Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 IP 2 Systeemanalyse.pdf
Tekst van het document
Lemselermaten Systeemanalyse
Unie van Bosgroepen
Colofon
Opdrachtgever:
Gemeente Dinkelland
Status:
Definitief
Titel:
Datum:
Auteur(s):
Vormgeving figuren en voorkant:
Lemselermaten – Systeemanalyse 2 juni 2017
R. Versluijs, B. van Duijn, A.A.M. Kieskamp & A.T.W. Eysink J.H.J. Thielemans
In samenwerking met:
E.C.H.E.T. Lucassen & J.G.M. Roelofs (Onderzoekscentrum B-WARE)
Projectleider Bosgroepen:
G.H. Bulten
Foto’s:
Kaartmateriaal: Projectnummer:
C. Maas
A.T.W. Eysink & R. Versluijs
Copyright © 2017, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn
15.55.1407.01
© Coöperatie Unie van Bosgroepen u.a., juni 2017 Postbus 8187 6710 AD EDE
t (0318) 67 26 28 f (0318) 67 26 29
www.bosgroepen.nl 2
Samenvatting Aanleiding Voor Natura 2000-gebied Lemselermaten hebben de provincie Overijssel en het rijk een PAS-gebiedsanalyse met maatregelen(kaarten) laten opstellen. Hierin wordt omschreven
wat de doelen zijn voor de gebieden en welke herstelmaatregelen waar en wanneer nodig zijn. In de verkenningen is geconstateerd dat een aantal maatregelen nader onderzocht en uitgewerkt moet worden om tot een goed en gedragen maatregelenpakket te komen waarbij de aanwijzingsdoelen worden behaald. Daarnaast hebben de verkenningen ook
handvaten gegeven om te kijken of de maatregelen zodanig kunnen worden uitgevoerd dat de externe werking de omliggende landbouw en particuliere gronden tot een minimum
wordt beperkt zonder de effectiviteit van de maatregelen te verminderen. Daartoe is in de verkenning ook geconstateerd dat aanvullend onderzoek nodig is, voornamelijk ten aanzien
van hydrologie, nutriënten(uitspoeling) en bodemchemie. Gemeente Dinkelland heeft een
team van deskundigen van de Unie van Bosgroepen en onderzoekscentrum B-WARE
gevraagd dat onderzoek te doen ter aanvulling op de systeemanalyse door Bell & Van ’t Hullenaar (2015). Daarnaast is gevraagd uitspraak te doen over de toestand van de
habitattypen in het Natura-2000-gebied en de kwaliteit van de habitattypenkaart. Op basis
van de aangevulde systeemanalyse zijn in een aparte rapportage het nut en noodzaak van
de vastgestelde maatregelen en het effect daarvan op de omgeving vastgesteld.
Status habitattypen Op basis van de aanwezige vegetatietypen in de habitattypenkaart en veldwaarnemingen, blijkt is de kwaliteit van de Pioniervegetaties met snavelbiezen, Kalkmoerassen, Vochtige alluviale bossen als goed kan worden beoordeeld. Vochtige heide, Heischrale graslanden en
Blauwgraslanden worden gemiddeld gezien matig beoordeeld, omdat ze ook als
rompgemeenschap voorkomen. In de habitattypen zijn signalen aangetroffen van
verdroging, verzuring en eutrofiëring. Op verdroging wijzen in de vochtige heiden
Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en in het blauwgrasland Knoopkruid (Centaurea jacea) en
Hennegras (Calamagrostis canescens). In de blauwgraslanden zijn bovendien tekenen van verzuring (Gewone waternavel, Hydrocotyle vulgaris) en eutrofiëring (Veldrus, Juncus
acitiflorus en Moeraszegge, Carex acutiformis gesignaleerd.
Het habitattype pioniervegetatie met snavelbiezen is nog wel aanwezig in het gebied maar heeft zich sinds de vegetatiekartering grotendeels doorontwikkeld naar vochtige heide. In dit systeem is dit habitattype afhankelijk van regelmatig plaggen. Volgens de
habitattypenkaart omvat het habitattype een groot deel van het westelijke natte heideterrein. In het aanwijzingsbesluit (KWR et al., 2015) worden de
instandhoudingsdoelstellingen genuanceerder gebracht, namelijk dat het belangrijk is om her en der in het terrein pionierplekken te behouden. Deze nuancering is van belang; structuur is belangrijk voor kenmerkende fauna en daarom is het onwenselijk om permanent plagplekken van grote oppervlakte te willen handhaven.
Binnen de vochtige alluviale bossen zijn slechts op beperkte schaal indicatoren gevonden van verdroging (Gewone braam, Rubus fruticosus) en eutrofiëring (Mannagras, Glyceria
3
Unie van Bosgroepen
fluitans). De kwaliteit verschilt per locatie, de kwaliteit is matig tot goed. Daar waar de op stelten staan is sprake van een sterke veenafbraak onder invloed van verdroging of meststoffen (sulfaat). Onderscheid in de oorzaak is alleen met isotopenonderzoek vast te
stellen.
Op basis van het onderzoek is te motiveren dat het habitattype Vochtige heide aan de oostzijde in Lemselermaten op wordt gegeven ten gunste van een grotere opgave in het
centrale deel. De randvoorwaarden vanuit Natura 2000 zijn echter sturend. De huidige
aanwijzing moet gehandhaafd blijven tot de nieuwe locatie ontwikkeld is. Bovendien ligt er een uitbreidingsdoel waarvan de omvang nog niet is bepaald.
Natura 2000 doelen zoals gedocumenteerd in het PAS besluit (KWR, Witteveen+Bos & HaskoningDHV, 2015) en de beoordeling van de huidige kwaliteit en de trend. Habitattype
Natura 2000-
doel oppervlak
Natura 2000doel kwaliteit
Kwaliteit
Trend
H4010A (Vochtige heiden, subtype A)
>
>
Matig
=/↑
H6230 (Heischrale graslanden)*
=
=
Matig
↑
H6410 (Blauwgraslanden)
=
=
Matig
↓/=
snavelbiezen)
=
=
Goed
↓
H7230 (Kalkmoerassen)
>
>
Goed
=
subtype C)*
=
>
Goed
=/↓
H1016 (Zeggekorfslak)
=
>
?
?
H7150 (Pioniervegetaties met
H91E0C (Vochtige alluviale bossen,
* Prioritair habitattype = Behoudsdoelstelling > Uitbreiding- of
verbeterdoelstelling
Systeemanalyse Op basis van de systeemanalyse van Bell & Van ’t Hullenaar en aanvullend onderzoek, is een beschrijving ten aanzien van het functioneren van het systeem in hoofdlijnen opgesteld.
Hydrologisch systeem Lemselermaten heeft van nature een zeer sterke kweldruk door smaller worden van het watervoerend pakket ter hoogte van de Lemselermaten. Hierdoor komt het diepe
grondwater onder druk te staan en treedt het uit aan maaiveld op plekken waar de
beekdalen van de Weerselerbeek en de Dollandbeek zorgen voor een verlaging van het
maaiveld. De ecohydrologische dwarsdoorsneden van Bell & Van ’t Hullenaar (2015) laten
dit goed zien. Het lokale en subregionale grondwatersysteem zijn in de Lemselermaten een 4
sterk samenhangend geheel. Er is sprake van diep en ondiep grondwater waarbij het diepe grondwater basenrijk is en het ondiepe grondwater zuur en basenarm is.
In de winterperiode versterken de lokale waterstromen vanuit de dekzandruggen onder invloed
van
neerslag
de
kweldruk
in
en
rond
de
Lemselermaten.
De
lokale
grondwaterstromen zijn dan plaatselijk aan de voet van de dekzandruggen dominant (Figuur 31) en bevatten basenarm, vrij zuur water. Door neerslag en geringe verdamping is er een overvloed aan water. Het lokale systeem duwt hierbij beetje bij beetje het basenrijke subregionale grondwater vanuit de basis van de dekzandrug voor zich waardoor basenrijke
kwel niet alleen in het beekdal aan maaiveld uittreedt, maar plaatselijk ook tot op de flank. Wanneer de zeer lokale waterstromen in de zomer vrijwel stilvallen, kan dankzij de
overdruk en grotere stijghoogten uit diepere lagen (zie peilbuis B28H1880 in 3.3.2.) het basenrijke grondwater wat meer omhoog komen in de basis van de dekzandruggen.
Hierdoor wordt de basenvoorraad hier weer aangevuld. Door deze ‘pomp’ kan aan de voet
van dekzandruggen toch basenrijke kwel uittreden. Het is echter niet duidelijk hoe groot de invloed is van de ondiepe ligging van de slecht doorlatende laag van Boxtel op dit lokale proces.
