1991
B28H0718
2
256360 485250
19,5
18,4
17,9
19,5
1-12-1991
B28H0719
2
256360 485265
19,26
18,16
17,66
19,26
1-12-1991
B28H0721
2
256395 485270
19,34
18,26
17,76
19,34
1-12-1991
B28H0722
1
256500 485280
19,99
18,81
18,31
19,99
21-10-1991
B28H0723
1
256580 484780
20
19,42
18,92
20,1
21-10-1991
B28H0724
1
256800 485080
19,95
19,05
18,55
20,07
21-10-1991
B28H0725
1
256352 484980
19,65
18,55
18,05
19,65
21-10-1991
B28H0727
2
256410 485390
19,33
17,27
16,77
19,73
21-10-1991
B28H0728
2
256380 485020
19,56
17,55
17,05
20,01
21-10-1991
B28H1804
1
256551 485065
19,44
18,462
17,962
20,012
6-6-2012
B28H1804
2
256551 485065
19,44
16,417
15,917
19,987
6-6-2012
B28H1805
2
257022 485009
20,38
16,383
15,883
21,1
6-6-2012
B28H1806
1
256371 485248
19,346
18,934
18,434
19,884
6-6-2012
B28H1806
2
256371 485248
19,346
17,015
16,515
19,987
6-6-2012
B28H1808
1
256805 485080
19,821
19,322
18,822
20,412
12-7-2012
B28H1808
2
256805 485080
19,821
15,821
15,321
20,515
12-7-2012
B28H1879
2
256342 484785
20,85
7,357
6,357
21,657
7-9-2015
B28H1879
3
256342 484785
20,85
-12,779
-13,779
21,621
7-9-2015
B28H1880
1
256360 485194
20,5
17,56
16,56
21,26
7-9-2015
B28H1880
2
256360 485194
20,5 20,5
-3,698
-4,698
3,544
21,244
7-9-2015
B28H1880
4
256360 485194
20,5
-16,641
-17,641
21,109
7-9-2015
B28H1881
1
256372 485645
20,27
13,873
12,873
21,043
28-9-2015
B28H1881
2
256372 485645
20,27
4,349
3,349
21,019
28-9-2015
B28H1881
3
256372 485645
20,27
-2,571
-3,571
21,009
28-9-2015
B28H1881
4
256372 485645
20,27
-9,112
-10,112
20,988
28-9-2015
B28H0712
B28H0720
B28H0726
B28H1805
B28H1879
B28H1880
86
2
2
2
1
1
3
256395 485300
256390 485270
256470 485250
257022 485009
256342 484785
256360 485194
19,39
19,34
19,9
20,383
20,892
18,34
18,2
19,69
19,604
16,288
4,544
17,84
17,7
19,49
19,104
15,288
19,39
19,28
19,99
20,994
21,708
21,202
1-12-1991
1-12-1991
1-12-1999
6-6-2012
7-9-2015
7-9-2015
B28H1881
5
256372 485645
20,27
-24,262
-25,262
20,958
28-9-2015
B28H1882
1
257024 485006
20,38
12,515
11,515
21,565
26-10-2015
B28H1882
2
257024 485006
20,38
6,834
5,834
21,514
26-10-2015
B28H1883
1
256055 484972
18,57
17,39
17,09
19,81
26-10-2015
B28H1883
2
256055 484972
18,57
15,623
15,123
19,793
26-10-2015
B28H1883
3
256055 484972
18,57
9,631
9,131
19,781
26-10-2015
87
Unie van Bosgroepen
Bijlage 2 Ecohydrologische dwarsprofielen
88
Bijlage 3 Duurlijnen provinciale peilbuizen
89
Unie van Bosgroepen
90
91
Unie van Bosgroepen
92
93
Unie van Bosgroepen
94
