CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitenplanse Omgevings Plan Actvititeit Molendijk.pdf

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake bindend adviesrecht Neustadtstrasse 9 Lattrop-Breklenkamp14.162 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ONDERBOUWING BOPA NEUSTADTSTRAßE 9 LAGE

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3

2.

Inleiding en aanduiding projectgebied ................................................................................... 3 Beoordelingskader en belangenafweging .............................................................................. 3 Leeswijzer .............................................................................................................................. 4 Toekomstige situatie ................................................................................................................... 5

2.1 Gewenste ontwikkeling............................................................................................................... 5 3.

Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 8 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten .......................................................................................... 8 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 8 3.2.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ ................................................................................... 8 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. 8

4.

Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie .......................................................... 9 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ........................................................................................... 9 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ....................................................................................................... 9 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ................................................. 9 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland ................................................................................................... 15 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit .................................................................................................... 17 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................ 20 4.2.1 Participatie omgeving ............................................................................................................ 20

5

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ 21 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 21 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 22 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ........................................................................... 22 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming ......................................................................... 23 5.4.1 Natura 2000-gebieden .......................................................................................................... 23 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 25 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 27 5.7 Geur.......................................................................................................................................... 28 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................

29 5.9 Trilling ....................................................................................................................................... 31 5.11 Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................................ 32 5.12 Bodem .................................................................................................................................... 33 5.14 Waterbelang ........................................................................................................................... 34

6. Financiële haalbaarheid .................................................................................................................... 37 7 Bijlagen ..................................................................................................................................... 38

1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding projectgebied Initiatiefnemer exploiteert aan de Neustadtstraße 9 te Lage (BRD) een melkvee en akkerbouwbedrijf. Het bedrijf is gelegen op de landsgrens. Het woonhuis en de stallen staan in Duitsland en de werktuigenberging en de kuilvoeropslagen liggen in de gemeente Dinkelland. Het bedrijf heeft gronden in zowel Duitsland als in Nederland. Initiatiefnemer is voornemens een mestopslag voor drijfmest te plaatsen, op kadastraal perceel (DNK) L 108, teneinde eigen mest langer op te kunnen slaan om deze gerichter uit te kunnen rijden als de gewassen daar om vragen en niet gedwongen als de kelder vol is. Daarnaast worden er wanden geplaatst langs de kuilvoeropslagen. Ter plaatse geldt het Omgevingsplan onderdeel ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ (hierna: het Omgevingsplan) van de gemeente Dinkelland dat is vastgesteld op 18 februari 2010. Op grond van het vigerende Omgevingsplan gelden voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat silo’s uitsluitend binnen het bouwperceel zullen worden gebouwd. De plaats waar de silo voorzien is, is gedeeltelijk gelegen binnen het bouwperceel. De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, is echter 2 meter. De silo zal echter een wandhoogte van 6 meter hoog krijgen. Daarbovenop komt de afdekking van 2 meter. De silo zal 1,8 m.

in de grond komen. Daarmee wordt de hoogte boven maaiveld 6,2 meter. Daarmee is er een strijdigheid met het Omgevingsplan. Afbeelding 1.1 – impressie bestaande situatie

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: (Ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; Rijksregels over activiteiten, aangeduid als de bruidsschat. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies zijn van toepassing:

-

De instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; De instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; Eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De initiatiefnemer wenst haar plan te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan van rechtswege kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden.

Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overlegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3

Leeswijzer

Deze onderbouwing bestaat uit 7 hoofdstukken.  Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.  In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht.  Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.  In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.  In hoofdstuk 6 komt de systematiek van het TAM-omgevingsplan en de financiële haalbaarheid aan de orde.

Tot slot zijn in hoofdstuk 7 voorwaarden opgenomen die aan deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden.

