Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 19 Mer-beoordeling.pdf
Tekst van het document
M.e.r.-beoordeling Lemselermaten Aanmeldingsnotitie 18 mei 2022
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Verantwoording Titel
M.e.r.-beoordeling Lemselermaten
Opdrachtgever
Provincie Overijssel
Projectleider
Lennaart Lamers
Auteur(s)
David Smit
Tweede lezer
Renze Haitsma
Projectnummer
1280770
Aantal pagina’s
17
Datum
18 mei 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................. 4
1.2
Procedure vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................. 5
1.3
Leeswijzer .......................................................................................................................... 8
Plaats en kenmerken van het project ........................................................................................ 8 2.1
Plaats van het project ......................................................................................................... 8
2.2
Kenmerken van het project ................................................................................................ 9
Beschrijving van milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) ....................................... 9 3.1
Inleiding .............................................................................................................................. 9
3.2
Bodem ................................................................................................................................ 9
3.3
Water ................................................................................................................................ 11
3.4
Natuur .............................................................................................................................. 12
3.5
Archeologie ...................................................................................................................... 14
3.6
Landschap en cultuurhistorie ........................................................................................... 14
3.7
Effecten op overige milieuaspecten ................................................................................. 15
3.8
Cumulatie ......................................................................................................................... 16
Conclusie ................................................................................................................................. 17
3/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding vormvrije m.e.r.-beoordeling
In het oosten van de provincie Overijssel ligt het Natura2000-gebied Lemselermaten. Het gebied ligt in de gemeente Dinkelland, tussen Oldenzaal en Weerselo. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging en begrenzing van het Natura2000- gebied weergegeven. Figuur 1.1: Ligging van het Natura2000-gebied Lemselermaten.
Het Natura2000-gebied Lemselermaten bevat vochtige heiden, schrale graslanden en moerasbos. Het ligt langs de Weerselerbeek en Dollandbeek, aan de westelijke voet van de stuwwal van Oldenzaal. In dit reliëfrijke, kleinschalige landschap treedt op laaggelegen plekken basenrijk grondwater uit. In het verleden lag hier een reeks van maten met orchideeënrijk kalkmoeras, maar van deze soortenrijke graslanden resteert nog een enkel maatje 1. Het Natura2000-gebied is voor een groot deel in eigendom en beheer van Staatbosbeheer. Daarnaast zijn verspreid over het gebied enkele bospercelen en graslanden eigendom van particulieren. 1
https://www.natura2000.nl/gebieden/overijssel/lemselermaten
4/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Voor het gebied heeft de provincie Overijssel een beheerplan en Gebiedsanalyse laten opstellen waarin wordt omschreven wat de doelen zijn voor de gebieden en welke herstelmaatregelen waar en wanneer nodig zijn. Deze zijn beschreven in het Inrichtingsplan dat de basis vormt voor het Provinciaal Inpassingsplan (PIP). De maatregelen zijn gerelateerd aan Natura 2000-doelen en moeten leiden tot behoud en/of verbetering/vermeerdering van oppervlak en kwaliteit van habitattypen. Er worden veel maatregelen getroffen. Een aantal daarvan zijn ontgrondingen: De maatregelen M9/M10 ‘Ondiep afgraven van de toplaag’ -
Maatregel M11 ‘Omvorming landbouwpercelen naar natuur binnen Natura 2000 gebied en (lokaal) fosfaatrijke toplaag verwijderen (eenmalig)’ Omdat plaggen de hydrologie verstoord is in de verdere uitwerking van het maatregelenpakket het plaggen en ontgraven van de bouwvoor verandert in (af)schrapen strooisellaag. Bij (af)schrapen wordt niet de minerale bodem ontgraven. Voor de ontgronding moet beoordeeld worden of het gezien de milieueffecten noodzakelijk is de procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen (zie paragraaf 1.2). Voorliggende aanmeldingsnotitie geeft de Provincie Overijssel de informatie die nodig is om dit besluit te kunnen nemen.
