Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 2 IP 1 Bodem grondwater interne eutrofiering.pdf
Tekst van het document
Eindrapportage Uitwerking onderzoeksvragen in het kader van Natura 2000 gerelateerd aan bodemonderzoek, grondwaterkwaliteit en inschatting interne eutrofiëring
Opdrachtgever: Gemeente Dinkelland • Projectnummer: PR-16.028B Rapport nummer: RP-16.044 • Auteurs: EL, JR • Datum: 6 juni 2017
2
Titel rapport: Uitwerking onderzoeksvragen in het kader van Natura 2000 gerelateerd aan bodemonderzoek, grondwaterkwaliteit en inschatting interne eutrofiëring Auteurs: Esther Lucassen & Jan Roelofs Opdrachtgever: Gemeente Dinkelland Rapportnummer: 2016.044 Informatie: Dr E. Lucassen, Prof. Dr. J.G.M. Roelofs B-WARE Research Centre Radboud Universiteit Nijmegen Toernooiveld 1, 6525 ED Nijmegen E-mail: E.Lucassen@science.ru.nl
3
4
Inhoudsopgave 1. Inleiding……………………………………………………………………………………………… 7 1.1 Aanleiding…………………………………………………………………………………… 7 1.2 Achtergrond natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden en verbetering kwaliteit in reeds bestaande natuur………………… 7 1.3 Achtergrond risico op interne eutrofiëring……………………………… 11 2. Materiaal en methoden…………………………………………………………………… 15 2.1 Lemselermaten………………………………………………………………………… 15 2.2 Achter de Voort, Agerlerbroek & Voltherbroek (AVA)……………… 17 2.3 Bergvennen & Brecklenkampse Veld………………………………………… 21 2.4 Chemische analysen…………………………………………………………………… 23 3. Lemselermaten………………………………………………………………………………… 25 3.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden……………… 25 3.2 Grondwaterkwaliteit Lemselermaten……………………………………… 38 3.3 Risico op interne eutrofiëring in de Lemselermaten………………… 42 4. Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek………………………………… 47 4.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden……………… 47 4.2 Grondwaterkwaliteit AVA…………………………………………………………… 68 4.3 Kwaliteit oppervlaktewater Voltherbroek………………………………… 76 4.4 Risico op interne eutrofiëring in AVA………………………………………… 77 4.5 Onderzoek aanleg poelen Kamsalamander…………………………………… 79 5.
Bergvennen & Brecklenkampse Veld………………………………………………… 83 5.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden……………… 83 5.2 Grondwaterkwaliteit Bergvennen & Brecklenkampse Veld……… 95 5.3 Verbetering reeds bestaande natuur: jeneverbesstruwelen…… 99 5.4 Onderzoek kwaliteit (vochtige) heide en op de camping………… 103 6. Literatuur…………………………………………………………………………………………… 107 7. Bijlage………………………………………………………………………………………………… 109 7.1 Boorprofielen Lemselermaten…………………………………………………… 110 7.2 Boorprofielen Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek…… 129 7.3 Boorprofielen Bergvennen en Brecklenkampse Veld………………… 152 7.4 Chemie grondwater…………………………………………………………………… 162 8. Samenvatting……………………………………………………………………………………… 165 8.1 Lemselermaten…………………………………………………………………………… 165 8.2 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek…………………………… 167 8.3 Bergvennen & Brecklenkampse veld…………………………………………… 169
5
6
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Dinkelland heeft in het verleden een lijst met nog onbeantwoorde onderzoeksvragen opgesteld voor de Natura 2000 gebieden a) Lemselermaten b) Bergvennen & Brecklenkampse Veld; en c) Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. De vragen waren gebaseerd op eerdere verkenningen en lagen op het gebied van: a. Bodemkwaliteit: het gaat hier met name om potenties van landbouwgronden voor natuurontwikkeling en om natuurontwikkeling in bestaande natuur. b. Grondwaterkwaliteit: het gaat hier om inzicht te krijgen in de mate van uitspoeling van o.a. nitraat en sulfaat uit landbougronden en bossen. c. Gevoeligheid van grondwater gevoede natuur voor interne eutrofiëring. In het rapport van B-WARE is gewerkt op basis van een plan van aanpak dat is goedgekeurd door de gebiedspartijen. Het omvat de volgende onderdelen: a. b. c. d. e.
Beschrijving uitgevoerde werkzaamheden Kaart met de boorlocaties Analyseresultaten inclusief interpretatie Algemene bodemchemie (tabelvorm) Overzicht van de eventuele ontgrondingsdieptes op basis van de fosfaatprofielen in diepte waarbij de Olsen-P en totaal-P concentraties leidend zijn bij het onderzoek gerelateerd aan (voormalige) landbouwgronden f. Mogelijkheden om middels maaien en afvoeren of uitmijnen de gewenste voedingstoestand te bereiken per bodemlaag. De verschralingsduur wordt berekend aan de hand van de P-totaal en Olsen-P concentratie. Dit geeft een indicatie van de range waarbinnen de verschraling gerealiseerd kan worden g. Overzicht van ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur op basis van de bodemchemie (o.a. totaal-calcium, totaal-ijzer, fosfaatbeschikbaarheid en optioneel de mate van buffering, Al/Ca-ratio, basenverzadiging, uitwisselbaar calcium, etc.) en de gewenste hydrologische omstandigheden h. Beknopt overzicht van aanvullende inrichtingsmaatregelen Dit rapport wordt uiteindelijk geïntegreerd met een rapportage van de Unie van Bosgroepen (UvB) waarin alle onbeantwoorde onderzoeksvragen op het gebied van hydrologie worden opgehelderd en waarbij op basis van alle gezamenlijke kennis een maatregelenpakket voor de gebieden wordt gepresenteerd als einddoel ter behoud van de Natura 2000 doelen op de korte termijn.
De beoogde natuurdoeltypen in Natura 2000 gebieden zijn doorgaans biodiverse natuurtypen. Biodiverse natuur kan enkel gerealiseerd worden wanneer planten van een essentieel voedselelement te weinig hebben. Met andere woorden, de groei moet gelimiteerd worden door een van de essentiële voedingsstoffen (C, N, P, K). Wanneer er een overmaat aan alle voedingstoffen is zal er competitie om licht optreden, waardoor enkele snelgroeiende soorten gaan overheersen en dus ruigtevegetaties ontstaan (ongewenst). In zwak gebufferde natuur, waaronder (natte) heiden, leidt een te hoge stikstofbeschikbaarheid doorgaans tot verruiging. Atmosferische stikstofdepositie leiidt tot een afname van de buffercapaciteit van de bodem doordat bij nitrificatie van ammonium zuur wordt gevormd. Bij een pH lager dan 4,2 vindt geen nitrificatie meer plaats en hoopt ammonium op in de bodem waardoor verruiging optreedt. Op voormalige landbouwgronden leidt een te hoge fosfaatbeschikbaarheid doorgaans tot verruiging. Het fosfaat is afkomstig uit meststoffen en heeft zich in de loop van de tijd geaccumuleerd in de bodemtoplaag doordat het sterk bindt aan Ca en Fe. Als de bodem zeer rijk is aan Fe en Ca, en er niet gediepploegd is, zal het fosfaat enkel in de bovenste
7
toplaag geconcentreerd zijn. Om het behalen van Natura 2000 doelen te garanderen is het noodzakelijk om in zwak gebufferde natuur de buffercapaciteit van de bodem te optimaliseren. Het verhogen van de buffercapaciteit kan bijvoorbeeld door herstel van de hydrologie in vochtige natuur (aanvoer van basenhoudend grondwater) of door toedienen van bufferstoffen (bekalken) in droge natuur. Voor natuur op voormalige landbouwgronden is het (ook) noodzakelijk om het fosfaatoverschot te verwijderen (door ontgronden, maaien en afvoeren, uitmijnen). In onderstaande paragrafen wordt dit nader toegelicht. 1.2 Achtergrond natuurontwikkeling op landbouwgronden en verbetering kwaliteit reeds bestaande natuur Een groot onderdeel van het uit te voeren onderzoek vindt plaats op (voormalige) landbouwgronden in relatie tot natuurontwikkeling. Als gevolg van het zeer intensieve gebruik van agrarisch gebied in Nederland levert de omvorming van voormalige landbouwgronden tot voedselarme (natte) natuurgebieden vaak problemen op. Wanneer gestreefd wordt naar de ontwikkeling van natuurbeheertypen als vochtige heide (N06.04) nat schraalland (N10.01) of vochtig hooiland (N10.02) is een (matig) voedselarm milieu vereist.
Wanneer er in de bodem een overmaat is aan alle voedingstoffen gaan enkele snelgroeiende soorten (gestreepte witbol, gewoon struisgras, akkerdistel, witte klaver of engels raaigras) overheersen en ontstaat een ruigtevegetatie. In natte voedselrijke terreindelen treedt vaak massale groei van pitrus op. De kansen op een goede natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden wordt sterk bepaald door de beschikbaarheid van fosfor (P). Stikstoflimitatie is nu vaak moeilijk te bereiken vanwege de hoge N-depositie in Nederland. Verder neemt na beëindiging van het agrarische gebruik de stikstofbeschikbaarheid vaak sterk af als gevolg van nitraatuitspoeling en denitrificatie (onder natte omstandigheden). Voor de fosforbeschikbaarheid geldt dit niet. In principe kan een fosfaatoverschot worden afgevoerd door middel van maaien en afvoeren (of uitmijnen). Of verschraling van voormalige landbouwgronden op deze manier reëel is, is afhankelijk van de fosforconcentraties in de toplaag en de daarmee gepaard gaande verschralingsduur. Vaak kan de P-beschikbaarheid op voormalige landbouwgronden onvoldoende worden teruggebracht om binnen een termijn van enkele tientallen jaren een P-gelimiteerde uitgangssituatie te krijgen.