2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling Initiatiefnemer exploiteert een melkrundveehouderij met jongveeopfok en een akkerbouwtak. Initiatiefnemer wil graag een mestopslagsilo plaatsen teneinde de eigen drijfmest langer op te kunnen slaan. Door de vergroting van de mestopslagruimte kan er gerichter mest worden uitgereden op momenten dat de gewassen dit nodig hebben en de bodem dit toelaat. Daarnaast heeft men het voornemen om de huidige aanwezige kuilvoeropslagplaatsen te voorzien van zijwanden zodat het kuilvoer beter wordt verdicht. De zijwanden worden 2 meter hoog. Dit is toegestaan op basis van het Omgevingsplan van rechtswege. Hierdoor conserveert het kuilvoer beter met als resultaat een beter kwaliteit ruwvoer. Tevens kan er per m2 vloeroppervlak meer kuilvoer worden opgeslagen. Zie voor een impressie van de toekomstige situatie navolgende afbeelding. Afbeelding 2.1 – impressie toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens een silo te plaatsen met een diameter van 27,5 meter. De silo wordt 6,2 meter hoog. De maximale hoeveelheid opgeslagen mest zal circa 3.400 kuub mest zijn. De inhoud van de mestopslagsilo bedraagt 3.500 m3 mest. Zie voor een impressie van de afmetingen van de silo navolgende afbeeldingen

Afbeelding 2.2 – afmetingen mestsilo

De mestopslagsilo is beoogd ten oosten van het bedrijf, buiten het bouwvlak, maar binnen het bouwperceel. De noodzaak voor de bouw buiten het bouwvlak is erin gelegen dat er binnen het bouwvlak onvoldoende geschikte ruimte aanwezig is voor het plaatsen van een mestsilo. Daarbij is aan de Duitse zijde geen ruimte omdat de silo dan voor de woning moet worden gebouwd of op de

plek achter de stal, waardoor een verlenging van de stal niet meer mogelijk is. Tevens neemt de mestsilo dan vanaf de weg het zicht op de boerderij weg. Bij de huidige werktuigenberging is nog ruimte in het bouwvlak, maar deze ruimte is te beperkt en daarbij niet in eigendom. Ten oosten (achter de voeropslagen) is nog wel ruimte in het bouwperceel waar de mestopslagsilo goed toegankelijk is via de daar aanwezige weg, maar zo veel mogelijk uit het directe zicht staat. De plek waar de silo gepositioneerd is, is daarmee vanuit bedrijfstechnisch en landschappelijk oogpunt het meest gewenst. De mestopslagsilo en de nog aan te leggen erfverharding hebben een gezamenlijke oppervlakte van 850 m2 .

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving In de omgeving van het projectgebied liggen met name agrarische gronden en zijn agrarische bedrijfsactiviteiten en burgerwoningen te vinden. De dichtstbijzijnde burgerwoning in Nederland betreft de Brookmanweg 4 in Breklenkamp op ruim 458 meter afstand van de mestsilo. De dichtstbijzijnde burgerwoning is Duitsland betreft Neustadtstrasse 11 op ruim 271 meter afstand van de mestsilo. Met de situering van de silo is rekening gehouden met de bestaande bedrijfsbebouwing. De silo wordt achter de huidige voeropslagen geplaatst, achter op het erf, direct aan de ontsluitingsweg. Op deze wijze wordt zoveel als mogelijk het zicht vanaf de weg op de silo ontnomen. Het bedrijfsperceel is reeds landschappelijk ingepast door de huidige aanwezige bosjes en houtwallen. Voor meer informatie zie navolgende paragraaf. Functioneel gezien past de ontwikkeling goed in de omgeving, aangezien het projectgebied is gelegen in het landelijk gebied met overwegend agrarische activiteiten, waar ruimte wordt geboden aan agrariërs. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het project zowel op korte als op (middel)lange termijn geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten tot gevolg heeft voor de omgeving. 2.3 Landschappelijke inpassing Om het bedrijfsperceel landschappelijk in te passen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.

Met deze landschappelijke inpassing wordt een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het erf beoogd. Het doel is om middels een juiste inpassing een bijdrage te leveren aan en passend binnen de gewenste landschappelijke kwaliteit van het bedrijf en het omliggende landschap. De mestsilo is al naar behoren ingepast in het landschap. Aan Nederlandse zijde wordt een houtopstand versterkt met 3 zomereiken. Aan te planten in de maat 14-16 stamomtrek in centimeters). Als bijlage 2 bij deze onderbouwing is landschappelijke inpassingsplan te zien. Hieronder is een uitsnede van dit plan opgenomen. Afbeelding 2.3 – Uitsnede landschappelijke inpassing met locatie mestopslagsilo.

3. Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Het voornemen omvat het plaatsen van een mestopslagsilo en het plaatsen van wanden langs de kuilvoeropslagen. 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.2.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ Ter plaatse is het Omgevingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ (hierna: het Omgevingsplan) van toepassing, dat door de gemeenteraad van Dinkelland is vastgesteld op 18 februari 2010. Het projectgebied is in het Omgevingsplan van rechtswege bestemd als ‘Agrarisch – 2’. De voor ‘Agrarisch – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik en de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf’. Afbeelding 3.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’

Op grond van de gebruiks- en bouwregels in het geldende Omgevingsplan is het niet toegestaan om een mestopslagsilo te realiseren buiten het bouwvlak als deze hoger is dan 2 meter. Derhalve leidt het voornemen tot strijdigheid met het Omgevingsplan van rechtswege. 3.2.2. Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. Van belang is dat met het voornemen een mestopslagsilo en wanden langs de voeropslagen worden geplaatst ten behoeve van een reeds aanwezig agrarisch bedrijf. In de Bruidsschat zijn regels opgenomen over geur, geluid en trillingen. Voor de realisatie van mestsilo’s is het aspect geur van belang.

In hoofdstuk 5 wordt het aspect geur verder toegelicht.

4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied Toetsing aan nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid/kaders. Vanuit het oogpunt van beleidsdoorwerking vooral gericht op gemeentelijke (omgevings)visie en beleid. 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing project Aangezien sprake is van een ontwikkeling van een agrarisch bedrijf op gronden die reeds bestemd zijn voor agrarische activiteiten, de ontwikkelingen plaatsvinden op het agrarisch bouwperceel, de dieraantallen niet toenemen en met het voornemen de ruimtelijke kwaliteit er niet op achteruit gaat (vanwege bestaande landschappelijke inpassing), bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. Conclusie Het project is in lijn met de NOVI.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Provinciale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • • •

generieke beleidskeuzes (OF); ontwikkelingsperspectieven (WAAR); gebiedskenmerken (HOE).

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving.

Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de

drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. FIGUUR 4.1 UITVOERINGSMODEL OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL (BRON: PROVINCIE OVERIJSSEL)

Toetsing project Generieke beleidskeuzes (of) Het plangebied ligt volgens de gebiedsspecifieke beleidskeuzekaart van de provincie Overijssel in het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het Nationale Landschap Noordoost-Twente is een gebied met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De provincie wil (onderdelen van) het voormalig rijksbeleid voortzetten omdat de Nationale Landschappen dé parels zijn van het Overijsselse landschap. Het ruimtelijke beleid is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Met onderhavig voornemen wordt enkel een mestopslagsilo geplaatst. In het kader van het project wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, met als doel dat de landschapswaarden worden behouden en worden versterkt. Afbeelding 4.2 – generieke beleidskeuzeskaart

Ontwikkelingsperspectief (Waar) Het projectgebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Met onderhavig project wordt een mestopslagsilo geplaatst. De agrarische functie en het bouwvlak blijven van kracht ten behoeve van de veehouderij-, en akkerbouwactiviteiten die initiatiefnemer uitoefent. Een mestopslagsilo past binnen het landschap ter plaatse. Bovendien wordt voorzien in een landschappelijke inpassing, waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.

Afbeelding 4.3 - ontwikkelingsperspectievenkaart

Gebiedskenmerken (Hoe): laag van de beleving Op basis van de laag van beleving ligt het plangebied in het gebied ‘Donkerte’. Beoogd wordt om in dit gebied alleen minimaal noodzakelijk kunstlicht toe te passen. Er is veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. Met het voornemen wordt geen extra kunstlicht toegevoegd in het buitengebied. Afbeelding 4.4 – laag van de beleving kaart

Gebiedskenmerken (Hoe): stedelijke laag Op basis van de stedelijke laag komen geen gebiedskenmerken voor in het plangebied. Gebiedskenmerken (Hoe): laag van het agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is gelegen in het ‘Oude hoevenlandschap’. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Initiatiefnemers gaan een mestopslagsilo plaatsen. Aangezien binnen het Oude hoevenlandschap veel ruimte wordt geboden voor landbouw, past het planvoornemen binnen de ambities voor dit gebied. De

kenmerkende structuren van het landschap zoals aanwezig ter plaatse worden in stand gehouden en verbeterd, onder andere door de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan. De ontwikkeling is dus inpasbaar in het landschap. Afbeelding 4.5 – kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap

Gebiedskenmerken (Hoe): natuurlijke laag Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is ‘Beekdalen en natte laagtes’. De ambitie voor de Beekdalen en natte laagtes is als volgt te definiëren: De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Onderhavig project doet geen afbreuk aan de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische elementen. Afbeelding 4.6 – kaart natuurlijke laag

Conclusie Het project past binnen de ambities die de provincie in de omgevingsvisie heeft verwoord.

