Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat (09-12-2022)_Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
Realiseren harde plannen tot 2025; Zachte plannen hard maken en realiseren tussen nu en 2030; Op zoek naar locaties voor uitbreiding tot 2025 en realiseren tot 2030. De onderstaande tabel geeft per gemeente de netto harde en zachte plancapaciteit weer per 1-1-2020. Daarnaast is de woningbouwopgave tot 2030 weergegeven (afbeelding 4.4).
Afbeelding 4.4: Woningbouwopgave regio Twente (Bron: Regionale Woonagenda Twente) Het bovenstaande aantal van 14.130 vormt een voorstelling van het mogelijke aanbod op basis van de harde en zachte plannen per 1-1-2020. De uiteindelijke vraag en behoefte van 15.782 dient echter ingevuld te worden op basis van de wens om te sturen op kwaliteit. Het aantal van 5.000-7.000 betreft de extra ambitie/opgave, waarbij ook hier het samen sturen op kwaliteit leidend is. De juiste woning op de juiste plek, inspelend op de kwalitatieve woningbehoefte en een goede bijdrage leverend aan de leefbaarheid en kwaliteit van wijken/buurten in de steden, de dorpen en het platteland. Opgave 2021-2025 Tot 2025 ligt de focus op het realiseren van de bestaande harde plancapaciteit. Dit zijn de woningbouwprojecten waarmee de gewenste versnelling ingevuld kan worden. Belangrijke kanttekening daarbij is wel dat de harde plancapaciteit getoetst wordt op basis van het kwalitatief afwegingskader. Uitgangspunt is een woning voor iedereen: ruim baan voor de lokale behoefte, inbreiding, herstructurering en transformatie. Dit wil onder andere zeggen dat bij inbreidingsplannen waarbij binnen vijf jaar kan worden gestart met de realisatie geen bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 29
kwantitatieve kaders gelden. Daarnaast moet de opgave voor de periode vanaf 2025 voorbereid worden. In deze periode moeten zachte plannen hard worden gemaakt en moet ook al een deel van deze nieuwe toegevoegde harde plancapaciteit worden gerealiseerd om de totale woningbouwopgave tot 2030 te halen. Daarvoor is de realisatie van 2.000 woningen per jaar noodzakelijk. Daarnaast moet worden gezocht naar extra bouwlocaties zodat ook in de periode tot 2030 de gewenste snelheid in woningbouwproductie gehaald kan worden. Opgave tot 2030 Zoals blijkt uit de tabel in afbeelding 4.3 is de bestaande harde plancapaciteit circa 8.300 woningen. Voor het realiseren van de woningbouwambitie van circa 20.000 - 22.000 woningen tot 2030 is een uitbreiding van de harde plancapaciteit met minimaal 11.700 woningen nodig. Deze uitbreiding is voor een deel in te vullen door de bestaande zachte plancapaciteit (circa 5.800 woningen) om te zetten in harde plancapaciteit (mits passend binnen de kwalitatieve kaders). Aanvullend daarop moet 'ruimte' gemaakt worden voor nog eens zo'n 6.000 woningen. 4.3.1.3 Algemeen
Kwalitatievebehoefte
Twente is en blijft een regio van de menselijke maat. Het is belangrijk dat er voor iedere woningzoekende een passende, betaalbare en niet in de laatste plaats kwalitatief goede woning is. Vertrekpunt van de regionale Woonagenda is het lokaal én regionaal blijven bieden van de woningen waar huidige en toekomstige inwoners behoefte aan hebben. Dat betekent dat gemeenten door nieuwbouw, transformatie en herstructurering woningen toevoegen die goed aansluiten op de bestaande en toekomstige vraag. Dat vraagt om een toekomstgericht kwalitatief programma op lokaal en regionaal niveau, alsmede om het inlopen van woningtekorten en de realisatie van voldoende woningen voor de groeiende behoefte. Maar ook vraagt het om maatregelen en strategieën om de bestaande woningvoorraad toegankelijker te maken, onder andere door de doorstroming binnen de woningvoorraad te bevorderen. De Regionale Woonagenda Twente bevat met name ten aanzien van de kwantitatieve behoefte informatie waar gemeenten bij de uit te voeren laddertoets gebruik van kunnen maken. Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte wordt in 2021 een kwalitatieve monitor opgezet aan de hand waarvan de gemeenten in de relevante woningmarktregio invulling kunnen geven aan het kwalitatieve aspect van de verantwoordingsplicht. Wel onderscheidt de woonagenda drie verschillende ruimtelijke strategieën.