1.2
Procedure vormvrije m.e.r.-beoordeling
De Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. maken onderscheid tussen activiteiten die m.e.r. plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C‐activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.‐ beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D‐activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Overijssel) moet beoordelen of de aard en kenmerken van de activiteit zodanig zijn dat een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Beoordeling nadelige milieugevolgen Om de kwaliteit van de kalkmoerassen te behouden is uitbreiding noodzakelijk. De locatie vlakbij het huidige Westelijke en Oude Maatje is daarvoor het meest geschikt. Hiervoor dient plaatselijk bos gekapt te worden en de strooisellaag verwijderd. Door uitvoering van deze werkzaamheden kan de voor het habitattype kenmerkende vegetatie terugkeren, daar waar deze is verdwenen. De percelen waarvoor dit geldt zijn weergegeven als zoekgebied voor deze maatregel. In Figuur 1.2 zijn de locaties van deze interne maatregelen weergegeven op de kaart van het gebeid.
5/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Figuur 1.2: Maatregelenkaart van de interne maatregelen Lemselermaten
6/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Voor het graven van de Nieuwe Dollandbeek, de natuurvriendelijke oevers langs de Weerselerbeek en het aanleggen van de vispassage wordt circa 1.980 m3 ontgraven. Het totale oppervlak voor de ontgronding is circa 0,6 hectare. Artikel 3.3.2.1 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel (2017) beschrijft de vergunningsplicht bij ontgrondingen. Ontgrondingen voor natuurontwikkeling waarbij minder dan 10.000m3 grond vrijkomt (en niet dieper dan 3 meter wordt ontgraven) zijn vrijgesteld van vergunningplicht 2. Bij activiteiten die staan in het Besluit milieueffectrapportage bepaalt de provincie of deze activiteiten vanwege bijzondere omstandigheden m.e.r. plichtig zijn. Dit moet ook als de activiteiten in beginsel zijn vrijgesteld van vergunning 3. Op de ontgronding is categorie 16.1 van bijlage D (ontgronding) van het Besluit m.e.r. van toepassing. In die categorie is een drempelwaarde van 12,5 ha opgenomen. Boven deze drempelwaarde geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht maar ook onder de drempelwaarde kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Voorliggende aanmeldingsnotitie is opgesteld om te kunnen inschatten of nadelige milieueffecten bij de werkzaamheden worden verwacht.
Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn er twee mogelijke uitkomsten: • Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden: er dient een m.e.r.procedure doorlopen te worden •
Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op: er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure hoeft te wordt doorlopen
Aanmeldingsnotitie Het nut van voorliggende aanmeldingsnotitie is dat in een vroeg stadium beoordeeld wordt of een activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De beslissing van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, vindt plaats op basis van deze notitie. Een aanmeldingsnotitie moet alleen worden opgesteld indien de initiatiefnemer (Gemeente Dinkelland in dit geval) niet het bevoegd gezag is van de voorgenomen activiteit. De notitie moet ingediend worden bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Deze aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit, conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn [1]. Binnen zes weken nadat de initiatiefnemer deze informatie heeft verstrekt, moet het bevoegd gezag beslissen of een MER moet worden opgesteld.
2
Provincie Overijssel Omgevingsverordening 2017
3
https://www.overijssel.nl/loket/vergunning-ontheffing-melden/ontgrondingen/aanmeldingsnotitie/
7/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Vergunningen Zoals hierboven beschreven zijn de graafwerkzaamheden vrijgesteld van een ontgrondingsvergunning- of melding. De grotere waterhuishoudkundige maatregelen vereisen een watervergunning bij waterschap Vechtstromen. Voor bos dat gekapt wordt ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden geldt formeel geen herplantplicht. Wel kan er een meldingsplicht gelden of een kapvergunning nodig zijn voor de kap van bomen.
1.3
Leeswijzer
In dit hoofdstuk is de aanleiding van de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de inhoud van dit rapport beschreven. Hoofdstuk 2 beschrijft de kenmerken en de plaats van het project. In hoofdstuk 3 wordt de beschrijving van de milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 4 de conclusie. Er is gebruik gemaakt van diverse onderzoeksrapporten waarvan literatuurverwijzingen zijn opgenomen. Voor het overige is, zoals gebruikelijk bij m.e.r.beoordelingen, de toetsing gebaseerd op expert judgement.
