CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitenplanse Omgevings Plan Activiteit - Havezatheweg 5 Rossum

Commissie Omgeving & Economie 6 oktober 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake bindend advies bouwen machine- en voeropslagberging en legaliseren kuilvoerplaten Havezatheweg 5 Rossum15.066 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

6 alinea's met “bindend”: 2 3 8 10 17 50

omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) - Havezatheweg 5 Rossum Inhoud sopgave 1. | Inle id ing ...................................................................................................................................... | 3 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied ............................................................................................ | 3 1.2 | Beoordelingskader en belangenafweging .............................................................................. | 3 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. | 4 2. | Toekomstige situatie ................................................................................................................... | 5 2.1 Gew enste ontw ikkeling ............................................................................................................... | 5 2.2 R uimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. | 7 3. | Toetsing aan omgev ingsplan...................................................................................................... | 8 3.1 Omschrijving nieuwe situatie ......................................................................................................

| 8 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan ............................................................................................... | 8 3.2.1 Str ijdigheden met bes temmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ ........................ | 8 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. | 9 4. | Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adv iesrecht ...................... | 10 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ......................................................................................... | 10 4.1.1 Nationale omgevings visie ..................................................................................................... | 10 4.1.2 Omgev ingsvisie en O mgevingsverordening Overijssel 2024 ............................................... | 10 4.1.3 Omgev ingsvisie D ink elland ................................................................................................... | 17 4.1.4 Casco beleid .......................................................................................................................... | 19 4.1.5 Nota omgevingskwaliteit .......................................................................................................

| 20 4.1.6 Beleid Buitengebied met Kwaliteit ......................................................................................... | 21 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................ | 24 4.2.1 Provinciaal vooroverleg ......................................................................................................... | 24 4.2.2 Waterschap Vechtstr omen .................................................................................................... | 24 4.2.3 Participatie omgev ing ............................................................................................................ | 24 4.2.4 Bindend adv iesrecht gemeenteraad .................................................................................... | 25 5. | Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ | 26 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... | 26 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... | 27 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ...........................................................................

| 28 5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming ........................................................................ | 29 5.4.1 Natura 2000- | gebieden .......................................................................................................... | 29 5.4.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... | 30 5.4.2 Soortenbescherming ............................................................................................................. | 31 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ | 32 5.6 Ge lu id ....................................................................................................................................... | 33 5.7 Geur.......................................................................................................................................... | 35 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ | 35 5.9 Trilling .......................................................................................................................................

| 37 5.10 Archeologie ............................................................................................................................ | 37 5.11 Bodem .................................................................................................................................... | 38 5.12 Waterbelang ........................................................................................................................... | 39 5.13 verbod voor het gebruik van gew asbeschermings middelen .................................................. | 40 5. | Financ iële haalbaarheid ........................................................................................................... | 41 6. | Voorw aarden omgev ingsvergunning ........................................................................................ | 42 2 3 1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Aan de Havezatheweg 5 in Rossum (gemeente Dinkelland) bevindt zich het perceel van initiatiefnemer. Op het perceel is een agrarisch bedrijf gelegen gericht op melkveehouderij. De initiatiefnemer heeft de wens om het agrarische bedrijf uit te breiden. Het gaat om de uitbreiding van oppervlakte aan bebouwing, niet om de uitbreiding van dieraantallen voor de melkveehouderij. Hiervoor wordt een nieuwe machineberging gebouwd van ca. 1370 vierkante meter.

Daarnaast worden de aanwezige sleufsilo’s met dit plan gelegaliseerd. Bij de nieuwe ontwikkeling worden de huidige structuren van het landschap en erfopzet gerespecteerd. De nieuwe machineberging is gesitueerd buiten het bouwvlak en gedeeltelijk buiten het bouwperceel. Een uitbreiding van bebouwing binnen het bouwvlak is niet mogelijk vanwege ruimtegebrek en elders bij het erf plaatsen doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit. Het realiseren van de kapschuur op de betreffende locatie is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet toegestaan. Daarmee past het plan niet binnen de regels van het huidig planologisch kader. Het aanvragen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is noodzakelijk om het voornemen mogelijk te maken. 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactivitei t is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties li gt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functi es aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregel s voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatief advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college worden geweigerd. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. 4 De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied.

Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan van rechtswege kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op voorgaande overwegingen zijn er in hoofdstuk 7 voorwaarden aan de vergunning verbonden voor de ontwikkeling van het project. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op.

Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden opgenomen die aan deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden. 5 2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling Het plangebied ligt ten oosten van Rossum in het overgangsgebied van het hoger gelegen essen- en kampenlandschap naar het lager gelegen ontginningslandschap. Het erf is al op historische kaartbeelden van voor 1900 ter ug te zien. Door de jaren heen is het uitgebreid tot de huidige situatie.

De planlocatie kent twee bedrijfswoningen met meerdere opstallen ten behoeve van de melkveehouderij. De opstallen zijn achter de voorgevels geplaatst. De huidige erfopzet past niet direct in het essen- en kampenlandschap, echter is het erf al vanaf oudsher rechtlijnig. Dit zou bijvoorbeeld gedaan kunnen zijn vanwege functionaliteit en de directe ligging aan het ontginningslandschap. De kenmerken van de genoemde landschappen zijn in de huidige situatie goed te herkennen. Veel groen- en wegenstructuren zijn behouden gebleven, ook de hoogteverschillen zijn duidelijk te herkennen in het landschap. In de nieuwe situatie blijft de functie ‘Agrarisch - 2’ en blijven de bestaande bouwwerken behouden (A en B), de voormalige boerderij (Q) wordt gesloopt vanwege de verminderde bouwtechnische staat. Ten behoeve van de uitbreiding van de agrarische activiteiten wordt er een nieuwe machineberging gebouwd van ca. 1370 m2 (E) en in gebruik genomen. De machineberging wordt geheel buiten het bouwvlak (D) gerealiseerd en gedeeltelijk buiten het bouwperceel. Middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt hiervoor een ontheffing aangevraagd. Daarnaast wordt een bestaande schuur vergroot (R), dit valt binnen het bouwvlak en binnen de regels van het omgevingsplan.

De aanwezige sleufsilo’s (G) vallen in de bestaande situatie tot iets buiten het bouwperceel, deze dienen worden te gelegaliseerd aan de hand van deze BOPA, aangegeven met (D). Om de bestaande ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken worden er nieuwe groenstructuren aangeplant (K, O, T en W) en blijven de bestaande groenstructuren behouden (F, I en J). De laurier (X) is uitheemse beplanting en heeft geen toegevoegde waarde, derhalve wordt deze verwijderd. Daarnaast worden eiken geveld (S) deze worden gecompenseerd volgens O en T. Het nieuw te planten struweel zorgt ervoor dat de machineberging niet midden in een open landschap, maar wordt het zicht op de machineberging deels gebroken. De huidige toegangsweg wordt deels verlegd waardoor het werkerf te bereiken is en er nieuwe groenstructuren aan te planten zijn langs de inrit om het zicht te breken (O en P). Daarnaast wordt voorzien in wateropvang middels tankopslag ten behoeve van waterberging (hemelwater), waarbij het opgevangen water wordt hergebruikt voor het toevoegen aan kuilvoer (V). De nieuwe ontwikkeling houdt rekening met het landschap waarin de planlocatie is gelegen door een zorgvuldige landschappelijke inpassing en doet geen afbreuk op het bestaande open landschap en de bestaande ruimtelijke kwaliteit.

De volgende maatregelen worden genomen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit: • Behoud bestaande groenstructuren (F, I en J); • Aan te planten struweel (K en P); • Aan te planten strook met bosplantsoen (W); • Aan te planten bomen langs de toegangswegen (O); • Aan te leggen afwateringssysteem t.b.v. opvang hemelwater (V); 6 Afbeelding 1: aanzicht erf in de huidige situatie vanaf het oosten, diverse opslag en werktuigen buiten de bebouwing (bron: Streetsmart) Afbeelding 2: situatietekening gewenste situatie (N+L Landschapsontwerpers)

7 Afbeelding 3: Bouwtekening werktuigenberging-kapschuur (bron: Meinders bouwkundig buro) 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De voorgenomen ontwikkeling heeft enkele invloed op de bestaande ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt optimaal behouden doordat de nieuwe bebouwing een uiterlijk heeft dat passend is in het gebied. Dit wordt nader toegelicht en verbeeld in 4.1.6. Daarnaast wordt er aanvullende beplanting gerealiseerd.