Deze geven richting aan de ontwikkeling en geven aan waar in een gebied het accent op ligt, maar dienen niet als dwingend kader. De strategieën kenmerken vooral de verschillen tussen de steden, dorpen en het buitengebied. Er kunnen zich meerdere ruimtelijke woonstrategieën binnen een stad, dorp of gemeente bevinden. Dinkelland Voor de gemeente Dinkelland geldt de woonstrategie 'buiten wonen'. Buiten wonen in het landelijk gebied en kleine kernen. Hier is het wonen nauw verbonden met het Overijsselse landschap, het dorpse leven, natuur en landbouw. Het zijn woonmilieus die worden gekoesterd en kwaliteiten die zoveel mogelijk worden behouden. Maar er zijn ook kansen om wonen als vliegwiel in te zetten om de vitaliteit van de dorpen en linten te versterken en de transities in het landschap, zoals in de landbouw, of de klimaatadaptieve opgaven kracht bij te zetten. De regio ziet kans om bijvoorbeeld bij vrijkomende agrarische bebouwing om nieuw aanbod te creëren, passend bij de leefomgeving en als contramal van wonen in het stedelijk gebied. Ook ziet de regio kansen om in de kernen met centrum dorpse woonmilieus woningen en milieus toe te voegen om daarmee de vitaliteit en de economie van de kernen kracht bij te zetten.
4.3.1.4 Toetsing van het initiatiefaan het 'Regionale Woonagenda Twente' Voorliggende ontwikkeling gaat uit van de realisatie van 21 appartementen op een locatie die is aangemerkt als een thematisch sleutelgebied (centrum Denekamp). Door de herontwikkeling van de locatie wordt een kwalitatieve verbeterslag gemaakt. Met de appartementen wordt voorzien in een aanbod dat past binnen de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwbehoefte. De woningen zijn immers geschikt voor een verscheidenheid aan doelgroepen, waaronder senioren en starters, en dragen hiermee tevens bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2 waar wordt getoetst aan het gemeentelijke woonbeleid. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan aantoonbaar past binnen de (regionale) kwalitatieve woningbouwbehoefte.
30
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1
MijnOmgevingsvisieDinkelland
4.4.1.1 Algemeen De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties.
4.4.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Aantrekkelijk wonen' van belang. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode ster. Het plangebied ligt in een gebied dat is aangeduid als 'Kernen met woon- en centrumfunctie'.
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 31
Afbeelding 4.4: Uitsnede waardenkaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Aantrekkelijk wonen De gemeente wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Vanuit de gemeente bestaat de wens om binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom gaat de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past. Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In de gemeentelijke woonvisie kijken de gemeente op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit.
Hierbij wordt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog gehouden. 4.4.1.3 Toetsing van het initiatiefaan MijnOmgevingsvisieDinkelland De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 21 appartementen binnen de grenzen van het dorp Denekamp. Deze ontwikkeling sluit aan op de gemeente vraag, aangezien er verschillende typen woningen worden gebouwd en daarom geschikt zijn voor een breed scala aan huishoudens. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.4.2
Woonvisie Dinkelland2021+
4.4.2.1 Algemeen Op 5 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Dinkelland de Woonvisie 2021+ vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen.
32
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
4.4.2.2 Meer woningen De komende jaren gaat de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Dinkelland gegroeid met ongeveer +470. Voor de komende jaren gaan de gemeente uit van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie gaan de gemeente uit van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat uitgegaan wordt van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houden we ook rekening met de instroom van vestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. De gemeente wil een ruimere plancapaciteit aan houden dan enkel koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat.
4.4.2.3 Kwaliteitsslag In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Bouwen op dergelijke plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. De huidige woningvoorraad bestaat voor een groot deel uit ruime, grondgebonden koopwoningen. Voor de meeste inwoners van Dinkelland is dit ook het ideaalbeeld. Ook starters op de woningmarkt hebben een voorkeur om direct te starten in een ruime grondgebonden koopwoning. Voor een deel van de starters is dit ook haalbaar.Voor alleenstaande starters en starters met een beperkt inkomen zijn de mogelijkheden voor een koopwoning beperkt. Zij kunnen wellicht in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, maar veel starters blijven doorzoeken naar een koopwoning. De koopcultuur is diepgeworteld in onze gemeente. Toch is het van belang om starters met beperkte mogelijkheden te wijzen op de mogelijkheden binnen de sociale huur. De gemeente voegt de komende jaren meer goedkope koopwoningen toe voor starters met een kleine portemonnee. Bovenal geldt dat er niet één uniforme woonwens van starters is.