2 Plaats en kenmerken van het project 2.1
Plaats van het project
Het Natura 2000-gebied Lemselermaten heeft een oppervlakte van circa 55 ha en is onderdeel van het beekdallandschap. Het gebied is in 2013 aangewezen als Natura 2000-gebied 4. Het gebied ligt in de provincie Overijssel langs de Weerselerbeek en Dollandbeek, aan de westelijke voet van de stuwwal van Oldenzaal. Het natuurgebied wordt gekenmerkt door voornamelijk natte vegetaties die allemaal afhankelijk zijn van een goede vocht- en nutriëntenhuishouding welke in de huidige situatie niet optimaal is. Bijzonder in het gebied zijn stukjes kalkmoeras en restanten van trilveenvegetatie in het centrale deel van het gebied (de “Maatjes”), omgeven door blauwgrasland en nat broekbos (beekbegeleidende bossen) op voedselrijke en basenrijke bodems in de nabijheid van beide beken. Verspreid over het gebied komt de zeggekorfslak voor. Verder zijn er vooral natte heideterreinen te vinden in het gebied. Het natuurgebied kent drie kernopgaven: Herstel kwaliteit en uitbreiding areaal van kalkmoerassen H7230. Ontwikkelen van kleinschalige mozaïeken van heischrale graslanden *H6230 en
-
blauwgraslanden H6410 met andere beekdalgraslanden en met vochtige heiden (hogere zandgronden) H4010A op de beekdalflank t b.v. herpetofauna en insecten Herstel kwaliteit en vergroting areaal vochtige alluviale bossen en (beekbegeleidende bossen) *H91E0C en behoud leefgebied zeggekorfslak H1016
Momenteel is het gebied in de zomer te droog, in de winter te nat, en is te veel stikstof. Dit is een bedreiging voor de natuur. De provincie wil de aanwezige habitattypen vol planten en dieren beschermen.
https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2019/04/lemselermaten_natura_2000_beheerplan_definitief_9_september_
4
2016_inclusief_bijlagen.pdf
8/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Door de omgeving schoner en natter te maken, krijgen ook zeldzame dieren als de zeggekorfslak een beter leven. Met verschillende maatregelen wil de provincie de gebieden behouden en versterken.
2.2
Kenmerken van het project
Het project omvat veel maatregelen die worden genomen om de gebieden weer robuust te maken. Deze aanmeldnotitie focust zich op de ontgrondingsmaatregelen omdat deze m.e.r. beoordelingsplichtig zijn. Voor het graven van de Nieuwe Dollandbeek, de natuurvriendelijke oevers langs de Weerselerbeek en het aanleggen van de vispassage wordt circa 1.980 m3 ontgraven. Het totale oppervlak voor de ontgronding is circa 0,6 hectare. De werkzaamheden worden in 2024 uitgevoerd. De werktijden zijn van ca. 07.00 tot 16.00 uur.
3 Beschrijving van milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) 3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de ontgronding voor het milieu. Het gaat hierbij zowel om de positieve als de negatieve effecten in het plangebied en omgeving, en de mate van het effect. Deze notitie behandelt de milieuaspecten die van belang zijn bij de voorgenomen activiteit (ontgronden). Gezien de ingrepen in de bodem om natuur te herstellen, zijn de onderwerpen bodem, water en natuur het meest relevant. Vanwege de ligging van het plangebied en mogelijke landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, zijn deze thema’s ook toegevoegd. Overige milieuthema’s voor een ontgronding (lucht, geluid, externe veiligheid) worden gezamenlijk onder het kopje ‘effecten op overige aspecten’ beschouwd. De milieuthema’s in deze beoordeling zijn: • Bodem • Water • • •
Natuur (inclusief stikstofdepositie) Archeologie Landschap en cultuurhistorie
•
Effecten op overige aspecten.
3.2
Bodem
Huidige situatie Uit onderzoek 5 blijkt de bodem in het plangebied uit verschillende bodemtypen te bestaan: podzolgronden; -
5
(dikke) eerdgronden; beekeerdgronden;
Aequator Groen & Ruimte bv, Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid uitwerkingsgebied Lemselermaten, 15
juni 2019
9/17
Kenmerk
-
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Moerige gronden
De zandgronden bestaan voornamelijk uit fijn tot zeer fijn, lemig zand. In Figuur 3.1 is de bodemkaart van het gebied rondom het plangebied weergegeven. Figuur 3.1.Bodemkaart van het gebied rondom Lemselermaten.
