CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024 DEF.pdf

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 17: Voorstel inzake vaststellen verordeningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp43.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen, worden de netto woonlasten van de eigen woning als volgt berekend: • Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), • Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, • Opstalverzekering. 8.9 Specifieke criteria Art. 4.7 van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin: • Er geen dringende reden is om te verhuizen (bijv. CRVB:2023:731). • De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning (bijv. CRVB:2019:290). • De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen. • De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning (CRVB:2003:AM5445).

• De aanvraag gericht is op het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. 8.10 Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en

DEF. februari 2024

57

zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor het gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling van de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: • de te verwachten transfers, • de mogelijkheden van de cliënt/het kind, • de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, • de beschikbare ruimte, • de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.

8.11 Kindvoorzieningen Het verstrekken van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verstrekken die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt. Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Het gaat vaak om hulpmiddelen die op grond van de Zvw verstrekt worden.

8.12 Zich verplaatsen in en om de woning Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het

DEF. februari 2024

58

kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans worden deze rolstoelen gebruikt als men zich naar elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Uitzondering In bijzondere situaties kan wel een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verstrekt. Dat is het geval als een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de zeer korte vervoersafstanden. Dan is er sprake van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Zo’n cliënt is aangewezen op een incidenteel te gebruiken rolstoel om van A naar B te komen.

Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt structureel niet in staat is om zeer korte afstanden zelfstandig, al dan niet met een loophulpmiddel, af te leggen. Deze zogeheten transportrolstoel kan worden meegenomen in de maatwerkvoorziening collectief vervoer of in de eigen auto. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik b. Het gebruiksgebied c. De aandrijving • door middel van het eigen lichaam • door het bedienen van een aandrijfmechanisme • voortduwen door anderen d. De zithouding en de eisen aan de ondersteuning e. De meeneembaarheid f. Antropometrische gegevens

DEF. februari 2024

59

9 Deelname maatschappelijk verkeer Artikel 3.4 en 4.10 Verordening 9.1 Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. De Verordening bepaalt wat onder lokaal wordt verstaan. Het lokale vervoer moet aansluiten op Valys. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Daaronder valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. 9.2 Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets of brommer of met de bus.

Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat het kunnen bereiken van het openbaar vervoer ook afhankelijk is van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Vaststellen vervoersbehoefte Het college stelt de vervoersbehoefte vast van de cliënt. Daarbij kan het nodig zijn om rekening te houden met kinderen die (op grond van leeftijd of beperking) afhankelijk zijn van de cliënt. Maar ook van die kinderen zelf. Denk aan ouders met gehandicapten kinderen. Algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie 3.2.6 van deze beleidsregels.

Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is. Omvang in kilometers Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de verordening.

DEF. februari 2024

60

Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(en) kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op: • De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp. • Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag. • De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie. • Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen (bijv. CRVB:2020:2644). • Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte en/of middellange afstand gaat het college er in het algemeen van uit dat daarmee voor 750-1000 kilometer op jaarbasis kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn.

Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen, vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is in beginsel gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op medisch vervoer op grond van de Zvw, valt het 'medisch' vervoer onder de Wmo 2015 (CRVB:2010:BL4037). Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts of specialist. Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn.

Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan. Andere wettelijke aanspraak Volgens de verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In zo’n geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.

DEF. februari 2024

61

Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of waarvan het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kunnen verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35 lid 3 WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen.

Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan. Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. 9.3 Primaat maatwerkvoorziening collectief vervoer De maatwerkvoorziening collectief vervoer is collectief aanvullend openbaar vervoer en kan bestaan uit zowel een collectieve maatwerkvoorziening maar ook uit individueel (rolstoel)taxivervoer. Of gebruik van deze maatwerkvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is eerst afhankelijk van de vraag of de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken. Verder is het afhankelijk van de vraag of de maatwerkvoorziening collectief vervoer gelet op de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen geschikt is. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waarmee de maatwerkvoorziening collectief vervoer voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage.

In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491 en CRVB:2019:3669). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen (CRVB:2018:1643). Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101 en zie CRVB:2018:1487). Betreft het een minderjarig kind met beperkingen, dan kan het college een uitzondering maken op het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer.