Daarom zet de gemeente primair in op het bouwen van meer betaalbare woningen voor starters met beperkte mogelijkheden, maar daarnaast de gemeente voor een deel ook in op de bouw van middeldure koopwoningen. Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Dinkelland. In 2030 is dat gestegen naar 37%. Het voordeel van nieuwbouw voor senioren is dat er ook meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een groot deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopbestendig te realiseren. Daarnaast is de gemeente voorstander van gevarieerde nieuwbouwlocaties, met een mix van woningtypen en prijsklassen. 4.4.2.4 Toetsing van het initiatiefaan de Woonvisie Dinkelland2021+ Voor de periode 2020-2030 is de woningbehoefte voor Denekamp, Ootmarsum en Weerselo vastgelegd op 275 woningen (100% behoefte). Tevens is er een vrije ruimte voor 70 woningen binnen de gemeente Dinkelland voor transformatie en knelpunten initiatieven.
Met voorliggend plan worden 21 (levensloopbestendige) koopappartementen gerealiseerd die passend zijn voor zowel starters als senioren. De appartementen zullen qua grootte variëren van ca. 65 m2 tot ca. 90 m2. Door deze variatie in het programma wordt de spreiding in betaalbaarheid gewaarborgd en is er aanbod in diverse prijsklassen. Hierbij geldt de inspanning om de 5 kleinste appartementen aan te bieden in de prijscategorie ‘goedkope woningen’ welke een bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 33
bovengrens heeft van € 275.000 v.o.n. De overige 16 appartementen worden aangeboden in de prijscategorie ‘midden segment’ welke een bandbreedte heeft van €275.000 tot €440.000,- v.o.n. Genoemde verkoopprijzen zijn op basis van de woonvisie 2022 (prijspeil juni 2022). De 21 appartementen worden verdeeld over drie woonvolumes. (6-6-9). De appartementen worden verkocht aan individuele kopers en niet aan professionele beleggingsinstellingen. Van belang is ook dat het om een bouwplan gaat op een zogeheten inbreidingslocatie, die goed ontsloten is en op loopafstand van de centrumvoorzieningen en bushalte. Met het realiseren van de woningen wordt daarnaast invulling gegeven aan de kwalitatieve behoefte aan levensloopbestendige woningen. De gemeente geeft onder meer mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe/extra plancapaciteit indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op het invulling geven aan beleidsdoelen uit de Woonvisie en het benutten van inbreidingslocaties (zie 4.4.3). Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2021+. 4.4.3
Nota inbreidingslocaties2020
4.4.3.1 Algemeen Bij de gemeente Dinkelland werd en wordt er regelmatig een aanvraag ingediend voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Daarbij gaat het dan veelal om kleinschalige grondgebonden woningbouw zonder functiemenging binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de beoordeling van dergelijke aanvragen is voor het eerst in 2011 door de gemeenteraad een beleidskader vastgesteld in de vorm van een “Beleidsnota Inbreidingslocaties”. Nadien is het beleid aangepast in de versie “Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020”. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. 4.4.3.2 Toepassing Het beleid is van toepassing op: verzoeken voor woningbouw welke niet passen in het bestemmingsplan; verzoeken binnen bestaand bebouwd gebied. 4.4.3.3 Voorwaarden Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aanbeeld bepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is.
Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken verstaat de gemeente Dinkelland plekken die: binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: 1. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of 2. het oplossen van leegstand; of; 3. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of 4. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of 5. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; 6. het (her)ontwikkelen van een lege plek die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies. Locaties met een beeldbepalende groen- of bosbestemming zijn uitgesloten. Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland de volgende overige stedenbouwkundige voorwaarden geformuleerd: Aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; Kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; Samenhang met de omgeving; Woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast.