Waterstromen in de Lemselermaten. In het dal van de Dollandbeek en de Weerselerbeek domineren sterke, subregionale stromingen.
5
Unie van Bosgroepen
Grondwater De stijghoogtes in zowel het dal van de Weerselerbeek als het Dollanddal zijn vanuit diepe bodemlagen met meer dan 30 cm boven maaiveld in de winter zeer hoog te noemen, zoals
de peilbuizen laten zien. Door de zeer diepe ligging wordt met name het grondwater door de Weerselerbeek en in mindere mate door de Dollandbeek gedraineerd (Figuur 31). Zoals Bell & Van ’t Hullenaar beschrijven, stroomt vanwege de aanwezigheid van het weerstandsbiedende laagpakket van Boxtel (klei en leem) het grondwatersysteem niet al te snel ‘leeg’ en blijft het (enigszins) op druk (zie dwarsprofiel B-B’, Bijlage 2). Wel hebben de
beken een negatief effect op de kwelsterkte, en plaatselijk (nabij de verdiepte beeklopen) leidt dit tot een omslag naar inzijging. Zodoende kan het kwelwater in het winterseizoen in
de beekdalen dus minder goed / minder langdurig in de wortelzone van de vegetatie van het natuurgebied doordringen. Waterkwaliteit Het
lijkt
onwaarschijnlijk
dat
het
verschil
in
sulfaatconcentraties
tussen
het
Weerselerbeekdal (100 - 300 µmol/l) en het Dollanddal (1200 µmol/l) zoals bepaald door
onderzoekscentrum B-WARE kan worden verklaard door organisch stofrijke bodems ter hoogte van de filters. Wanneer sulfaatrijk grondwater in contact is geweest met organisch
stofrijke bodems, reduceert een deel van het sulfaat en wordt het omgezet in sulfide, waardoor de concentraties bij bemonstering een stuk lager kunnen liggen. Dit is echter in
dit geval zeer onwaarschijnlijk doordat de filters van de peilbuizen waar het grondwater uitgehaald is ruim onder het veen liggen en soms ook nog onder lemig zand of klei
(Lucassen & Roelofs, 2016). Hierdoor heeft het grondwater dus nog het ‘oorspronkelijke’ sulfaatgehalte.
De grote verschillen tussen de beide beekdalen duiden erop dat beide gebiedsdelen
grondwater ontvangen met een andere herkomst. Het dal van de Weerselerbeek zal water vanuit het oosten ontvangen, terwijl het Dollanddal water van zowel oost als zuidoost ontvangt. De stroombanenanalyse die in de volgende fase wordt uitgevoerd, zal dit
valideren. De tertiaire afzettingen in dit deel van Twente zijn over het algemeen van
mariene oorsprong en sulfaathoudend in de vorm van pyriet, waardoor al snel door ontwatering en bemesting sulfaat vrij komt. Dit komt doordat nitraat bij bemesting deels
uitspoelt naar het grondwater. Bij de pyrietrijke afzettingen reageert de nitraat met de pyriet, hetgeen er voor zorgt dat er sulfaat vrij komt. De mate waarin dit speelt verschilt per
bodemtype, vochttoestand en stroombanen. Hierdoor kunnen de gehaltes in het noordelijk
deel van het gebied zo afwijken van het zuiden. Sulfaat reageert met organische bodems
zoals veen, waarbij veen wordt afgebroken en het giftige sulfide ontstaat. Vaak is het
vrijkomen van sulfide in gebieden met (plaatselijk) ijzerarm grondwater schadelijk omdat
het giftig is en tot sterfte van bomen en planten kan leiden en omdat het tot interne eutrofiëring kan leiden (Smolders et al., 2006). Sulfide heeft een sterkere binding met ijzer dan fosfaat, waardoor de fosfaatdeeltjes verdrongen worden van het aanwezige ijzer. Hierdoor is dubbel kans op eutrofiëring: enerzijds door de afbraak van het veen, en
anderzijds door het vrijkomen van fosfaat (Lucassen et al., 2004). Dit door sulfide
verdrongen fosfaat zal echter weinig problemen opleveren omdat de fosfaten ook gebonden worden door calcium dat in de Lemselermaten volop aanwezig is in het
grondwater (op 1-2 meter) en er weinig fosfaat in het systeem aanwezig is. De binding van 6
fosfaat aan calcium is zeer sterk en wordt slechts door langzame verwering ongedaan gemaakt.
Kwaliteit van de maatjes en de elzenbroekbossen Bell & Van ’t Hullenaar (2015) beschrijven dat de Maatjes en de noordelijke tak van de
Dollandbeek er relatief gunstig bij liggen, met een GLG op 35 à 45 cm-mv. De peilbuizen
die in dit onderzoek aanvullend zijn geanalyseerd, laten een GLG van 33 à 88 cm-mv zien in de maatjes. De GVG is rond maaiveld. De relatief gunstige situatie is te danken aan het geheel ontbreken van ontwateringsmiddelen in het dal zelf (binnen de grenzen van het
Natura 2000-gebied). Hierdoor kan het kwelwater op diffuse wijze in het gehele beekdal
uittreden en is in het centrale deel van dit dal een zeer nat, goed ontwikkeld Elzenbroekbos aanwezig met indicatoren voor basenrijke kwel zoals Gewone dotterbloem.
In een zone langs de beken is wel verruiging met Gewone braam en Framboos zichtbaar.
Daarnaast komen in beide beekdalen elzen op stelten voor. Dit wijst op verdroging en als
gevolg daarvan mineralisatie (interne eutrofiering). Er worden sulfaatgehalten gemeten, die deels zijn toe te schrijven aan een natuurlijke vervuiling van de aanwezige mariene
afzettingen in de ondergrond en deels als gevolg van stikstofbemesting. Hoe groot het aandeel van beide bronnen is, is onbekend.
De situatie ter plaatse van de Maatjes is ondanks de relatieve nabijheid van de sterk drainerende Weerselerbeek om een aantal redenen relatief gunstig:
1. Dit deelgebied in een uitstulping van het beekdal van de Weerselerbeek, waardoor de afstand tot deze sterk drainerende hoofdwaterloop relatief groot is.
2. Deze uitstulping voor het grondwater ook min of meer bovenstrooms ten opzichte van het verstorende effect van de Weerselerbeek.
3. Er is een behoorlijk dikke kleilaag in de ondergrond aanwezig: zodoende is de
weerstand van het slecht doorlatende laagpakket van Boxtel hier relatief hoog, en vanwege de behoorlijke dikte wordt de kleilaag op dit punt gelukkig net niet
doorsneden door de diepe Weerselerbeek. Dus zodoende blijft ondanks deze
sterke aantasting het grondwatersysteem (op enige afstand van de beek) toch nog voldoende op druk om een gestage voeding met kwelwater te kunnen genereren. Desondanks zal de drainage aan weerszijden van de kleilaag wel een drainerend
effect hebben op de maatjes.
4. De dikte van de kleilaag is ter plaatse van de dalflank dunner dan in het centrale deel van het dal, waardoor kwelwater hier gemakkelijker kan uittreden.
Om al deze redenen kan in dit deelgebied het basenrijke kwelwater nu al goed aan maaiveld kan komen, en in de wortelzone van de vegetatie doordringen. In samenhang
hiermee komt in een aanzienlijk deel van het Oude en Westelijke Maatje een goed ontwikkeld, soortenrijk beekdalblauwgrasland en is in het laagste deel zelfs kalkmoeras
aanwezig. Toch is dit een verslechtering ten opzichte van de situatie van voor de ruilverkaveling Rossumerveld. De meest kritische soorten van blauwgrasland/kalkmoeras zoals Grote muggenorchis, Parnassia en Moeraswespenorchis zijn sinds de jaren 1960. De
mossen die afhankelijk zijn van basenrijk grondwater zijn zeer sterk afgenomen en sommige inmiddels geheel verdwenen, waaronder Geel schorpioenmos en Kammos (Jansen, 1991). Soorten als Waternavel in de maatjes wijst op oppervlakkige verzuring. Eutrofe 7
Unie van Bosgroepen
soorten als Veldrus en Moeraszegge hebben de plaats van het voormalige trilveen in het midden van het Oude maatje ingenomen.
Knelpunten De grondwaterafhankelijke vegetaties in Lemselermaten hebben last van verruiging (zie hoofdstuk 5). De systeemanalyse heeft een aantal knelpunten aan het licht gebracht die hieronder worden besproken. Samengevat heeft het gebied te maken met: 1. Verdroging a.
Te lage waterstanden (GVG, vooral GLG)
c.