Bijlage 4 Boorprofielen Boornummer Laag Horizont begin eind os leem M50 opmerkingen 1 1 1Ap 0 20 5 22 160 Mild bruin 1 2 1Ce1 20 33 9 150 Iets podzolering 1 3 1Ce2 33 40 9 150 1 4 1Cg1 40 70 12 150 1 5 1Cg2 70 95 30 125 Blauwgrijs 1 6 2Cg 95 110 20 125/170 Gelaagd 1 7 3Ce 110 150 8 170 1 8 3Cr 150 160 8 180 Gereduceerd 2 1 1Ap 0 24 6 22 155 Mild bruin 2 2 1A/Ce 24 30 3 22 155 Heterogeen 2 3 1Ce 30 55 12 155 2 4 2Cg 55 80 55 100 Lössige beekleem 2 5 3Cg 80 120 8 175 2 6 3Cgr 120 150 8 175 Zwak roestig 2 7 3Cr 150 160 8 175 Gereduceerd 3 1 1Ap 0 20 5 22 160 Mild bruin 3 2 1A/Ce 20 50 4 22 150 Heterogeen 3 3 1BCe 50 60 <1 35 125 Zeer zwakke B 3 4 1Ce 60 80 35 125 3 5 2Ce 80 118 65 100 Beekleem grijs 3 6 3Cgr 118 135 8 170 Op 118 vegetatieband 3 7 3Cr 135 160 8 170 Gereduceerd 4 1 1Ap 0 27 6 25 140 4 2 1A/BC/C 27 40 5 30 120 4 3 1Ce 40 60 35 120 4 4 1Cg 60 95 8 160 4 5 2Ce 95 110 65 100 Lössige beekleem 4 6 3Cgr 110 135 8 170 4 7 3Cr 135 160 8 170 Gereduceerd 5 1 1Ap 0 20 5 26 150 5 2 1A/C 20 45 5 20/35 140 Heterogeen 5 3 2Ce 45 50 50 Moerige laag 5 4 3Cgr 50 70 85 Beekleem of oude klei 5 5 4Cgr 70 95 8 180 Houtresten 5 6 4Cr 95 120 8 180 Gereduceerd 6 1 1Ap 0 30 4 18 165 6 2 1A/B 30 55 4 18 165 Heterogeen 6 3 1BCe 55 80 2 18 140 Licht bruin 6 4 1Ce 80 110 35 130 Lössig 95
Unie van Bosgroepen
96
6 6 A A A A A A 7 7 7 7 7 7 7 7 8 8 8 8 8 8 8 8 9 9 9 9 9 10 10 10 10 10 10 11 11 11
5 6 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 3
1Ce 1Cr 1Ce 2Cg 3Cg 4Ce 4Cgr 4Cr 1Ap 1A/B 1Bhe 1BCe 1Ce1 1Ce2 1Cgr 1Cr 1Ap 1A/BC 1Cg1 1Cg2 2Cg 3Cg 3Cgr 3Cr 1Apg 1A/Cg 1Cg 1Cgr 1Cr 1Ap 1Bhs 1BCg 1Cg1 1Cg2 1Cr 1A/Cg 1Cg 1Cgr
110 155 0 23 40 53 80 95 0 20 30 40 70 80 115 140 0 25 45 80 95 120 140 155 0 15 40 70 90 0 30 50 70 110 175 0 35 60
155 165 23 40 53 80 95 140 20 4 30 3 40 1 70 1 80 115 140 160 25 4 45 6 80 95 120 140 155 165 15 4 40 5 70 90 100 30 5 50 3 70 <1 110 175 180 35 3 60 95
6 6 45 8 35 8 8 8 20 20 8 8 20 6 6 65 18 16 24 8 65 7 7 7 35 45 20 16 16 16 16 16 25 9 9 26 14 18
11 12 12 12
4 1 2 3
1Cr 1A/Cg 1Cg 1Cgr
95 0 50 65
130 50 65 95
18 28 14 14
3
180 180 100 165 110 165 165 165 155 155 180 180 135 200 200 165 165 130 170
Vreemd Bruin gekleurd Lössig Veel roest Lössig Licht grijs Gereduceerd Heterogeen Fletsbruin
Grijs Beekleem, gereduceerd Wat podzol B
Lössachtige beekleem? 180 180 180 140 140 135 160 165 150 140 140 120 160 160 145 145 145 145 145 140 140
Met brokken beekklei Grijs Blauwgrijs Houtresten
Extreem verkit Lössig grijs Gereduceerd Heterogeen Vrij veel roest Houtresten, gereduceerd Brokken beekleem Roestig
12 13 13 13 13 13 14 14 14 14 15 15 15 15 16 16 16 16 B B B
4 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3
1Cr 1A/Cg 1Cg 1Cgr 1Cr1 1Cr2 1A/Cg 1Cg 2Cgr 3Cr 1Apg 1A/Cg 2Cgr 3Cr 1Apg 1Cg 2Cgr 2Cr 1Apg 1Cgr 1Cr
95 0 35 65 90 100 0 40 80 97 0 30 70 90 0 30 70 90 0 80 105
120 35 65 90 100 120 40 80 97 130 30 70 90 120 30 70 90 120 80 105 140
