Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 16 Ecologie natuurwaardenonderzoek.pdf
Tekst van het document
Quickscan Natuurwaardenonderzoek Natura2000-gebied Lemselermaten In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan Natuurwaardenonderzoek Natura2000-gebied Lemselermaten In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Gemeente Dinkelland D.Bonenkamp Postbus 11 7590AA Denekamp
Projectnummer en versie: 1421A, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Naam projectgebied: Natura2000-gebied Lemselermaten
Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 18-6-2019
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Inhoudsopgave 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.2 Onderzoeksvraag...................................................................................................................................... 3 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 4 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 4 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 4 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 5 3.1 Algemeen .................................................................................................................................................
5 3.2 Voorgenomen activiteiten........................................................................................................................ 5 3.3 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 4 Soortenbescherming; het onderzoek .............................................................................................................. 8 4.1 Verwachting ............................................................................................................................................. 8 4.2 Methode ................................................................................................................................................... 8 4.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 10 4.4 Toetsingskader .......................................................................................................................................
16 4.5 Zorgplicht ............................................................................................................................................... 16 5 Samenvatting en conclusies .......................................................................................................................... 20
2
1 Inleiding 1.1 Inleiding Voor het Natura2000-gebied Lemselermaten hebben de provincie Overijssel en het Rijk een PASgebiedsanalyse met een concrete maatregelen laten opstellen. Hierin staat wat de doelen zijn voor het gebied en welke herstelmaatregelen waar en wanneer nodig zijn. Herstelmaatregelen bestaan bijvoorbeeld uit boskap op kleine schaal, het verwijderen van zomereiken, het aanplanten van rijkstrooiselsoorten t.b.v. strooiselverbetering, het verwijderen van zuur strooisel, het dempen van sloten, het graven van nieuwe watergangen, het aanleggen van nieuwe poelen en het plaggen van de bovengrond. Het is aannemelijk dat tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen, dat veelal gepaard gaat met de inzet van groot en zwaar materieel en grondverzet, de lokale flora & fauna, negatieve effecten ondervinden van deze werkzaamheden. Mogelijk worden (beschermde) planten beschadigd en vernield en worden (beschermde) faunaoorten verwond of gedood en worden (winter)rust- en voortplantingslocaties verstoord en vernield. De gemeente Dinkelland, waarbinnen voorgenoemde Natura2000-gebied ligt, heeft Natuurbank Overijssel gevraagd om inzichtelijk te maken tot welke wettelijke consequenties de uitvoering van de voorgenomen maatregelen in het Natura2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming leiden.
Dit inzicht is van belang in verband met wijzigingen van het bestemmingsplan (toets aan de uitvoerbaarheid). In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een zeer beknopte beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de aanwezigheid en vermoedelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.2 Onderzoeksvraag In voorliggend rapport wordt ingegaan op de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van soortbescherming en de zorgplicht. Deze beoordeling is uitgevoerd op een globale terreinverkenning en literatuuronderzoek. Een volledige inventarisatie van flora- en faunawaarden is niet uitgevoerd, evenmin zijn alle beschikbare bronnen, zoals de Nationale Databank Flora en Fauna(NDFF), niet volledig onderzocht. De quickscan is uitgevoerd om antwoord te geven op de volgende onderzoeksvraag: Onderzoeksvraag : Zijn de voorgestelde inrichtingsmaatregelen, zoals opgesomd in de PAS-gebiedsanalyse, uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming? Afgeleide onderzoeksvraag : Is nader onderzoek of een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist om de voorgestelde inrichtingsmaatregel in het Natura2000-gebied uit te mogen voeren, overeenkomstig Wet- regelgeving voor beschermde soorten en gebieden?
3
Voorliggend rapport is niet bruikbaar als werkprotocol voor de uitvoering van de voorgestelde werkzaamheden. Daarvoor is het veldonderzoek en de literatuurstudie te beperkt uitgevoerd (maakt ook geen onderdeel uit van de opdracht aan Natuurbank Overijssel). Aangenomen wordt dat de desbetreffende beheerder(s) van het Natura2000 over voldoende kennis omtrent voorkomen en verspreiding van beschermde planten en dieren heeft om voldoende rekening te houden met groeiplaatsen van bijzondere planten of beschermde waarden, zoals vaste rust- of voortplantingsplaatsen. In het kader van de zorgplicht, wordt in voorliggend rapport ook ingegaan op bijzondere soorten en/of waarden die vaak aangetast worden bij de uitvoering van grootschalige inrichtingsmaatregelen.