Effecten Het verwijderen van bos en het afschrapen van de strooisellaag heeft effect op de bodemstructuur en de bodemkwaliteit. Deze zal verarmen. Dat wordt ook beoogd met de ingreep zodat het habitattype Kalkmoeras kan herstellen en worden uitgebreid. In opdracht van de gemeente Dinkelland is er een bodemonderzoek uitgevoerd 6. In dit onderzoek is gekeken naar de bodemkwaliteit en mogelijke verontreinigingen. Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat er geen verontreinigingen en/of andere bodemrisico’s worden verwacht binnen het plangebied. Echter, wordt op basis van de bekende gegevens ook geconcludeerd dat op de locatie Glipsdijk 5, aan de rand van het plangebied, sprake is van een asbestverontreiniging in bodem. Dit adres ligt echter buiten het plangebied voor de maatregelen en leidt daarmee niet tot een negatief effect op de natuurherstelmaatregelen. Schrapen (afschrapen van de organische laag, waarbij de minerale bodem intact blijft) is een maatregel om opgehoopte stikstof en/of fosfaat versneld af te voeren of om pionierssituaties te creëren binnen een vegetatieblok. Hierdoor ontstaat ruimtelijke afwisseling in soorten en vegetaties.
6
Lycens, Historisch bodemonderzoek Natura 2000 gebied Lemselermaten, 9 april 2020
10/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Door kleinschalig te schrapen kan de voor het habitattype kenmerkende vegetatie terugkeren, daar waar deze is verdwenen. Schrapen kan echter ook nadelige effecten hebben op de buffercapaciteit (de mogelijkheid van een bodem om stoffen op te kunnen nemen en om te kunnen zetten) van de bodem. In Lemselermaten zijn echter bodems met een goede basenverzadiging (dus hoge buffercapaciteit) aanwezig, waardoor dit hier niet speelt. Schrapen geeft in dit soort situaties juist vaak heel goede resultaten (bron: B-ware). Toch wordt geadviseerd om terughoudend om te gaan met schrapen. Het is en blijft een ingreep in het bodemsysteem. Voor alle werkzaamheden wordt echter geadviseerd om altijd attent te blijven op een eventuele bodemverontreiniging. Daarnaast maakt PFAS nog geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor moet voorafgaand aan grondverzet in ieder geval de kwaliteit van de grond ten aanzien van PFAS nog worden bepaald. Er worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema bodem.
3.3
Water
Huidige situatie Het Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt in het beheergebied van waterschap Vechtstromen. Het gebied valt binnen het stroomgebied van de Weerseloschebeek en op de grens met het stroomgebied van de Boschbeek. Het stroomgebied van de Weerseloschebeek bestaat uit de beken Weerselerbeek, Dollandbeek en Holtwijkerbeek. Het stroomgebied van de Boschbeek bestaat onder andere uit de Lemseleresbeek en de Boschbeek. Lemselermaten wordt aan de noordzijde begrenst door de Weerselerbeek. Aan de west- en zuidzijde loopt de Dollandbeek. Deze beek loopt door het gebied heen. In het gebied komen relatief grote fluctuaties in het grondwater voor. In de wintersituatie staan delen van het beekdal van de Dollandbeek en de Weerselerbeek onder water. Ook enkele landbouwpercelen aan de noordzijde van het natuurgebied staan in de winter en het vroege voorjaar plas-dras. De dekzandruggen zijn in het algemeen goed ontwaterd, de geschatte GHG is op de droogte delen dieper dan 80 cm –mv. In het oosten, richting de Lemselose weg, komen op de dekzandrug natte plekken voor waar de grondwaterstand in de winter naar 20 – 40 cm –mv stijgt. In de zomer dalen de grondwaterstanden in het beekdal niet dieper dan 80 cm –mv en op de landbouwpercelen langs de Weerselerbeek en de Holthuizerbeek blijven ook in de zomer hoge grondwaterstanden 80 – 100 cm – mv bestaan.