Relatief zure infiltratiegebieden (geen intensief bemeste maïsakkers), extensief bemeste graslanden en zeer kalkrijke bodems met een hoge Fe-rijke kwelintensiteit kunnen een uitzondering vormen. Om de ontwikkeling van soortenrijke vegetaties binnen een redelijke tijdsspanne mogelijk te maken is het verwijderen van de P-rijke toplaag vaak onontkoombaar, zeker onder natte condities. Hierbij is het belangrijk om vast te stellen tot hoe diep ontgrond moet worden om een voldoende P-arme uitgangssituatie te creëren. Dit kan door op verschillende diepten de P-beschikbaarheid te meten. Afgraven van de P verrijkte toplaag is een succesvolle maatregel om snel tot ontwikkeling van schrale natuurdoeltypen te kunnen komen (Lucassen et al., 2008; Van Mullekom et al., 2013). Het aanbrengen van maaisel en/of plagsel van de doelvegetatie zal dit versnellen (Smolders et al., 2009). In combinatie met de grondwaterinvloed, grondwaterkwaliteit en het bodemtype is de bodemchemie van grote invloed op de vegetatietypen die tot ontwikkeling kunnen komen (Smolders et al., 2011). Een lage fosfaatbeschikbaarheid biedt goede kansen voor de ontwikkeling van (natte) voedselarme natuur. Op zandige en veenbodems wordt een Olsen-P concentratie van circa 250-400 µmol per liter bodem nagestreefd. Op ijzerrijke en/of calciumrijke (klei)bodems ligt deze concentratie hoger (±500900 µmol/l).
De totaal-P concentratie kan sterk variëren als gevolg van de ijzer- en/of calciumconcentraties (Smolders et al., 2008). Ook de hydrologische condities zijn in hoge mate bepalend voor de ontwikkeling van de vegetaties. Hierbij zijn kwantitatieve aspecten van belang (grondwaterstanden) maar zeker ook kwalitatieve aspecten (grondwaterkwaliteit). Voor de ontwikkeling van vochtige tot natte, grondwaterafhankelijke
8
natuurbeheertypen is het belangrijk dat het grondwater in maaiveld (minimaal in de wortelzone) komt en beperkt wegzakt in droge periodes. Verder is de chemische kwaliteit van het grondwater van belang. De mate van buffering van het grondwater en de concentratie van o.a. calcium en ijzer zijn vaak sturend voor de ontwikkeling van natte natuurdoeltypen. De concentratie sulfaat en stikstof in het grondwater kan een grote invloed hebben op de bodem-chemische processen en daarmee de beschikbaarheid van voedingsstoffen voor de vegetatie. Zo moet, in het geval dat natuurontwikkeling gepaard gaat met vernatting, rekening worden gehouden met veranderende redoxcondities. Met name ijzer(hydr)oxiden zorgen voor de vastlegging van fosfaat. Onder anaërobe condities wordt het ijzer gereduceerd waarbij het fosfaat vrijkomt. Kortom, indien P-rijke gronden vernat worden, wordt P in hoge mate gemobiliseerd en beschikbaar voor planten. Verder kan, op locaties met kalkrijke kwel, fosfaat efficiënt worden geïmmobiliseerd waardoor hier P-gelimiteerde condities heersen. Om te kunnen achterhalen of landbouwgronden geschikt zijn voor natuurontwikkeling wordt de fosfaatbeschikbaarheid in het bodemprofiel (0-80 cm) gemeten op locaties die zijn vastgelegd zijn in de bestaande maatregelenkaarten.
Uitgestrekte pitrusvelden zijn in principe ongewenst omdat ze geen natuurwaarde hebben voor een Natura 2000 gebied. Daarnaast is het zo dat fosfaat in natte bodems gemobiliseerd wordt waardoor het (ongewenst) uit kan spoelen naar sloten en grondwater gevoede natuur. Pitrusvelden brengen daarnaast ook onderhoudskosten met zich mee (jaarlijks maaien en afvoeren van de vegetatie). Middels het afgraven van de P rijke toplaag van de bodem kan een schrale situatie gecreëerd worden waar op korte termijn natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Dit laatste is ook het doel in dit plan, waarbij door de gemeente nadrukkelijk gevraagd is om inzicht te geven voor de instandhoudingsdoelen op de kort termijn. Afgraven in combinatie met een beperkt aantal jaren van aanvullend maaien en afvoeren (0-5 jaar) zou daarbij ook een optie kunnen zijn om uitbreidingsdoelen op de korte termijn te kunnen behalen. Ruimtelijk inzicht in de fosfaatbeschikbaarheid in het bodemprofiel, en het vereiste aantal jaren maaien en afvoeren van vegetatie om tot schrale condities te kunnen komen, dragen daarom bij aan het inzichtelijk maken van natuurpotenties in een gebied en waar uitbreidingsdoelen te behalen zijn op de korte termijn. Dit type bodemonderzoek vindt plaats in alle betrokken Natura 2000 gebieden.
Behalve de nutriëntenbeschikbaarheid is de zuurgraad van de bodem in belangrijke mate sturend voor de vegetatieontwikkeling. De buffercapaciteit geeft de mate aan waarin een bodem in staat is te compenseren voor veranderingen in zuurconcentraties. Bij bodem-pH waarden hoger dan pH 6,2 hebben we te maken met (bi)carbonaatbuffering. Wanneer in de bodems geen carbonaat meer aanwezig is, komt de bodem in het kation-uitwisselings-buffertraject terecht. Dit buffertraject bevindt zich globaal tussen een pH van 4,5 en 6,5. Een zoutextract geeft een beeld van de hoeveelheid uitwisselbare kationen. De aluminium- en calciumconcentraties in het zoutextract geven dan ook een indicatie van de buffercapaciteit van de bodem. De calciumconcentraties in het zoutextract correleren doorgaans met de totaal-calcium concentraties. De totaal-calciumconcentratie is dan ook, net als de concentratie zoutextraheerbaar calcium (Ca-zout), een indicatieve parameter voor het vaststellen van de mate van buffering van een bodem. Deze parameters zijn in grote mate bepalend voor de natuurtypen die tot ontwikkeling kunnen komen. Voor grondwatergevoede systemen speelt daarnaast de grondwaterinvloed (aanlevering bufferstoffen) en de grondwaterkwaliteit (o.a. de mate van buffering) een belangrijke rol.
De buffering van de bodem daalt over het algemeen sterk bij totaal-calciumconcentraties lager dan 20 mmol/l verse bodem. Een andere indicator voor de buffercapaciteit van de bodem is de Al/Ca-ratio van het zoutextract. Verzuring van de bodem leidt namelijk tot een stijging van de aluminiumconcentratie en de Al/Ca-ratio in het bodemvocht/zoutextract. Een lage Al/Ca-ratio (< 0,1) komt over het algemeen overeen met een basenverzadiging van meer dan 90%. Bodems met een totaal-Ca concentratie van >20 mmol/l en een Ca-NaCl concentratie van meer dan 4000-5000 µmol/l zijn over het algemeen voldoende gebufferd voor (matig) gebufferde natuurtypen. Op calciumarme
9
bodems ligt de ontwikkeling van heide (of hoogveen) voor de hand (zeer indicatief: Ca-t < 10 mmol/l en Ca-z < 3000/4000 µmol/l). Op zwak-calciumhoudende bodems (Ca-tot >10 mmol/l en Ca-z 3000/4000-8000 µmol/l ligt de ontwikkeling van een heischraal grasland (of kleine zeggenvegetaties) voor de hand mits er voldoende aanrijking met basen plaatsvindt via capillaire opstijging. Op de meer gebufferde bodems (Ca-z: 8000-25000 µmol/l) kan onder de juiste hydrologische omstandigheden (essentieel!) een blauwgrasland of veldrusschraalland tot ontwikkeling komen. Op sterk gebufferde bodems (Ca-z: > 20000-50000 µmol/l) kan onder vochtige tot natte omstandigheden een dotterbloemhooiland (of Elzenbroekbos) tot ontwikkeling komen (onder droge omstandigheden een kamgrasweide/glanshaverhooiland). In de bouwvoor van (met name relatief calciumarme tot matig calciumhoudende) bodems kunnen verhoogde calciumconcentraties worden gemeten in vergelijking met de onderliggende bodem. Dit is zeer waarschijnlijk het gevolg van bekalking tijdens het landbouwkundig gebruik voor de optimalisatie van de bodem-pH en daarmee de opbrengst. Op locaties waar sprake is van calciumarme omstandigheden wordt vaak een eenmalige bekalking. Deze dient ter voorkoming van verzuring en ter bevordering van de soortenrijkdom.
Tevens wordt hiermee ammoniumophoping/-toxiciteit voorkomen (nitrificatie wordt geremd onder zure omstandigheden). Zie paragraaf 4.3. voor aanvullende informatie over de bekalking. Droge en vochtige natuurtypen zijn vaak gevoelig voor ophoping van atmosferisch stikstof, uitspoelen van mineralen, mobilisatie van toxisch aluminium en het optreden van mineralengebrek door bodemverzuring. Een water- en zoutextractie van de bodem geeft inzicht in de beschikbaarheid van nutriënten (fosfaat, ammonium) en de mate van verzuring (pH, basenverzadiging en mobilisatie van aluminium). Metingen in het bodemprofiel kunnen daarom inzicht geven in de noodzaak tot plaggen en/of aanvullend bekalken om tot verbeterde bodemcondities te kunnen komen. Ook kan het zo zijn dat de vegetatie nog zeer fraai oogt maar de basenverzadiging nog maar net toereikend is om ophoping van stikstof in nabije toekomst tegen te gaan en dus de kwaliteit op langere termijn te kunnen blijven garanderen. Toedienen van mineralen kan de bodemkwaliteit verbeteren en de vegetatie robuuster maken tegen de effecten van atmosferisch stikstof. Omringende vochtige tot natte zwak gebufferde natuur (vochtige heiden, blauwgrasland) kan hiervan meeprofiteren. In tabel 1 staan de natuurtypen met bijbehorende mate van buffering vermeld.