2 Het plangebied 2.1 Situering Het Natura2000-gebied Lemselermaten ligt net ten oosten van Weerselo. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging en begrenzing van het Natura2000-gebied weergegeven.
Ligging en begrenzing van het Natura2000-gebied Lemseler maten (bron kaart: Aerius.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het Natura2000-gebied Lemselermaten bevat vochtige heiden, schrale graslanden en moerasbos. Het ligt langs de Weerselerbeek en Dollandbeek, aan de westelijke voet van de stuwwal van Oldenzaal. In dit reliëfrijke, kleinschalige landschap treedt op laaggelegen plekken basenrijk grondwater uit. In het verleden lag hier een reeks van maten met orchideeënrijk kalkmoeras, maar van deze soortenrijke graslanden resteert nog een enkel maatje (Bron; Synbiosys.Alterra).
4
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Voor het Natuura2000-gebied Lemselermaten zijn de meer algemene maatregelen vertaald naar concrete herstelmaatregelen welke ook op kaart zijn aangeduid. De lijst met uit te voeren maatregelen en de locaties waar de maatregelen uitgevoerd is niet definitief en kan in de loop van de tijd wijzigen. De lijst met voorgenomen maatregelen vormt wel een vrij volledige lijst van maatregelen. 3.2 Voorgenomen activiteiten Voor dit Natura2000-gebied worden de volgende herstelmaatregelen voorgesteld : Verondiepen van de Weerselerbeek en Dollandbeek tot op het niveau dat er een waterstandsstijging kan worden gerealiseerd van ongeveer 20-40 cm in de aansluitende habitattypen. Door hydrologische modellering wordt het gewenste maatwerk geleverd. Verleggen Dollandbeek naar de zuidas van het gebied. Om te voorkomen dat in de toekomst vermest oppervlaktewater door het Dollanddal blijft stromen, kan de beek worden losgekoppeld en verplaats worden naar de Dollanddijk. Dempen van drainerende sloten en greppels binnen de grenzen van het Natura2000 gebied. Om een goede doorstroming te garanderen, worden op enkele plekken ondiepe greppels behouden. De aanwezige greppesl/sloten worden verondiept tot maximaal 20-25 cm onder maaiveld. Op enkele plekken zijn in de aanvoerrichting van het grondwater buisdrainage systemen gelegen.
Om een maximale infiltratie vanuit de lokale systemen te garanderen moeten deze buisdrainages verwijderd worden. De graslandpercelen ten westen van de Rutermedenweg vormen een belangrijke hydrologische buffer. Deze percelen kunnen in principe in landbouwkundig gebruik blijven, maar wel dient hier de detailontwatering verwijderd te worden. De beek aan de westkant van deze percelen kan gehandhaafd blijven omdat deze geen significant negatieve invloed heeft op de Lemselermaten. Wel dient de huidige ontwateringsdiepte te worden geborgd. Om de nutriëntenlast met sulfaat via het grondwater terug te dringen en daarmee het risico op interne eutrofiëring te beperken, dienen in het inzijggebied van de lokale systemen geen verliezen op te treden in de bemesting. Hiervoor is een zoekgebied opgesteld dat in een nader onderzoek gespecificeerd moet worden. Een belangrijk hulpmiddel is de Handreiking Bemesting (provincie Overijssel, 2016). Binnen de grenzen van het Natura2000 gebied wordt bemesting geheel gestopt. Tenslotte is een gebied aangewezen waar de uitbreidingsdoelstellingen van de habitattypen gerealiseerd kunnen worden. Tevens wordt geadviseerd om de vochtige heide in het zuidwesten te verlaten en in te zetten op de ontwikkeling van een aaneengesloten vochtige heide-blauwgraslandkalkmoeras complex in het centrum van het gebied.
Bovenstaande maatregelen zien er op de kaart als volgt uit :
5
Geactualiseerde maatregelenkaart Lemselermaten. Op deze kaart is tevens de begrenzing van het onderzoeksgebied aangeduid met de zwarte lijn (bron : Unie van Bosgroepen)
3.3 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde flora- en faunasoorten. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van aanwezigheid mensen of als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: beschadigen/vernielen van rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; Beschadigen/vernielen van flora soorten; Doden/verwonden van faunasoorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.