Verminderde opbolling in de dekzandruggen
b. Verminderde kweldruk
2. Verzuring
3. Eutrofiëring Door een combinatie van verdroging en eutrofiëring, is er sprake van veenafbraak in het
gebied, dat op zijn beurt het gebied extra verdroogt. Hieronder worden de knelpunten toegelicht en wordt tot slot ingegaan op de herstelstrategie op grote lijnen.
Zwarte elzen in het Dollanddal staan op stelten, de veenbodem is gemineraliseerd en daardoor lager komen te liggen rondom de stamvoet van de Zwarte elzen Verdroging Voor goed ontwikkelde vegetaties is het van belang dat de hydrologie op orde is. De
hydrologie omvat onder andere de stijghoogte van het water, de invloed van kwel (en daarmee de basenverzadiging van de bodem) en de inundatieduur van vennen/natte laagtes.
De GVG (gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand) lijkt voor vrijwel alle habittattypen waar een peilbuis staat, in orde. Een uitzondering betreft het Blauwgrasland (in mozaïek met Kalkmoeras), hier is de GVG tussen de 2 en 22 cm te laag voor een goede ontwikkeling van deze vegetaties. In tegenstelling tot de GVG is de gemiddelde laagste grondwaterstand 8
(GLG) op meerdere plekken te laag. Dit betekent dat voor een goede ontwikkeling van de vegetatietypen, de waterstanden in de zomer te diep wegzakken. Het grootste hydrologische probleem in Lemselermaten is de verminderde kweldruk. De (diep) liggende beken en overige watergangen voeren kwel versneld af.
De Weerselerbeek heeft invloed op de stijghoogte van het grondwater in de terreindelen langs de beek, zoals op de blauwgraslanden en kalkmoeras van het Oude en Westelijke
Maatje. Het gevolg is dat de stijghoogte van het basenrijke grondwater slechts een korte periode enkele centimeters boven maaiveld reikt. Hierdoor treedt zowel verdroging van de
standplaats op als verzuring door toename van oxiderende processen, verminderde
aanvulling van de basenverzadiging met basenrijk grondwater en een toename van zuur neerslagwater. Wanneer het diepe grondwater door de sterke drainage van de beken echter
niet meer hoog genoeg komt, worden de basen niet langer aangevuld en wordt een zuur,
basenarm zeer lokaal systeem uit direct omringende dekzandruggen dominant bovenop het
basenrijke grondwater. In het dal van de Dollandbeek is de stijghoogte een heel stuk sterker en staat het basenrijke grondwater in grote delen van het gebied 50-70% van het jaar in of boven maaiveld.
Daarnaast is er sprake van verminderde opbolling van water in de dekzandruggen. De snel
dalende waterstanden in het voorjaar leiden tot een te snelle daling van de waterstanden in de hogere zandruggen. Hierdoor verdrogen ook de standplaatsen hoger op de gradiënt zoals de vochtige heiden en heischrale graslanden. Dit komt tot uiting in onder andere de
vochtige heiden waarin de grondwaterstanden te sterk fluctueren en Pijpenstrootje is gaan domineren en Wilde gagel zich momenteel te laag op de gradiënt verjongt. Een maximale opbolling van het grondwater is noodzakelijk voor het uittreden van basenrijk grondwater
aan de voet van deze dekzandruggen. Hierbij wordt het basenrijke grondwater uit de basis van de dekzandrug door lokaal basenarm grondwater vooruit geduwd. Met de PAS maatregelen kan wel worden bevorderd dat de diepe kwel, die nu nog aanwezig is het
maaiveld weer bereikt, maar waarschijnlijk is er weinig effect van te verwachten om de diepe kwel te intensiveren vanuit de bufferzones.
Oorzaken verdroging
Weerselerbeek, Dollandbeek en detailontwateringen De
snelle
afname
van
de
opbolling
in
de
zandruggen
valt
samen
met
alle
(detail)ontwateringen in het gebied en de regionale drainagebasis: Weerselerbeek en
Dollandbeek. Op veel plekken in het gebied wordt de ondergrond gekenmerkt door een ondiep gelegen zandige bodemlaag met slechts een zeer beperkt aandeel leem (<8%). Deze redelijk goed watervoerende bodemlaag is waarschijnlijk belangrijk in het op druk houden
van het freatisch grondwater in het voorjaar en zomer. Doordat de Dollandbeek en Weerselerbeek deze zandige bodemlaag aansnijden, vindt versnelde drainage plaats in het
voorjaar via deze bodemlaag op het moment dat de subregionale grondwaterstand begint te dalen. Hierdoor dalen de waterstanden zowel dicht bij de beek als in de hogere zandruggen te snel en treedt verdroging op. Waterwinning Weerselo 9
Unie van Bosgroepen
Ten zuiden van het Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt de drinkwaterwinning
Weerselo. Hier wordt al sinds 1966 grondwater onttrokken voor de winning van drinkwater. Gemiddeld wordt jaarlijks 1 miljoen kubieke meter grondwater onttrokken op een diepte van 30-55 meter onder maaiveld. In eerdere studies zijn de effecten van de waterwinning
op het Natura 2000 gebied berekend. Echter, de situatie is bijzonder complex omdat de winning mogelijk plaatsvindt in het zandpakket onder de slecht doorlatende keileemlaag.
Omdat deze keileem geen aaneengesloten geheel vormt en lokaal kan bestaan uit zandige gronden kan niet worden gesproken over een ander watervoerend pakket dan het pakket
dat van invloed is op de Lemselermaten. Bovendien ligt in de directe omgeving van de
winning nog een breuklijn en een slenk waardoor de hydrologische situatie ter plekke van de winning bijzonder complex is. Wat de werkelijke effecten zijn is op basis van de huidige kennis daarmee niet te zeggen.
Met meer gedetailleerde informatie is het hydrologisch
model recent aangepast, zodat effecten beter in beeld zijn te brengen. Een pompproef waarbij de winning voor langere tijd stil wordt gelegd is echter waarschijnlijk de enige
methode waarop het verdrogende effect van de winning tot een bepaalde hoogte in beeld kan worden gebracht.
Verzuring en interne eutrofiëring De sulfaatconcentraties in het grondwater zijn (te) hoog (zie figuur hieronder). Zodoende
wordt het natuurgebied ook bedreigd door waterkwaliteitsproblemen die samenhangen met vermesting van het grondwater en de natuurlijke aanwezigheid van sulfaat in de tertiaire
kleigronden. De voeding met sulfaatrijk kwelwater kan tot verzuring en interne eutrofiëring leiden. Dit probleem speelt nu al in de Lemselermaten: de blauwgraslanden verzuren
oppervlakkig en Gewone waternavel heeft zich sterk heeft kunnen uitbreiden. Om het giftige effect van sulfide tegen te gaan is hydrologisch herstel het speerpunt. Het is
belangrijk dat de kweldruk weer toeneemt (door o.a. de beken te verondiepen) en dat
afstroom over maaiveld wordt gestimuleerd. Blokkades voor oppervlakkig afstromen zoals de plaatselijke walletjes, moeten worden verwijderd. Inundatie van de beekdalen met
(voedselrijk) beekwater is naar verwachting geen probleem zolang de kweldruk op orde is en het water niet blijft stagneren.
10
Gemeten sulfaatconcentraties in peilbuizen langs de randen van Lemselermaten.
Herstelmogelijkheden Ingrepen in het landschap zouden in eerste instantie vooral betrekking moeten hebben op herstel van de lokale hydrologie. Dit komt neer op het verminderen van de drainerende
werking van de Weerselerbeek door het verhogen van de beekbodem gezien de invloed op de
grondwaterstand,
beperken
van
de
afvoer
van
kwelwater
via
lokale
ontwateringsmiddelen (greppels, sloten en Dollandbeek) en het langer vasthouden ervan in
het voorjaar. Maar ook inzetten op een maximale infiltratie van neerslagwater in de lokale zandruggen en omliggende, hoger gelegen landbouwpercelen zal bijdragen aan verhoging van de kwaliteit en duurzaamheid van de habitattypen.
Met de PAS maatregelen kan wel worden bevorderd dat de diepe kwel, die nu nog aanwezig is het maaiveld weer bereikt, maar waarschijnlijk is er weinig effect van te verwachten om
de diepe kwel te intensiveren vanuit de bufferzones. De lokale ingrepen hebben vooral
invloed op het effectiever benutten van het basenrijke grondwater. Naast hogere, stabielere
waterstanden in de grondwaterafhankelijke natuur leiden de maatregelen ook tot een grotere opbolling in lokale zandruggen. Hierdoor worden de vochtige heiden hoger op de gradiënt
positief
beïnvloed
met
hogere
waterstanden
en
minder
grote
waterstandsfluctuaties. Een grotere opbolling betekent ook dat wanneer de waterstanden
langzaam dalen, de opbolling nog lange tijd kan zorgen voor hogere waterstanden in de kwetsbare blauwgraslanden. Het systeem loopt met andere woorden langzamer leeg dan wanneer diepe drainagesloten en beken het kwelwater snel afvoeren.