8 3. Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie Zoals in de aanleiding en planbeschrijving aangegeven passen de plannen van initiatiefnemer niet binnen het huidig planologisch kader. Er moet daarom een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten, die strijdig zijn met het geldend planologisch kader: • De bouw van een kapschuur voor werktuigenberging en voeropslag buiten het bouwvlak en bouwperceel; 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ Het geldend planologisch kader ter plaatse is ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’ van de gemeente Dinkelland. Binnen dit plan is het plangebied waarin de wijzigingen plaatsvinden voorzien van de functies ‘Agrarisch – 2’ met een bouwvlak. De bouw van de kapschuur valt buiten het huidige bouwvlak en bouwperceel , waardoor het niet is toegestaan binnen de geldende functie van het plangebied. Ook zijn er sleufsilo’s aanwezig die gelegaliseerd dienen te worden. Daarnaast is hierbij geen omgevingsplanactiviteit binnen het geldend kader die het voornemen alsnog mogelijk kan maken. Het aanvragen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is daarvoor noodzakelijk. Afbeelding 4: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege (ruimtelijkeplannen.nl)

9 3.2.2. Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. In de gemeente Dinkelland zijn de standaard bepalingen van de bruidsschat van toepassing. Hiermee is in de voorliggend plan rekening mee gehouden. De gestelde regels worden in acht genomen bij de uitwerking van onderhavig plan.

De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: • begrippen (hoofdstuk 1) • voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1) • regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2) • regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) • regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4) • regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5) De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. 10 4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkerti jd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regi onaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik v an de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling van de plannen De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van een kapschuur in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Hierin blijven de kenmerken en identiteit van het landschap behouden door een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Vanuit dit voornemen bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie v an de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel.

De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 11 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (bestemmings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3.

Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag) Doorwerking plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: • artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) • artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) • artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) • artikel 4.40 (kwaliteitsimpuls agro en food, beperkte wijziging agrarisch bouwperceel) • artikel 4.55 (Nationaal landschap Noordoost-Twente) Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "groene omgeving" nader gedefinieerd als: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "bestaand bebouwd gebied" nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg. Beoordeling van de plannen De bouw van de werktuigenberging valt buiten het bouwvlak en buiten het agrarisch bedrijfsperceel. Er is geen bestaande bebouwing aanwezig die voldoende ruimte biedt voor de werktuigen en voeropslag, derhalve is de noodzaak om nieuwe gebouwen te realiseren. Aan de noordzijde van de huidige bedrijfsgebouwen zijn de kuilvoerplaten gerealiseerd. De meest logische locatie (in eigendom) om de bebouwing te situeren is daarom aan de westzijde van het erf. De voorgenomen ontwikkeling omvat daarmee het plaatsen van gebouwen op een zo efficiënt mogelijke manier direct aansluitend op het bestaande erf, die zorgt voor een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: • het uitvoeringsmodel (OF -, WAAR - en HOE -benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; • wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en • inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. 12 Beoordeling van de plannen Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Gezien het voorstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan benoemde ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel. Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem 1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2.

In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Beoordeling van de plannen De ontwikkeling voorziet van een landschappelijke inpassing waarbij er natuurlijke elementen worden toegevoegd aan het erf. Deze versterken het landschap en dragen tevens bij aan een robuuster water - en bodemsysteem. De aanplant en bestaande houtopstanden kunnen namelijk water vasthouden en water beter laten infiltreren in de bodem. Daarnaast is met V aangegeven waar het water wordt geborgen aan de hand van het afwateringssysteem en wordt hergebruikt voor het kuilvoer. Gesteld kan worden dat het voorliggende plan voldoet aan artikel 4.13. Artikel 4.40: Kwaliteitsimpuls agro en food, beperkte wijziging agrarisch bouwperceel Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38* voorzien in een beperkte aanpassing of uitbreiding van een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel als: a. dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf; en b.

onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; *artikel 4.38: Omgevingsplannen laten bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven alleen toe op een bestaand agrarisch bouwperceel of een voormalig agrarisch bouwperceel. Beoordeling van de plannen De plannen voorzien in de realisatie van een kapschuur ten behoeve van werktuigenberging en voeropslag door middel van Beleid Buitengebied met Kwaliteit (paragraaf 4.1.6) . De kapschuur draagt bij aan een efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat materialen en werktuigen overdekt kunnen worden opgeslagen/gestald. Van belang is dat bij het situeren van het gebouw op de betreffende locatie, het aanwezige landschap zo min mogelijk wordt aangetast. Op het bestaande bouwvlak zijn namelijk diverse groenelementen aanwezig die in het kader van de ruimtelijke kwaliteit behouden dienen te blijven, aldaar bouwen wordt dan ook niet als een optie gezien. Ten noorden van de bestaande bedrijfsbebouwing liggen daarnaast de huidige kuilvoeropslagen. Het agrarische bedrijf zal op een verantwoorde wijze ingepast worden (en blijven) in het landschap. Zoals in hoofdstuk 1 en 2 is omschreven, heeft het plangebied de functionaliteit van een ontginningslandschap. De structuren zijn rechtlijnig.

De schuur valt binnen de landschappelijke contouren van het agrarische bedrijf, daarmee past het in de rechtlijnige opzet. Aangezien er sprake is van opslag van bestaande machines en materialen en de schuur in de landschapscontouren past, is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 4.40 van de Omgevingsverordening. Artikel 4.55: Nationaal landschap Noord-Oost Twente 13 Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: • het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; • de grote mate van kleinschaligheid; • het groene karakter. Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost -Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Beoordeling van het plan: De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente.

Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee worden ook investeringen verricht in (het behoud van) de ruimteli jke kwaliteit bij de inpassing van het bedrijfsperceel. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de toegekende kernkwaliteiten. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan zijn de volgende ontwikkelingsperspectieven voor de locatie van toepassing. Afbeelding 5: kaart ontwikkelingsperspectieven, plan locatie rood aangeduid (Provincie Overijssel)

14 Het agrarisch erf is aangegeven met het ‘Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ (lichtgroen). Mixlandschap Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare ener gie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. De voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van een kapschuur is binnen dit ontwikkelingsperspectief mogelijk, de bedrijvigheid is een passende activiteit in het mixlandschap. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke - inpassing, infr astructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. Natuurlijke laag. 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap 3. Laag van de beleving. 4. Stedelijke laag In dit geval is de stedelijke laag niet van toepassing dus wordt deze weggelaten. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De planlocatie ligt in het overgangsgebied van het dekzandgebied naar de lager gelegen beekdalen. Door de jaren heen zijn hoogteverschillen lichtelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. De hoogteverschillen op en rondom de planlocatie zijn nog waar te nemen. 15 Afbeelding 6: uitsnede kaart natuurlijke laag, planlocatie rood aangeduid (Provincie Overijssel) Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap.

Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid van het landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzetting werden gesticht op de overgang van de stuwwallen en dekzandruggen naar de lagere gronden. Het plangebied ligt in het essenlandschap (licht bruine kleur). Het essenlandschap is een hoger gelegen landschap dat door opbrengen van plaggen en mest van het ontginningslandschap nog hoger is geworden. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlandschap. Het landschap kent veel organische structuren, in zowel wegen en groenelementen. Vaak bestaat de beplanting uit zware en grote volumes. Er is een overgang te herkennen naar het kleinschaliger kampenlandschap (licht groene kleur) en het grootschalige ontg inningslandschap (licht gele kleur).

16 Afbeelding 7: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, planlocatie rood aangeduid ( Provincie Overijssel) Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het plangebied valt binnen de waarde ‘Donkerte’ in deze laag. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief.

De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. Hierbij wordt de toepassing van kunstlicht zeer selectief ingezet.

17 Afbeelding 8: uitsnede kaart laag van de beleving (Provincie Overijssel) Beoordeling van de plannen De voorgenomen plannen passen binnen de verschillende kenmerkende lagen in dit landschap, aangezien er binnen de plannen aandacht wordt besteed aan deze identiteit. In dit landschapstype is het van belang dat de openheid en de kenmerkende structuren blijven behouden. Daarmee doet het geen afbreuk aan het landschapstype. Ook doet het plan geen afbreuk aan beleving ‘donkerte’ . De nieuwe gebouwen worden enkel waar noodzakelijk voorzien van kunstlicht en waar dit het geval is , wordt het licht naar onder gericht, zodat er geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder dat afbreuk doet aan het aspect donkerte. De plannen voldoen aan de doelstellingen van provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes.

Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn: • We doen het samen. • We geven het goede voorbeeld. • We wentelen niet af op volgende generaties. • We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. Buitengebied in balans De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren

18 belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat: • toekomstgerichte agrarische sector; • goede staat van natuur en landschap; • kwalitatief toerisme. Beoordeling van de plannen: In de volgende afbeelding is een fragment van de waardenkaart opgenomen voor de planlocatie. Afbeelding 9: fragment waardenkaart, plangebied aangeduid (gemeente Dinkelland) Op grond van MijnOmgevingsvisie Dinkelland valt het plangebied waar de nieuwbouw plaats gaat vinden onder de aanduiding ‘gericht op beperkte ontwikkeling’.

In dit landschap zijn waarden aanwezig voor zowel modern, agrarisch gebruik als landschapswaarden voor natuur, beleving en recreatie. Er is dus sprake van een afwisselend gebied met open en gesloten gebieden, veel variatie in beplanting en grondgebruik, en zowel historische als moderne elementen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het bovenstaande in acht genomen en is er sprake van een landschappelijke inpassing die aansluit op de genoemde waarden. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een beperkte verandering. De nieuw te bouwen kapschuur wordt landschappelijk ingepast waardoor het gebied in balans blijft, zoals benoemd is in de visie. Concluderend, de voorgenomen plannen passen binnen de Omgevingsvisie van Dinkelland.

19 4.1.4 Casco beleid De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. De mate waarin dit casco nog intact is, is afhankelijk van de landschapsdynamiek. Voor elk landschapstype is aan de hand van ‘bouwstenen’ voor elk opgaand groen landschapselement bepaald of het een onderdeel is van de kenmerkende structuur van dat betreffende landschap, het casco, of niet. Daarnaast is de gewenste kavelgrootte voor een toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering per landschapstype vastgesteld en zijn richtlijnen geformuleerd voor de versterking van het agrarische cultuurlandschap. Samenvattend zijn de volgende algemene richtlijnen op gesteld voor de versterking van het samenhangende complex van essen, beekdalen en jonge ontginningen: • vergroten van de diversiteit tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; • aansluiten op de geomorfologische en bodemkundige opbouw van het landschap; • aansluiten op de actuele functionaliteiten van het landschap; • versterken van en aansluiten bij de ecohydrologische werking van het systeem; • versterken van de grenzen tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; • ontwikkelen van een adequaat beheer (bv.

cyclisch hakhoutbeheer) om de diversiteit in het halfopen essenlandschap te behouden. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de casco zijn in principe niet te verwijderen (groene lijnen/vlakken op de kaart). Op het erf zijn enkele casco elementen te vinden. Daarnaast is een structuur zichtbaar die geen onderdeel uitmaakt van de casco. Deze is in het verleden ook reeds verwijderd ten behoeve van de kuilvoerplaten. De tot het casco behorende elementen blijven behouden en worden niet aangetast. De ontwikkeling heeft ook geen gevolgen voor bestaande casco elementen rondom het perceel. De voorgenomen ontwikkeling heeft dus geen gevolgen voor bestaande casco elementen en vice versa. Afbeelding 10: Fragment van de cascokaart behorende bij de cascobenadering (geo.overijssel.nl)

20 4.1.5 Nota omgevingskwaliteit Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit w ordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strij d is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. Beoordeling van een aanvraag: Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunni ng met betrekking tot een bouwac - tiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt ver leend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Volgens de nota omgevingskwaliteit van Dinkelland valt de locatie in ‘buitengebied – niveau basis’. De nieuwe werktuigenberging is vergunningsplichtig voor het onderdeel bouwen. Het gebouw is voorgelegd aan de gemeente en op 15 juni is het welstandsadvies uitgebracht. Het plan is niet in strijd met de redelijke eisen van welstand.