6
In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het graven en dempen van sloten, het verwijderen van de strooisellaag en het kappen (en afvoeren) van bomen. Bij de beoordeling van de invloedsfeer wordt geen rekening gehouden met de uitstoot NOx, welke vrij komt bij de verbranding van fossiele brandstof. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is hoofdzakelijk lokaal. Mogelijk hebben sommige ingrepen in de waterhuishouding een negatief effect op grond- en oppervlaktewaterpeil buiten het plangebied. Deze effecten leiden echter niet tot negatieve effecten op beschermde flora- of faunasoorten en worden buiten beschouwing gelaten in deze studie. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig zodat deze niet zullen leiden tot een significante verstoring van beschermde faunasoorten of de aantasting van beschermde habitats.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Voor de duurzame instandhouding van het Natura2000-gebied worden niet alleen herstelmaatregelen voorgesteld in het Natura2000-gebied, maar ook daarbuiten. Tot het onderzoeksgebied van deze studie behoren alle maatregelen in en buiten het desbetreffende Natura2000-gebied, zoals opgenomen op de maatregelenkaarten (zie paragraaf 3.2).
7
4 Soortenbescherming; het onderzoek 4.1 Verwachting Op basis van bronnenonderzoek, landschappelijke karakteristieken, beheer, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied is het niet uitgesloten dat (beschermde) soorten van onderstaande soortgroepen in het gebied voorkomen: Planten; Vogels; Amfibieën; Reptielen; Grondgebonden zoogdieren; Vleermuizen; Ongewervelden (dagvlinders) ; 4.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het Natura2000-gebied op 7 februari 2018 tijdens de daglichtperiode te voet bezocht. Alle locaties binnen het Natura2000-gebied waar fysieke maatregelen voorsteld worden zijn bezocht en visueel beoordeeld op de mogelijke negatieve effecten op de aanwezige flora- en faunawaarden. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Veldbezoek door ervaren ecoloog;1 Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Waarneming.nl Het weer tijdens het veldbezoek 7 februari 2018: onbewolkt, temperatuur -1⁰C, wind 4-5 Bft. IJsbedekking op stilstaande wateren.
Flora en vegetatie Het plangebied is globaal onderzocht op het voorkomen van zeldzame-, bijzonderen en beschermde beschermde planten. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor floristisch onderzoek omdat de meeste planten in deze periode niet meer bloeien en de bovengrondse plantendelen van veel soorten geheel of gedeeltelijk afgestorven zijn. Delen van heide, heischraal grasland en hooiland waren ten tijden van het veldbezoek gemaaid waarbij het maaisel is afgevoerd. Op basis van standplaatsfactoren en abiotische parameters en de reeds bekende verspreidingsgegevens kan een goede inschatting gemaakt worden van de (wettelijke) consequenties van de voorgenomen activiteiten op zeldzame-, bijzondere- en beschermde soorten.
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise en Ing. R. Schröder.Beide hebben ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. De ecologen hebben ieder een eigen specialisatie in veldstudie. P. Leemreise heeft specialistische kennis op het gebied van vogelstudie (alle aspecten), kleine zoogdieren en vleermuizen. R. Schröder heeft specialistische kennis op het gebied van vegetatiekunde, herpetofauna, sprinkhanen en krekels en vissen. 8
Vogels Het plangebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt om alle potentiële broedvogelsoorten in het onderzoeksgebied vast te kunnen stellen omdat het onderzoek is uitgevoerd buiten de broedtijd van de meeste vogelsoorten en de meeste zomergasten (trekvogels) nog in hun overwinteringsgebieden verblijven. Soorten die tijdens het veldbezoek territoriaal gedrag vertonen zijn boomklever, buizerd, havik, boomleeuwerik, grauwe gans, spechten en (kortsnavel)boomkruiper. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de (wettelijke) consequenties van de voorgenomen activiteiten op broedvogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, al bezetten ze geen voortplantingslocaties in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals smeerranden, holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.
Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van grondgebonden zoogdiersoorten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen potentiële wettelijke concequenties van de voorgenomen activiteiten op (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten in beeld worden gebracht. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen tijdens de onderzoeksperiode nog in hun winterverblijfplaats verblijven. Er is in het plangebied gezocht naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen, achter losse schors en in bouwwerken zoals duikers. Gebouwen ontbreken in het plangebied. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen potentiële wettelijke concequenties van de voorgenomen activiteiten op vleermuizen in beeld worden gebracht. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat die zich in deze periode van het jaar nog ophouden in hun winterverblijfplaats.