10
Tabel 1. Overzicht van de verschillende bufferranges (11 categorieën) en fosfaatconcentraties (tussen haakjes de uitloop als een suboptimale concentratie) waarbij diverse natuurbeheertypen voorkomen (INDICATIEF). Voor Dotterbloemhooilanden en Elzenbroekbossen zijn hoge ijzerconcentraties vereist. Van Blauwgrasland tot Elzenbroekbos kunnen de totaal-P concentraties relatief hoog zijn als gevolg van ijzer- en/of calciumrijke omstandigheden. De fosfaatbeschikbaarheid voor planten (Olsen-P) is echter relatief beperkt. Naast de mate van buffering zijn de hydrologische omstandigheden essentieel voor de ontwikkeling van de natuurbeheertypen (niet in deze tabel). Het herstellen van de grondwaterinvloed kan bijdragen aan het opladen van het kationuitwisselingscomplex en daarmee het herstel van de buffercapaciteit. Het betreft een indicatieve tabel op basis van expert judgement en referentiemetingen. Bron: van Mullekom & Smolders (2012). N14.02 Codes natuurbeheertypen
N07.01
N11.01
N06.04
N06.04
N14.01 N10.01
N10.01
N10.02
N10.02
Risico ammoniumtoxiciteit
zonder bekalking
ammoniumophoping en/of
vergroten soortenrijkdom
Bekalkingsadvies (kg/ha)
Veldrusschraalland
voor tegengaan verzuring,
< 15 (35)
Dotterbloemhooiland &
< 10 (20)
Elzenbroekbossen
< 6 (10)
Droog heischraal grasland
Droge heide
Natte heide
Basenverzadiging
< 3 (7)
Blauwgrasland
< 20 (50)
< 2,5 (6)
Kleine zeggen vegetatie
Totaal-P (mmol/l)
Vochtig heischraal grasland
(1000)
Totaal calcium (mmol/l)
Ca-NaCl (µmol/l)
Categorie
< 800 Olsen-P (µmol/l) < 500 (800) < 300 (600) < 500 (700) < 500 (700) < 600 (900)
1
<500
en/of
<10
en/of
<30%
2500
+
2
500-1000
en/of
10-15
en/of
30-70%
2000
+
3
1000-2000
en
15-20
en
>70%
2000
+
4
>2000
en
15-20
en
>70%
2000
+/-
5
2000-4000
en
20-30
en
>70%
1000
+/-
6
>4000
en
20-30
en
>70%
0
-
7
8000-14000
en
30-60
en
>90%
0
-
8
>14000
en
30-60
en
>90%
0
-
9
>14000
en
60-100
en
>90%
0
-
>100
en
>90%
0
-
>100
en
>90%
0
-
10 11
20000-30000 en/of >30000
en/of
soortenarm
normaal
soortenrijk
Welke natte natuurbeheertypen zich daadwerkelijk in het gebied kunnen ontwikkelen is onder andere afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem, de mate van buffering van de bodem en de stijghoogte en kwaliteit van het grondwater. In tabel 2 staan voor een groot aantal natte natuurbeheertypen de abiotische randvoorwaarden aangegeven. Voorwaarde bij de ontwikkeling van soortenrijke voedselarme systemen blijft de lage fosfaatbeschikbaarheid voor planten. De metingen van de Olsen-P (en totaal-P) concentraties zijn dan ook in belangrijke mate leidend in de natuurontwikkelingskansen.
11
Tabel 2. Gemiddelde hoogste (GHG) en laagste (GLG) grondwaterstand, pH-H2O (deze is circa 0,5 eenheid hoger dan de pH-z; bron: database B-WARE) en fosfaatconcentraties in de bodem van enkele natte natuurbeheertypen (optimumranges). Bronnen: Ertsen e.a. (2005); Onderzoekcentrum B-WARE, niet gepubliceerde data; De Becker (2004). Onder zeer ijzerrijke omstandigheden kunnen bij een optimale ontwikkeling ook hogere fosforconcentraties voorkomen (aangegeven tussen haakjes). Natuurbeheertype
Specificatie
Hoogveen
GHG (cm) 10 + mv
GLG (cm) 5 -mv
Vochtige heide
10+ tot 20mv
Schraalgrasland
Vochtig hooiland Moeras
pH-H2O 3.5-5
Olsen-P (umol/l FW) 100-300
totaal-P (mmol/l FW) 0.5-2.5
20- tot 50mv
3.5-5
100-500
0.5-2.5
40- tot 120 mv Nat heischraal grasland 0 tot 40- mv
4.5-6
150-400
1-3
Kleine zeggenmoeras (Verbond van Zwarte zegge)
40- tot 80mv
4.5-6.5
100-500
1-6
40- tot 800 tot 25- mv mv
5-6.5
200-500
2-10 (tot 20)
20+ tot 20mv
40- tot 80mv
5-7
300-800 (tot 1200)
8-20 (tot 50)
Grote zeggenmoeras
20+ tot 0 mv
10+ tot 50mv
5-7
300-800 (tot 1200)
8-20 (tot 50)
Rietmoeras
20+ tot 0 mv
10+ tot 40mv
>5
-
-
10+ tot 0 mv
40- tot 80mv
<5
200-600
1-5
20+ tot 20mv
40- tot 80mv
5-6.5
300-800 (tot 1200)
5-20 (tot 50)
Blauwgrasland Dotterbloemhooiland / Veldrusschraalland
Hoog- en laagveenbos Berkenbroekbos Elzenbroekbos
20+ tot 20mv
1.3 Achtergrond risico op interne eutrofiering Tenslotte zijn er onderzoeksvragen naar de kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater (verontreiniging met fosfaat, nitraat en sulfaat) en de gevoeligheid van de grondwater gevoede natuur voor interne eutrofiering (nitraat en sulfaat). Op landbouwbodems spoelt door bemesting vaak nitraat (en soms fosfaat uit) naar het grondwater. Doordat bossen veel atmosferisch stikstof invangen, spoelt uit bossen vaak ook veel nitraat uit. Uitspoeling van nitraat gaat vaak gepaard met mobilisatie van sulfaat in de ondergrond (nitraat reageert met ijzersulfiden). Het kan in het kader van natuurontwikkeling zinvol zijn bemesting op bovenstroomse landbouwgronden te stoppen en/of bos te kappen. Dit hangt ook af van de gevoeligheid van kwelafhankelijke natuur voor interne eutrofiering. Onderwaterbodems zijn permanent waterverzadigd en hierdoor overwegend zuurstofarm. In de meeste gevallen zijn in permanent anaërobe organische bodems andere elektronenacceptoren (zuurstof, nitraat, en driewaardig ijzer) in onvoldoende mate aanwezig, waardoor sulfaat in deze bodems fungeert als alternatieve elektronenacceptor bij de afbraak van organisch materiaal (in plaats van zuurstof). Hierdoor wordt de afbraak van organisch materiaal versneld.
De sulfaatbelasting van een watersysteem zal dan ook in belangrijke mate bijdragen aan de afbraak van organisch materiaal in de anaërobe onderwaterbodem. Bij deze afbraak komen nutriënten vrij in de vorm van fosfaat en ammonium, en wordt ook sulfide gevormd. Onder anaerobe omstandigheden kan sulfaat dus worden gereduceerd tot sulfide (rotte-eierengeur). Sulfide is toxisch, maar wordt onder ijzerrijke omstandigheden gebonden aan ijzer (pyrietvorming). Dit proces kan echter wel leiden tot het vrijkomen van extra fosfaat, omdat sulfide fosfaat van het ijzer kan verdringen, als er geen overmaat van ijzer in de bodem aanwezig is (Smolders & Roelofs, 1996; Lamers et al., 2002). Er zijn verschillende parameters in gebruik waarmee het risico op het vrijkomen van fosfaat kan worden ingeschat. Één daarvan is de hoeveelheid ijzer die ten opzichte van fosfor beschikbaar is als al het aanwezige zwavel als pyriet (FeSx) met ijzer zou binden ((Fe-S)/P). Voor deze maat worden totaalconcentraties aan Fe, P en S gebruikt, omdat deze eenvoudig te bepalen 12
zijn. Als het fosfaat van ijzer vrijkomt bij reductie, komt het in het bodemvocht terecht. Hoge ijzerconcentraties in het bodemwater gaan, zolang de waterlaag voldoende zuurstof bevat, de nalevering van fosfaat naar de waterlaag tegen. Dit heeft te maken met het feit dat relatief goed oplosbaar gereduceerd ijzer (Fe2+) in het geoxideerde toplaagje van het sediment wordt geoxideerd tot slecht oplosbaar Fe3+. Dit Fe3+ kan in de bodem samen met fosfaat neerslaan als ijzerfosfaat of als slecht oplosbaar ijzer(III)(hydr)oxide waaraan fosfaat kan adsorberen (de “ijzerval”). Zolang er dus voldoende gereduceerd ijzer in oplossing is in het bodemwater, en de waterlaag voldoende zuurstof bevat, zal de nalevering van fosfaat naar de waterlaag beperkt zijn. Wanneer door een toename van de sulfaatreductie de ijzerconcentraties van het bodemwater dalen en de fosfaatconcentraties stijgen, kan er op een gegeven moment onvoldoende ijzer in het toplaagje voorhanden zijn om het fosfaat te binden. Hierdoor zal de nalevering van fosfaat naar de waterlaag toenemen (Smolders et al., 2001; Geurts et al., 2010) (figuur 1). De ijzerval kan functioneren zolang er voldoende zuurstof in de waterlaag boven de onderwaterbodem aanwezig is. Wanneer de waterlaag zuurstofarm wordt, kan het ijzer niet meer worden geoxideerd en zal fosfaat samen met het ijzer naar de waterlaag diffunderen.