34
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
4.4.3.4 Toetsing van het initiatiefaan de beleidsnotitieinbreidingslocaties In 4.1.2 is reeds aangetoond dat het initiatief in past binnen kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Verder is het initiatief in 4.2 getoetst aan provinciale beleidskader. Aangetoond is dat wordt voldaan aan de provinciale kaders. In 4.4.2 is het plan getoetst aan de meest recente woonvisie van de gemeente. De appartementen worden gebouwd op een locatie binnen het bestaand bebouwd gebied, die reeds beschikbaar is voor centrumfuncties. De locatie is goed bereikbaar voor het verkeer. Er wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit, leefbaareid en vitaliteit van de kern. Het onderhavig plan geeft daarmee invulling aan de doelstellingen van de nota inbreidingslocaties. Het plangebied wordt namelijk herontwikkeld waarbij qua bebouwing en inrichting een relatie wordt gelegd met de historie van het plangebied en de directe omgeving (zie 3.1.2). Daarbij wordt tevens rekening gehouden met het laten terugkeren van bestaande historischee elementen in de woongebouwen. Ook wordt voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit verder afneemt, aangezien een prominente (verpauperde) locatie binnen het dorp Denekamp wordt herontwikkeld met een duurzame vervolgfunctie. In deze toelichting is gemotiveerd dat het plan voldoet aan de planologische, beleidsmatige en stedenbouwkundige voorwaarden.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bovendien bijgedragen aan het realiseren van het woonbeleid (zie hiervoor ook 4.4.2). De bebouwing sluit aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur, de kavels grenzen aan de openbare weg en er is sprake van samenhang met de omgeving. De woonmilieus worden tot slot niet onevenredig aangetast (zie 5.5). Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan in overeenstemming is met de 'Nota inbreidingslocaties 2020'. 4.4.4
Conclusietoetsing aan het gemeentelijkbeleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 35
36
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Beluit milieueffectrapportage.
5.1 Geluid 5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
De beoogde woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelig objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). Het plan betreft de bouw van appartementen. Het enige effect dat het plan op de omgeving heeft is de verkeersaantrekkende werking. Per saldo is er echter geen groei in het aantal verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen van de 21 appartementen komen overeen met de huidige verkeersbewegingen van de openbare parkeerplaats, de te slopen (boven)woningen en winkels. Het enige verschil met de huidige situatie is dat er meer verkeer achter, ten zuidwesten, de toekomstige appartementen langs gaat dan in de huidige situatie. Er worden daar 6 openbare parkeerplaatsen en 21 parkeerplaatsen voor de toekomstige bewoners gerealiseerd op het achterterrein. Dit gebied ligt een woonerf en er wordt eenrichtingsverkeer ingesteld. De verkeersintensiteit achter de appartementen langs zal ca. 94 mvt/etmaal bedragen.
Op basis van deze lage verkeersintensiteit en de lage rijsnelheid gaat dit geen relevante geluidbelastingen opleveren. Het is ook geen commerciële parkeervoorziening (dus geen bedrijfsmatige activiteit). Voor 30 km/u wegen en voor het geluid van bedrijven geeft het gemeentelijk geluidbeleid ambitie- en grenswaarden. Er is geen nader onderzoek nodig naar de geluidbelasting als gevolg van de realisatie van het appartementengebouw. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien er geen spoorweg in de directe omgeving aanwezig is. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 37
Aantal rijstroken Stedelijkgebied 1 of 2 rijstroken 200 m 3 of 4 rijstroken 350 m 5 of meer rijstroken 350 m De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
Buitenstedelijkgebied 250 m 400 m 600 m
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied ligt in het 'stedelijk gebied' van Denekamp. De toekomstige appartementen ondervinden een geluidbelasting ten gevolge van 30 km-wegen. Wegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur hebben geen wettelijke zone, maar dienen conform opgave van Noaberkracht Dinkelland Tubbergen wel beoordeeld te worden ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om de Grotestraat-Ootmarsumsestraat. Door Geluid Plus Adviseurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de bepaling van de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai ter plaatse van de ontwikkeling van appartementen gelegen. Daarnaast zijn er berekeningen uitgevoerd naar de geluidwering ter plaatse van appartementen waar de geluidbelastingen hoger is dan 53 dB exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Doel van het onderzoek is, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het aangeven van de geluidbelasting op de gevels van de toekomstige appartementen. De geluidbelastingen worden vergeleken met de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh). Hierna wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresulaten. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting.