Amfibieen kunnen een winterverblijfplaats bezetten onder water, in holen en gaten in de grond, in holle bomen/stammen of onder de strooisellaag en takkenbossen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en bekende verspreidingsgegevens kan een goede inschatting gemaakt worden van de potentiële wettelijke concequenties van de voorgenomen activiteiten op amfibieen. Reptielen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen omdat die zich in deze periode van het jaar nog ophouden in hun winterverblijfplaats. Reptielen kunnen een winterverblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond, in holle bomen/stammen en onder de strooisellaag/vegetatie. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en bekende verspreidingsgegevens kan een goede inschatting gemaakt worden van de potentiële wettelijke concequenties van de voorgenomen activiteiten op reptielen. Vissen De aanwezige natte landschapselementen zijn visueel beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van van (beschermde)vissoorten. Er is niet gevist met een schepnet of andere vangmiddelen. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar vissen omdat vissen in de winter weinig mobiel zijn en sommige soorten zich teruggetrokken hebben naar diepere delen van de poel of beek.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en verspreidingsgegevens van sommige (beschermde) vissoorten kan een 9
goede inschatting gemaakt worden van de (wettelijke) consequenties van de voorgenomen activiteiten voor (beschermde) vissoorten. Ongewervelden De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar beschermde ongewervelden omdat volwassen dieren soms ontbreken (vlinders, libellen, kevers) en overwinterende dieren veelal diep weggekropen zitten in dichte vegetatie, onder water of strooisel of in de grond. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van overige beschermde faunasoorten als bladmossen, sporenplantenvaren (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten.
4.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vaste planten In het Natura2000-gebied zijn verschillende groeiplaatsen aangetroffen van zeldzame-, bijzondere- en beschermde vaste planten (de aanwezigheid van deze soorten vormt immers vaak de motivering om ze aan te wijzen als Natura2000-gebied). De verspreiding van veel bijzondere planten, in het bijzonder de soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling (als habitatype) geldt, is grotendeels bekend en doorgaans gepubliceerd in verschillende rapporten. De meeste behoudenswaardige soorten groeien in herkenbare habitattypen. In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen op de verschillende beschermde functies van het gebiede voor vaste planten weergegeven.
Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
Wettelijke consequenties groeiplaatsen x x x
x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect Ingreep-effectbeoordeling voor planten.
Vogels Het gebied behoort tot het functionele leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het gebied als foerageergebied, sommige soorten bezetten er een gemeenschappelijke slaapplaats en er nestelen vogels in boomholten, in bomen, struiken, oever, water en dichte vegetatie op de grond. In het gebied is een bezet nest van de havik en de buizerd waargenomen. Ook werd tijdens het veldbezoek een bosuil opgepest welke een rustplaats in de dichte vegetatie op de grond bezette. Bosuilen kunnen ook een nestplaats bezetten op oude roofvogelhorsten.
10
Foto links : rustplaats van de bosuil. De vogel had een roestplaats gemaakt in een soort ‘leger’ in de dichte vegetatie. In en rond de roestplek zijn geen braakballen of schijtsporen waargenomen. Foto rechts : bezet buizerdhorst in het plangebied.
In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen op de verschillende beschermde functies van het gebied voor vogels weergegeven. Wettelijke consequenties
Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
Bezette vogelnesten x x x x x
jaarrond beschermde nesten x
Jaarrond beschermd leefgebied
x
x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect
Ingreep-effectbeoordeling voor vogels.
Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijden het veldbezoek verschillende grondgebonden zoogdieren waargenomen zoals haas en ree en zijn er sporen gevonden van de veldmuis, bosmuis, mol, eekhoorn en vos. Het plangebied behoort vermoedelijk tevens tot het functionele leefgebied van verschillende andere algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als haas, ree, aardmuis, rosse woelmuis, bruine rat, dwergmuis, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel. Het plangebied wordt als ongeschikte habitat voor de veldspitsmuis beschouwd, maar mogelijk duikt er incidenteel een boommarter op in het plangebied. Er zijn geen directe aanwijzingen gevonden, maar mogelijk behoort het gebied tot het functionele leefgebied van de waterspitsmuis en de das. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen dassenburchten in het plangebied waargenomen. Het is niet uitgesloten dat soorten als wild zwijn, edelhert en mogelijk wolf incidenteel opduiken in het gebied, maar deze soorten bezetten er geen vaste rust- of voortplantingslocatie.