Belangrijk is wel, met het oog op de waterkwaliteit, om een goede doorstroming te handhaven. Het uittredende grondwater is namelijk rijk aan sulfaat en arm aan ijzer. Hierdoor ontstaat het risico dat bij een te grote vernatting stagnatie optreed van met
sulfaat verontreinigd grondwater. Hierdoor kan interne eutrofiering optreden waardoor 11
Unie van Bosgroepen
vooral snelgroeiende plantensoorten kunnen gaan domineren zoals Mannagras. Het is dus belangrijk om een goede doorstroming te garanderen door hoofdafvoeren te verondiepen
tot op het juiste niveau waarbij het sulfaatrijke kwelwater via ondiepe, niet drainerende
greppels op deze hoofdafvoeren kan worden geloosd en het gebied kan verlaten. Vooral in het Dollanddal is in een groot deel van het jaar een stijghoogte aanwezig die ruim boven het maaiveld reikt. Hierdoor kan lange tijd grondwater in maaiveld treden als kwel en het
systeem goed doorstromen met kalkrijk grondwater. De kalk verdringt namelijk ammonium
(NH 4 +) van het bodemcomplex waardoor in enkele jaren tijd de voedselbeschikbaarheid van stikstof sterk kan afnemen in de veenbodem (Kemmers & Jansen, 1979; Lucassen et al., 2006) .
Op plekken waar veenbodems aanwezig zijn leiden de hoge sulfaatconcentraties tot een weliswaar langzame maar continue anaerobe (zuurstofloze) afbraak. Daarom wordt
geadviseerd om in de toekomst uitspoeling van nitraat te voorkomen, waardoor de
concentraties sulfaat sterk zullen afnemen. Het doel is om de sulfaatbelasting in de broekbossen terug te dringen tot maximaal 300 µmol/l en in de blauwgraslanden tot maximaal 100 µmol/l (Lucassen & Roelofs, 2016). Daarmee liggen er goede kansen voor een duurzame ontwikkeling van de habitattypen.
Verder is bij herstel belangrijk om de blauwgraslanden niet te extreem te vernatten.
Oppervlakkige uitdroging van de organisch stofrijke bodem in de zomermaanden is ook belangrijk. Om onder andere te voorkomen dat nieuwe ammonium die op de bodem valt (atmosferische depositie) zich ophoopt, is het van belang dat natte en droge episoden elkaar afwisselen. Daarom moet de bodem van blauwgraslanden in de zomer juist oppervlakkig droogvallen, waardoor reductie- en oxidatieprocessen elkaar kunnen
afwisselen in de toplaag, met als gevolg dat de mate van voedselrijkdom wordt verlaagd
(De Mars, 1996; Smolders et al., 2003; Lucassen et al., 2005). Het tijdelijk droogvallen van venige bodems hoeft niet zonder meer te leiden tot een versnelde oxidatieve afbraak van het veen. Dit is alleen het geval bij het langdurig droogvallen van veenbodems, waardoor het vochtvasthoudend vermogen van de bodem wordt verminderd (Aggenbach et al., 2009; Grootjans & ten Klooster, 1980).
12
Inhoudsopgave 1
Inleiding
14
1.1
Aanleiding
14
1.3
Leeswijzer
1.2
2
15
15
Methode
16
2.1
Functioneren van het systeem
16
2.3
Hydrologie en waterkwaliteit
18
2.2
3
Vraagstellingen
Toestand van de habitattypen
18
Systeemanalyse
22
3.1
Inleiding
22
3.3
Aanvullende informatie
28
3.2 3.4
Systeemanalyse Bell & Van ’t Hullenaar (2015) Synthese
22 48
4
Natura 2000-doelen
52
5
Actuele status van de habitattypen
53
5.1
53
5.2 6
Toestand van de habitattypen en habitatsoort Kwaliteit habitattypenkaart
65
Knelpuntenanalyse
67
6.1
Verdroging
67
6.3
Verzuring en interne eutrofiëring
6.2 6.4 6.5
Oorzaken verdroging
72
Veenafbraak
78
Herstelmogelijkheden
77 80
Literatuur
82
Bijlagen
85
Bijlage 1: Metadata peilbuizen
Bijlage 2: Ecohydrologische dwarsprofielen
Bijlage 3: Duurlijnen provinciale peilbuizen Bijlage 4: Boorprofielen
Bijlage 5: Ligging dwarsdoorsnede A – A’ Bijlage 6: Vegetatietypen en kwaliteit
Bijlage 7: Hydrologische berekeningen (externe bijlage) Bijlage 8: Uitkomsten tijdreeksmodellen Bijlage 9: Neerslag Twente
Bijlage 10: Berekening doelgaten 13
Unie van Bosgroepen
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor Natura 2000-gebied Lemselermaten (Figuur 1) hebben de provincie Overijssel en het
rijk een PAS-gebiedsanalyse met maatregelen(kaarten) laten opstellen. Hierin wordt
omschreven wat de doelen zijn voor de gebieden en welke herstelmaatregelen waar en
wanneer nodig zijn. In de verkenningen is geconstateerd dat een aantal maatregelen nader
onderzocht en uitgewerkt moet worden om tot een goed en gedragen maatregelenpakket te
komen
waarbij
de
aanwijzingsdoelen
worden
behaald.
Daarnaast
hebben
de
verkenningen ook handvaten gegeven om te kijken of de maatregelen zodanig kunnen worden uitgevoerd dat de externe werking de omliggende landbouw en particuliere
gronden tot een minimum wordt beperkt zonder de effectiviteit van de maatregelen te verminderen. Daartoe is in de verkenning ook geconstateerd dat aanvullend onderzoek nodig
is,
voornamelijk
ten
aanzien
van
hydrologie,
nutriënten(uitspoeling)
en
bodemchemie. Gemeente Dinkelland heeft een team van deskundigen van de Unie van
Bosgroepen en onderzoekscentrum B-WARE gevraagd dat onderzoek te doen ter aanvulling op de systeemanalyse door Bell & Van ’t Hullenaar (2015). Daarnaast is gevraagd uitspraak te doen over de toestand van de habitattypen in het Natura-2000-gebied en de kwaliteit
van de habitattypenkaart. Op basis van de aangevulde systeemanalyse zijn in een aparte
rapportage het nut en noodzaak van de vastgestelde maatregelen en het effect daarvan op de omgeving vastgesteld.
Figuur 1: Ligging van het Natura2000 gebied de Lemselermaten met benamingen van de deelgebieden (Maatjes) en ligging van de beken en belangrijkste wegen.
14
1.2 Vraagstellingen Met dit onderzoek wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: 1.
Hoe functioneert het ecohydrologisch systeem?
2.
Wat is de toestand van de habitattypen wat betreft de soortensamenstelling en
3.
Met welke knelpunten heeft de realisatie van de beoogde natuurdoelen voor
hydrologie en wat is de kwaliteit van de habitattypenkaart?
Lemselermaten te maken?
1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat in op de methode die is toegepast om antwoord te krijgen op de
onderzoeksvragen uit hoofdstuk 1.2. Hoofdstuk 3 is de systeemanalyse. Deze bestaat voor een groot deel uit een samenvatting van de systeemanalyse van Bell & Van ’t Hullenaar (2015) en is aangevuld met een extra peilbuisanalyse, bodemkaart, vegetatiegradiënt en biogeochemie. Het hoofdstuk sluit af met een synthese waarin het functioneren van het
gebied wordt omschreven. Daarna worden in hoofdstuk 4 de Natura 2000-doelen op een rij gezet voor de aangewezen habitattypen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de actuele
status van de habitattypen op basis van soortensamenstelling en op de kwaliteit van de habitattypenkaart. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een knelpuntenanalyse uitgevoerd op basis van de actuele status van de habitattypen en de systeemanalyse.
15
Unie van Bosgroepen
2
Methode
In dit hoofdstuk is per onderzoeksvraag (zie 1.2) beschreven hoe het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen.
2.1 Functioneren van het systeem Om uitspraken te kunnen doen over het maatregelenpakket dat nodig is om de Natura
2000-doelstellingen te behalen, is het allereerst nodig om te weten hoe het gebied functioneert. Voor de Lemselermaten is recent een uitgebreide systeemanalyse uitgevoerd
(Bell & van 't Hullenaar, 2015). Samen met de PAS gebiedsanalyse vormen beide
documenten in feite een geschikte basis voor de verdiepingsslag om de openstaande
vragen te kunnen beantwoorden en tot het gewenste maatregelenpakket te komen. Er is daarom geen nieuwe systeemanalyse uitgevoerd, wel zijn aanvullende gegevens verzameld
en nieuwe peilbuisgegevens geanalyseerd.