Omgevingsverordening Overijssel De omgevingsverordening wordt ingezet voor die beleidsonderwerpen uit de omgevingsvisie die de provincie juridisch vastgelegd wil hebben. Daartoe stelt de omgevingsverordening regels met betrekking tot de inhoud van omgevingsplannen. De Omgevingsverordening Overijssel 2024 (hierna: omgevingsverordening), die sinds 1 januari 2024 in werking is, bevat deze regels. Toetsing project Artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening gaat over zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De mestsilo is gesitueerd tussen de kuilplaten en het bos. Deze ruimte kan vanwege de oppervlakte op deze manier nuttig ingevuld worden. Daarnaast blijft de ruimtelijke kwaliteit door het plaatsen van de mestsilo gelijk. De mestsilo komt buiten het zicht door de locatie tussen de kuilplaten en het bos. Op basis van artikel 4.40 kan er met een afwijking volgens het omgevingsplan worden voorzien in de uitbreiding van een bestaand bouwperceel als dat nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf en als onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde ontwikkeling geschikt te maken. Het realiseren van de mestsilo is voor initiatiefnemer benodigd om meer mest te kunnen opslaan. Hierdoor kan initiatiefnemer de mest uitrijden wanneer dit het beste is voor het land in plaats van wanneer de mestkelder vol is.

De mest wordt hierdoor efficiënt ingezet in het groeiseizoen van de gewassen. Verder is er op het erf zelf weinig tot geen ruimte voor een mestsilo. De voorziene locatie van de mestsilo zorgt ervoor dat de omgeving weinig verandering merkt van het plaatsen van de mestsilo. Het aanzicht van de omgeving blijft nagenoeg gelijk door de plaatsing tussen de kuilplaten en het bos. In artikel 4.8 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat in omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Uit de toetsing aan de Omgevingsvisie van Overijssel en het landschappelijke inpassingsplan dat is opgesteld voor de locatie, volgt dat er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. In artikel 4.55 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat de kenmerken van het nationaal landschap Noord-Oost Twente ins tand moeten worden gehouden. Kenmerkend voor het perceel is dat het is gelegen in ‘beekdalen en natte laagtes’, het ‘nationaal Landschap Noord-Oost Twente’, het ‘Oude hoevenlandschap’, en het ‘informele trage netwerk’. Dit volgt tevens uit de provinciale omgevingsvisie van Overijssel. Reeds is onderbouwd dat het projectvoornemen geen belemmeringen kent vanwege de ligging in deze gebieden. Conclusie Het project is in overeenstemming met de omgevingsverordening.

4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: - We doen het samen; - We geven het goed voorbeeld; - We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. - We wentelen niet af op volgende generaties.

Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema’s Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema buitengebied in balans van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten: - Toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzame landbouw wordt gestimuleerd; - Goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; - Kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Toetsing project Het plangebied is gelegen in een gebied met de ontwikkelingsrichting gericht op ontwikkeling ‘Nieuwe landschap-structuren, veel ruimte schaalvergroting’. Zie navolgende afbeelding. Dit gebied kenmerkt zich door het open landschap met vergezichten, wegen met bomenrijen, een moderne erfopzet en kavelsloten. In dit gebied moet rekening worden gehouden met het agrarische karakter, de schaal van het landschap, heldere structuren en de bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. De gemeente wil in dit gebied ruimte geven aan duurzame opwekking van energie, combinaties van functies en kleinschalige detailhandel en variatie in beplanting. Het projectvoornemen ziet op het plaatsen van een mestopslagsilo. Nu sprake is van een agrarische ontwikkeling/wijziging wordt rekening gehouden met het agrarische karakter van het gebied. Afbeelding 4.7 – uitsnede waardenkaart omgevingsvisie

Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met de omgevingsvisie van Dinkelland. 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit De gemeente Dinkelland heeft ruimtelijk beleid opgesteld ten aanzien van het buitengebied. Het betreft het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’. Het doel van de beleidsregel is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Daarnaast wil de gemeente economische ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Toetsing plan In onderhavig geval is enkel sprake van het plaatsen van een mestopslagsilo. Per saldo neemt de oppervlakte van het bouwvlak niet toe. Dit betekent dat er in de toekomst geen grootschalige uitbreiding kan plaatsvinden zonder dat de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling opnieuw wordt afgewogen. Omdat het een kleinschalige uitbreiding betreft zou er op basis van de provinciale verordening geen KGO investering hoeven plaatsvinden. Omdat er op basis van de provinciale verordening geen aanvullende kwaliteitsimpuls wordt gevraagd wordt deze vanuit de gemeente ook niet gevraagd.