Op de hoge dekzandruggen, langs de Haarstraat en in het zuidoostelijk deel van het gebied, zakken de grondwaterstanden in de zomer dieper weg dan 180 cm –mv4. Effecten Het verwijderen van drainage en dempen van greppels en sloten leidt tot een verhoging van de grondwaterstand waardoor het gebied natter wordt. Dit effect wordt juist beoogd met de maatregelen om natuur te herstellen. De hydrologische maatregelen zorgen voor een toename van de kwel en de duur van de hoogste grondwaterstanden. Ook leidt het tot een afname van wegzijging ten opzichte van de huidige situatie. Dit is gunstig is voor de habitattypen vanwege hun afhankelijkheid van lokale/regionale kwel. De maatregelen leiden niet tot negatieve effecten op grondwaterkwaliteit.
11/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
De kwel in het dal van de Weerselerbeek wordt door uitvoering van de maatregelen sterk verbeterd tot 2,6 en 2,9 mm/dag in de wintersituatie voor de blauwgraslanden en de zwakgebufferde vennen. De kwel in het dal van de Dollandbeek wordt door uitvoering van de maatregelen ook fors verbeterd tot 4 en 11 mm/dag. Voor beide beekdalen leidt dit tot verbetering van de basenverzadiging en zuurbuffering, mits de toestroom van nutriënten wordt gestopt. Uit onderzoek blijkt dat op alle locaties de situatie binnen de randvoorwaarden van de ecologische vereisten komt. 7 Landbouw Aequator heeft onderzoek gedaan naar de bodembeschiktheid voor landbouw na uitvoering van de maatregelen 8. Hieruit blijkt dat zowel voor weidebouw als akkerbouw de maatregelen leiden tot verminderde bodemgeschiktheid door vernatting. Tot ver buiten het Natura 2000 gebied kunnen waterstanden in de winter toenemen met 5 tot 15 cm. De effecten zijn vooral groot ten noorden van Lemselermaten. In de toekomstige situatie wordt een flinke stijging van de natschade verwacht voor percelen direct rondom het natuurgebied. Met de betreffende grondeigenaren dienen afspraken gemaakt te worden over compensatie. Een andere mogelijkheid is om deze percelen voor de natuurontwikkelingen te verwerven. De hydrologische maatregelen leiden ook tot een effect op de gemeentelijke wegen in het plangebied.
Vooral de Rutermedenweg en Reservaatweg kennen na de verhoging van de grondwaterstand nog een geringe drooglegging waardoor risico op schade ontstaat. Hiervoor zijn wellicht mitigerende maatregelen nodig in de vorm van wegverhoging. Ook bij een aantal erven in de omgeving van Lemselermaten nemen de grondwaterstanden toe. Om te zorgen voor voldoende drooglegging bij de erven zijn maatregelen nodig. Het aanleggen van drainage rond een erfperceel behoord tot de mogelijkheid. Daarbij moet getoetst worden of deze drainage geen negatief effect heeft op gewenste hydrologische situatie binnen het Natura 2000-gebied. De effecten voor het thema water zijn met maatregelen te mitigeren. Er worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema water.
3.4
Natuur
Huidige situatie Het gebied Lemselermaten is in 2013 aangewezen als Natura 2000-gebied. In het gebied komen de volgende habitattypen voor: Vochtige Heiden (H4010A; 0,9 ha), Heischrale graslanden (H6230; 0,22 ha), Blauwgraslanden (H6410; 0,45 ha), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150; 0,24 ha), Kalkmoerassen (H7230; 0,014 ha) en Vochtige alluviale bossen (H91E0C; 1,6 ha). Daarnaast komt de stikstofgevoelige Zeggekorfslak (H1016) voor.