Gedurende de bureaustudie is gekeken naar bestaande informatie over het gebied om een
indruk te krijgen van het functioneren van het systeem. Tijdens de bureaustudie is gekeken naar bestaande rapportages zoals: -
-
Ecohydrologische systeemanalyse Lemselermaten (Bell & van 't Hullenaar, 2015)
PAS gebiedsanalyse Lemselermaten (KWR, Witteveen+Bos, & HaskoningDHV, 2015);
-
Uitwerking onderzoeksvragen gerelateerd aan bodemonderzoek,
-
GGOR documenten; (Waterschap Regge en Dinkel, 2011)
-
grondwaterkwaliteit en inschatting interne eutrofiëring (Lucassen & Roelofs, 2016) Diverse rapporten betreffende waterkwaliteit (o.a. Hunneman & Aggenbach, 2009).
Ter aanvulling van de bureaustudie heeft een beperkt veldonderzoek plaatsgevonden. Het veldonderzoek bestond uit de volgende onderdelen: - Bodemkartering
De bodem is gevormd door een combinatie van geologisch substraat, het reliëf, hydrologische processen, de vegetatie en cultuurhistorische invloeden. Daarmee geeft de bodem veel inzicht in de standplaatscondities voor verschillende natuurdoeltypen en is het van belang dit in beeld te brengen.
Op alle landbouwpercelen waarvan toestemming van de
grondeigenaar is
verkregen, zijn bodemboringen uitgevoerd (zie bijlage 4) om een bodemkaart te
kunnen maken met de voorkomende bodemtypen op een schaal
van 1:10.000
(Figuur 2). Bovendien valt hieruit informatie te verkrijgen over gemiddelde hoogste
en laagste waterstanden. De kennis van de bodemopbouw, bodemtypen en grondwaterstanden worden in een vervolgtraject gebruikt om de effecten van de maatregelen door te berekenen op de omgeving.
16
Figuur 2: Ligging van de bodemboringen voor het bodemkundig onderzoek. - Waterhuishouding
De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is tijdens de bodemkartering vastgesteld op basis van hydromorfe kenmerken in het bodemprofiel. Wanneer
ijzerhoudende bodems in de nazomer droogvallen kleurt het moedermateriaal door oxidatie (roestvorming door contact met zuurstof) bruinrood. Op de diepten waar deze droogval niet meer plaatsvindt (de GLG) is deze verkleuring niet meer zichtbaar en is de bodem egaal grijs (gereduceerd). De gemiddeld hoogste
grondwaterstand (GHG) is ingeschat aan de hand van de bovengrens van de reductieverschijnselen. Dit blijft een schatting en zegt niet altijd iets over de actuele grondwaterstanden.
Peilbuisgegevens uit de systeemanalyse van Bell en van ’t Hullenaar (2015) zijn voor de meeste peilbuizen gebruikt. Daarnaast zijn enkele nieuwe provinciale peilbuizen geraadpleegd.
- Hoogtemetingen beekbodems Om
een
beeld
te
ontwateringsmiddelen
vormen
van
de
(Weerselerbeek
diepte
en
van
de
Dollandbeek)
meest zijn
belangrijke met
een
satellietplaatsbepalingssysteem -GPS (Trimble TSC3 controller en Trimble R10 GNSS
ontvanger), de hoogte van de beekbodems, waterstanden en oeverhoogte ten
opzichte van NAP ingemeten.
17
Unie van Bosgroepen
2.2 Toestand van de habitattypen Om uitspraak te doen over de toestand van de habitattypen (ofwel, hoe goed is het
habitattype ontwikkeld), is gekeken naar de soortensamenstelling van de vegetatietypen waarop de aanwijzing van de habitattypen is gebaseerd. Deze kwaliteitsbeoordeling is in eerste instantie gemaakt op basis van de definitietabel (Bal, 2010). Aanvullend zijn tijdens
een veldbezoek op 05 augustus 2016 alle habitattypen bezocht en is beoordeeld of alle vegetatietypen juist zijn opgenomen. Verder is gelet op de eventuele aanwezigheid van
verstoringsindicatoren. Hierbij is vooral gelet op plantensoorten die indicatief zijn voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting.
De trend van de kwaliteit van de vegetatie-/habitattypen is op basis van diverse eerdere
onderzoeken (o.a. Jansen, 1991, Eysink et al., 2001, Hofstra et al., 2016) bepaald. De trend voor
blauwgrasland
is
bepaald
aan
de
hand
van
een
vergelijking
tussen
de
vegetatieopnamen van de jaren 1940 (Westhoff en Jansen, 1990) en de vegetatieopnamen van de kartering 2010 (Pranger & Tolman, 2011), De ontwikkelingen in de vegetatietypen heischraalgrasland
(is
ook
het
habitattype)
en
Veldrusschraalland
(habitattype
blauwgrasland) in het oostelijke maatje zijn beschreven in natuurontwikkeling op
voormalige landbouwgrond (Eysink et al., 2001. De ontwikkelingen van het kalkmoeras zijn
vastgelegd met een permanent kwadraat (Hofstra et al., 2016). Daarnaast is naar plantensoorten gekeken met hoge bedekkingen of aantallen (tabellen in Pranger en Tolman, 2011 en veldwaarnemingen in het kader van dit onderzoek 2016). Op grond van de indicatiewaarde voor verdroging, verzuring of eutrofiering in de indicatorenreeks voor
beekdalen deel 2 (Jalink en Jansen, 1995) is de trend tot stand gekomen. Voor de vochtige heide is uit de indicatorenreeks vennen deel 5 (Aggenbach et al., 1998) de trend tot stand gekomen.
Kwaliteit habitattypekaart
Om de kwaliteit van de habitattypenkaart te toetsen, zijn twee handelingen verricht:
1. De vegetatietypenkaart is vergeleken met de habitattypenkaart om na te gaan of de onderliggende vegetaties kloppen met het beeld uit het veld.
2. Tijdens veldbezoeken is nagegaan of vegetatievlakken ook daadwerkelijk behoren tot het habitattype dat ter plekke op de kaart is aangegeven. Dit is
steekproefsgewijs gedaan; er is geen vegetatiekartering uitgevoerd.
Habitatsoort: Zeggekorfslak
Op 5 augustus 2016 heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij op enkele ogenschijnlijk
geschikte locaties is gezocht naar het voorkomen van de Zeggekorfslak in de
Lemselermaten. Het gaat hierbij niet om een vlakdekkende kartering maar om losse waarnemingen.
2.3 Hydrologie en waterkwaliteit Om te bepalen of hoe het systeem functioneert en of er knelpunten aanwezig zijn, zijn de
resultaten uit de systeemanalyse van Bell & van ’t Hullenaar 2015 aangevuld met resultaten uit dit onderzoek. Analytisch hydroloog Kees Maas heeft knelpunten met betrekking tot
drainage in en rondom het gebied berekend. De methode en resultaten zijn opgenomen in Bijlage 7 en de belangrijkste resultaten zijn verwerkt in de rapportage. 18
2.3.1
Hydrologische situatie
Waterstanden ‘doelgat’ De vegetatie wordt onder andere beïnvloed door de waterstanden, de mate van kwel en de daarmee samenhangende basenverzadiging van de bodem. In dit onderzoek is een peilbuisanalyse gedaan om inzicht te krijgen in de waterstanden in het gebied ten opzichte
van de optimale waterstanden voor de voorkomende vegetatietypen. Naast het beoordelen van de vegetatie op basis van soorten en bedekking heeft er dus een analyse
plaatsgevonden om te bepalen of de waterstanden voldoen aan de waterstanden die het
voorkomende vegetatietype nodig hebben. Het bereiken van het optimale grondwaterpeil is voor de betreffende habitattypen het ideale scenario. Indien deze grondwaterstand niet wordt bereikt, is aangegeven wat de afwijking (het ‘doelgat’) is.
Figuur 3: Toelichting bij het doelgat in de vegetatie op basis van gegevens uit peilbuizen. Het doel binnen de PAS is de waterstanden van water met de gewenste waterkwaliteit
(kwelwater in geval van een groot deel van de habitattypen in de Lemselermaten) te bereiken die overeenkomen met de referentiewaterstanden. Dit is het dichten van het doelgat. Hiermee wordt een deel van de standplaatsvereisten van de desbetreffende
vegetatietypen gerealiseerd. Daarnaast vervullen de basenverzadiging, kwelflux en inundatie ook een sturende rol.