DEF. februari 2024

62

Begeleiding nodig Het spreekt voor zich dat bezien moet worden of de cliënt (medisch gezien) gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer, al dan niet met begeleiding. De begeleider kan gratis toegang krijgen. als de cliënt door zijn medische beperkingen de rit niet alleen kan afleggen. Het gaat in deze situaties letterlijk om vervoer van deur tot deur. Dat betekent ook dat de cliënt zonder begeleider geen toegang krijgt tot de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Naast een medisch begeleider (die gratis meereist) mag een cliënt één persoon meenemen als ‘sociaal’ begeleider; deze laatste reist tegen het gereduceerde tarief. Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Het gaat er dan om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (moet maken) van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd.

Ritbijdrage en reserveringstoeslag maatwerkvoorziening collectief vervoer Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Dit zijn algemeen gebruikelijke kosten. Gebruikers van de maatwerkvoorziening collectief vervoer zijn in dat kader een zogeheten ritbijdrage verschuldigd en mogelijk een reserveringstoeslag. Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan weliswaar aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage). 9.4 Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Naast de maatwerkvoorziening collectief vervoer gaat het om vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte staloopfunctie.

De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:  er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers,  de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel,  er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets,  de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage),  de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),  er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.

DEF. februari 2024

63

Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Eigen mogelijkheden Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren.

Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Fietsvoorzieningen Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? Is dat het geval, dan beoordeelt het college of de elektrische fiets als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741). Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek.

Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten. Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen. Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172).

DEF. februari 2024

64

Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.  Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is de maatwerkvoorziening collectief vervoer (waaronder individueel taxivervoer) geen passende bijdrage?  Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing.  Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?  Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?  Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is nog ten minste zeven jaar te gebruiken moet zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto.  Verder speelt het aantal kilometers dat met auto is gereden een rol. Is er al 100.000 kilometer of meer mee gereden, dan is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord.  Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn.

Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de cliënt daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Immers ligt het niet voor de hand dat het college daarvoor een auto of een bus als maatwerkvoorziening moet verstrekken. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen. 9.5 Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar.

Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig (aan te vragen bij Valys).

DEF. februari 2024

65

10 Financiële tegemoetkoming Artikel 4.11 Verordening Financieel besluit 10.1 Inleiding Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396). Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een voorbeeld: Een cliënt zal op grond van de wet niet snel zijn aangewezen op een bruikleenauto. Maar de cliënt kan wel voor het lokale vervoer wel zijn aangewezen op zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig. Die zal het college niet in natura kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald. 10.2 Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken als de cliënt afhankelijk is van vervoer door derden.

Lokale en samenvallende vervoersbehoefte De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt daarop afgestemd. 10.3 Individueel (rolstoel)taxi vervoer Onder de maatwerkvoorziening collectief vervoer valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Het spreekt voor zich dat cliënten hier alleen voor in aanmerking kunnen komen als zij geen gebruik kunnen maken van het ‘reguliere’ collectief vervoer. Individueel (rolstoel)taxivervoer wordt ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt die op declaratiebasis wordt verstrekt (art. 4.11 lid 5 Verordening). 10.4 Verhuis- en inrichtingskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze financiële tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Financieel besluit).

Het college stelt de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten in het individuele geval vast op basis van de noodzaak en de goedkoopst adequate oplossing. Immers niet iedereen zal voor dezelfde kosten komen te staan. Mogelijk kan raambekleding of vloerbedekking meeverhuizen naar de nieuwe woning. Daarnaast kan het zijn dat de cliënt van de vorige bewoner zaken kan overnemen, of mogelijk zijn daar geen kosten aan verbonden. 10.5 Tijdelijke huisvesting Een cliënt kan gelet op het realiseren van woningaanpassing tijdelijk aangewezen zijn op andere huisvesting. De kosten daarvan kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. De hoogte bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten rekening houdend met de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