11
Potentieel habitat voor de waterspitsmuis in het gebied.
Grondgebonden zoogdieren bezetten hoofdzakelijk een rust- en voortplantingslocatie in holen in de grond, maar sommige soorten bezetten een rust- en voortplantingslocatie in de vegetatie (dwergmuis), in bomen (eekhoorn) of onder takkenbossen (marterachtigen). Soorten als haas en ree werpen hun jongen op de grond, meestal in hoge grazige vegetatie. Met uitzondering van mol, veldmuis en haas, vormen de agrarische cultuurgronden een ongeschikte rust- of voortplantingsplaats voor grondgebonden zoogdieren. In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen op de verschillende beschermde functies van het gebied voor grondgebonden zoogdieren weergegeven. Wettelijke consequenties
Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
rusten rusten voortplantingsvoortplantings plaatsen in Jaarrond rust- en voortplantings- plaatsen in (dichte) beschermd plaatsen op de grond bomen. vegetatie leefgebied x x x x x x x x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect
Ingreep-effectbeoordeling voor grondgebonden zoogdieren.
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen directe aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. Gelet op het areaal bos en het percentage dode en vervallen bomen en de aanwezigheid van spechten die jaarlijks nieuwe holen in bomen hakken, is het aannemelijk dat boombewonende soorten als gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis er een zomer- en mogelijk paarverblijfplaats bezetten. De holenbomen vormen mogelijk een verblijfplaats voor de rosse vleermuis en/of watervleermuis. Dergelijke verblijfplaatsen kunnen fungeren als zomer- en paarverblijf en mogelijk als kraamkolonie. De functie van de aanwezige holenbomen als winterverblijfplaats is onduidelijk. Vanwege de beperkte omvang van de bomen wordt verondersteld dat de bomen een ongeschikte winterverblijfplaats voor vleermuizen vormen.
12
Holenboom in het plangebied; mogelijke verblijfplaats voor vleermuizen. Deze boom staat op de nominatie gekapt te worden.
Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Behalve de aanwezigheid van verblijfplaatsen, is het aannemelijk dat het plangebied door verschillende vleermuissoorten worden benut als foerageergebied tijdens de actieve periode (april-half oktober). Soorten die mogelijk in het plangebied foerageren zijn watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Het is niet uitgesloten dat sommige andere, meer zeldzame vleermuissoorten als bosvleermuis, vale vleermuis en franjestaart het plangebied ook benutten als foerageergebied. Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen als geleiders tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats).
Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindend element in een lijnvormig landschapselement en vormt daarom geen essentiële schakel in een vliegroute voor vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden vliegroutes van vleermuizen niet negatief beïnvloed. In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen op de verschillende beschermde functies voor vleermuizen weergegeven. Wettelijke consequenties rust- en voortplantingslocaties foerageergebied vliegroute Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
x
x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect
Ingreep-effectbeoordeling voor vleermuizen. 13
Amfibieën Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin amfibieën actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en bekende verspreidingsgegevens, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als bruine kikker, kleine watersalamander, bastaardkikker, gewone pad en poelkikker. Amfibieën benutten deze habitats als foerageergebied, voortplantingslocatie en bezetten er ook (winter)rustplaatsen. Amfibieen benutten poelen als voortplantingslocatie en bezetten (winter)rustplaatsen in holen in de grond, in slib onder water, onder takkenhopen en strooisellaag. De intensief gebruikte agrarische percelen in het plangebied behoren tot een nagenoeg ongeschikt functioneel leefgebied voor amfibieën. In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen in het N2000-gebied op de verschillende beschermde functies van het gebied voor amfibieen weergegeven. Wettelijke consequenties voortplantings-locaties Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
(winter)rustplaatsen x
foerageergebied
x x
x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect
Ingreep-effectbeoordeling voor amfibieen.
Reptielen Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin amfibieën actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en bekende verspreidingsgegevens, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden. Er zijn geen actuele verspreidingsgegevens, die er op duiden dat het plangebied tot het functionele leefgebied van de hazelworm, gladde slang of ringslang behoort. Het plangebied behoort wel tot het functionele leefgebied van de levendbarende hagedis. Deze bezet delen van het plangebied met een dichte vegatatie, zoals droge heide en pijpestrootje. De soort komt vermoedelijk voor binnen de begrenzing van het gebied, alsmede in schrale wegbermen erbuiten. De agrarische percelen vormen een voor reptielen ongeschikt leefgebied.