Wanneer de grondwaterstand hoger is dan de ideale bandbreedte van het habitattype, is dit niet als een doelgat benoemd. In het geval van de Lemselermaten zullen deze waterstanden
enkel in afvoerloze laagtes voor problemen zorgen. Dit speelt in het middendeel van het
Oude maatje waar voorheen trilveen voor kwam en nu vooral Moeraszegge. Stagnatie van grondwater boven maaiveld leidt tot grote zeggenmoeras! Aflaten van water is hier
risicovol, omdat het aangrenzende kalkmoeras op de kwelhelling ligt met inundatie aan de
voet van die helling. In de rest van het gebied is het verhang in de beekdalen dusdanig dat
het water over maaiveld kan afstromen waardoor te langdurig natte situaties voorkomen worden. Daarnaast zijn lange natte voorjaarssituaties gewenst voor de vegetatietypen.
Wanneer het basenrijke grondwater bijvoorbeeld in het voorjaar hoger staat in een parnassiarijk blauwgrasland, zal het meer kenmerken kunnen gaan vertonen van een
kalkmoeras (Westelijke maatje). En wanneer bijvoorbeeld een Vogelkers-Essenbos natter wordt komen er meer soorten voor van het Elzenzegge-Elzenbroek voor (beide Vochtig
19
Unie van Bosgroepen
alluviaal bos) (Weerselerbeek). Voor het voorkomen van vegetaties zijn zowel de
gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) als de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bepalend waarbij de relatie met de GVG heel direct is en de relatie met de GLG
indirect (Runhaar et al., 2009). Er is gekozen om zowel het doelgat voor zowel de GVG als de GLG te berekenen.
Voor deze referentiewaarden is zoveel mogelijk het programma Waternood gebruikt. Deze
database vormt de basis voor de hydrologische vereisten van de vegetatietypen die
weergegeven worden in de Ecologische vereisten (Runhaar et al., 2009). De waarden komen
grotendeels overeen. Bij sommige vegetatietypen gaat Waternood uit van droogtestress (in dagen) in plaats van een minimale GLG. In die gevallen is er gebruik gemaakt van de GLGreferentiegetallen van SynBioSys, om toch iets te kunnen zeggen over de spreiding waarbij
het vegetatietype wordt aangetroffen. Dit is het geval voor de vegetatietypen: Associatie
van
Waterpunge
en
Oeverkruid,
Associatie
van
Klokjesgentiaan
en
Borstelgras,
Blauwgrasland (alle associaties), Associatie van Bruine Snavelbies en Moeraswolfsklauw,
Associatie van Struikhei en Stekelbrem, Associatie van Gewone dophei en VogelkersEssenbos. Voor deze typen is de GLG moeilijker te duiden door sterk verschillende
standplaatsen (veen of zand, onder invloed van grondwater of beekwater etc.) of is grondwaterinvloed minder belangrijk (bijvoorbeeld droge heide). Voor de peilbuis in het
bos waar Zeggekorfslak voorkomt (niet aangewezen als habitattype), zijn referentiewaarden
uit Waternood voor de Associatie Elzenzegge-Elzenbroek, subass. Bittere veldkers gebruikt.
Moeraszegge is daarin de waardplant voor Zeggekorfslak.
De gebruikte referentiewaarden met bronvermelding is opgenomen in Tabel 2 in de knelpuntenanalyse (6.1.1.). Voor de berekening van het doelgat zijn naast de gegevens uit Hullenaar (peilbuizen
B28H07XX) ook de provinciale buizen (B28H18XX) geanalyseerd. Het gaat hier om reeksen
vanaf 2012 of 2015. Alleen de buizen in de habitattypen zijn meegenomen 1, en een buis in een bos dat niet is aangewezen maar waar Zeggekorfslak voorkomt omdat het doelgat
enkel relevant is voor deze stukken. Om gemiddelde grondwaterstanden te berekenen, wordt doorgaans een periode van acht jaar gehanteerd. Daarom is gekozen de korte
reeksen van de provinciale peilbuizen te verlengen middels simulatie met het programma
Menyanthes (KWR). Dit is een optie als blijkt dat de reeks goed te verklaren is op basis van neerslag en verdamping. Hiervoor zijn tijdreeksmodellen gemaakt, waarvan de resultaten
zijn opgenomen in Bijlage 8. Daarvoor is neerslagdata van station Tubbergen gebruikt en verdampingsdata van station Twenthe. Vervolgens zijn de modellen beoordeeld op een
aantal punten om na te gaan of de modellen betrouwbaar zijn (Leunk, 2011): • Verklaarde variantie (EVP) groter dan 70% • Verdampingsfactor (Evap fctr) tussen 0,5 en 2 • Significant effect van de verklarende reeksen (M0 – 2x standaarddeviatie = positief)
1 Exclusief de habitattypen die door middel van een ‘verbijzondering’ aanvullend zijn
aangewezen (ten tijde van dit onderzoek waren de plannen voor deze verbijzondering van de habitattypenkaart nog niet bekend). 20
Alle reeksen konden worden verklaard op basis van neerslag en verdamping en daarmee
zijn de reeksen verlengd tot en met 2008. Over de periode 2008-2016 zijn de GVG en GLG
berekend.
Invloed van kwel Naast de waterstanden is gekeken naar de invloed van kwel. Hiervoor is gebruik gemaakt
van een aantal provinciale peilbuizen die filters hebben op meerdere dieptes (buizen
B28H1879 t/m 1886). Doordat de filters in verschillende pakketten staan, geven ze informatie over de waterstanden in die pakketten.
2.3.2
Bodem- en waterkwaliteit
Knelpunten die betrekking hebben op de invloed van de omringende landbouwpercelen op de
bodem-
en waterkwaliteit
in het
Natura
2000-gebied
zijn
onderzocht
door
onderzoekcentrum B-WARE (Lucassen & Roelofs, 2016). Het gebied ten zuiden van
Lemselermaten kon in deze studie niet worden meegenomen.
21
Unie van Bosgroepen
3
Systeemanalyse
3.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op het functioneren van het hydrologische systeem van Natura 2000gebied Lemselermaten. Als basis hiervoor wordt de systeemanalyse van Bell & Van ’t Hullenaar (2015) gebruikt. De belangrijkste conclusies uit deze rapportage zijn
samengevat. Daar wordt nieuwe informatie aan toegevoegd, zoals informatie over de
nieuwe peilbuizen van Provincie Overijssel, extra bodemgegevens en gegevens van de rapportage van onderzoekscentrum B-WARE.
3.2 Systeemanalyse Bell & Van ’t Hullenaar (2015) 3.2.1
Kenschets
Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt op de plek waar de Dollandbeek en de
Weerselerbeek samen komen (Figuur 1). Centraal in het natuurgebied, ten midden van
beide beekdalen, ligt een dekzandrug (Figuur 4). Binnen het Natura 2000-gebied is in deze beekdalen met name elzenbroekbos aanwezig. In het dal van de Weerselerbeek liggen de
zogenaamde ‘Maatjes’: deze percelen worden als hooiland beheerd. Hier is een combinatie van beekdalblauwgrasland en op de kwelhelling kalkmoeras aanwezig.
Dal van de Weerselerbeek
Dal van de Dollandbeek
Figuur 4: Hoogtekaart van Lemselermaten en omgeving. De Weerselerbeek en de Dollandbeek komen hier samen (bron: www.ahn.nl).
22
3.2.2
Geohydrologische opbouw
In Figuur 5: Schematisch geo(hdro)logisch dwarsprofiel in de (natuurlijke) stromingsrichting
van het grondwater is de geologische opbouw van het gebied en de omgeving geïllustreerd. Het licht geel gekleurde materiaal zijn goed doorlaatbare zandpakketten, het donkergele
materiaal zijn weerstandsbiedende leemlagen, het oranje materiaal is keileem en het bruine en paarse materiaal is tertiaire klei. Deze tertiare klei vormt door de slechte doorlatendheid de hydrologische basis van het systeem. Gedurende het Tertiair heeft ten zuidwesten van de
Lemselermaten tektonische daling plaatsgevonden langs twee hoofdbreuken, waardoor een slenkstructuur is ontstaan: de slenk van Reutum. Deze slenk is zuidoost-noordwest
georiënteerd. In de slenk liggen de tertiaire kleien veel dieper dan ter hoogte van de
Lemselermaten. De slenk is onderin opgevuld met kleiïge afzettingen. In het Tertiair is de slenk later vervolgens tot aan de (toenmalige) bovenrand verder opgevuld met zand waar later een keileemlaag bovenop is gekomen.