7
Gemeente Dinkelland 2022, Inrichtingsplan Natura 2000-gebied Lemselermaten
8
Aequator 2019. Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid uitwerkingsgebied Lemselermaten
12/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Effecten Soortenbescherming In 2017 heeft Ecogroen een bureaustudie 9 uitgevoerd naar de effecten van de maatregelen op de natuurgebieden. Voor de maatregel M9 (Afgraven toplaag en verwijderen bos) geldt dat er niet gewerkt kan worden conform een goedgekeurde Gedragscode. Doordat de maatregel is opgenomen in het beheerplan volstaat het opstellen van een ecologisch werkprotocol. In een ecologisch werkprotocol worden de eisen vastgelegd voor het zorgvuldig werken en het voorkomen van schade aan beschermde natuurwaarden. Mogelijk dient dit ecologisch werkprotocol voorgelegd te worden aan de Provincie Overijssel. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming is de maatregel M9 benoemd en voldoende beoordeeld in het beheerplan. Effecten zijn uit te sluiten en de maatregelen zijn vergunningvrij mits er mitigerende maatregelen getroffen worden. Er moet een ecologisch werkprotocol opgesteld worden met de voorwaarden beschreven in het beheerplan. Voor de maatregel M11 (omvorming landbouwpercelen) geldt dat significant negatieve effecten als gevolg van werkzaamheden in de bufferzone niet uit te sluiten zijn. Ditzelfde geldt voor de Zeggekorfslak, omdat deze verspreidt door het Natura 2000-gebied voorkomt. Er wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een uitgebreide effectbeoordeling.
Daarbij moet worden opgemerkt dat moeraszegge de belangrijkste plant voor de Zeggekorfslak is. Deze zegge is verspreid in de Lemselermaten aanwezig is. De verwachting is dat met de voorgestelde hydrologische maatregelen de kwaliteit van de Vochtige alluviale bossen zal verbeteren en dat een soort als moeraszegge (en daarmee Zeggekorfslak) hier in belangrijke mate van zal profiteren. De veranderingen in het leefgebied van Zeggekorfslak door de voorgestelde herstelmaatregelen kunnen getoetst worden door een inventarisatie van de soort zelf, maar ook door de verspreiding van genoemde zeggensoorten (m.n. moeraszegge) in beeld te brengen. Op vraag van de Gemeente Dinkelland heeft Natuurbank Overijssel onderzocht wat de consequenties zijn van de maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming 10. Hierin wordt geconcludeerd dat voor de maatregelen geen ontheffing of vergunning aangevraagd hoeft te worden. Ook hoeft geen soortenbeschermingstoets of Passende beoordeling opgesteld te worden. Wel dient er rekening te worden gehouden met de zorgplicht en dienende maatregelen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Er worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het zowel de soorten- als gebiedsbescherming binnen het thema Natuur.
Ecogroen, Uitvoering interne PAS-maatregelen Lemselermaten, 8 september 2017. Natuurbank Overijssel, Quickscan Natuurwaardenonderzoek Natura2000-gebied Lemselermaten in het kader van de Wet natuurbescherming, 18 juni 2019. 9
10
13/17
Kenmerk
3.5
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Archeologie
Huidige situatie In opdracht van de gemeente Dinkelland is er een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd 11. Op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart komen zones voor met een lage verwachting (laagten), middelmatige verwachting (dekzandwelvingen en -vlakten) en hoge verwachting (dekzandhoogten en -ruggen en dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek). Hoewel conform het gemeentelijk beleid een vrijstelling geldt voor bodemingrepen tot 40 cm, is besloten ook de ingrepen tot 40 cm in het onderzoek te betrekken. De reden hiervoor is dat archeologische resten in dit deel van Nederland aan of vlak onder het maaiveld kunnen voorkomen. Aangezien in dit plangebied tot op heden weinig grootschalige bodemverstorende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, kunnen deze resten ook binnen de vrijstellingszone van 40 cm nog intact aanwezig zijn. Effecten Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt een hoge verwachting op resten uit alle archeologische perioden op de relatief hoge delen van het plangebied. De geplande werkzaamheden op deze locaties waarbij sprake is van enige bodemverstoring kunnen deze resten aantasten. Aangezien archeologische resten hier vermoedelijk dicht onder het maaiveld liggen, kunnen oppervlakkige graafwerkzaamheden al leiden tot aantasting van een archeologische vindplaats.
Daarom wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te voeren op de locaties waar bodemverstorende ingrepen zijn voorzien en waar sprake is van een hoge of middelhoge archeologische verwachting èn waarbij de geplande ingrepen dieper reiken dan 40 cm -mv. Hoewel er conform het gemeentelijk beleid geen verplichting is tot archeologisch onderzoek bij bodemingrepen ondieper dan 40 cm -mv, wordt er geadviseerd ook in deze zones vervolgonderzoek uit te voeren.