Dit gebeurt met name in de zomermaanden wanneer het warm is, en er veel reactief organisch materiaal, dode algen en plantenresten in de toplaag aanwezig zijn. De hoge microbiële activiteit kan er dan, samen met het feit dat er in warmer water minder zuurstof kan oplossen, voor zorgen dat de zuurstofconcentratie in de waterlaag sterk daalt. Zolang de waterlaag aëroob (zuurstofrijk) is, is de ratio tussen de ijzer- en de fosforconcentratie van het bodemwater dus bepalend voor de mate van fosfor nalevering uit de waterbodem naar de waterlaag. De nalevering uit het sediment neemt toe bij toenemende P concentraties van het bodemwater. De P nalevering zal hoger zijn naarmate de Fe/P ratio lager is en de P concentratie hoger. Onder een bepaalde Fe/P verhouding zal deze vrijwel geen invloed meer hebben op de nalevering, omdat het ijzer dan in verhouding nog maar weinig P kan binden op de overgang naar de aërobe waterlaag. Smolders et al. (2001) kwamen, gebaseerd op een naleveringsexperiment, uit op een Fe/P ratio in het bodemwater van 1 waarboven nalevering van fosfaat uit het sediment achterwege blijft. Ook Geurts et al. (2010) vonden een grenswaarde van 1 in naleveringsproeven. Geurts et al. (2008) kwamen op grond van een correlatieve veldstudie uit op een hogere grenswaarde van 3,5.
Als vuistregel kunnen we hanteren dat bij een Fe/P ratio hoger dan 1 de bodem waarschijnlijk alleen P zal naleveren wanneer de toplaag van de bodem anaëroob wordt. Onder anaërobe omstandigheden heeft de Fe/P ratio namelijk geen invloed meer op de nalevering, omdat de ijzerval niet meer werkt. De mate waarin de belasting met sulfaat leidt tot eutrofiëring van het oppervlaktewater hangt sterk af van de verhouding tussen de ijzer- en de zwavelvoorraad (totaal-ijzer/totaal-zwavel ratio) van de bodem. Er kan met enige zekerheid gezegd worden dat onderwaterbodems met een totaal-Fe/totaalS ratio hoger dan 1 worden gekenmerkt door een hoge Fe/P ratio van het bodemwater waardoor deze geen P naleveren zolang de waterlaag zuurstofhoudend is. Bodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio lager dan 0,5 daarentegen zullen vrijwel altijd P naleveren. Waarschijnlijk hangt de variatie tussen gebieden af van de vorm waarin het zwavel voorkomt in de bodem; als organisch zwavel, FeS of FeS2 (Smolders et al., 2013). In het kader van deze onderzoeksvragen zal daarom in de betreffende deelgebieden onderzoek verricht worden naar de grondwaterkwaliteit in zal in kwelafhankelijke natuur tevens de kwaliteit van de bodem en het bodemvocht onderzocht worden op bovengenoemde parameters. Deze zullen vergeleken worden met referentiewaarden.
13
Figuur 1. Stikstofkringloop en interacties tussen de zwavel-, ijzer- en fosforkringloop in wateren met een zuurstofhoudende waterlaag (A) en wateren met een zuurstofarme waterlaag (B). In oranje is het geoxideerde toplaagje van de onderwaterbodem (het sediment) weergegeven. Dit laagje is meestal maar enkele millimeters dik.
14
2. Materiaal en methoden De maatregelen met M-nummering die in onderstaande paragrafen besproken worden zijn gebaseerd op de PAS-Gebiedanalysen. 2.1 Lemselermaten Fosfaatonderzoek op (voormalige) landbouwgronden Voor de maatregelen M11 (landbouwgebieden binnen het N2000 gebied) en M17-M18 (EHS percelen buiten het N2000 gebied) was een fosfaatonderzoek gevraagd om inzicht te krijgen in de mogelijkheid tot natuurontwikkeling op de korte termijn (afgraven, maaien en afvoeren). Bemonstering van de locaties vond plaats op 1 juni 2016 door het Veldwerkbureau. De locaties worden gegeven in figuur 2.1. Beschrijvingen van de opbouw van de bodemprofielen worden gegeven in Bijlage 1. Een voormalige slenk in het zuidoostelijk deel van het gebied is niet onderzocht. Bodemonderzoek in reeds bestaande natuur en onderzoek interne eutrofiering Voor de maatregelen M9 en M10 was er de vraag of het noodzakelijk was om de toplaag af te moeten graven om na het verwijderen van het bos tot natuurontwikkeling (blauwgrasland) te kunnen komen. Voor maatregel M11 en M26 was de vraag in welke mate het lokale grondwater vermest is met nitraat, sulfaat en fosfaat, en of er risico is op interne eutrofiëring in kwelafhankelijke natuur.
Om deze vragen te kunnen beantworden zijn op 6 locaties op de overgang van landbouw naar natuur zijn op 27 juni 2016 tijdelijke ceramische cups geplaatst ter bemonstering van het freatische grondwater. De cups zijn éénmalig bemonsterd op de chemische samenstelling (o.a. nitraat, fosfaat, sulfaat). Hierbij wordt benadrukt dat de cups niet vanaf de landbouwgronden bemonsterd zijn maar via de slootoever. De cups zijn hier circa 2 meter schuin de bodem ingestoken. Op 3 locaties met nog (redelijk) goed ontwikkelde kwelafhankelijke natuur is een grondwaterbuis geplaatst op 3 september 2016 ter bemonstering van het voedende grondwater. Het bodemprofiel werd beschreven en de grondwaterstand ten opzichte van maaiveld werd genoteerd. Tevens werd op een drietal locaties rondom de peilbuis (binnen een straal van circa 10 meter) in drievoud bodem bemonsterd en met ceramische cup bodemvocht verzameld. Om de vraag te kunnen beantwoorden of het noodzakelijk is de toplaag af te graven zijn deze monsters in verschillende vegetatietypen genomen. De locaties waar monsters genomen zijn worden (met sterretjes) gegeven in figuur 2.1.
15
Figuur 2.1. Locaties waar in de Lemselermaten monsters zijn genomen.
16
2.2 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek Fosfaatonderzoek op (voormalige) landbouwgronden In het Voltherbroek werd gevraagd naar bodemchemisch onderzoek op alle landbouwgronden ten behoeve van natuurontwikkeling. Hierbij inbegrepen oude blauwgraslanden en locaties die nog niet kwalificeren als blauwgrasland (M4d, MN2). In het Agelerbroek werd gevraagd de gronden ten westen en ten noorden van dit gebied te onderzoeken voor potentie tot natuurontwikkeling. In totaal is ingezet om op 85 locaties (3 in Achter de Voort, 50 in het Voltherbroek en 24 in het Agelerbroek) het bodemprofiel door te meten op fosfaatbeschikbaarheid. Tevens wordt onder de bouwvoor de basenverzadiging gemeten. In reeds bestaande natuur (B1 t/m B8), waar de bodem zeer waarschijnlijk al schraler is dan op landbouwgronden, wordt daarom slechts op 2 diepten gemeten. De locaties worden gegeven in figuur 2.2 en 2.3. Beschrijvingen van de opbouw van de bodemprofielen op de landbouwgronden worden gegeven in Bijlage 2. Onderzoek naar mogelijkheden inrichting poelen voor de kamsalamander Op enkele percelen in het Voltherbroek en Agelerbroek was de vraag of het mogelijk is poelen voor ontwikkeling van de kamsalamander aan te leggen. Kennis van het bodemprofiel en de bodemchemie geeft inzicht in de mogelijkheden hiertoe.
Het gaat om twee deelgebieden, namelijk 2 percelen rondom de Hunenborg en 3 percelen ten zuiden van het Agelerbroek. In totaal zullen elf bodemprofielen onderzocht worden tot een diepte van 1,5 meter en zullen uit elk profiel circa 4 bodemlagen geanalyseerd worden op de mate van buffering en voedselrijkdom. De deelgebieden waar dit onderzoek plaatsvindt zijn grijs gearceerd in figuur 2.2. De locaties waar bodemprofielen exact verzameld zijn, worden gegeven in paragraaf 4.5 (figuur 4.12). Bodemonderzoek in reeds bestaande natuur Voor de maatregel M2a is het noodzakelijk te onderzoeken of boskap geen averechtse werking heeft via het creëren van meer lichtinval (Achter de Voort, Voltherbroek). In Achter de Voort zijn locaties waar gekapt is ook verruigd. Om het mogelijk negatieve effect van de maatregel te kunnen weerleggen, zullen op 5 locaties met een gesloten kroondek en op 5 locaties met een open kroondek bodemmonsters worden genomen op 2 diepten. Hiervan wordt de voedselrijkdom en basenverzadiging gemeten en onderling vergeleken. Deze maatregel speelt overigens ook in de Lemselermaten en het Voltherbroek. Onderzoek externe en interne eutrofiering Voor maatregel M2i en M1f werd gevraagd onderzoek te doen naar de omvang en toestroom van nitraat en sulfaatrijk grondwater en het (potentiele) effect op grondwater gevoede natuur in alle gebieden.
Op locaties op de overgang van landbouw naar natuur zullen ceramische cups geplaatst worden die éénmalig bemonsterd worden om de kwaliteit (o.a. nitraat, fosfaat, sulfaat) van het lokale grondwater vast te kunnen stellen. Dit zijn er 4 in Achter de Voort, 6 in het Voltherbroek en 4 in het Agelerbroek. In de drie deelgebieden zal op 3 locaties met nog goed ontwikkelde kwelafhankelijke natuur een viertal ceramische cup geplaatst worden ter bemonstering van grondwater en bodemvocht (locaties met sterretje). Tevens zal op de locatie met een ceramische cup ook veen verzameld worden. De monsters worden doorgemeten op parameters die tezamen indicatief zijn voor de gevoeligheid van bodems voor interne eutrofiering in kwelafhankelijke natuur (Lucassen et al., 2005; Smolders et al., 2013). De locaties waar monsters genomen zijn worden (met sterretjes) gegeven in figuur 2.2 en 2.3. Kwaliteit oppervlaktewater sloten en beken Op 20 juni 2016 is op elf locaties in het gebied oppervlaktewater verzameld in sloten en beken. Dit is uitgevoerd in het geval ervoor gekozen wordt interne maatregelen te nemen ter vernatting van het
17
gebied. Bijvoorbeeld door het dichten van bepaalde sloten waar wegzijging plaatsvindt doordat de kleilaag is verwijderd. De chemische samenstelling draagt verder bij tot inzichten in de mate van externe en interne eutrofiering in de het gebied. De locaties waar oppervlaktewater bemonsterd is wordt gegeven in figuur 2.4.