Daar waar de keileem ontbreekt of direct op de tertiaire klei ligt (zoals in figuur 5), is één
watervoerend pakket aanwezig (WVP 1) (Figuur 5). Dit is in de Lemselermaten en ook verder (zuid)oostwaarts (voedingsgebied van de Lemselermaten) het geval. Daar waar een
keileemlaag aanwezig is, en hieronder zandige afzettingen aanwezig zijn, is echter ook
een dieper watervoerend pakket aanwezig. Dit is het geval ter plaatse van de drinkwaterwinning Weerselo (zie: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Omdat er gaten in de keileem zitten, en de keileemlaag een zandig karakter kan hebben, hoeft de weerstand
niet hoog te zijn, en kan deze van plek tot plek sterk variëren. Om deze reden is het beter om hier te spreken van een watervoerend pakket 1B. Het oppervlakkig watervoerende
pakket wordt daarmee WVP 1A. Dit pakket bevat ter hoogte van de Lemselermaten diverse
leempakketten en zandlagen die veel invloed op de lokale hydrologie hebben, maar deze worden echter niet gezien als afzonderlijke watervoerende pakketten.
Figuur 5: Schematisch geo(hydro)logisch dwarsprofiel in de (natuurlijke) stromingsrichting van het grondwater.
23
Unie van Bosgroepen
3.2.3
Bodem
Uit de bodemkaart (uitsnede van de 1:50.000 bodemkaart, Stiboka, 1987) volgt dat in de
beekdalen binnen het Natura 2000-gebied vooral venige beekdalgronden voorkomen. In de dalgedeelten buiten het Natura 2000-gebied zijn
lemige, fijnzandige beekeerdgronden aanwezig. Beekeerdgronden zijn ontstaan onder
invloed van grondwater. Ter plaatse van de centrale dekzandrug en ook ter plaatse van de verder zuidelijk en oostelijk gelegen hogere gronden zijn overwegend lemige, fijnzandige
veldpodzolgronden aanwezig. Deze geven aan dat inzijging daar een dominante rol speelt. Ter plaatse van de hoge delen aan de west- en noordzijde liggen enkeerdgronden, dit zijn gronden die jarenlang als akker zijn gebruikt.
3.2.4
Functioneren van het grondwatersysteem in hoofdlijnen
Conform de regionale terreinhelling stroomt het grondwater in WVP 1A in noordwestelijke
richting (zie ook de hoogtekaart in Figuur 4). De dikte van het eerste watervoerende pakket
wordt in de richting van de Lemselermaten steeds dunner. De afname in dikte gaat van
circa 33 meter op één km ten oosten van de Lemselermaten naar uiteindelijk circa 12 meter ter plaatse van de Lemselermaten. Dit is niet alleen het gevolg van het omhoog komen van de hydrologische basis maar het hangt ook samen met de gedeeltelijke blokkade van het watervoerende pakket door het kleiige laagpakket van de Formatie van Boxtel (bxk1 in
Figuur 5). Vanwege de hiermee gepaard gaande afname van het doorlatend vermogen van
het watervoerende pakket wordt het grondwater ter plaatse van de Lemselermaten in sterke mate gedwongen naar de oppervlakte te stromen. Doordat de beide beekdalen door de
lagere ligging het grondwatersysteem aansnijden, treedt hier grondwater in maaiveld uit (kwel).
Op basis van de isohypsenkaart (Figuur 6) en de inzichten in de geo(hydro)logische
opbouw mag verwacht worden dat het intrekgebied van het Lemselermatensysteem vanaf de hoger gelegen zandgronden binnen het Natura-2000 gebied en direct ten
zuiden/zuidoosten hiervan tot maximaal aan de voet van de stuwwal van Oldenzaal loopt. Omdat de stuwwal hoofdzakelijk is opgebouwd uit kleiige afzettingen, functioneert deze
naar verwachting (praktisch) niet als intrekgebied. Het water dat in de Lemselermaten aan de oppervlakte komt, heeft waarschijnlijk deels een lokale herkomst, en deels een
subregionale herkomst. In feite is het lokale systeem hier niet strikt gescheiden te zien van het subregionale systeem: er is eerder sprake van een voeding die uiteenloopt van ondiep
tot diep. En omdat de bodem al vanaf zeer geringe diepte (2 à 3 m -mv, en soms nog
ondieper) kalkrijk is, is waarschijnlijk het meeste kwelwater afkomstig uit die diepte kalkrijk. De zeer oppervlakkige en lokale grondwaterstromen uit de dekzandruggen is basenarm en zuur. Ook in het intrekgebied zijn landbouwkundige ontwaterings- en afwateringsstelsels aanwezig. Vanwege de drainerende werking hiervan kan regenwater in
mindere mate in de bodem infiltreren, waardoor de voeding van het grondwatersysteem is
verminderd, wat ten koste kan gaan van de kwelwatervoeding in de Lemselermaten. Met de
PAS maatregelen kan wel worden bevorderd dat diepe kwel het maaiveld weer bereikt, maar naar verwachting gaan de beoogde bufferzones daar weinig invloed op hebben.
24
Figuur 6: Met het grondwatermodel berekende isohypsenkaart van de wintersituatie (uit Bell & Van ’t Hullenaar, 2015).
Op circa 0,7 km ten zuiden van de zuidgrens van Lemselermaten bevindt zich de drinkwaterwinning Weerselo. Het vergunningsdebiet is 1 miljoen m3/jaar. De
drinkwaterwinning Weerselo bevindt zich in de glaciale geul en ligt (vrijwel) op de geologische breuk in de tertiaire afzettingen, dus net in de slenk van Reutum. De
onttrekking van het grondwater vindt plaats vanuit de fluvioglaciale afzettingen onder de keileemlaag (ofwel in watervoerend pakket 1B). De winning is gestart in 1966, en de
jaarlijkse onttrekkingshoeveelheid is behoorlijk constant. De drinkwaterwinning ligt niet in
de aanvoerrichting van het (diepe) grondwater, maar wel direct tegen het
Lemselermatensysteem aan. Door de plaatselijke doorlatendheid van de keileem is niet uit te sluiten dat de winning effect heeft op de toestroom van regionaal grondwater naar de
Lemselermaten. Bij de detaillering van het hydrologisch model wordt dit in beeld gebracht (Bor, 2017).
3.2.5
Oppervlaktewatersysteem
Algemeen Het oppervlaktewatersysteem bestaat uit twee deelsystemen: de Dollandbeek en de
Weerselerbeek. De Middensloot is een afkoppeling van de bovenloop van de Weerselerbeek; aangelegd in het kader van de ruilverkaveling Rossumerveld in de jaren 1960 om Weerselo te vrijwaren van wateroverlast. Ten oosten daarvan liggen de Boschbeek en de
Lemseleresbeek. De Dollandbeek en Holtwijkerbeek vormen het andere deelsysteem. In de beken zijn stuwen / drempels aanwezig. De opstuwende werking van de drempels is zeer beperkt: in relatie tot het aanzienlijke verhang van de beken is alleen in korte trajecten
25
Unie van Bosgroepen
direct bovenstrooms van de drempels een effect waarneembaar. Het drainageniveau wordt zodoende vooral bepaald door het bodemniveau van de beken.
Boschbeek
Lemseleresbeek
Figuur 7. Drainagestelsel binnen de grenzen van het Natura2000 gebied de Lemselermaten (uit Bell & van ’t Hullenaar, 2015, extra toponiemen toegevoegd). Weerselerbeek Vooral de Weerselerbeek is zeer diep uitgegraven (diepte van circa 1,2 à 1,3 m en
drainageniveau op 4-3-2014 van 1,0 tot 1,1 meter beneden het maaiveldsniveau van de
dalbodem). De beek heeft zodoende, in combinatie met het drainagesysteem van het verder noordelijk gelegen landbouwgebied, een sterk drainerende werking op het
kwelwater. Dit effect wordt versterkt doordat het dal van de Weerselerbeek zich op het laagste punt van het systeem bevindt. Als gevolg hiervan is met name de broekboszone
direct langs de beek sterk verdroogd, waardoor verruiging is opgetreden en er in het broekbos inmiddels veel essen zijn verschenen. Dollandbeek Hoewel het beekdalgedeelte van de Dollandbeek binnen het Natura 2000-gebied
grotendeels bestaat uit natuurgebied, is ook deze beek behoorlijk diep. Omdat deze
beek niet overal in het laagste deel van het dal loopt, loopt de diepte sterk uiteen, namelijk van circa 0,5 meter in de lage delen tot 1 meter in de hoge delen. In het bovenstroomse
deel van de beek is de aanzienlijke diepte aanwezig omdat de beek een afvoerfunctie heeft voor de landbouwgrond aan de oostzijde van het Natura 2000-gebied. In een groot deel van het benedenstroomse deel van de beek zijn de landbouwkundige belangen gering.