3.6
Landschap en cultuurhistorie
Huidige situatie Lemselermaten is onderdeel van het beekdallandschap. Beekdalen zijn bij uitstek gradiëntrijke landschappen. De waterhuishouding heeft een belangrijke ruimtelijk structurerende werking op de vegetatie. Het gebied is een restant van een complex van beekdalblauwgraslanden, kalkmoeras en elzenbroek. Het ligt ten zuidoosten van Weerselo, tussen de Weerselerbeek en de Dollandbeek die respectievelijk aan de noord- en zuidzijde van het reservaat stromen. Het centrale deel van het gebied wordt gevormd door een dekzandrug, met enkele landbouwpercelen en heide. Deze dekzandrug gaat geleidelijk over in de lage gronden van de beekdalen waar zich natte schraallanden (maatjes) en elzenbroek bevinden. De hogere zandrug in het centrum en oosten bestaat uit veldpodzolen.
Archeologisch bureauonderzoek Natura 2000 Lemselermaten, nabij Weerselo gemeente Dinkelland (OV), Overijssel. Laagland Archeologie Rapport 312, februari 2020
11
14/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
In de beekdalen gaan deze over in venige beekdalgronden en beekeerdgronden. Deze bodems zijn plaatselijk lemig 12. De Lemselermaten liggen ten westen van de stuwwal van Oldenzaal. In de laatste fasen van de laatste ijstijd is een dik pakket dekzand afgezet9. Effecten Het landschap zal door de maatregelen opener worden. Daarnaast leiden de waterhuishoudkundige maatregelen tot een natter gebied. De cultuurhistorische waardenkaart van provincie Overijssel toont voor het plangebied geen beschermde landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Het gebied is onderdeel van een ruilverkavelingslandschap met grootschalig herverkaveling, open landschappen met een rationele inrichting. Er zijn geen bijzondere landschapselementen in het gebied die door de maatregelen beïnvloed worden. Er liggen geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten in het plangebied die door de maatregelen beïnvloed worden. Er worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema landschap en cultuurhistorie.
3.7
Effecten op overige milieuaspecten
In voorliggende notitie zijn de belangrijkste milieuthema’s behandeld voor de activiteit ontgronden. Hieronder wordt toegelicht of er nog effecten zijn op overige milieuthema’s (externe veiligheid, geluid, NGE en lucht). Op vraag van de Staatsbosbeheer is er een Historisch Vooronderzoek-Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) uitgevoerd 13. Hierin werd o.a. het werkgebied Lemselermaten onderzocht. Het onderzoek concludeert dat er in het gebied geen NGE-risicogebied aanwezig is. Het zoekgebied voor de maatregelen ligt niet in het invloedgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen over het spoor, het water, een hoge druk aardgasleiding of van een Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) inrichting 14. Er zijn dan ook geen effecten op externe veiligheid. De maatregelen zorgen voor een tijdelijke verkeersaantrekkende werking voor de machines die gebruikt worden bij het graven, kappen en opslag verwijderen. Deze machines zorgen slechts voor een tijdelijke toename in geluid en uitstoot van stoffen (luchtkwaliteit). Verontreiniging en hinder zal hooguit tijdens de uitvoeringsperiode plaatsvinden. Binnen de grenzen van de uitvoeringslocaties is geen (particuliere) bewoning/bebouwing. Langs de randen liggen wel eigendomspercelen en woonerven van particuliere eigenaren.
12
https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2019/04/lemselermaten_natura_2000_beheerplan_definitief_9_september_2 016_inclusief_bijlagen.pdf 13
REASeuro, Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven Overijssel PAS Cluster 2, 18 juli 2017.