Conclusie Er hoeft geen investering te worden gedaan in de Groene Omgeving volgens het Beleid Buitengebied met Kwaliteit. 4.1.5 Beleidsnota “De casco-benadering in Noordoost-Twente” Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies.

In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

Casco-benadering in de praktijk

De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.

Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren Te compenseren elementen

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van casco-benadering wordt voldaan Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In navolgende figuur is een uitsnede van het projectgebied met de Cascokaart behorende bij de Cascobenadering opgenomen.

Afbeelding 4.8 – Uitsnede Cascokaart

Toetsing Het plangebied is gelegen direct aansluitend op een gebied dat onderdeel is van het casco. Aangezien met het planvoornemen geen sprake is van het kappen van een bestaand casco-element, heeft de ontwikkeling geen gevolgen ten aanzien van het beleid dat wordt gevoerd. Het cascobeleid heeft daarom geen consequenties voor de ontwikkeling. Conclusie Het cascobeleid vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoornemen. 4.1.6 Nota omgevingskwaliteit Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Toetsing project De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als Buitengebied - Niveau Midden. De mestsilo voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Conclusie De Nota omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoornemen. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Initiatiefnemer heeft in de beginfase van zijn plannen geparticipeerd met omwonenden. Hiermee wordt onder andere beoogd om de kwaliteit van de besluitvorming te verbeteren en om draagvlak te creëren voor het plan. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om omwonenden afzonderlijk te informeren over het initiatief. Voor deze wijze van participatie is gekozen aangezien initiatiefnemer goed contact heeft met zijn buren en een afzonderlijk gesprek gelegenheid biedt om de situatie uit te leggen. Aan omwonenden is (vrijblijvend) om een mening gevraagd ten aanzien van het initiatief. Omwonenden hebben kennis genomen van het plan en hebben positief gereageerd. Geen van hen heeft een bezwaar naar voren gebracht, mede aangezien het plan op een goede manier wordt ingepast in de omgeving. De participatie heeft er niet toe geleid dat wijzigingen in het project zijn aangebracht.

4.2.2 Vooroverleg provincie De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. In de uitzonderingenlijst wordt mestopslag buiten het bouwperceel genoemd als een kleinschalige agrarische ontwikkeling. Het initiatief betreft een kleinschalige ontwikkeling bij een agrarisch bedrijf en er hoeft geen voorkantsamenwerking te worden gestart met de provincie Overijssel. Echter is er een bindend adviesrecht van de gemeenteraad. De bebouwing vindt plaats op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak. Op basis van dit feit, wordt de gemeenteraad gevraagd om een bindend adviesrecht. In het voortraject is het waterschap gevraagd naar hoe om te gaan met de watergang die langs het erf loopt. Deze staat niet meer op de legger van het waterschap. In overleg met het waterschap is het gedeelte van de watergang langs het erf inmiddels verduikerd.

5

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een omgevingsvergunning moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen. De volgende regels en instructies zijn van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Toetsing project Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling omvat het bouwen en gebruiken van een mestopslagsilo ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

De ontwikkeling voorziet in een directe behoefte van initiatiefnemer, namelijk het optimaliseren van de bedrijfsvoering. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in het landelijk gebied en is kleinschalig van aard. Derhalve is geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’ en hoeft de ladder formeel niet doorlopen te worden.

Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden. 5.2 m.e.r.-beoordeling Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, waarin de projecten staan opgesomd, de gevallen waarin een project-mer verplicht is en de gevallen waarin een project-mer-beoordelingsplicht geldt. Tot slot worden besluiten opgenomen die betrekking hebben op de projecten waarvoor de projectmer-(beoordelings)plicht geldt. Toetsing project In bijlage V van het omgevingsbesluit staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt; voor veehouderij is dit A1 ‘Installaties voor intensieve veehouderij’. In onderdeel A1 kolom 2 staan bij deze activiteit gevallen (drempelwaarden) genoemd. In het geval dat de activiteit betrekking heeft op meer dan de genoemde hoeveelheid dan is direct een m.e.r. plicht aan de orde. Indien de activiteit beneden de drempelwaarde ligt, is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De voorgenomen activiteit overschrijdt voornoemde drempelwaarden niet.