Figuur 2.2. Locaties waar in het Voltherbroek en Agelerbroek monsters zijn genomen. Details m.b.t. het bodemonderzoek naar de aanleg van poelen voor de Kamsalamander worden gegeven in paragraaf 4.5.
18
Figuur 2.3. Locaties waar in Achter de Voort monsters zijn genomen voor fosfaatonderzoek op landbouwgronden, onderzoek in reeds bestaande natuur, en onderzoek om inzicht te krijgen in de gevoeligheid voor interne eutrofiëring.
19
Figuur 2.4. Locaties waar in juni 2016 sloten en beken bemonsterd zijn voor bepaling chemische kwaliteit van het oppervlaktewater.
20
2.3 Bergvennen en Brecklenkampse Veld Fosfaatonderzoek op (voormalige) landbouwgronden Voor de maatregelen M1a (landbouwgebieden ten noorden van het Brecklenkampse veld), M2a (landbouwgebieden tussen Bergvennen en Brecklenkampse veld) en MN9 (landbouwgebieden ter hoogte van de voormalige Lattropse vennen) is een fosfaatonderzoek gevraagd om inzicht te krijgen in de mogelijkheid tot natuurontwikkeling (afgraven, maaien en afvoeren). In totaal wordt op 36 locaties (P1 t/m P36) het bodemprofiel doorgemeten op fosfaatbeschikbaarheid en wordt onder de bouwvoor de basenverzadiging gemeten. De locaties worden gegeven in figuur 2.5 en de opbouw van de bodemprofielen op de landbouwgronden worden gegeven in Bijlage 3. Bodemonderzoek in reeds bestaande natuur Voor de maatregelen MN5 (onderzoek verjonging jeneverbesstruweel), M2x-1 (onderzoek potenties natuurontwikkeling in gebied ten zuidoosten van de Bergvennen rond Ven 1N en Ven 1Z), M12-M15 (onderzoek naar boskap, plaggen en bekalken rondom de Bergvennen) ligt er de vraag bodemchemisch onderzoek uit te voeren. Voor jeneverbesstruwelen in de Bergvennen en het gebied rond Ven 1N en Ven 1Z zullen op zes locaties het bodemprofiel en de boomkwaliteit doorgemeten worden op parameters die kenmerkend zijn voor potenties tot verjonging (figuur 5.7 in paragraaf 5.3). Op basis hiervan kan advies gegeven worden de verjonging te bespoedigen.
Daarnaast zullen in de twee deelgebieden en op camping de Bergvennen in totaal 24 locaties bodems bemonsterd worden op minimaal 2 diepten om advies te kunnen geven over potenties m.b.t. boskap, plaggen en bekalken (figuur 5.9 in paragraaf 5.4). Tijdens de voorbespreking van het onderzoeksplan op 11 mei 2016 is gevraagd om extra bodemmetingen te verrichten op een voormalig landbouwperceel waar reeds natuurontwikkeling heeft plaatsgevonden. Hiertoe zullen op dit perceel op een aantal sublocaties analysen aan de bestaande bodem toplaag en de onderliggende 20 cm worden uitgevoerd (B1 t/m B6). Daarnaast was het verzoek om ook de mogelijkheden tot natuurontwikkeling op de camping te onderzoeken. Hier zijn onlangs open wateren gegraven op locaties waar voorheen twee vennen aanwezig waren. Wat betreft de bodemchemie zullen op de voormalige bosgronden en landbouwgronden rondom de huidige open wateren 4 bodemprofielen gestoken worden en geanalyseerd worden op relevante parameters ten einde de natuurontwikkelingspotenties in te kunnen schatten. Ook zal in het profiel worden gekeken of waterkerende lagen zijn aangesneden. E.e.a. wordt geïntegreerd met het onderzoek naar de hydrologie uitgevoerd door de UvB.
Onderzoek externe eutrofiering (grondwaterkwaliteit) Voor maatregel M1h en M3a is de vraag of er risico is op het uitspoelen van nutriënten vanuit landbouwgronden en bos richting de Bergvennen, de zuidelijke vennen en het Brecklenkampse veld. In totaal zullen voor de beantwoording van deze vraag 6 ceramische cups geplaatst worden op de overgang van landbouw/bos en natuur die éénmalig bemonsterd worden om de kwaliteit van het grondwater (o.a. fosfaat, nitraat, sulfaat) vast te kunnen stellen. De locates worden gegeven in figuur 2.5.
21
Figuur 2.5. Locaties waar in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld monsters zijn genomen voor fosfaatonderzoek op landbouwgronden, onderzoek in reeds bestaande natuur (grijze arceringen), en bepaling mate van externe eutrofiëring.
22
2.4 Chemische analysen De volgende analyses werden uitgevoerd op het laboratorium van Onderzoekcentrum B-WARE: Drooggewicht en organisch stofgehalte Om het vochtgehalte van het verse bodemmateriaal te bepalen werd het vochtverlies gemeten door een vast volume van het bodemmateriaal per monster af te wegen in aluminium bakjes en gedurende minimaal 48 uur te drogen in een stoof bij 60°C. Vervolgens werd het bakje met bodemmateriaal terug gewogen en het vochtverlies berekend. Dit alles werd in duplo uitgevoerd. De fractie organisch stof in de bodem werd berekend door het gloeiverlies te bepalen. Hiertoe werd het bodemmateriaal per monster, na het drogen, gedurende 4 uur verast in een oven bij 550°C. Na het uitgloeien van de monsters werd het bakje met bodemmateriaal weer gewogen en het gloeiverlies berekend. Het gloeiverlies komt in dit type bodems goed overeen met het gehalte aan organisch materiaal in de bodem. Olsen-P extractie Het Olsen-P extract werd uitgevoerd ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbaar fosfaat. Hiervoor werd 3 gram droog bodemmateriaal met 60 ml Olsen-extract (0,5 M NaHCO3 bij pH 8,4) gedurende 30 minuten uitgeschud op een schudmachine bij 105 rpm. Het extract werd vervolgens geanalyseerd op een ICP_AES.
Uit onderzoek op voormalige landbouwgebieden is gebleken dat een Olsen-P concentratie van 300 µmol per liter bodem als een grenswaarde kan worden beschouwd waarboven een ernstige verruiging van de vegetatie optreedt op zand- en veenbodems. Met name ijzerrijke kleibodems (>> 100 mmol Fe/l FW) binden veel fosfaat. Hierdoor kunnen voor kleibodems en andere ijzer- en/of calciumrijke bodems hogere Olsen-P grenswaarden worden gehanteerd in vergelijking met zand- of veenbodems. Over het algemeen kan op kleiige of (zeer) ijzer- en/of calciumrijke bodems een Olsen-P grenswaarde worden gehanteerd van 500 μmol/l FW of hoger. Wel zullen dan over het algemeen de wat voedselrijkere natuurdoeltypen tot ontwikkeling komen. Bodemdestructie Door de bodem te destrueren (ontsluiten) is het mogelijk de totale concentratie van bijna alle elementen in het bodemmateriaal te bepalen waaronder de concentratie totaal-P. Dit werd uitgevoerd door het bodemmateriaal na het drogen op 60 °C te vermalen. Van het bodemmateriaal werd per monster nauwkeurig 200 mg afgewogen en in teflon destructievaatjes overgebracht. Aan het bodemmateriaal werd 5 ml geconcentreerd salpeterzuur (HNO 3, 65%) en 2 ml waterstofperoxide (H2O2 30%) toegevoegd en de vaatjes werden geplaatst in een destructie-magnetron (Milestone microwave type mls 1200 mega). De monsters werden vervolgens gedestrueerd in gesloten teflon vaatjes.
Na destructie werden de monsters overgegoten in 100 ml maatcilinders en aangevuld tot 100 ml door toevoeging van milli-Q water. Analyse vond plaats op de Inductively Coupled Plasma Spectrofotometer (ICP-AES; Thermo Electron Corporation, IRIS Intrepid ΙΙ XDL). Zoutextractie In de zoutextracten (alleen uitgevoerd op een selectie van bodems) werd eerst pH-NaCl van de bodem bepaald. Hiervoor werd 17,5 gram verse bodem met 50 ml zoutextract (0,2M NaCl) gedurende 2 uur geschud op een schudmachine bij 105 rpm. De pH werd gemeten met een HQD pH electrode. De extracten werden gefilterd met behulp van rhizons en het filtraat dat gemeten werd op de ICP word aangezuurd en opgeslagen voor analyse. Vervolgens werd de hoeveelheid NO3-, NH4+, Al en Ca bepaald, alsmede de hoeveelheid P en kationen, gemeten in het extract op de ICP en Autoanalyser. Bij een zoutextractie worden aan het bodemadsorptiecomplex gebonden ionen verdrongen door natrium en chloride. De aluminium/calcium-ratio geeft een goede indicatie van de buffercapaciteit van de bodem. De P-z concentratie is een goede maat voor de concentratie labiel gebonden fosfaat. Uit de
23
data kan een basenverzadiging van de bodem bepaald worden om te zien hoe gevoelig deze is voor verzuring (door o.a. stikstofdepositie). Monsteranalyse De pH van het zoutextract werd gemeten met een standaard Ag/AgCl2 elektrode verbonden met een radiometer (Copenhagen, type TIM840). De concentraties natrium (Na+) en kalium (K+) werden vlamfotometrisch bepaald en de ammonium (NH4+), nitraat (NO3-), fosfaat (PO43-) en chloride (Cl-) concentraties aan de hand van kleurreacties met autoanalyser-technieken (zie ook http://www.ru.nl/fnwi/gi). De concentraties calcium (Ca), magnesium (Mg), zwavel (S), fosfor (P), ijzer (Fe), mangaan (Mn) en silicium (Si) werden gemeten met behulp van een ICP-OES (zie ook http://www.ru.nl/fnwi/gi).