14
Functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis.
In onderstaande tabel worden de mogelijke negatieve effecten van de verschillende maatregelen op de verschillende beschermde functies van het gebied voor reptielen weergegeven. Wettelijke consequenties voortplantings-locaties
(winter)rustplaatsen
Verontdiepen/dempen beken Nieuwe beek/sloot graven Ophogen en bermsloten aanpakken Bomen en struiken rooien (ontwikkelen korte veg.) Omvormen naar bos Buisdrainage verwijderen
(x)
foerageergebied
(x)
x - negatief effect aannemelijk (x) - mogelijk negatief effect
Ingreep-effectbeoordeling voor reptielen.
Ongewervelden Bosvlinders Het Natura2000-gebied Lemselermaten behoort tot het functionele leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder. Deze vlinder overwintert niet als volwassen dier. Afgezette eieren op waardplanten vormen de basis voor de nieuwe generatie.
15
4.4 Toetsingskader De voorgenomen activiteiten worden beschouwd als handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2 Wet natuurbescherming en als handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een Natura 2000-beheerplan, of ander plan/programma, onderdeel uitmaken van een programmatische aanpak. Voor instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen is geen soortenbeschermingstoets of passende beoordeling (gebiedsbescherming) vereist. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming, zijn daarom niet van toepassing op de voorgenomen activiteiten. Zorgplicht Voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen is wel de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming van toepassing zijn (artikel 1.11). De zorgplicht voorziet in het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten op een wijze die het minst schadelijk is. Dat kan inhouden dat werkzaamheden worden afgestemd op de ecologie van bepaalde soorten, opgeplitst worden in de tijd of dat er voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat flora- en faunasoorten onbedoeld vernield/verwond/gedood worden. De invulling van zorgplicht is aan de terreinbeheerders/uitvoerders van de maatregelen zelf.
Conclusie Mits de zorgplicht in acht wordt genomen, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming voor het doden en verwonden van dieren, het beschadigen/vernielen van planten en hun groeiplaats en het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingslocaties, inclusief bezette (jaarrond beschermde) vogelnesten. In het kader van deze rapportage wordt dan ook verder niet ingegaan op de wettelijke consequenties, maar op het toepassen van de zorgplicht, specifiek het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten in de meest gunstige tijd van het jaar, meest gunstige werkmethode en bruikbare werkprotocollen.
4.5 Zorgplicht Vanwege de vrijstelling geldt voor het aantasten van beschermde soorten en habitats een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Los van deze vrijstelling is de zorgplicht van toepassing op alle in het gebied voorkomende planten en dieren. De zorgplicht is opgenomen in Artikel 1.11 van de Wnb (zie tekstkader onder). De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1 2 3
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Art. 1.11 Wnb
16
Vaste planten Veel groeiplaatsen van zeldzame-, bijzondere- en beschermde plantensoorten zijn bekend. Door plaggen, verwijderen van de strooisellaag, rooien van bomen, dempen van sloten en het vergraven van wegbermen, kunnen groeiplaatsen van bijzondere soorten vergraven worden, of onbedoeld negatief beïnvloed worden, bijvoorbeeld als negatieve bijkomstigheid bij transport van hout, strooisel of plagsel. Geadviseerd wordt om groeiplaatsen van behoudenswaardige soorten in het veld te markeren zodat daar omheen gewerkt kan worden. In het bijzonder worden de groeiplaatsen van de schedegeelster genoemd. Bosbouwkundige werkzaamheden voor het rooien van zomereiken en het afvoeren van de strooisellaag kan schadelijk effecten hebben op deze soort. Omdat deze soort slechts gedurende een korte periode in het jaar (voorjaarsbloeier), is verspreidingsonderzoek sterk gebonden aan het voorjaar (bloeiperiode). In overleg met de terreineigenaren en beheerders dient overleg te worden welke groeiplaatsen in het veld gemarkeerd te worden zodat deze niet negatief beïnvloed worden.
Detailopnames van waardevolle habitattypen.