Het betreft een melkveehouderij, hiervoor zijn geen drempelwaarden opgenomen. Er is geen sprake van een rechtstreekse m.e.r.-plicht. Voor de vraag of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 van bijlage V is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht. Uit onderhavige toelichting volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018.

Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.

Toetsing plan Verkeersgeneratie- en afwikkeling De verkeersgeneratie dient te worden bepaald aan de hand van de CROW-uitgave ‘toekomstbestendig parkeren’. Van belang is echter dat geen van de genoemde functies in de CROW-uitgave overeenkomt

met veehouderij en akkerbouw. Derhalve dient de toetsing plaats te vinden aan de hand van een weergave van de praktijk. Het plangebied is in de bestaande situatie via twee inritten ontsloten, te weten via de Brookmanweg en via de Neustadtstraße. De verkeersontsluiting wordt niet gewijzigd. Het project leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op het omliggende wegennet aangezien niet meer vee wordt gehouden. Ten aanzien van verkeersveiligheid is in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018 opgenomen dat vrachtverkeer en landbouwverkeer op smalle wegen onveiligheid veroorzaken en dat de kwaliteit van wegbermen verslechterd door gebruik van smalle wegen door zwaar verkeer. De gronden van initiatiefnemer die zij voornemens zijn te gaan bewerken in het kader van akker-, en weidebouw, bevinden zich voor een groot deel aansluitend op de huiskavel of in de directe omgeving. Dit betekent dat beperkt gebruik wordt gemaakt van het omliggende wegennet. Op deze wijze wordt de verkeersveiligheid gewaarborgd. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers uit publicatie 317 CROW.

Er wordt voor het gehele grondgebied een onderscheid gemaakt naar drie zones: “centrum”, “rest bebouwde kom” en “buitengebied’. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Geen van de functies in bijlage I bij de beleidsnotitie komt echter overeen met veehouderij en akkerbouw of een andere vorm van landbouw. Het voornemen betreft het plaatsen van een mestopslagsilo. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte ter plaatse niet toe. Het plangebied is van voldoende omvang om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggende ontwikkeling. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.

Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels;

•

de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Toetsing project Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’ en ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’, bevinden zich respectievelijk op circa 2.500 meter ten zuidoosten van het plangebied en 4,4 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Zie voor de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het projectgebied navolgende afbeelding. Afbeelding 5.1 – uitsnede Atlas van Overijssel

Gelet op de aard van het project, waarbij sprake is van het realiseren van een mestopslagsilo, kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Er is een berekening in Aerius gemaakt waarbij de beoogde situatie inclusief mestsilo en inclusief bouwfase van de mestsilo en kuilplaten is berekend. Hieruit blijkt dat er geen toename in stikstofdepositie is op omliggende N2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is niet gelegen binnen het NNN of vlak bij zeer kwetsbare gebieden. In navolgende afbeelding zijn met respectievelijk geel en groen de NNN-gebieden en de zeer kwetsbare gebieden in de omgeving van de locatie weergegeven. Daaruit volgt dat de bedrijfslocatie op circa 1.800 meter

afstand van het Natuurnetwerk Nederland en zeer kwetsbaar gebied is gelegen. Echter wordt dit gebied niet aangetast c.q. doorkruist. Afbeelding 5.2 – impressie ligging plangebied ten opzichte van NNN-netwerk en zeer kwetsbaar gebied

Beschermde houtopstanden Binnen het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden gelegen. Daarnaast heeft het voornemen geen negatieve invloed op omliggende beschermde houtopstanden. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden is in dit voornemen dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het projectgebied worden opgemerkt dat het voornemen ziet op het plaatsen van een mestopslagsilo. Deze zal gerealiseerd worden op grond die nu in gebruik is als intensief beheerd grasland. Gezien het voorgaande is van een negatief effect van de ontwikkeling op beschermde flora en fauna is dan ook geen sprake. Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.5 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor

onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/958/documents/24561