DEF. februari 2024

66

10.6 Eenvoudige woonvoorziening en woningaanpassingen Het college kan ook een financiële maatwerkvoorziening verstrekken voor het aanbrengen van eenvoudige woonvoorzieningen en/of het realiseren van eenvoudige woningaanpassingen. Bij de noodzaak voor deze maatwerkvoorzieningen wordt de kwaliteit wel beoordeeld (zie begripsbepaling financiële tegemoetkoming in art. 1.1 van de verordening). Dat heeft vooral te maken met de veiligheid van bijvoorbeeld beugels en douchezitjes (aanschaf en het aanbrengen daarvan). Dat zal moeten blijken uit een offerte of een proformafactuur. Dat wil ook zeggen dat de financiële tegemoetkoming voldoende moet zijn om een veilige maatwerkvoorziening aan te schaffen dan wel te (laten) realiseren. 10.7 Overig Omdat de Wmo 2015 uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

DEF. februari 2024

67

11 Tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening Hoofdstuk 7 Verordening Financieel besluit 11.1 Inleiding De tegemoetkoming meerkosten is een inkomensondersteunende maatregel en dus geen maatwerkvoorziening of pgb. De tegemoetkoming mag op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het college kan ook overgaan tot uitbetaling op basis van een ondertekende offerte of proforma-factuur. 11.2 Sportvoorziening De cliënt die niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening kan eens per drie jaar in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de aanschaf tot een maximumbedrag (zie Financieel besluit). Beoordeling Het college beoordeelt of: • de beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem aantoonbare of aannemelijke meerkosten meebrengt, en • de tegemoetkoming bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie, en • er een vergoeding kan worden verkregen op basis van een andere (wettelijke) regeling. Het is aan cliënt om dat aannemelijk te maken. In de praktijk worden hier geen strenge eisen aan gesteld.

DEF. februari 2024

68

12 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 3.2, en 5 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit 12.1 Inleiding Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een maatwerkvoorziening die het college in natura zou verstrekken aan de cliënt. Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt, ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één partij (CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent dus dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. Uit de wet volgt dat het college geen ondersteuningsplicht heeft in het buitenland. De cliënt moet om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om ondersteuning als ook op de leveringsvorm pgb. Als de cliënt voor een pgb in aanmerking wenst te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing kunnen zijn op de situatie. 12.2 Aanvraag pgb binnen budgetperiode Artikel 3.2, tweede lid, van de verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden.

Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:819). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gedaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818, CRVB:2015:4918). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door cliënt gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als het verloren gaan van de maatwerkvoorziening niet aan de cliënt is te wijten of er gewijzigde omstandigheden zijn. 12.3 Besteding pgb algemeen Art. 3.2, 5.2 en 8.4 Verordening en art. 2.2 Nadere regels Algemeen gebruikelijke voorziening Het spreekt voor zich dat met het verstrekken van een pgb geen andere bepalingen doorkruist kunnen worden. Daarom bepaalt de verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening.

Gebruikelijke hulp en overbelasting Het kan voorkomen dat een huisgenoot overbelast is of dreigt te geraken door het bieden van gebruikelijke hulp aan de cliënt. Zijn hiervoor geen andere oplossingen mogelijk, dan ligt het voor de hand dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Wenst de cliënt in aanmerking te komen voor een pgb en wordt voldaan aan de voorwaarden, dan geldt dat het pgb niet mag worden besteed aan degene van wie, als hij niet overbelast zou zijn, gebruikelijke hulp wordt verwacht. Diverse kosten en verantwoordingsvrij bedrag Verder schrijft de verordening voor dat bepaalde kosten niet uit het pgb mogen worden betaald, zoals bemiddelingskosten. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag.

DEF. februari 2024

69

Overlijden pgb-houder In geval van overlijden van de cliënt hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent. De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de cliënt. Technisch geschikte maatwerkvoorziening De melding van een hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Het gaat om situaties waarbij de budgetperiode is verstreken. In die gevallen geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven. Kwaliteitseisen De hoofdregel is dat de kwaliteitseisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed (art. 8.4 Verordening). Dat zou alleen anders kunnen zijn als door die eisen het pgb onbereikbaar wordt. De toepasselijke opleidingseisen gelden bijvoorbeeld niet voor personen uit het sociaal netwerk. Besteden binnen de termijn Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed.