26
Door de aanzienlijke diepte heeft ook de Dollandbeek een sterk drainerende werking op het kwelwater. Dit effect is minder groot dat bij de Weerselerbeek (zie peilbuisanalyse in 3.3.2.) doordat de beek zelf minder diep is en het Dollanddal ook hoger in het systeem ligt (Figuur 4).
Sloten en greppels In het gebied zijn diverse greppels aanwezig. Sommige zijn een restant van landgebruik uit het verleden, terwijl andere nu nog een afvoerende functie hebben voor landbouwgebieden of om wegen droog te houden. Veel sloten en greppels voeren in de winter water en
vertonen dan kwelverschijnselen zoals roestvlokken en bacterievliezen. Dit indiceert dat ze in de natste periode een afvoerende functie hebben. Hierdoor kan het kwelwater minder
makkelijk of niet het maaiveld bereiken en oppervlakkig afstromen. De meeste sloten en
greppels vallen relatief snel droog. Het snel in het voorjaar wegvallen van de afvoer via de meeste greppels komt door de zeer sterk drainerende werking van de beken. Dus zolang de beken niet worden aangepakt, is de meerwaarde van eventuele aanpak van de drainerende werking van de greppels beperkt. Wallen Zowel in de maatjes als in het broekbos zijn plaatselijk aarden wallen aanwezig als relicten van het vroegere cultuurlandschap. Deze wallen liggen veelal ook dwars op de dalrichting.
Deels zijn er al gaten in de wallen aanwezig, en kan dus al een goede oppervlakkige afvoer van water plaatsvinden waardoor er dus geen stagnatie van water aan maaiveld optreedt. Op sommige plekken, waaronder in de maatjes zijn nog enkele wallen aanwezig waar dit
niet het geval is. Omdat er meestal in de huidige situatie nog greppels aanwezig zijn, die
water afvangen en afvoeren, treedt nu nog geen stagnatie op van de oppervlakkige afvoer.
Maar indien de greppels worden gedempt, dan is het dus raadzaam om dit altijd te doen in combinatie met het doorsteken van de wallen.
3.2.6
Waterkwaliteit
Basenrijkdom Zowel het grondwater van het regionale systeem als het grondwater van de diepere
stroombanen in de lokale grondwatersystemen doorstroomt kalkrijke afzettingen en is zodoende basenrijk. Het grondwater van de (zeer) ondiepe stroombanen van de lokale systemen doorstroomt alleen kalkarme afzettingen, en is zodoende basenarm.
Aangezien de kalkhoudende afzettingen al vanaf enkele meters beneden maaiveld
aanwezig zijn, is in dit gebied ook een groot deel van het grondwater van de lokale
systemen basenrijk, en in samenhang hiermee zijn ook in de kwelzones tot vrij hoog op de flanken basenrijke omstandigheden aanwezig. Vermesting Het intrekgebied van de Lemselermaten bestaat grotendeels uit intensief bemeste
landbouwgronden. Door inspoeling van meststoffen met het infiltrerende regenwater
treedt vermesting van het grondwater op. Het betreft hierbij vooral inspoeling van nitraat. Onder invloed van nitraatrijk grondwater treedt oxidatie op van pyriethoudende lagen in
de bodem, waarbij sulfaat wordt gevormd. Bij pyrietoxidatie komt sterk zuur vrij, wat leidt 27
Unie van Bosgroepen
tot het versneld in oplossing gaan van calciet, hetgeen ook hoge hardheden (Ca- en Mg-
concentraties) veroorzaakt. Als dit sulfaatrijke grondwater in de bodem van de kwelzones in de Lemselermaten in contact komt met organisch stofrijke lagen in de bodem, dan kan interne eutrofiëring optreden door het vrijkomen van fosfaat en van overige
voedingsstoffen door de afbraak van veen (zie ook paragraaf biogeochemie, 0). In hoeverre
dit proces optreedt, hangt niet alleen af van de sulfaatrijkdom, maar ook van de verhouding van sulfaat en ijzer. Als er relatief veel ijzer in het grondwater aanwezig is, dan treedt
minder snel uitputting op van het vrije ijzer, en komt dus ook in minder sterke mate fosfaat vrij. Deze processen worden, naast een verhoogde mineralisatie als gevolg van te lage
grondwaterstanden in de zomer, gezien als een belangrijke oorzaak van de geleidelijke eutrofiëring van de schraallandvegetatie van het Oude Maatje, en wellicht spelen deze processen dus ook in de overige kwelzones van het natuurgebied.
3.3 Aanvullende informatie In deze paragraaf wordt ingegaan op aanvullende informatie op de informatie uit Bell & Van
‘t Hullenaar, voortkomend uit dit onderzoek. Eerst wordt de globale vegetatiegradiënt beschreven.
Verder
is
er
onderzoek
gedaan
naar
de
bodem-
en waterkwaliteit
(onderzoekscentrum B-WARE) en de bodemopbouw (met name in de landbouwpercelen rondom de Lemselermaten). Tevens is de invloed van verschillende watergangen nader onderzocht, de resultaten worden hier beschreven.
3.3.1
Vegetatiegradiënt
De huidige vegetatie in de Lemselermaten kan beschreven worden als een gradiënt van hoog naar laag: -
De hoge delen in Lemselermaten bestaan uit droge heidevegetaties, die op de habitattypenkaart zijn aangewezen als Vochtige heide (H4010A) (KWR et al., 2015). Het gaat hier dus wel om een sterk verdroogde vorm waarbij vegetaties van de
associatie van Struikheide en Stekelbrem aanwezig zijn. Verder zijn op de drogere
zandkoppen heischrale graslanden te vinden. In de zuidhoek van het Oostelijke Maatje
is
na
omvorming
van
landbouwgrond
naar
natuur
in
1990
een
vegetatieontwikkeling gaande in de richting van de associatie van Klokjesgentiaan
-
en Borstelgras (Eysink et al., 2001).
Iets lager op de gradiënt komen standplaatsen voor die onder invloed staan van zuur tot zwak zuur, basenarm grondwater. Hier zijn begroeiingen van de Veldrus-
associatie te vinden die gerekend worden tot de voedselarme tak van de Blauwgraslanden (H6410). Betreft ook een ontwikkeling na omvorming van
landbouwgrond naar natuur in 1990 (Eysink et al., 2001). In het dal van de Dollandbeek komt eveneens een begroeiing voor die gerekend kan worden tot de
Veldrus-associatie. Een ontwikkeling na 30 jaar verschraling van een relatief -
extensief gebruikt cultuurgrasland.
Nog lager op de gradiënt worden de standplaatsen beïnvloed door basenrijk
grondwater. Hier is de basenrijke vorm van het Blauwgrasland te verwachten
(H6410) zoals de Associatie van Blauwgrasland, sub-associatie met Parnassia. Het
voorkomen
van
deze
vegetatie
is
afhankelijk
van
hoge
winter
en
voorjaarsgrondwaterstanden en een lichte uitdroging in de zomerperiode (Beije et
al., jaar onbekend). Het Parnassiarijke blauwgrasland van de jaren 1939-1947 28
(Jansen, 1991) is sterk in kwaliteit achteruit gegaan en goeddeels vervangen door -
de typische vorm.
Daar waar het basenrijke grondwater langer in maaiveld blijft en de bovengrond
niet uitdroogt in de zomermaanden, zijn vegetaties te vinden die behoren tot het
bijzondere Kalkmoeras (H7230). In de Lemselermaten gaat het daarbij om de associatie van Vetblad en Vlozegge die op de lage flank van het dekzandkopje in het Westelijke Maatje voor komt. Hier is in het kader van EGM/OBN begin jaren 1990 broekbos verwijderd en geplagd (Jansen, 1991). De ontwikkelingen in de
vegetatie zijn met een permanent kwadraat gevolgd voor de periode 1991-2002
-
(Hofstra et al., 2016).
In natte laagtes onder aan het gradiënt, waar het basenrijke grondwater uittreedt en
stagneert, zijn venvegetaties aan te treffen zoals van de associatie van Waterpunge
en Oeverkruid. Deze vegetaties behoren tot de zwak gebufferde vennen (H3130). Dit habitattype staat op de habitattypenkaart maar komt niet voor in het aanwijzingsbesluit omdat het vegetatietype enkel in natte jaren voorkomt in het
gebied en daarmee niet voldoet aan de eis van bestendig voorkomen (KWR et al., 2015). In de praktijk blijkt dat deze venvegetatie jaarlijks aanwezig is en onderdeel
is van de kwelhelling van het kalkmoeras. Stijve moerasweegbree kwam in de jaren
1940 ook voor in Lemselermaten. Vegetatieopnamen van trilveenvegetaties wijzen daarop (Westhoff en Jansen, 1990).
Hooilanden die in het verleden niet onderhouden zijn door jaarlijks maaien en afvoeren,