Onderzoekresultaten De volgende conclusies kunnen worden gegeven: De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Grotestraat-Ootmarsumsestraat bedraagt 53 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh. Indien de geluidbelasting wordt vergeleken met de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, dan blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 5 dB wordt overschreden; Ter plaatse van alle appartementen is sprake van een geluidluwe achtergevel; De hoogste geluidbelasting exclusief aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh bedraagt 58 dB, waardoor een onderzoek naar de gevelwering aan de orde is; Met de oorspronkelijk toe te passen bouwkundige constructies conform de bouwtekeningen wordt voldaan aan de vereiste karakteristieke geluidwering conform het Bouwbesluit. Daarnaast wordt voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB. Er zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. 5.1.3
Conclusie
Ter plaatse van de nieuwe appartementen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wet geluidhinder, en daarmee het aspect 'geluid', vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2 Bodem 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Algemeen Ter plaatse van het plangebied is in december 2021 door Kruse Milieu een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN5740, NEN5707 en NTA5755. In de volgende subparagraaf wordt op de belangrijkste uitkomsten ingegaan. De volledige rapportage is als Bijlage 2 opgenomen.
38
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
5.2.2.2 Onderzoeksresultaten Het gehele terrein (boven- en ondergrond) is beschouwd als verdacht voor chemische componenten De bovengrond is tevens verdacht voor asbest. In totaal zijn er 24 boringen verricht en zijn er 20 inspectiegaten gegraven. Er zijn 6 boringen afgewerkt met peilbuizen (PB A1, B1, B6, C1, D1 en D4). Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn tot matig grof zwak siltig zand met plaatselijk veen- en leem houdende lagen. Op een groot deel van het terrein zijn in de bovengrond sporen baksteen, puin en/of kolengruis aangetroffen. Ten noorden van Grotestraat 19-21 is in de ondergrond zintuiglijk olie waargenomen. Het freatische grondwater is in de peilbuizen aangetroffen op gemiddeld 1.55 meter min maaiveld. In de geroerde bovengrond (zeer) lichte verontreinigingen met zware metalen (met name kwik en lood) en PAK aangetoond. De ongeroerde ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn plaatselijk zeer licht verhoogde gehalten aan barium aangetoond. Ter plekke van boring D4 is de zintuiglijk met olie verontreinigde bodemlaag analytisch sterk verontreinigd met olie. Naar aanleiding van het sterk verhoogde gehalte is een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De verontreiniging in de grond is in voldoende mate afgeperkt en wordt geschat op 20 m2 x 0.50 meter = circa 10 m3, waarvan naar verwachting circa 5 m3 grond sterk verontreinigd is.
Het grondwater ter plekke van de verontreiniging is matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met ethylbenzeen, xylenen en naftaleen. De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend en hierdoor is ook niet bekend wanneer de verontreiniging is ontstaan. De sanering van de sterke verontreiniging is noodzakelijk omdat er waarschijnlijk ter plekke van de verontreiniging gebouwd zal worden. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Voorafgaande aan de sanering dient saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. 5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de verontreiniging met minerale olie, geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regelingniet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 39
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief met een blauwe omlijning weergegeven.
40
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart ter plaatse van het plangebied (Bron:Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de nabijheid van het plangebied (noordzijde) ligt een gasleiding van de Gasunie en een tankstation. Hierna wordt op deze risicobron ingegaan. Gasleiding Ten noorden van het plangebied ligt een aardgasleiding van de Nederlandse Gasunie B.V. Het betreft een leiding met een maximale werkdruk 40 bar en een uitwendige diameter van 168 mm. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 70 meter. Het plangebied ligt op ten minste 620 meter afstand van deze aardgasleidingen en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. LPG-tankstationOldenzaalsestraat 52 Ten zuiden van plangebied bevindt zich aan de Oldenzaalsestraat 52 een tankstation waar verkoop van lpg plaats vindt. Vanwege de verkoop van lpg valt het tankstation onder de werkingssfeer van het Bevi.
De PR-contour van deze inrichting bedraagt 25 meter. De afstand tot de grens van het invloedsgebied waarvoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt op circa 500 meter afstand van deze inrichting en daarmee buiten het invloedsgebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking op externe veiligheid.