14 28 14 14 14 60 26 8 55 8 18 18 50 15 20 10 50 50 22 10 12
140 145 140 140 140 100 150 175 100 175 145 145
17 17 17 17 17 18 18 18 19
1 2 3 4 5 1 2 3 1
1Apg 1Cg 2Cg 3Cg 3Cr 1Apg 1Cgr 2Cr 1Apg
0 75 90 110 165 0 70 85 0
75 90 110 165 175 70 85 160 50
4
22 16 45 8 8 4 25/30 8 70 4 32
155 170 100 170 170 155 170 100 140
19 19 20 20 20 20 21 21 21 21 21 22
2 3 1 2 3 4 1 2 3 4 5 1
1A/C 1Cr 1A/Cg 1Cgr 1Cr 2Cr 1A/Cg 1Cg 1Cgr 1Cr 2Cr 1A/Cg
50 100 0 60 80 105 0 45 70 90 100 0
100 140 60 80 105 140 45 70 90 100 145 55
8
140 130 150 180 180 100 155 170 170 170 100 160
3
3
4 3
3
5
32 15/30 3 36 8 8 60 4 28 9 9 9 76 3 26
160 150 175 100 100 155 165 165
Gereduceerd heterogeen, veel roest
Gereduceerd Lössige leem Heterogeen Beekleem Gereduceerd Sterk Heterogeen Beekleem Gereduceerd
Beekleem Beekleem Matig heterogeen Gereduceerd Opgebracht, heterogeen Zeer veel roest Lössig
licht
Gereduceerd Opgebracht Humeuze beekleem Dichtgeslibt beekmateriaal Houtresten, gelaagd
Houtresten Heterogeen Licht grijs Grijs Donker grijs Beekleem gereduceerd Heterogeen 97
Unie van Bosgroepen
98
22 22 22
2 3 4
1Cg 1Cgr 1Cr
55 70 115
70 115 140
24 12 12
160 145 145
23 23
1 2
1A/Cg 1Cg
0 55
55 90
28/40
145
23 24 24 24 24 24 25 25 25 25
3 1 2 3 4 5 1 2 3 4
2Cr 1Apg 1A/Cg 2Cg 3Cgr 3Cr 1A/Cg 1Cg 1Cgr 2Cr
90 0 25 40 60 100 0 48 80 100
150 25 40 60 100 130 48 80 100 140
26 26 26
1 2 3
1A/Cg 2Cgr 2Cr
0 70 90
70 90 100
26 27 27 27 27 28 28 28 28 29
4 1 2 3 4 1 2 3 4 1
3Cr 1Apg 1Cg 1Cgr 1Cr 1Apg 1Cg 1Cgr 1Cr 1Apg
100 0 28 80 118 0 48 80 105 0
140 28 80 118 140 48 80 105 130 30
29 29 29 29 30 30 30 30 31 31 31
2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3
1ACg 1Cr 2Cr 3Cr 1Aapg 1ACgr 1Cgr 1Cr 1A/Cg 1Cg 2Cg
30 90 130 145 0 100 125 145 0 35 50
90 130 145 155 100 125 145 165 35 50 70
Gereduceerd Heterogeen + brokken leem Gelaagd Iets humeuze beekleem Vrijwel homogeen Verwerkt Zware beekleem
60 100 4 19 155 3 20 145 80 90 6 190 6 190 Gereduceerd 4 22 155 8 175 8 175 40/60 100/120 Beekleem gelaagd Heterogeen + brokken 4 27 155 leem 70 Zware beekleem 70 Zware beekleem Gelaagd, zand met 35 100 leembandjes 5 23 150 10 155 Vrij veel roest 10 155 Grijs 10 155 Gereduceerd 6 24 155 Vrijwel homogeen 9 165 Roestig 9 165 Grijs 9 165 Gereduceerd 7 26 155 Met banden oer. 10 65 100 Beekleem 35 110 Gelaagd 60 100 Beekleem 12 135 Gereduceerd 5 25 150 Iets heterogeen 5 32 150 Iets heterogeen 15 145 15 145 Gereduceerd 4 24 155 Veel roest 75 Zware beekleem 17 120 Licht grijs
31 31 32 32 32 32 32 32 33 33 33 33 33 34 34 34 34 35 35 35 35 35 35 36 36 36 36 36 37 37 37
4 5 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 3