24
3. Lemselermaten 3.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden Een lage fosfaatbeschikbaarheid biedt, zoals beschreven in hoofdstuk 1, goede kansen voor de ontwikkeling van (vochtige-natte) voedselarme natuur. Uit figuur 3.1 blijkt dat, als gevolg van het landbouwkundig gebruik, de P-beschikbaarheid voor planten (Olsen-P concentratie) en de totaal-P concentratie in de toplaag van de bouwvoor doorgaans te hoog zijn ten opzichte van de streefconcentraties (< ±300-500 µmol/l Olsen-P en < 3-5 mmol/l totaal-P). Er zijn echter ook een (beperkt) aantal schrale locaties reeds aanwezig in het gebied. Zowel de totaal-P concentraties als de Olsen-P concentraties nemen over het algemeen af in de diepte. De Olsen-P concentraties zijn in de eerste 30 cm onder de bouwvoor (onder de bouwvoor a) nog voor een flink aantal locaties te hoog voor natuurontwikkeling. Hieronder (onder de bouwvoor b) bieden de meeste locaties voldoende perspectief voor de ontwikkeling van P-gelimiteerde natuur.
Figuur 3.1 De totaal-P (links) en Olsen-P (rechts) concentraties uitgedrukt per liter bodem in de toplaag van de bouwvoor, het restant van de bouwvoor en in toenemende diepte onder de bouwvoor (de dieptes variëren sterk) voor het deelgebied Lemselermaten. De rode stippellijn geeft een grenswaarde waaronder ontwikkeling van schrale natuur kan plaatsvinden (uitbreiding habitattypen).
In figuur 3.2 (linksboven) zijn de Olsen-P en totaal-P concentraties van de bodems tegen elkaar uitgezet. De spreiding is relatief groot wat duidt op een grote variatie in de beschikbare fosfaatfractie. Dit kan worden veroorzaakt door het verschil in grondgebruik (bemestingsintensiteit), bodemtype (klei/leem, zand, veen) en door het verschil in bodemchemie (sterke variatie in ijzeren/of calciumconcentraties). De Olsen-P concentratie wordt dan ook niet alleen bepaald door de totaal-P concentratie van de bodem. Het fosfor kan aan ijzer gebonden zijn in de bodem, maar ook aan calcium. Fosfor wordt in bodems zeer effectief geïmmobiliseerd door adsorptie aan ijzer- en aluminium(hydr)oxiden en door de vorming van ijzerfosfaat zouten zoals Fe 3(PO4)2 (onder anaërobe condities) en FePO4 onder aërobe condities. Voor de P-immobiliserende werking van calcium is de vorming van relatief slecht oplosbare calciumfosfaat complexen verantwoordelijk. Dit calcium gebonden-P is meestal slecht oplosbaar en komt slechts zeer langzaam vrij door verweringsprocessen. Ook klei/leem deeltjes (de totaal-aluminium concentratie is indicatief voor het lutumpercentage) zijn een sterke P-binder. De calcium-, ijzer- en aluminiumconcentraties kunnen de beschikbaarheid van fosfaat dus beïnvloeden. In figuur 3.2 (rechtsboven en linksonder) is deze correlatie weergegeven.
Op plaatsen waar de bodem rijk is aan ijzer en calcium en/of aluminium ten opzichte van totaal-P,
25
blijft de P-beschikbaarheid voor planten doorgaans laag. Dit proces wordt versterkt op locaties waar sprake is van ijzer- en calciumrijk kwelwater.
Figuur 3.2. Correlaties tussen enkele interessante bodemchemische parameters.
In tabel 3.1 wordt per bemonsterde locatie in de Lemselermaten een overzicht gegeven van belangrijke bodemparameters in het bodemprofiel. In de tabellen zijn onder andere de fosfaatconcentraties opgenomen (Olsen-P en totaal-P). Op basis van de verhouding tussen de Olsen-P en P-totaal concentratie (beschikbare P-fractie) is een P-totaal streefconcentratie berekend (deze varieert op basis van de P-beschikbaarheid die beïnvloed wordt door o.a. de lemigheid, ijzer- en calciumconcentraties van de bodem). Op basis van het verschil tussen de streefconcentratie en de actuele totaal-P concentratie is per bemonsterde laag een verschralingsduur berekend bij traditioneel beheer van maaien en afvoeren (P-afvoer: 10 kg/ha/jr). Gericht uitmijnen met van een grasklavermengsel (met K-bemesting) of een productieve graszode (met N- en K-bemesting) gaat vier keer zo snel (P-afvoer: 40 kg/ha/jr). De verschralingsduren zijn rechts in de tabellen gegeven (M3, M5 en M8). In figuur 3.3 is een ruimtelijk overzicht gegeven van het aantal jaren maaien en afvoeren dat nodig zou zijn om de toplaag van de bodem te kunnen verschralen. Uit de resultaten blijkt dat de het op de meeste locaties minstens 40 jaar duurt om schrale condities te kunnen bereiken.
In het noordwestelijk deel van het gebied zijn percelen aanwezig waar de situatie (lokaal) al voedselarm is (locaties P14 en P15) of op redelijk korte termijn voedselarm kan worden via maaien en afvoeren (locaties P17, P19). Ook in andere percelen, ter hoogte van locatie P47 en P49, komen locaties voor waar op korte termijn via maaien en afvoeren voedselarme condities kunnen ontstaan.
26
Tabel 3.1 Overzicht van de grondwaterstand (GWS = actuele grondwaterstand GLG/GHG = gemiddeld laagste en hoogste grondwaterstand), grondsoort ,algemene bodemhorizont (HZT) en de bodemchemie per monsterlocatie in Lemselermaten waarbij OS= % organische stof; V = vochtpercentage; MV = massa/volumeverhouding van de bodem in kg/l; Ols-P = plantenbeschikbaar fosfaat (Olsen-P) in µmol per liter bodem; -t = totaalconcentratie in mmol per liter bodem. Pbs = voor planten beschikbare fosfaatfractie (Olsen-P/totaal-P) in mol/mol. –z = concentratie in een NaCl-extractie. M3 = indicatieve verschralingsduur (in jaren) per bodemlaag door middel van jaarlijks maaien en afvoeren bij een P-afvoer van 10 kg/ha/jaar op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 300 µmol/l (totaal-P ondergrens 3 mmol/l). M5: idem, echter op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 500 µmol/l (Olsen-P 300-500 µmol/l: streefconcentratie ontwikkeling heide of schraalland). M9: idem op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 900 µmol/l (zeer ijzerrijke (klei)bodems). cm-mv bv=bouw voor Nr
X
Y
Type
5
255765
484996
grasland
6
7
11
12
13
14
15
16
17
18
19
24
25
26
255828
255892
255730
255777
255749
255835
255846
255954
255967
256049
256068
256416
256387
256636
485000
485006
485222
485226
485285
485349
485301
485386
485329
485423
485357
485515
485457
485541
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
GWS GLG GHG Diepte 70
70
50
70
80
75
70
80
70
65
80
70
70
70
60
100
100
90
100
100
90
90
120
90
90
100
90
100
100
100
40
35
20
40
40
30
20
40
30
30
30
30
50
30
30
% % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mmol/lmmol/lmmol/lumol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
Grondsoort
HZT
OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
K-t Mg-t S-t Al-z
0-20
zand, lemig, bv
Apx
5 19 0,9 1081
17
0,06
125
47
229
19
28
8
20-40
veraard veen, sterk kleiig
OxC
7 28 0,9
622
12
0,05
201
97
298
15
34
11
40-60
zand, lemig
C
4 26 1,1
194
7
0,03
105
46
80
12
23
4
60-80
zand, lemig
C
2 23 1,3
262
10
0,03
146
66
96
15
42
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
4 19 1,0 1352
34
0,04
92
50
450
13
20-30
zand, sterk siltig, bv
Ap
4 20 1,0 1435
39
0,04
95
50
560
30-45
zand, min. insp.
BC
1 13 1,3
512
13
0,04
74
33
45-60
zand, min. insp.