Voor woningaanpassingen geldt een afwijkende termijn. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. Verblijf buiten de gemeente of buitenland (diensten) De inzet van een maatwerkvoorziening is bestemd voor en gericht op cliënten die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente hebben. Wel kan een maatwerkvoorziening in de vorm van wonen en verblijf buiten de gemeente ingekocht worden met een pgb. Verder bepaalt de verordening dat de cliënt die een hulpmiddel meeneemt naar het buitenland verantwoordelijk is een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal (art. 3.2, vijfde lid, van de verordening). Voor diensten betekent dit in de praktijk dat het verstrekte pgb in principe niet mag worden besteed in het geval de cliënt buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt immers dat het bestemd is voor de woning waar de cliënt woonachtig is. Van de cliënt wordt daarom ook verwacht dat hij een vakantie- of verblijfslocatie kiest waar hij geen huishoudelijke ondersteuning nodig heeft. Voor begeleiding ligt dat anders.

Verlenging termijn verblijf buiten de gemeente of buitenland op aanvraag Het is toegestaan om maximaal 13 weken per kalenderjaar, waarvan zes weken aaneengesloten, een pgb voor begeleiding te besteden buiten de gemeente of in het buitenland. Het gaat in de praktijk om situaties waarbij degene aan wie het pgb bij de verstrekking wordt besteed de ondersteuning in het buitenland ook daadwerkelijk biedt. Het college kan de termijnen op aanvraag verlengen als zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor verlenging is aangewezen. Daar zal in de praktijk zelden sprake van zijn. 12.4 Budgetplan bij diensten Art. 5.3 Verordening Voor de cliënt met een indicatie voor diensten die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Onder diensten vallen: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en wonen met verblijf (kortdurend verblijf). Het college zorgt er voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan

DEF. februari 2024

70

worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen. Het college kan een uitzondering maken voor het opstellen van een Budgetplan bij huishoudelijke ondersteuning. Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 en de eventuele overige bepalingen in de verordening. 12.5 Voldoen aan wettelijke voorwaarden Art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de cliënt het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft dan wel zijn medewerking verleent aan het onderzoek (art. 2.3.2 lid 9, dan wel 2.3.8 Wmo 2015). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. 12.6 Pgb-bekwaamheid Art. 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet dus beoordelen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De cliënt moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb.

De cliënt kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de cliënt digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De cliënt weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de cliënt zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de Svb en ondersteuners. De cliënt moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de Svb beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de cliënt dat zelf aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De cliënt moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De cliënt moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de cliënt kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is. 7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is.

Als de cliënt de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de cliënt zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De cliënt moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de cliënt passen. De cliënt moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de cliënt zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken, weten wat ze moeten doen. De cliënt durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De cliënt betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De cliënt moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen.

DEF. februari 2024

71

10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de cliënt sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de cliënt moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Er is geen limitatief overzicht beoogd. Conflicterende belangen Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-bekwaam is en ook geen hulp heeft van een vertegenwoordiger maar van andere personen. Het college beoordeelt in die situatie of: 1. De aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd; of 2. De beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Gaat het om een derde of een daaraan gelieerde persoon aan wie het pgb wordt besteed dan kan daar geen sprake van zijn (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803). Onder een aan die derde gelieerde persoon wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is. Persoon sociaal netwerk is de derde Het college beoordeelt of de persoon uit het sociaal netwerk primair het belang van de cliënt dient. Dat moet in ieder geval blijken uit de motivatie van de budgethouder waarom hij kiest om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen.

Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin die persoon het meest geschikt blijkt om de ondersteuning te bieden. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. Dit betekent dat alleen bij zeer hoge uitzondering een pgb wordt toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Gegrond vermoeden Het kan ook voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de cliënt problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan:  schuldenproblematiek,  een gok- of drugsverslaving,  niet over een positief sociaal netwerk beschikken,  in een hoge mate beïnvloedbaar zijn. Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de cliënt als ook de derde aan wie het pgb zal worden besteed problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd. 12.7 Motivatie-eis Uit art. 2.3.6 lid 1 Wmo 2015 volgt dat als de cliënt dat wenst, het college een pgb verstrekt waarmee een maatwerkvoorziening bij derden kan worden betrokken, mits wordt voldaan aan de voorwaarden. De cliënt moet dus zelf om een pgb verzoeken en het college zal daarover een besluit moeten nemen.