21 Afbeelding 11: uitsnede kaart omgevingskwaliteit (bron: gemeente Dinkelland) 4.1.6 Beleid Buitengebied met Kwaliteit De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving opgepakt. Het beleid is opgesteld ter vervanging van vele andere ruimtelijke regelingen. Volgens de gemeente werd dit onnodig ingewikkeld. De absolute doelstelling van het beleid is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Algemene Randvoorwaarden Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks - en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Daarnaast moet bij de toepassing van deze beleidsregel in elk geval voldaan worden aan de hierna weergegeven voorwaarden. De gemeente bepaalt na een afweging van alle relevante belangen of aan deze voorwaarden voldaan wordt.

Voor de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden 1 tot en met 4, kan de gemeente het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q - team) om advies vragen. 1. Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverba nd/ onderlinge afstand); 3. De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit; 4. De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap; 5. De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer. Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager; 6. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; 7. De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; 10.

Indien dit nodig wordt geacht, kan een bedrijfsplan worden gevraagd ter onderbouwing van een verzoek; 11. In het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; 12. Een gecombineerde toepassing van de in deze beleidsregel opgenomen onderdelen is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan de daarbij behorende voorwaarden; 13. Vergunningen die niet meer actueel zijn of die nog niet zijn benut, kunnen niet ingezet worden ter compensatie voor (extra) ontwikkelingsruimte en worden onherroepelijk ingetrokken. 4.4 Uitbreiden bedrijfsperceel Voor het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel met de functie ‘Agrarisch bedrijf’ is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een 22 berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1. Onderstaand is opgenomen in 8.1: 8.1.1 Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Hierbij wordt uitgegaan van de in onderstaande tabel genoemde basisbedragen.

Dit zijn dezelfde basisbedragen als de basisbedragen die in het kader van het voorheen geldende KGO -beleid in overleg met erkende taxateurs tot stand zijn gekomen. Wel wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de bedragen in de onderstaande tabel exclusief btw zijn. Bij de totstandkoming van deze basisbedragen is namelijk uitgegaan van getaxeerde bedragen exclusief btw. Afbeelding 12: Overzichtstabel basisbedragen waardevermeerdering en – vermindering, relevante waardevermeerdering rood omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland) 8.1.2 Waardevermindering Indien er voor het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls een berekening van de waardevermeerdering wordt uitgevoerd op basis van de tabel in afbeelding 12, kan waardevermindering als gevolg van het toekennen van een andere functie aan de gronden meegenomen worden in de berekening. Waardevermindering kan worden toegepast op gronden waar een kwaliteitsinvestering of basisinspanning wordt verricht en de functie ook daadwerkelijk wijzigt. Hierbij gelden de basisbedragen zoals genoemd in de tabel in afbeelding 12. Nadat de totale waardevermeerdering (waardevermeerdering – waardevermindering) bepaald is, dient beoordeeld te worden of sprake is van een functioneel of niet-functioneel aan het buitengebied gebonden ontwikkeling en of de locatie is gelegen in het buitengebied of de kernrandzone. 8.1.5 Vereist investeringspercentage in schema

23 Afbeelding 13: Vereist investeringspercentage in schema (bron: gemeente Dinkelland) 8.2 Aftrekposten Op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1 kan de hoogte van de kwaliteitsimpuls berekend worden. De volgende aftrekposten mogen worden toegerekend als onderdeel van deze kwaliteitsimpuls en kunnen in mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering: • de kosten voor het opstellen van het KGO-plan tot een percentage van 10% van de vereiste kwaliteitsinvestering met een maximum van € 5.000,- (excl. btw). Deze kosten kunnen eenmalig in mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering; • de legeskosten voor de inzet van het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team). Na aftrek van de voornoemde kosten resteert het bedrag dat dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In paragraaf 8.3 wordt nader ingegaan op de investeringsmogelijkheden. 8.3 Investeringsmogelijkheden Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Beoordeling van de plannen Om de bijdrage KGO te bepalen moet er een berekening worden opgesteld. In dit geval is de absolute meerwaarde bepaald door de uitvoering van een taxatie. in tabel afbeelding 12 is aangegeven dat de waardevermeerdering €16,- per m2 bedraagt.

Dit bedrag dient vermenigvuldigd te worden met de uit te breiden oppervlakte, 4664 m2. In onderstaande tabel is de berekening weergegeven.