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 41
5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt als centrumgebied met functiemenging. Door deze functiemenging is het plangebied aan te merken als omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is, vanwege de ligging in het centrum van Denekamp, aan te merken als omgevingstype 'gemengd gebied'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 42
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m
6
1.500 m
5.5.3
1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van 21 appartementen. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden door toevoeging van deze functie, is dan ook geen sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of omliggende bedrijven in bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. In dit geval zijn de appartementen aan te merken als milieugevoelige objecten. Het plangebied ligt in het centrum van Denekamp. In de nabij het plangebied zijn op basis van het geldende planologisch regime verschillende milieubelastende functies toegestaan.
Het gaat om de bestemmingsvlakken 'Centrum', 'Kantoor', 'Detailhandel', en 'Bedrijf'. Ten noorden en ten oosten van het plangebied bevinden zich, onder andere direct aangrenzend, centrumbestemmingen (diverse adressen in het centrumgebied van Denekamp). Op basis van het geldende planologisch regime zijn ter plaatse van deze bestemmingen onder andere horeca en detailhandel toegestaan. Dergelijke toegestane functies binnen deze bestemmingen worden in de VNG-uitgave aangemerkt als maximaal milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 0 meter voor het omgevingstype gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt dan ook voldaan. Ten westen van het plangebied bevinden zich, onder andere direct aangrenzend, kantoorbestemmingen (Ootmarsumsestraat 5 t/m 9 en Ootmarsumsestraat 4 A). Op basis van het geldende planologisch regime zijn ter plaatse van deze bestemming kantoren toegestaan. Dergelijke toegestane functies worden in de VNG-uitgave aangemerkt als maximaal milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 0 meter voor het omgevingstype gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt dan ook voldaan. Verder liggen ten noordwesten en zuidoosten verschillende maatschappelijke, detailhandel- en bedrijfsbestemmingen (respectievelijk Ootmarsumsestraat 4, Burgemeester Hoogklimmerstraat 34 en 36).
Op basis van het geldende planologisch regime is ter plaatse van deze bestemming bedrijvigheid toegestaan die in de VNG-uitgave maximaal wordt aangemerkt als milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter (aspect geluid) voor het omgevingstype gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt in alle gevallen voldaan ook voldaan. De minimale afstand tot enige hiervoor genoemde bestemmingen bedraagt in dit geval minimaal 32 meter. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt. 5.5.4
Conclusie
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 43
5.6 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. 5.6.1.1.1 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dinkelland' ligt op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening opgenomen in Bijlage 3 blijkt dat voor de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid.
Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.6.1.2.1 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 460 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden 5.6.2.2 Situatie plangebied In dit geval is ter plaatse van het plangebied is er door de Natuurbank Overijssel een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats.
Er nestelen vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar mogelijk nestelen er ook vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is en waarvan de nestplaats alleen 44
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
beschadigd mag worden, mits daar een ontheffing voor verleend is. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten verstoord of vernield worden, dient de beplanting gerooid te worden en dient de bebouwing gesloopt te worden buiten de voortplantingsperiode. Om de functie van de bebouwing voor huismussen en gierzwaluwen vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Met uitzonder van de steenmarter, dient geldt voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Deze vrijstelling geldt echter niet voor steenmarters.
Om de functie van het plangebied voor steenmarters vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. 5.6.2.2.1 Aanvullend onderzoek soorten Gelet op de resultaten van de quickscan natuurwaardenonderzoek (zie 5.6.2.2 en Bijlage 4) is dit geval een aanvullend onderzoek. In verband met de voorgenomen sloop van de bebouwing hebben onderzoekers van Natuurbank Overijssel, de bebouwing in het onderzoeksgebied onderzoek op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, steenmarters en op nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen. Hierna wordt nader ingegaan op de wettelijke consequenties en de conclusie. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten In de periode april-september 2021 is bebouwing in het plangebied te Denekamp onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarters en nestplaatsen van huismussen gierzwaluwen. De onderzoeken zijn uitgevoerd volgens de daarvoor geldende protocollen en zijn volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw vastgesteld. Tijdens alle bezoeken werden 1-2 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen in en rond het plangebied en 29 mei werd een langs vliegende laatvlieger opgemerkt. Deze vleermuizen vertoonden geen verbondenheid met het plangebied.