BC
1 14 1,3
695
16
0,04
79
54
umol/l umol/l umol/l
Ca-z
Al/Ca
K-z
P-z
NO3-z NH4-z
17
28116
0,00
4456 5665
6,8 100
0
456
4
3
21568
0,00
1295 3517
6,8 100
0
109
13
Mg-z pH-z BV
M3
M5
M8
M12
78
58
28
0
37
14
0
0
0
0
0
7
0
0
0
0
22
8
167
135
88
24
13
22
7
96
79
54
20
276
8
20
1
24
1
0
0
308
8
28
1
43
21
0
0
0
60-80
zand, lemig
C
1 15 1,5
174
11
0,02
191
70
137
15
62
1
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
9 26 0,8 1089
27
0,04
110
66
219
9
22
16
122
91
45
0
20-30
zand, sterk siltig, bv
Ap
8 24 0,8
891
16
0,06
113
67
196
9
21
11
33
22
5
0
30-50
leem, sterk zandig
C
2 17 1,4
106
18
0,01
282
104
173
21
106
3
0
0
0
50-70
leem, sterk zandig
C
3 21 1,4
150
21
0,01
328
343
186
26
343
7
0
0
0
0
0-25
zand, sterk siltig, bv
Ap
10 30 0,8 1509
38
0,04
126
73
443
8
19
14
241
201
141
61
25-45
zand, sterk siltig, sterk ger.
axx
8 31 0,8
598
19
0,03
105
65
449
5
13
12
60
20
0
0
45-65
zand, venig
XX
6 27 1,0
87
2
0,04
49
41
37
4
8
8
0
0
0
65-85
zand, venig
XX
7 31 0,9
79
2
0,04
51
57
37
4
9
11
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Apxx
7 18 0,9 1486
23
0,06
120
49
175
8
19
10
117
97
68
28
20-40
zand, sterk siltig, bv
Apxx
9 25 0,8
934
20
0,05
148
71
191
7
18
13
83
57
17
0
40-60
zand, sterk siltig
Cxx
6 23 1,0
537
10
0,05
138
68
131
10
23
15
28
4
0
60-80
veraard veen
O
14 44 0,6
166
6
0,03
125
110
91
7
19
32
0
0
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
5 16 1,0 3209
46
0,07
144
40
276
8
15
9
260
242
215
180
20-40
leem, sterk zandig, omgezet
xx
3 15 1,2
917
26
0,04
234
45
492
10
21
6
109
74
21
0
40-60
leem, sterk zandig, omgezet
xx
7 28 1,0
935
28
0,03
347
65
800
9
25
12
120
82
26
0
60-80
komleem, vet
C
4 27 1,2
668
14
0,05
470
89
406
10
29
5
49
22
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
2 12 1,1
278
4
0,07
158
18
93
5
14
3
0
0
0
0
20-40
leem, sterk zandig, verstoord
axx
7 28 1,1
490
15
0,03
452
70
539
6
27
13
36
0
0
0
40-60
zand, sterk siltig
C
1 14 1,3
152
5
0,03
157
38
231
8
20
2
0
0
0
0
60-80
leem, sterk zandig
C
2 16 1,3
94
17
0,01
300
86
168
21
101
2
0
0
0
0
8
27
67
30
13
4
26133
36065
19565
26312
26276
28184
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
128
845
4454
6956
1060 2205
1313 3089
3323 7412
186
3825
7,1 100
7,0 100
6,1 100
6,0 100
6,0 100
5,9 100
0
0
0
0
0
0
32
124
36
405
150
21
4
85
3
32
1
3
0
0
0
0-20
zand, sterk geroerd
xx
2 13 1,3
121
4
0,03
90
45
63
6
23
5
0
0
0
0
20-40
zand, sterk geroerd
xx
4 17 1,1
189
4
0,05
90
38
103
5
13
6
0
0
0
0
40-60
zand, sterk siltig, sterk ger. oud bv
Axx
10 34 0,9
582
11
0,06
260
71
219
10
21
21
32
9
0
60-80
zand, sterk siltig, sterk ger. oud bv
Axx
5 23 1,0
617
11
0,06
115
52
278
5
14
12
34
13
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
8 22 0,9 1658
31
0,05
141
32
461
5
19
11
157
134
99
53
20-40
zand, kleiig, bv
Ap
5 18 1,0 1088
17
0,06
141
36
222
5
17
10
79
59
29
0
40-60
leem, sterk zandig, iets ger.
Bx
3 19 1,4
378
13
0,03
378
61
463
9
37
4
17
29141
0,00
183 11307 5,9 100
0
79
1
17
0
0
0
60-80
beekleem
C
4 25 1,3
777
68
0,01
302
75
1796
6
29
3
28
35044
0,00
278
0
54
14
260
151
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Apx
2 13 1,2
531
7
0,08
134
29
105
12
24
4
18
2
0
0
20-40
zand, lemig, sterk ger.
Cxx
2 15 1,2
482
7
0,07
149
39
101
11
22
6
17
0
0
0
40-60
zand
C
0 10 1,5
78
3
0,03
76
18
37
10
17
1
0
0
0
0
60-80
zand
C
0 13 1,5
87
3
0,03
90
22
44
12
20
2
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 15 1,1 1124
23
0,05
205
42
361
6
21
8
107
81
42
0
20-40
zand, bv
Ap
5 17 1,0
741
27
0,03
199
47
435
5
24
6
102
56
0
0
40-60
leem, sterk zandig, sterk ger.
Xx
5 20 1,3 1087
47
0,02
243
60
728
7
29
6
6
21829
0,00
744
8471
5,6 100
0
158
6
214
160
78
0
60-80
leem, sterk zandig, sterk ger.
Xx
4 23 1,2
879
63
0,01
293
67
990
9
30
7
31
27007
0,00
1632 7834
5,6 100
0
86
4
258
169
35
0
0-20
zand, brok leem, sterk ger.
Xx
2 16 1,2
472
7
0,06
156
33
146
12
27
4
17
0
0
0
20-40
zand, brok leem, sterk ger.
Xx
3 19 1,1
387
9
0,04
190
52
355
7
23
6
13
0
0
0
40-60
zand, sterk siltig
C
1 14 1,4
134
5
0,02
122
32
67
11
24
3
0
0
0
60-80
zand, sterk siltig
C
1 15 1,4
75
6
0,01
136
37
65
12
28
3
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4 15 1,0 2040
22
0,09
103
33
56
6
13
7
144
127
103
70
25-45
zand, uitlopende insp.
B
1 10 1,4
818
7
0,12
95
15
42
6
11
3
24
17
1
0
45-65
zand, uitlopende insp.
B
0 10 1,4
187
2
0,09
79
11
30
6
10
2
0
0
0
0
10
5
14
8
18807
5691
13920
4145
0,00
0,00
0,00
0,00
1111 1541
7623
1142 1593
351
2973
1246 1160
6,2
90
6,0 100
5,7
6,2
98
99
6,4 100
1
0
0
0
5
4
136
34
4606
165
139
3
0
0
65-85
zand, uitlopende insp.
B
0 11 1,5
244
2
0,11
103
15
28
7
11
2
0
0
0
85-105
zand
C
1 17 1,5
74
2
0,04
95
19
40
11
25
2
0
0
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
5 17 1,1 1439
21
0,07
150
45
161
8
17
9
102
84
57
21
20-40
zand, sterk siltig, sterk ger.
Axx
6 24 0,9
487
8
0,06
121
40
102
8
14
8
19
0
0
0
40-60
zand, sterk siltig, sterk ger.
Axx
5 26 0,9
249
5
0,05
125
42
184
8
13
15
7
16824
0,00
3959 2595
5,5
96
0
9
1072
0
0
0
60-80
zand, sterk humeus, ger.
xx
4 22 1,0
173
3
0,06
75
30
69
5
9
11
4
11307
0,00
2324 1680
5,4
97
0
14
683
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
9 27 0,8 2187
25
0,09
101
41
122
16
20
10
134
120
99
70
20-40
zand, brok leem, sterk ger.
Xx
6 28 1,2
556
23
0,02
182
96
544
22
36
10
66
14
0
0
40-60
zand, brok leem, sterk ger.
Xx
4 25 1,2
287
5
0,06
184
73
93
21
27
17
0
0
0
0
60-80
zand, sterk siltig
C
3 26 1,1
70
3
0,03
43
21
28
6
16
6
0
0
0
0
84
8972
0,01
1500 1966
6,0
99
0
30
5
0
0
27
Tabel 3.1. Vervolg Lemselermaten. 27
28
29
30
31
32
33
34
35
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
256804
256946
257052
256588
256629
256662
256670
256760
256812
257060
257079
256627
256662
256640
256549
256467
256397
256767
256850
485539
485538
485526
485473
485403
485491
485387
485443
485486
485423
485327
485311
485234
485140
485130
485132
485134
485167
485157
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
akker
akker
grasland
grasland
grasland
akker
akker
akker
grasland
grasland
60
50
60
90
90
80
70
80
80
60
80
100
90
90
120
140
110
100
110
100
90
100
100
110
95
90
100
70
90
40
30
20
20
50
60
50
40
55
50
30
30
80
130
135
130
150
110
140
80
80
60
60
70
30
50
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
8 22 0,8 2212
26
0,08
140
27
258
17
17
8
20-40
zand, brok leem, sterk ger.
Bxx
3 16 1,0 2200
21
0,10
121
26
165
14
16
5
40-60
zand, brok leem, sterk ger.
Bxx
6 29 1,1
531
9
0,06
242
55
279
20
26
8
60-80
zand, geroerd
BxC
1 17 1,3
159
4
0,04
86
27
62
12
27
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
7 25 0,9 1092
14
0,08
132
46
106
9
20-40
zand, sterk siltig, bv
Ap
6 26 1,1
675
10
0,07
231
87
220
40-60
klei, sterk zandig
A
7 28 1,1
294
7
0,04
227
103
60-75
veen
O
18 45 0,7
130
5
0,02
130
0-25
zand, sterk siltig, bv
Ap
10 29 0,7 1516
23
0,06
25-45
veraard veen, iets ger.