Afbeelding 14: KGO berekening (bron: N+L landschaps ontwerpers) Op basis hiervan blijkt de meerwaarde € 74.624,00. Omdat het voorliggend plan betrekking heeft op een buitgebied gebonden activiteit dient 25% van de w aardevermeerder ing te w or den geïnvesteerd. Dat heeft tot gevolg | dat de hoogte van de bruto KGO-investering € 18. | 656,00 bedraagt. D e kosten voor het opstellen van het plan mogen afgetrokken w orden (met een maximum van 10%). Tevens wordt er geïnvesteerd in bosonderhoud aan de Linderdijk en Goorw eg, € 5.089,00, verder aangegeven in het R KP (bij lage). Het gaat om de perc elen kadastraal aangegeven als WSL02, sectie E, nummer 1174 en WSL92, sectie U, nummer 1079. Hiermee w ordt de ruimtelijk e kwaliteit in de omgev ing verbeter d waarmee er een extra inspanning wordt geleverd. Er blijft een totaal te investeren bedrag over van € 11.701,40. In de meeste gevallen zal de KGO-investering worden gerealiseerd in het plangebied. In de gevallen waar op het moment van de planontw ikkeling geen concrete, fysieke investerings mogelijkheden of projecten voor handen zijn, kan de keus worden gemaakt de verp lichte investering in het KGO-fonds te storten.

Vanuit dit fonds kan de gemeente als beheerder van het fonds, financiële bijdragen verstrekken voor concrete fysieke projecten in het buitengebied w aarmee meerw aarde voor natuur, landschap en/of maatschappelijke doelstellingen behaald wordt. Dit kan zow el voor eigen projecten als voor projecten van derden. D eze bijdragen kunnen dan als eenmalige subsidie verstrekt worden. Het volledige nog totaal te investeren bedrag van € 11 | .701, | 40 w ordt gestort in het KGO-fonds. Geconcludeerd kan wor den dat met voorgenoemde wordt voldaan aan het beleid KGO. Middels een KGO-plan is de kwaliteitsimpuls aangetoond. H et KGO plan is toegelicht in het Ruimtelijk Kwaliteitsplan, bijgevoegd als bijlage. Deze wordt beoordeeld door de landschapsdeskundige van de gemeente. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Provinciaal vooroverleg De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit docu men t is opg en ome n we lke ru imte lijke init iat ieven /ont wikkelin gen de prov incie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondw aterbescherming geraakt worden.

Het plan valt onder een plan voor agrarische bebouwing en betr eft een kleinschalige ontwikkeling bij een bestaand bestemd bedrijfsperceel, dit is nader toegelicht in paragraaf 4.1.2 onder artikel 4.40. Verder vooroverleg is daar om niet noodzakelijk. 4.2.2 Waterschap Vecht | str omen Op 21 | oktober 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd. De normale procedure v an het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waar bij geadviseer d is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de | w aterhuishouding. O p 30 oktober | 2025 heeft het waterschap laten w eten ver der geen bezwaren te hebben tegen dit plan. 4.2.3 Participatie omgev ing Met ingang v an de Omgevingswet is het verplicht gesteld om een v orm van partic ipatie toe te passen met nieuwe ontw ikkelingen. In dit geval is er echter spr ake van een vrij lig gen d | erf die op minimaal 115 | meter van de dichtstbij zijnde buren is gelegen. Desondanks zijn de buren (noabers) betrokken in de plannen en de reactie is unaniem positief. Het participatieverslag is bijgevoegd als bijlage. Er zijn geen wijzigingen door gevoerd na contact met de buren. Derhalve is participatie | op goede w ijze door lopen.

24 25 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat om de volgende gevallen: - Een toevoeging van een woning in het buitengebied; - (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; - (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; - De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; - Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: - zonneveld voor zover groter dan 50m2; - windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter; - biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigenmest wordt verwerkt - Antenne-installatie voor zover hoger dan 40 meter; - Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; - De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. Onderhavig plan betreft een geval waarvoor bindend adviesrecht moet worden vastgesteld, omdat er bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd. De BOPA voorziet niet in een vergroting van het bouwvlak. De BOPA voorziet in het realiseren van een machineberging en het legaliseren van de kuilvoerplaten. 26 5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘ Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1054/documents/25696