De cliënt zal wel moeten aangeven waarom het pgb voor hem een gewenste vorm is. Het college stelt geen nadere eisen aan de motivatie. 12.8 Kwaliteitseisen diensten Bij het beoordelen van de kwaliteit van de met een pgb ingekochte ondersteuning houdt het college in ieder geval rekening met de hiernavolgende aspecten. Dit met het oog op de te bieden kwaliteit van de ondersteuning als bedoeld in art. 3.1 Wmo 2015. Professionele ondersteuner In het geval van een professionele ondersteuner beoordeelt het college in ieder geval of wordt voldaan aan de volgende zaken.

DEF. februari 2024

72

• De ondersteuning sluit aan bij de beperkingen die de cliënt ondervindt. • De ondersteuning sluit aan op het verslag. • De ondersteuner die (al dan niet werkzaam via een professionele organisatie) de geïndiceerde ondersteuning biedt, beschikt over een relevante opleiding. Bij het ontbreken daarvan kan het college akkoord geven als op verifieerbare wijze wordt aangetoond dat deze ondersteuner over relevante werkervaring beschikt. Denk bijvoorbeeld aan referenties die kunnen worden gecontroleerd. • Afhankelijk van de aard van de ondersteuning en van de beperkingen en kwetsbaarheid van de cliënt dient de ondersteuner te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. • Ook kan hier de meldcode als bedoeld in artikel 3.3 van de wet en de meldingsplicht van calamiteiten en geweld als bedoeld in artikel 3.4 van de wet onder vallen. Dit laatste in het kader van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij ZZP’ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een ZZP’er zal namelijk ook door andere cliënten worden ingehuurd.

Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen. Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk Als de via een pgb in te kopen ondersteuning (diensten) wordt geleverd door iemand die behoort tot het sociaal netwerk die ook huisgenoot is van de cliënt, geldt dat dit alleen mogelijk is in die gevallen waarin deze ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt. Zie voor boven-gebruikelijke hulp hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. In geval van personen uit het sociaal netwerk zal (in alle gevallen) ook moeten worden beoordeeld of de kwaliteit van de te leveren ondersteuning voldoende is en of de ondersteuning aansluit op de indicatie. Personen behorend tot het sociaal netwerk van de cliënt worden niet als professionele ondersteuner aangemerkt, tenzij sprake is van een ZZP’er of een dienstverband bij een professionele organisatie. De cliënt zal allereerst zijn keus om met het pgb iemand uit het sociale netwerk in te schakelen moeten motiveren. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: • De persoon uit het sociale netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk op de cliënt hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag in dat kader niet door deze persoon worden beïnvloed.

• Is de persoon uit het sociale netwerk in staat om de gevraagde ondersteuning te bieden? En zo ja, waar blijkt dat uit? • Is voldoende aannemelijk dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken? • Is de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende gewaarborgd? Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn. Verder geldt dat personen uit het sociaal netwerk niet per se hoeven te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Professionele distantie Het college beoordeelt of er sprake is van voldoende professionele distantie tussen de derde aan wie het pgb wordt besteed en de cliënt. Dat wil onder meer zeggen dat het niet de bedoeling is dat de ‘betrokken partijen’ aan elkaar hechten. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de cliënt kan deze professionele distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de ondersteuning moet worden bereikt. Zo

DEF. februari 2024

73

kan te veel emotionele betrokkenheid van de ondersteuner een negatief effect hebben op de relatie cliëntondersteuner. De cliënt kan ook (te) afhankelijk worden van de ondersteuner. Het college beoordeelt of de ondersteuner handelt volgens de geldende professionele standaard die geldt voor de beroepsgroep. Ook kan het voorkomen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de cliënt, zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de cliënt vertroebelen. Ook in die gevallen zal het college moeten beoordelen of nog gesproken kan worden van voldoende professionele distantie met het oog op de kwaliteit van de ondersteuning. Kortdurende periode: beoordeling doeltreffend pgb Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een pgb in te kopen ondersteuning speelt ook een rol of de in te kopen maatwerkvoorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het pgb in te kopen ondersteuning effectief moet zijn om dat doel te bereiken. Het uitgangspunt van de wet is om burgers te ondersteunen in het versterken van hun zelfredzaamheid, voor zover dat mogelijk is. Eenvoudig gezegd: iemand leren zichzelf te helpen.