14
Risicokaart Overijssel:
https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=https://geoweb.gelderland.nl/Geocortex/Essentials/ REST/sites/risicokaart/viewers/Mobiliteit/virtualdirectory/Resources/Config/Default
15/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
Met deze omwonenden, (recreatie-)ondernemers, plaatselijke belangenverenigingen en overige betrokkenen en belangstellenden (is en) wordt tijdig gecommuniceerd over de uit te voeren maatregelen en de mogelijk te verwachten tijdelijke overlast. Dit voorafgaand aan de terinzagelegging van de aan te vragen vergunningen en tijdens de uitvoering. Er zullen weinig mensen blootgesteld worden aan hinder. In de Wet Milieubeheer staat een aantal criteria die aandacht dienen te krijgen in een (vormvrije) m.e.r. beoordeling (o.a. gebruik van natuurlijke hulpbronnen, grensoverschrijdend karakter). Hieronder is voor elk van deze punten beschreven of het bij de maatregelen relevant is. De maatregelen leiden niet tot een structurele productie van afvalstoffen. Het plan voorziet alleen in natuurherstel. De maatregelen leiden niet tot extra verkeershinder of risico voor ongevallen. Vanwege de ligging van het plangebied is geen sprake van grensoverschrijdend karakter van de werkzaamheden. Het verwijderen van de bovenste strooisellaag heeft geen uitstralende effecten. De graafwerkzaamheden in het plangebied hebben geen gevolgen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De werkzaamheden vormen geen bijzonder risico voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
3.8
Cumulatie
In het Natura 2000-gebied Lemselermaten worden naast de beschreven graaf- en kapmaatregelen nog meer natuurherstelmaatregelen uitgevoerd. De maatregelen bestaan onder meer uit het verwijderen van bos, herinrichten van percelen en hydrologische ingrepen zoals het dempen en verondiepen van sloten. Het beoogde cumulatieve effect van de verschillende maatregelen is o.a. een hogere grondwaterstand en herstel van natuurwaarden. Door het gezamenlijke maatregelpakket wordt verdroging, verzuring en vermesting tegengegaan. Het cumulatieve effect van de maatregelen is een verandering van het landschap maar dit is geen nadelig milieugevolg. Door de boskap zullen verblijfs-, en foerageerplaatsen verdwijnen maar blijven voldoende alternatieve verblijfplaatsen beschikbaar in de bosgebieden die onaangetast blijven in Lemselermaten. Voor het thema natuur is geen sprake van negatieve cumulatieve effecten. Ten noordoosten van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden Agelerbroek, Voltherbroek en Achter de Voort waar ook werkzaamheden worden uitgevoerd voor natuurherstel. Vanwege de afstand (meer dan 3 km) tot de gebieden wordt geen negatief cumulatief effect verwacht van de maatregelen voor de thema’s bodem, water, landschap en cultuurhistorie en archeologie. Wanneer de werkzaamheden in beide deelgebieden gelijktijdig worden uitgevoerd kan geluidshinder versterkt worden.
Vanwege de lage bevolkingsdichtheid en het tijdelijke karakter van de werkzaamheden is dit echter geen significant negatief effect.
16/17
Kenmerk
R002-1280770DSI-V01-xab-NL
4 Conclusie Voorliggende notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van de voorgenomen ontwikkeling, de kenmerken van de omgeving of de effecten van de ontwikkeling, die aanleiding zijn om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van deze notitie wordt geconcludeerd dat vanwege de voorgenomen ontgrondingen geen belangrijke negatieve effecten te verwachten zijn voor de aspecten bodem, water, landschap & cultuurhistorie. Om het gevolg van de werkzaamheden op archeologische waarden uit te sluiten wordt voorgesteld een archeologisch bureau-onderzoek uit te voeren. Ditzelfde geldt voor de gebiedsbescherming als gevolg van maatregel M11 (omvorming landbouwpercelen). Er wordt hierbij geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een uitgebreide effectbeoordeling. Door ingrepen in de waterhuishouding worden omliggende landbouwpercelen negatief beïnvloed. Met de agrariërs dienen afspraken gemaakt te worden over de (financiële) compensatie hiervan. Ook leidt vernatting tot effecten op wegen en erven. Deze effecten kunnen met mitigerende maatregelen voorkomen worden. Het landschap ondergaat een lichte verandering en er zal tijdelijk lichte hinder zijn door geluid voor bezoekers van het gebied. Op de overige milieuaspecten (geluid, externe veiligheid, NGE en lucht) zijn geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten.
Van structureel negatieve effecten van substantiële omvang is geen sprake. De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage 3 EU-richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER noodzakelijk maken.
17/17