Ox
19 49 0,5
342
13
0,03
45-65
zand, brok leem, geroerd
Bxxc
2 21 1,1
136
4
65-85
zand, brok leem, geroerd
Bxxc
3 21 1,2
113
4
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
7 22 0,9 1826
20-30
zand, sterk siltig, bv
Ap
30-50
veraard veen, omgezet
50-70
zand
0-25
142
127
105
75
115
104
85
61
24
3
0
0
3
0
0
0
0
20
11
62
46
23
0
13
37
10
35
16
0
0
189
9
31
11
8
30003
0,00
2360 8500
6,5 100
1
63
41
0
0
0
186
118
10
33
9
6
37511
0,00
2093 8321
6,3 100
0
28
147
0
0
0
0
80
23
181
7
14
10
146
122
86
38
377
93
396
9
37
17
10
0
0
0
0,04
84
35
73
6
20
5
0
0
0
0,03
114
37
66
12
31
5
0
0
0
0
30
0,06
110
38
280
8
21
11
157
136
106
64
6 21 0,9 1131
27
0,04
139
60
424
9
24
9
62
47
25
0
Oxa
17 41 0,6
554
39
0,01
93
82
973
3
17
11
111
23
0
0
C
1 14 1,4
170
7
0,03
115
35
88
11
32
2
0
0
0
0
zand, sterk siltig, bv
Ap
6 21 0,9 1072
20
0,05
186
55
540
6
16
9
110
81
39
0
25-45
zand
AxxC
1 13 1,4
213
2
0,09
109
29
97
9
17
2
0
0
0
0
45-65
zand
C
1 13 1,5
103
2
0,04
116
23
54
10
21
2
0
0
0
65-85
zand
C
1 14 1,5
60
3
0,02
131
26
59
12
24
1
0
0
0
0
0-25
zand, kleiig, bv
Ap
3 15 1,0 1384
22
0,06
120
30
277
10
18
7
135
110
73
23
25-45
leem, sterk zandig, sterk omgezet
Axx
4 20 1,2
250
22
0,01
116
45
1273
7
21
4
0
0
0
0
45-65
leem, sterk zandig, sterk omgezet
Axx
4 24 1,2
196
10
0,02
193
68
654
8
26
8
0
0
0
65-85
zand
C
1 16 1,3
84
6
0,01
105
30
67
10
32
2
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4 15 1,0 2728
23
0,12
136
22
68
6
16
7
124
117
101
80
20-35
zand, bv
Ap
2 13 1,3 1450
12
0,12
158
17
66
7
17
4
41
36
25
9
35-55
zand
C
1 10 1,4
123
2
0,05
160
9
100
9
26
1
0
0
0
55-75
zand
C
0 12 1,4
206
1
0,17
97
6
31
7
14
0
0
0
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
4 17 1,0 5085
39
0,13
128
48
47
8
16
8
222
217
203
184
20-35
zand, kleiig, bv
Ap
4 15 1,1 2803
27
0,10
138
45
51
7
14
6
113
104
91
72
35-55
zand, min. insp.
BC
1
8 1,4
584
6
0,09
148
21
87
9
20
1
55-75
zand, min. insp.
BC
1 10 1,4
322
9
0,04
134
19
220
11
22
1
4
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
3 16 1,1 3974
40
0,10
149
44
84
8
19
8
229
216
198
173
20-35
zand, bv
Ap
2 13 1,2 3892
42
0,09
162
69
90
8
20
7
181
170
155
135
35-55
zand, iets ingespoeld
BC
0 10 1,5
789
5
0,16
155
23
85
13
22
1
12
11
55-75
zand, iets ingespoeld
BC
1 11 1,5
517
6
0,08
134
21
197
13
23
1
17
1
0
0
0-20
klei, sterk siltig, bv
Ap
5 23 1,1 1649
11
0,14
114
22
72
8
17
8
53
50
37
19
20-40
zand, sterk geroerd
xx
2 12 1,4
379
3
0,11
176
24
49
9
18
2
3
0
0
0
40-60
zand, sterk geroerd
xx
1 13 1,5
269
3
0,09
164
16
50
10
20
2
0
0
0
0
60-80
zand
C
0 14 1,6
210
4
0,05
113
22
66
11
27
1
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
3 17 1,2 1174
9
0,13
173
23
91
7
20
7
39
33
18
0
20-40
zand, sterk verstoord
Xx
2 13 1,3
188
2
0,08
159
17
104
5
15
3
0
0
0
0
40-60
zand, sterk verstoord
Xx
2 14 1,4
203
2
0,09
150
17
100
6
15
2
0
0
0
60-80
zand, sterk verstoord
Xx
2 16 1,4
155
3
0,06
165
28
142
5
16
3
0
0
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
7 19 0,9 2387
26
0,09
130
34
104
4
9
9
143
129
109
81
20-40
zand, kleiig, bv
Ap
8 22 0,9
7
0,09
136
27
13
2
6
6
21
11420
0,00
84
2898
5,4 100
0
86
4
23
10
0
0
40-60
zand
B
3 13 1,2 2195
7
0,31
145
16
15
5
9
4
57
7069
0,01
93
1988
5,3
0
31
4
26
26
26
20
60-80
zand
B
2 11 1,3 4531
14
0,32
152
13
18
5
11
2
69
69
69
65
137
130
112
87
15
5
0
0
0
0
0
650
34
9
11
4
12
52
15
28
46
13
18940
25176
23199
7299
10901
3047
5246
9185
5666
9910
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,02
0,00
0,00
0,01
0,00
9643 6475
6,0 100
1203 10116 6,0 100
130
5631
1613 1781
935
976
2862
1354
1166 1309
2063 1428
1047 2336
729
3315
6,1 100
6,1 100
5,5 100
5,4
98
6,4 100
7,0 100
5,5
99
5,4 100
99
0
0
0
0
2
0
11
1
0
0
306
805
346
23
143
13
142
34
133
201
86
227
15
7
30
4
4
4
5
5
19
6
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
7 20 0,9 2626
21
0,13
144
23
28
5
14
10
25-45
zand, lemig, iets geroerd
BCx
2 11 1,3
584
5
0,11
240
18
63
9
35
2
45-65
zand
C
1 11 1,5
418
3
0,17
162
11
51
7
26
1
65-85
zand
C
1 12 1,5
511
4
0,13
307
16
93
12
46
1
6
1
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4 14 1,0 2431
17
0,14
132
19
41
4
11
7
110
106
90
68
25-45
zand, iets geroerd
BCx
1
8 1,3
213
3
0,07
167
14
94
8
21
1
0
0
0
0
45-65
zand, iets geroerd
BCx
1
9 1,4
182
3
0,06
166
17
215
8
26
1
21
6583
0,00
470
2933
5,3
99
0
89
4
0
0
0
65-85
leem, sterk zandig
C
1 12 1,5
340
5
0,07
309
33
112
20
65
1
85
12056
0,01
1156 4704
5,3
99
0
65
5
4
0
0
0
0-20
zand, geroerde bv
Apxx
5 18 1,1 4646
25
0,18
147
17
54
7
14
11
139
139
131
117
20-40
zand, geroerde bv
Apxx
1 10 1,2
439
4
0,12
154
9
45
7
18
2
4
0
0
0
40-60
zand, inspoeling
Bx
1 13 1,4
221
2
0,11
212
10
41
11
23
3
0
0
0
60-80
zand, inspoeling
Bx
1 13 1,4
194
2
0,10
182
9
37
11
22
2
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 17 1,1 3956
34
0,12
168
30
56
9
14
9
193
185
169
147
20-40
zand
C
1
9 1,3
347
6
0,06
203
15
133
11
25
2
5
0
0
0
40-60
zand
C
1
9 1,4
205
4
0,05
185
14
108
11
25
1
0
0
0
0
60-80
zand
C
1 10 1,4
151
3
0,05
151
12
87
10
21
1
0
0
0
130-150
zand, sterk ingespoeld
B
0 15 1,5
161
1
0,26
34
3
3
3
2
1
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
5 17 1,1 3537
33
0,11
127
30
48
7
12
8
186
176
158
135
20-30
zand, sterk siltig, bv
Ap
5 17 1,1 4674
29
0,16
122
27
47
6
10
8
82
81
76
68
30-50
zand
bxc
1 12 1,3
449
3
0,18
125
12
1
0
0
0
50-70
zand, inspoeling
B
1 12 1,4
292
2
0,15
98
8
43
5
7
1
31
3095
0,01
430
902
5,5
99
0
391
3
0
0
0
70-90
leem, vet
C
1 16 1,5
666
14
0,05
456
46
179
35
100
2
564 14768
0,04
2277 7775
4,4
96
0
467
6
48
22
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4 17 1,0 1978
8
0,24
135
4
32
4
8
5
42
42
39
26
25-45
zand, sterk siltig, ger. insp.
Bx
3 15 1,2
550
4
0,12
272
10
55
9
23
3
9
3
0
0
45-65
zand
C
1
9 1,4
241
1
0,18
112
4
27
4
13
1
0
0
0
0
65-80
zand
C
1 10 1,4
126
2
0,08
160
5
55
7
19
1
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, afgetopte bv
Axx
13 40 0,6
466
10
0,05
115
54
60
4
10
25
23
0
0
0
20-40
zand, sterk omgezet
Xx
1 15 1,5
172
2
0,08
181
28
73
6
19
3
0
0
0
0
40-60
zand, sterk omgezet
Xx
2 17 1,6
175
3
0,06
303
45
96
9
23
3
0
0
0
0
60-80
zand, sterk omgezet
Xx
1 16 1,6
105
2
0,05
248
30
119
9
32
2
10
15204
0,00
89
993
6,4 100
0
6
5
0
0
0
0
80-100
veen
O
33 70 0,3
201
10
0,02
171
177
51
3
11
72
22
26085
0,00
8
1409
6,1 100
0
3
12
0
0
0
0
8
37
5
60
491
21
3093
762
3491
0,02
0,64
0,01
757
1221
1539
332
1868 1167
5,3
4,6
5,5
98
68
99
0
0
0
60
376
240
4
5
4
0
840
632
1,33
243
58
4,5
38
0
9
4
0
0
0
0
0
28
Tabel 3.1. Vervolg Lemselermaten. 47
48
49
50
56
57
58
256246
256241
256332
256300
256927
257000
257079
484951
484850
484955
484844
484663
484634
484596
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
grasland
30
65
55
100
110
100
110
0
35
30
75
140
90
130
90
130
100
0-20
zand, sterk siltig, restant afgeg.bv
Axx
4 25 1,1
806
12
0,07
150
61
86
15
36
18
46
28
1
0
20-40
zand, lemig
C
1 13 1,4
264
6
0,04
144
45
67
16
37
6
0
0
0
0
40-60
zand, lemig
C
1 16 1,6
163
4
0,04
112
35
52
13
31
4
0
0
0
0
60-80
zand, lemig
C
1 16 1,6
91
4
0,03
94
26
44
11
27
4
0
0
0
0
0-25
zand, sterk siltig, bv