De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is, gelet op de directe relatie, om de zelfredzaamheid van de cliënt te versterken door hem iets aan te leren. Het kan aannemelijk zijn dat het aanleren van activiteiten meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de cliënt staat. Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn (dit kan bijv. aan de orde zijn als de cliënt of zijn huisgenoot (bij gebruikelijke hulp) leerbaar is). Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan. Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn het resultaat van de ondersteuningsbehoefte verwacht wordt. Na afloop van de kortdurende periode zal het college evalueren wat het effect is geweest van het leren en dan (eventueel) opnieuw beoordelen of nog ondersteuning nodig is (vergelijk CRVB:2011:BU3228). Dat wil dus niet zeggen dat nooit een pgb verstrekt kan worden aan iemand uit het sociaal netwerk; het gaat dan specifiek om een kortdurende periode waarin de cliënt (of huisgenoot) iets wordt (aan)geleerd.

12.9 Kwaliteitseisen woningaanpassing en hulpmiddel Programma van eisen De kwaliteitseisen voor een woningaanpassing worden vastgesteld op basis van het programma van eisen. De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het hulpmiddel en de geldende eisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod. De kwaliteitseis kan betrekking hebben op de geldende norm NEN-EN-ISO en/of een keurmerk. Zie verder onder 12.12 (hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing) van de beleidsregels. Niet via de Svb In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen en hulpmiddelen niet via de Svb. Deze pgb’s worden door het college aan de derde uitbetaald. Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een woningaanpassing zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang: • is de cliënt in staat om de opdracht aan een aannemer te verlenen conform het programma van eisen en de overige vereisten? • is de cliënt in staat de uitvoering aan te sturen en de oplevering te controleren conform het programma van eisen? Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een hulpmiddel is in ieder geval van belang of de cliënt in staat is een hulpmiddel te selecteren om het resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld.

DEF. februari 2024

74

12.10 Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 2.7 (indicatie Wlz en aanvraag maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht), 3.3.6 (nieuwe aanvraag pgb binnen zelfde budgetperiode) en 12.6 (conflicterende belangen pgb), geldt nog een tweetal situaties waarin het college een pgb kan weigeren. Artikel 2.3.6 lid 5 onderdeel a Wmo 2015 Het kan voorkomen dat de cliënt het pgb wenst te besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de cliënt het meerdere van de kosten zelf moet betalen. Het meerdere dat aan de maatwerkvoorziening wordt besteed, wordt dan door het college geweigerd. Let wel: ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit mag beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de cliënt wel in staat is om de duurdere maatwerkvoorziening te bekostigen. Als de cliënt niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan. Bijstorten diensten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015)..

In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders. Art. 2.3.6 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 Als de cliënt een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onderdeel a, d of e Wmo 2015. Denk aan: • het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid • het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; of • het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt. Uitgangspunt Op grond van dit artikel kan het college als -onder meer- sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt een aanvraag voor een pgb weigeren (schending inlichtingenplicht).

Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid hanteert het college een grens. De aanvraag voor een pgb wordt geweigerd als de schending van verplichtingen (tot maximaal) twee jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. 12.11 Hoogte pgb diensten Artikel 5.5 Verordening De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb voor diensten (begeleiding, kortdurend verblijf en huishoudelijke ondersteuning) wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor:  ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die werkzaam zijn als ZZP’er;  personen uit het sociaal netwerk;  personen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan.

DEF. februari 2024

75

Begripsbepalingen In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. 12.12 Hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing Artikel 5.6 Verordening Artikel 2.2 Nadere regels Hulpmiddelen De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het kan voorkomen dat het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment zit van de gecontracteerde partij en dat er geen afspraken zijn gemaakt dat de aanbieder het betreffende hulpmiddel aanschaft. In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/826/documents/21671