Denekamp, Kappelhofsweg_Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
29
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2
Onderzoek
De locatie is niet gelegen binnen de geluidcontouren van bedrijven en spoor, om die reden is industielawaai en spoorweglawaai niet van toepassing. De Kappelhofsweg is doodlopend en wordt sporadisch gebruikt waardoor mag worden aangenomen dat er geen hoge gevelbelasting zal zijn. Volgens de Verkeers Milieu Kaart (VMK) is de huidige geluidsbelasting lager dan de toegestane 48 dB ter plaatse van de voorgevel van de bestaande woningen op de adressen Ootmarsumsestraat 31 en 33. De nieuw te bouwen woningen worden achter deze woningen aan de Ootmarsumsestraat gerealiseerd. Deze woningen vormen een afschermende werking waardoor de geluidbelasting op de nieuwe woningen nog lager zal zijn. Andere wegen liggen op een dusdanige afstand dat deze eveneens niet zorgen voor een te hoge gevelbelasting. Voor de naast gelegen sportvelden geldt dat op kortere afstand dan de geprojecteerde woningen al woningen (de Volharding 15 t/m 34) gelegen zijn waarbij sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Op basis daarvan kan gesteld worden dat de geprojecteerde woningen eveneens een goed woon- en leefklimaat hebben. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van de zes senioren woningen.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 30
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
4.7.2
Onderzoek
In navolgende wordt-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit is uitgegaan van 8,2 vervoersbewegingen per etmaal per woning en per eenheid voor de commerciële functie. Uitgaande van zes woningen resulteert dit in 33 vervoersbewegingen per etmaal. Uit de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer las gevolg van het plan op de luchtkwaliteit blijkt dat de luchtkwaliteit in 'niet betekende mate' zal verslechteren.
4.7.3
Conclusie
Het aspect lucht is geen belemmering voor de realisatie van de zes geschakelde woningen.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
31
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige Richtafstanden tot woonwijken buitengebied omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn 4.8.1
Onderzoek
Type gebied: gemengd gebied ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.’ Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG brochure kan de omgeving van de Kappelhofsweg getypeerd worden als een 'gemengd gebied' In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere woningen, een molen (Sint Nicolaasmolen), een basisschool, Twent Carmel College en een installatiebedrijf gelegen. Daarnaast is het plangebied nabij de Ootmarsumsestraat gelegen dat deel uitmaakt van de hoofdinfrastructuur voor de kern Denekamp. De omgeving wordt derhalve beschouwd als 'gemengd gebied'.
Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de woningen als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd.
Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of in het plangebied ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn hieronder in tabel 4.2 alle nabijgelegen milieubelastende activiteiten weergegeven. Op basis van deze tabel kan geconcludeerd worden of de voorgenomen ontwikkeling belemmeringen ondervindt of oplevert van/voor omliggende milieubelastende activiteiten. Tabel 4.2: richtafstanden activiteiten in de omgeving Adres
Omschrijvingcf. systematiek VNG-richtlijn
Ootmarsumsestraat 21
Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs Aannemersbedrijf Overdekt zwembad Veldsportcomplex (verlicht)
Oranjestraat 23 Oranjestraat 33 Molendijk 14 Kappelhofsweg 12
Richtafstand, 1 stap verkleind (m) 10
Werk. afstand (m) 110
Milieu bepalend aspect Geluid
10
180
Geluid
10 30 30
180 160 5
Geluid Geluid Geluid
In de bovenstaande tabel zijn de in de omgeving gelegen bedrijven opgenomen met de bijbehorende 32
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
richtafstanden conform de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' en de feitelijke afstand tussen de betreffende functies en het onderhavig plan. Uit de tabel blijkt dat, op het veldsportcomplex na, aan alle richtafstanden wordt voldaan. De invloed van het veldsportcomplex wordt hieronder nader toegelicht.
Veldsportcomplex (verlicht) Ten opzicht van de aanwezige sportvelden geldt voor een verlicht sportveld een in acht te nemen milieuafstand van 50 meter ten aanzien van geluid, voor onverlichte velden zijn geen richtafstanden opgenomen. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat voor onverlichte velden 30 meter aangehouden kan worden, de reden hiervoor is dat onverlichte velden gedurende de avond uren niet tot nauwelijks te gebruiken zijn waardoor daar gemiddeld minder geluid veroorzaakt. Aangezien hier sprake is van een gemengd gebied worden beide afstanden verkleind tot respectievelijk 30 en 10 meter. Het veldsportcomplex van SDC'12 bestaat uit meerdere velden, waarvan een aantal verlicht en een aantal onverlicht. Het meest nabij gelegen sportveld (circa 5 meter) betreft een onverlicht veld. Tussen het veld en het plangebied is een groenstrook gelegen die licht en geluid afkomstig van de sportvelden beperkt waardoor de woningen afgeschermd zullen zijn. De woningen gelegen aan De Volharding (nrs 23 t/m 31) zijn gelegen op eenzelfde afstand van het zelfde onverlichte veld, het enige verschil is dat de groenstrook bij deze woningen minder fors is dan bij de geprojecteerde woningen.
De woningen gelegen aan De Volharding (nrs 15 t/m 23) zijn gelegen op eenzelfde afstand maar dan van een verlicht veld waarvoor een grotere richtafstand geldt dan voor het onverlichte veld waarnaast de geprojecteerde woningen komen. Daarbij komt dat de groenstrook tussen deze woningen en het sportveld significant kleiner is dan die nabij de geprojecteerde woningen. Ter plaatse van de woningen aan De Volharding dient al sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat, om die reden zal dit eveneens het geval zijn bij de geprojecteerde woningen. De dichtstbijzijnde lichtmast bevindt zich op een afstand van tenminste 45 meter (dus verder dan 30 meter) van de woonpercelen. Deze mast schijnt van de woninglocatie af. Daarnaast is er langs de Kappelhofsweg straatverlichting gelegen waar al licht van af komt. Een lichthinderonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Om na te gaan of er plannen zijn tot verlichting van één van de velden in de nabijheid van de bouwlocatie heeft aanvrager een schriftelijke verklaring van voetbalvereniging Dos'19 overlegd (zie Bijlage 6) waaruit blijkt dat er geen plannen bestaan tot verlichting van de betreffende speelvelden.