Vogels Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten buiten de voortplantingsperiode worden geen vogels verwond of gedood en worden geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield. De volgende maatregelen worden voorgesteld om een negatief effect zo klein mogelijk te houden : Bij voorkeur werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode ; Maaien grazige en ruige vegetatie buiten de voortplantingsperiode om te voorkomen dat vogels gaan nestelen in delen die geplagd of afgegraven worden ;
Foto links: bezet buizerdhorst en rechts bezet havikhorst. Beide in AVAV. 17
Grondgebonden zoogdieren Geadviseerd wordt om de werkzaamheden uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren. Hierdoor wordt voorkomen dat (hulploze) jonge dieren in de nesten verwond of gedood worden. De meest geschikte periode de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren is september-maart. Door het rooien van bos, met behulp van zwaar materieel kunnen burchten van konijn, vos en das beschadigd en vernield worden. Geadviseerd wordt om deze burchten in het veld te markeren zodat voorkomen wordt dat de dieren in hun hol levend begraven, verwond of gedood worden ten behoeve van grondverzet. Vleermuizen Verblijfplaatsen Mogelijk bezetten vleermuizen een zomerverblijfplaats in holenbomen. Het is niet aannemelijk dat deze verblijfplaatsen ook benut worden als winterverblijfplaats. Geadviseerd wordt om holenbomen en bomen met losse schors te vellen tijdens de winterrustperiode. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is november – februari.
Holenboom in Achter de Voort (deel van AVAV). Potentiële verblijfplaats van rosse vleermuis en watervleermuis.
Foerageergebied en vliegroute De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de functie van het plangebied als foerageergebied of als vliegroute. Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen voortplantingsbiotopen negatief beïnvloed. Door het rooien van bomen, het weghalen van opgaande beplanting, het weghalen van de strooisellaag, het dempen/verontdiepen van sloten/beken en het plaggen van de grazige vegetatie, worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. Geadvieerd wordt om de voorgenomen activiteiten uit te voeren tijdens de actieve periode van de amfbieen (half april-september). Hierdoor wordt voorkomen dat amfibieen in winterrust verstoord (met de dood tot gevolg), verwond of gedood worden. Tijdens de actieve periode hebben amfibieen de kans weg te kruipen of te vluchten. Reptielen Door het plaggen van de grazige vegetatie en het dempen van sloten worden mogelijk levendbarende hagedissen verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield.
18
Geadvieerd wordt om de voorgenomen activiteiten uit te voeren tijdens de actieve periode van de levendbarende hagedis. Hierdoor wordt voorkomen dat reptielen in winterrust verstoord (met de dood tot gevolg), verwond of gedood worden. Tijdens de actieve periode hebben reptielen de kans weg te kruipen of te vluchten. Geadviseerd wordt om enige structuur in de geplagde percelen en wegbermen aan te brengen zodat deze plekken sneller beschikt leefgebied vormen voor levendbarende hagedissen. Dat kan onder andere door stobben of takkebossen in de geplagde percelen te plaatsen.
Boomstobben op plagplaats. Dergelijke structuren bieden levendbarende hagedissen schuil- en winterrustplaatsen
Ongewervelden Bosvlinders Als gevolg van werkzaamheden in bos, worden mogelijk waardplanten van deze soorten beschadigd of vernield, maar het effect zel zeer gering zijn omdat het merendeel van de waardplanten buiten de bossen liggen waar werkzaamheden gepland staan.
19
5 Samenvatting en conclusies Voor het Natura2000-gebied Lemselermaten hebben de provincie Overijssel en het Rijk PASgebiedsanalyses met een maatregelenkaart laten opstellen. Hierin staat wat de doelen zijn voor het gebied en welke herstelmaatregelen waar en wanneer nodig. Herstelmaatregelen bestaan bijvoorbeeld uit boskap op kleine schaal, het verwijderen van zomereiken, het aanplanten van rijkstrooiselsoorten t.b.v. strooiselverbetering, het verwijderen van zuur strooisel, het dempen van sloten, het graven van nieuwe watergangen en het plaggen van de bovengrond. Natuurbank Overijssel heeft het Natura2000-gebied Lemselermaten in februari 2018 éénmalig bezocht om te onderzoeken op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van bijzondere-, zeldzame- en beschermde flora- en faunasoorten en (winter)rust- en voortplantingsplaatsen, die als gevolg van de uit te voeren herstelmaatregelen nadelig beïnvloed worden. Het uitgevoerde onderzoek is een zogenaamde ‘quickscan’ en betreft géén volledige inventarisatie van alle in het gebied voorkomende planten- en diersoorten. Een volledige inventaristatie (en burureauonderzoek) van alle in het gebied voorkomende soorten is niet noodzakelijk om de door de gemeente Dinkelland gestelde onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden.