2Cgr 3Cr 1Apg 1ACg 1A/Cg 1Cgr 1Cr1 1Cr2 1Apg 1A/Cg 1Cgr 1Cr1 1Cr2 1A/Cg 1Cgr 1Cr1 1Cr2 1Aap 1E 1Bh 1BCg 1Cg 1Cr 1A/Cg 1Cg1 1Cg2 2Cgr 2Cr 1Ap 1Cg 2Cg
70 90 0 15 40 75 85 130 0 30 80 95 130 0 50 75 100 0 40 50 70 95 185 0 20 57 70 110 0 22 30
37 37 38 38 38 38 38 39 39 39 40
4 5 1 2 3 4 5 1 2 3 1
3Cr1 3Cr2 1Apg 1Cg 2ACg 3Cgr 3Cr 1Apg 1Cg 2Cr 1Aap
80 100 0 35 70 80 90 0 40 90 0
90 6 190 Grijs 140 65 Zware beekleem 15 5 20 150 Iets heterogeen 40 4 80 100 Zeer zware beekleem 75 6 16/50 130/100 Sterk Heterogeen 85 70 Zware beekleem 130 70 Zware beekleem 150 70 Humeuze beekleem 30 5 24 160 Licht heterogeen 80 5 40/20 150 Heterogeen 95 12 175 Licht grijs 130 35/50 110 Grijs, gelaagd humeus 150 2 35/50 110 Grijs, gelaagd humeus 50 3 20 155 Zeer heterogeen 75 12 Dichtgeslibde beekloop 100 14 40 120 Humeus rijk 130 20 135 Gereduceerd 40 20 165 50 10 170 70 6 175 95 6 175 Sterk verkit 185 6 175 Verkit 190 6 175 Gereduceerd 20 3 30 155 Heterogeen 57 8 175 Zeer roestig 70 8 175 Zwak roestig 110 75 100 Zware beekleem 150 75 100 Zware beekleem 22 8 60 100 Beekleem 30 60 100 80 6 175 Sterk gelaagde 100 50 115 beekleem 120 1 50 115 Licht humeus beekleem 35 4 20 155 70 8 175 80 12 60 Humeuze beekleem 90 8 165 140 5 8 165 Vegetatiebandjes 40 6 27 155 90 75 Beekleem, zeer roestig 120 15 140 Gereduceerd 80 5 18 160 99
Unie van Bosgroepen
100
40 40 40 40 41 41 41 41 42 42 42 42 42 42 43 43
2 3 4 5 1 2 3 4 1 2 3 4 5 6 1 2
1Bhe 1BCe 1Ce 1Cr 1Ap 1Cg1 1Cg2 2Cr 1Apg 1ACg 1Cg 1Cr1 1Cr2 1Cr3 1Apg 1Cg1
80 120 140 180 0 55 80 100 0 30 50 80 110 145 0 45
120 2 140 1 180 55 7 80 100 140 30 5 50 7 80 3 110 145 35 150 45 4 90
8 8 6 8 27 8 6 65 26 26 75 55 40 60 22 18
43 43 43 44 44 44 44
3 4 5 1 2 3 4
1Cg2 2Cgr 3Cr 1Aap 1Cg1 1Cg2 2Cr
90 120 135 0 45 85 115
120 135 150 45 85 115 140
80 5 65 18 15 15 55
165 165 165 100
45 45 45 46 46 46 46 47 47
1 2 3 1 2 3 4 1 2
1A/Cg 1Cgr 1Cr 1Apg 1Cg 2Cgr 2Cr 1A/Cg 1Cgr
0 70 120 0 30 80 110 0 50
70 120 150 30 80 110 130 50 90
19 12 12 19 16 60 60 28 8
145 160 170 155 155 100 100 150 165
47 47 48 48 48 48 49 49 49
3 4 1 2 3 4 1 2 3
2Cgr 2Cr 1A/Cg 1Cg 1Cr 2Cr 1A/Cg 1Cgr 1Cr
90 100 0 50 90 120 0 50 70
100 150 50 90 120 140 50 70 100
60 75 35 17 6 65 27 10 10
100 100 145 135 190 100 145 150 150
4
4
5
3
3
160 160 175 175 150 170 180 100 155 155 100 100 100 160 110
200
Verkit Verkit
Vrij homogeen Veel roest Zwak roestig Beekleem
Beekleem Beekleem Zeer lemig broekveenn Vrij homogeen Veel roest Zeer zwakke beekleem met veel roest Licht grijs Humeuze beekleem Veel roest Zwak roestig Beekleem Diep verwerkt met lemig zand op 60-70 cm
Gelaagd Beekleem grijs blauw Beekleem grijs blauw Heterogeen Beekleem met grof zand Beekleem Sterk Heterogeen Blauwgrijs Gereduceerd Beekleem Heterogeen Met
houtresten,