Er is geen verblijfplaats van de steenmarter in de bebouwing vastgesteld. Er zijn geen nestplaatsen van huismussen in het gebouw vastgesteld. Tijdens alle bezoeken werden overvliegende gierzwaluwen vastgesteld, maar er zijn geen nestplaatsen van gierzwaluwen in het gebouw vastgesteld. Er zijn tijdens het veldwerk geen aanwijzingen gevonden dat beschermde diersoorten een rust- of voortplantingsplaats bezetten in het onderzoeksgebied. Uit het onderzoek is niet gebleken dat huismussen of steenmarters er een verblijfplaats bezetten of dat huismussen of gierzwaluwen er in nestelen. 5.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat 45
5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland heeft archeologische beleid voor het grondgebied in Denekamp doorvertaald in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan "Denekamp". Zoals in 1.4.2 reeds aan bod gekomen kennen de gronden binnen het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Voor gronden met deze dubbelbestemmingen geldt dat archeologisch onderzoek is vereist bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. Met de nieuwbouw in het plangebied wordt deze grens met de bouwwerkzaamheden overschreden. In dit geval is door Laagland Archeologie ter plekke van het plangebied een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven, voor de volledige onderzoekrapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Er is sprake van een (subrecent) geroerd bodemprofiel tot circa 70 cm. Hieronder zijn geen intacte B- of BC-horizonten aangetroffen. Er is wel een oude ophogingslaag aangetroffen. Deze is gemiddeld 25 cm dik en sluit scherp aan op de C-horizont. De ophogingslaag stamt waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen of vroege-midden Nieuwe Tijd. De subrecent geroerde laag hangt waarschijnlijk samen met de bouw van het voormalige hotelrestaurant rond 1928 en de latere bouw en sloop van de toenmalige panden in de periode tussen 1832 tot circa 1994.
In deze laag kunnen nog resten van (subrecente) funderingen en uitbraaksleuven worden verwacht. Vanuit archeologisch perspectief zijn deze weinig relevant. In de daaronderliggende ophooglaag en natuurlijke ondergrond kunnen nog resten van oudere grondsporen en muurwerken/funderingen worden verwacht (periode Vroege Middeleeuwen tot en met Nieuwe Tijd. Deze zijn archeologisch relevant en kunnen helpen de kennis omtrent de historie van Denekamp aan te scherpen. Het verwachtingsmodel voor de periode Vroege Middeleeuwen – Nieuwe Tijd blijft daarmee gehandhaafd. Resten van oudere perioden in de C-horizont kunnen niet uitgesloten worden, maar dit betreft dan resten van diepere sporen. Het oorspronkelijke prehistorische woonniveau is verdwenen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek wordt de kans dat het plangebied archeologische sporen bevat aannemelijk geacht. Resten van een oude ophogingslaag zijn door het hele plangebied aangetroffen. Deze ophogingslaag dateert waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen of jonger. De kans op sporen en vondsten uit deze periode is daarom waarschijnlijk.
Indien de geplande bodemverstorende werkzaamheden (waaronder ook de aanleg van nieuwe kabels en leidingen zijn begrepen) ter hoogte van de geplande nieuwbouw dieper reiken dan 55 cm -mv25 worden eventuele resten bedreigd en is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk om de kennis die in deze resten ligt besloten veilig te stellen. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit advies is overgenomen door de gemeente Dinkelland. 5.7.1.3 Conclusie De aanwezige archeologische situatie in het plangebied is voldoende in beeld gebracht. De geldende archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. In deze dubbelbestemming zit een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen worden te zijner tijd de noodzakelijke vervolgstappen gezet. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
46
bestemmingsplan Denekamp, Hoek Grotestraat Ootmarsumsestraat
5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf en de directe omgeving geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Wel kent een gebouw in het plangebied historische waarden. Het oorspronkelijke monumentale pand in het plangebied blijft behouden en wordt hersteld. Dit is van belang voor de identiteit van Denekamp. Het ensemble van de bebouwing in de omgeving speelt in het dorp een belangrijke rol. Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar Hoofdstuk 2 waar nader wordt ingegaan op de historische context van het plangebied en de omgeving. De ontwikkeling heeft verder geen negatieve invloed op monumenten in de omgeving. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 5.7.3
Conclusie
De aspecten 'cultuurhistorie' & 'archeologie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.8.2