Conclusie(s) Het Natura2000-gebied behoort tot het functionele leefgebied van een groot aantal bijzondere-, zeldzameen beschermde flora- en faunasoorten. Het valt haast niet uit te sluiten dat uitvoering van inrichtings- en beheerwerkzaamheden groeiplaatsen van planten beschadigd en vernield worden en dat dieren, eieren, larven en hun rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield worden (afhankelijk van de tijd van het jaar waarin de maatregelen uitgevoerd worden). De voorgenomen activiteiten worden beschouwd als handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2 Wet natuurbescherming en als handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een Natura 2000-beheerplan, of ander plan/programma, onderdeel uitmaken van een programmatische aanpak. Voor instandhoudings-maatregelen en passende maatregelen is geen soortenbeschermingstoets of passende beoordeling (gebiedsbescherming) vereist. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming, zijn daarom niet van toepassing op de uit te voeren maatregelen. Met andere woorden, er is geen ontheffing nodig om beschermde planten te vernielen en beschermde dieren te verwonden en doden en om bezette nesten, rustplaatsen en (winter)rustplaatsen te mogen beschadigen-vernielen. Zorgplicht Wel geldt de zorgplicht.
Dat houdt in dat de werkzaamheden dusdanig uitgevoerd worden dat dit leidt tot zo weinig mogelijk schade aan de aanwezige fora en fauna. Daarbij moet gedacht worden aan het afstemmen van de werkzaamheden op de ecologie van bepaalde soorten, door geen werkzaamheden uit te voeren in een bepaalde tijd van het jaar (of gefaseerd uit te voeren) en door bepaalde groeiplaatsen en (kwetsbare) delen van functioneel leefgebied te beschermen om te voorkomen dat ze, al dan niet opzettelijk, beschadigd of vernield worden. Geadviseerd wordt om te werken volgens onderstaande werkprotocol ; 1. Werkzaamheden, waarbij mogelijk vogelnesten beschadigd of vernield kunnen worden, uitvoeren buiten de voortplantingsperiode. De meest geschikte periode is september-februari; 2. Werkzaamheden, waarbij amfibieën en reptielen verwond en gedood kunnen worden, uitvoeren tijdens de actieve periode. De meest geschikte periode is half april-september; 3. Werkzaamheden, waarbij rust- en voortplantingslocaties van grondgebonden zoogdieren beschadigd en vernield kunnen worden, uitvoeren buiten de voortplantingsperiode. De meest geschikte periode is oktober-februari;
20
4. Structuurrijke delen van het functionele leefgebied van de levendbarende hagedis, welke geplagd worden, behouden. Daarbij moet ook gekeken worden naar wegbermen en slootkanten buiten de natuurgebied zelf; 5. Waardevolle groeiplaatsen in heide, heischraal grasland en hooiland op plaatsen die vergraven (plaggen) gaan worden, inventariseren om deze te beschermen; 6. 10-20% van de te plaggen percelen sparen. Bij voorkeur structuurriijke delen i.v.m. veiligstellen leefgebied amfibieeën, reptielen, kleine zoogdieren en insecten; 7. Geadviseerd wordt om ecologische werkbegeleiding in te zetten op waardevolle en kwetsbare plekken om kraanmachinisten in het veld aan te kunnen sturen; Het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en de verspreiding van bijzondere planten, is gebonden aan een bepaalde periode in het jaar. Eventuele vervolgstappen dienen dan ook tijdig voorbereid te worden om tijdig aan de slag te kunnen.
21
Bijlage. Geraadpleegde bronnen:
Rapporten : Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Bergvennen en Brecklenkampse Veld. Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Overijssel d.d. 31-10-2017 Coöperatie Unie van Bosgroepen. 2017. Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek - uitwerking maatregelenpakket. Eigen uitgave Unie van Bosgroepen, Ede. Coöperatie Unie van Bosgroepen. 2017. Lemselermaten - uitwerking maatregelenpakket. Eigen uitgave Unie van Bosgroepen, Ede.
Internet: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl
22