Op basis van deze verklaring valt niet uit te sluiten dat er in de toekomst verlichting langs het sportveld wordt geplaatst, echter zal voor het plaatsen van de lichtmast beoordeeld moeten worden of er geen hinder ondervonden wordt door omwonenden. De verklaring geeft voor nu weer dat de vereniging geen bezwaar heeft op het voorliggende plan en geen intentie heeft om lichtmasten te plaatsen. 4.8.2
Conclusie
Bedrijven- en milieuzonering is geen belemmering voor de realisatie van de zes geschakelde woningen en wordt het sportcomplex niet gehinderd in hun activiteiten door de nieuwe woningen.
4.9 Molenbiotoop In de algemene aanduidingsregels van het geldende bestemmingsplan is een vrijwaringszone – molenbiotoop opgenomen. De molenbiotoop moet bescherming bieden aan het functioneren van de molen als instrument en de landschappelijke belevingswaarde van de molen. Het plangebied is gelegen in de molenbiotoop van molen 'Sint Nicolaasmolen'. Dit is een korenmolen welke in 1859 is gebouwd. Deze molen is gelegen op een afstand van circa 400 meter. Tussen de molen en het plangebied bevinden zich bouwwerken die hoger of gelijk zijn aan de maximum bouwhoogte van de nieuwe zes woningen. De molen is dus geen belemmering voor de realisatie van de woningen.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
33
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.10.2 Onderzoek De risicokaart is geraadpleegd, waaruit blijkt dat er in de directe omgeving geen relevante inrichtingen, buisleidingen en/of wegen zijn gelegen.
34
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart 4.10.3 Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van de zes woningen.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden.
Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
35
4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.12
MER-toets
4.12.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bij-lage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. 4.12.2 Onderzoek 4.12.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van zes woningen, welke circa 33 extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Tevens zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn. In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dinkelland' op een afstand van circa 2,2 kilometer.
In mei 2021 is daarom nagegaan of er sprake is van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden (zie Bijlage 4). Uit de AERIUS-berekeningen voor het beschouwde plan komt naar voren dat, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase, géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol/ha/jr). 4.12.2.2 DrempelwaardenBesluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke 36
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken, de locatie en de omvang vanhet project kan gesteld worden dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Het project blijft namelijk ruim onder de drempelwaarden qua omvang en valt niet aan te merken als stelijk ontwikkelingsproject gezien het een kleinschalige inbreiding betreft zonder significante nadelige milieugevolgen. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.12.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig.
Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
37
38
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Juridische aspecten De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 5.1.1
Inleidenderegels
5.1.1.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. 5.1.1.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 5.1.2
Bestemmingsregels
5.1.2.1 Groen Binnen de bestemming zijn groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, alsmede openbare nutsvoorzieningen toegestaan. Bovendien zijn speelvoorzieningen toegestaan. 5.1.2.2 Verkeer Binnen deze bestemming zijn o.a. parkeervoorzieningen, wegen, paden, bermen en dergelijke toegestaan.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
39
5.1.2.3 'Wonen' De bestemming 'Wonen' wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken). Het gedeelte van het perceel tussen de woning en de weg krijgt de bestemming 'Tuin'. Bij de bestemming 'Wonen' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan. Hoofdgebouwen worden in het bouwvlak gebouwd. Uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden opgericht (tot bepaalde maatvoeringen). 5.1.3
Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.1.3.2 Algemene bouwregels In dit artikel is een algemene regel opgenomen ten behoeve van de situering van het hoofdgebouw. 5.1.3.3 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Deze gebiedsaanduiding is opgenomen in verband met de nabijgelegenmolen en bepaald dat binnen deze aanduiding rekening moet worden gehouden met de maximale bouwhoogte. 5.1.3.4 Algemene gebruiksregels Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. 5.1.3.5 Algemene afwijkingsregels Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
5.1.3.6 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen wat betreft het parkeren. Samengevat is bepaald dat er in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht voor parkeerplaatsen, e.e.a. conform de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren'. 5.1.4
Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 5.1.4.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
40
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Financiele uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Participatie De direct omwonenden zijn door de initiatiefnemer op de hoogte gesteld van de voorgenomen plannen. Zij hebben positief gereageerd op het planvoornemen. Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen is het plan op onderdelen aangepast, de doorgevoerde wijzigingen zijn beschreven in Bijlage 7 Reactienota zienswijzen. De omwonenden, zijnde de bewoners van Ootmarsumsestraat 29, 31 en 33, zijn over de aangepaste plannen geïnformeerd.
Zij hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het aangepaste plan. Zienswijze In het kader van zienswijze wordt het bestemmingsplan als ontwerp, 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar zienswijzen indienen.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
41
42
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Denekamp, Kappelhofsweg'.
7.1 Procedurestappen Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Denekamp, Kappelhofsweg' heeft vanaf 22 april 2022 gedurende zes weken ter inzage liggen. Tijdens deze periode zijn zienswijzen ingediend, deze zijn terug te vinden in Bijlage 7 Reactienota zienswijzen. Naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen is het plan op onderdelen aangepast. De ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Denekamp, Kappelhofsweg
43