CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied, SvS 4 locaties_vastgesteld_Toelichting.pdf

Commissie Omgeving & Economie 5 februari 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Schuur voor Schuur Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17”17.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.2

Buitengebied met kwaliteit

4.3.2.1 Algemeen De verwachting is dat er tot 2030 in de gemeente Dinkelland circa 236.000 m2 en in Tubbergen circa 197.000 m2 agrarische bebouwing vrij komt. Het vrijkomen van dergelijke hoeveelheden agrarische bebouwing zal een grote impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit, de vitaliteit en de sociaal-economische kwaliteit van het buitengebied van beide gemeenten. De impact die dit zal hebben stopt niet bij de gemeentegrenzen, maar is grensoverschrijdend. Er is dan ook geen sprake van verschillende ‘buitengebieden’, maar van één samenhangend buitengebied dat onderdeel uitmaakt van twee gemeenten (en wellicht nog breder getrokken kan worden). Dit komt niet alleen tot uiting door het feit dat beide gemeente plattelandsgemeenten zijn die qua landschapskenmerken en grondgebruik goed vergelijkbaar met elkaar zijn, maar ook in het gegeven dat beide gemeenten een zelfde visie voor het buitengebied nastreven. Deze visie is neergelegd in MijnOmgevingsvisie van beide gemeenten onder het speerpunt ‘Buitengebied in balans’. Gelet hierop en de grote opgave voor wat betreft vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied, wordt in deze beleidsregel als kwaliteitsimpuls nog nadrukkelijker ingezet op de sloop van vrijkomende agrarische bebouwing in beide gemeenten.

4.3.2.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden: 1. Extra m2 bebouwing wordt uitsluitend toegestaan indien elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen een veelvoud aan landschap ontsierende gebouwen wordt gesloopt. Hierbij geldt de volgende bouwsloopverhouding: Extra oppervlakte3 Sloopverhouding met Sloopverhouding zonder asbesthoudende golfplaten asbesthoudende golfplaten Tot en met 100 m² 1 m² extra is 1m² sloop 1 m² extra is 2 m² sloop 2 101 m 1 m² extra is 2 m² sloop 1 m² extra is 4 m² sloop tot en met 500 m² 501 m2 en meer 1 m² extra is 3 m² sloop 1 m² extra is 5 m² sloop 2. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 3. Landschapsontsierende veldschuren komen ook in aanmerking voor deze regeling; 4. Gebouwen moeten in het geheel worden gesloopt, inclusief funderingen en eventuele (mest)kelders; 5. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 6. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop; 7.

De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel.

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

29

4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan 'Buitengebied met kwaliteit In voorliggend geval wordt 705 m2 landschapsontsierende bebouwing aan de Loodijk 17 gesloopt. In voorliggend geval worden drie afzonderlijke aanvragen in één bestemmingsplanprocedure gevat. Daarom is er sprake van een splitsing qua schuren. Er worden enkel “volledige” schuren ingezet per adres voorzien van asbestdaken. Daarbij geldt: de eerste 100 m2 mag 1-op-1 ingezet worden, de daarop volgende sloopmeters gaan in een verhouding van 1:2. De schuren zijn legaal (of voor 1998 aanwezig), zijn niet cultuurhistorisch en worden volledig gesaneerd. Dit resulteert in de volgende verhouding. 195 m2 (waarvan 55 m2 zonder asbest) (omgerekend 134 m2 bouwmeters) naar de Rode Veldweg 4; 300 m2 (omgerekend 200 m2 bouwmeters) naar de Deuningerstraat 32; 210 m2 (omgerekend 155 m2 bouwmeters) naar de Gammelkeresweg 5. Uitgangspunt van de regeling is dat na de sloop niet meer extra m2 op de slooplocatie bijgebouwd kunnen worden. Voor het perceel Loodijk 17 betekent dit dat na de sloop enkel nog het overgebleven aantal vierkante meters aan bedrijfsgebouwen is toegestaan. Dit is in voorliggend bestemmingsplan planologisch vastgelegd.

Op deze plaats wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden voor het uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woningen op basis van het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. 4.3.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

30

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid, voor beide percelen, beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit Milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

De te realiseren nieuwe bijgebouwen aan de Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 worden in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. Ter plaatse van de locatie aan de Loodijk 17 wordt uitsluitend gesloopt en worden de agrarische activiteiten afgeschaald. Hier is geen sprake van de realisatie een geluidsgevoelig object of nieuwe geluidsbronnen als bedoeld in de Wgh. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en of NEN 5707. 5.2.2

Situatie plangebieden

Loodijk 17 Door Kruse Groep is een verkennend asbest in de bodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd ter plaatse van de slooplocatie Loodijk 17. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. Hierna volgen de onderzoeksresultaten: Onderzoeksresultaten bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

31

Algemeen In dit geval is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op 4 verdachte deellocaties aan de Loodijk 17 in Saasveld. De aanleiding van dit onderzoek is de sloop van enkele opstallen in het kader van de schuur-voor-schuur (SVS-)regeling. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een voormalige bovengrondse dieseltank aanwezig was (deellocatie A) en 3 asbestverdachte druppelzones (deellocaties B, C en D) aanwezig zijn. Het erf wordt niet onderzocht aangezien de bestemming hiervan niet wijzigt. Resultaten veldwerk In totaal zijn 3 grondboringen verricht en, na maaiveldinspectie, 9 inspectiegaten gegraven. Boring A1 is afgewerkt met een peilbuis (PB A1). Gebleken is dat de bodem globaal tot circa 4.0 m-mv bestaat uit uiterst middel fijn zand en leem. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (puin/plastic). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. De bodem ter plekke van de deellocatie A en B is zintuiglijk schoon.

Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op 1.33 meter min maaiveld. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (A - BG I) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen met minerale oliecomponenten aangetoond. Beide druppelzones B en D zijn asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De druppelzone ter plekke van deellocatie C is asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de fijne fractie <0.5 mm zijn enkele losse vezels aangetroffen. Het mengmonster C - MM FF is aanvullend geanalyseerd, met behulp van een elektronenmicroscoop (SEM). Hieruit blijkt dat in de druppelzone ter plekke van deellocatie C geen respirabele vezels aanwezig zijn. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de sloop van enkele opstallen in het kader van de schuur-voor-schuur (SVS-)regeling, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 Op alle drie de percelen worden extra bouwmogelijkheden toegekend voor bijbehorende bouwwerken.

Deze bouwwerken voorzien niet in een permanente of daarmee vergelijke verblijfsfunctie voor mensen. Tevens blijft de bestemming 'Wonen' in alle drie gevallen behouden, maar wordt wel verschoven aan de Rode Veldweg. Deze verschuiving is echter van geringe omvang en daarnaast zijn de desbetreffende gronden grotendeels al ingericht als tuin danwel verharding ten behoeve van het wonen. Gelet op het historische gebruik van de gronden en het feit dat er naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, maakt dat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat de bodem in onderliggende gevallen geschikt is voor het beoogde gebruik. 5.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

32

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen, temeer omdat er geen sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen, dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Door het afschalen van de agrarische bedrijfsmogelijkheden aan de Loodijk 17 kan mogelijk zelfs een verbetering van de luchtkwaliteit worden verwacht. Daarnaast wordt opgemerkt dat er ten aanzien van de ontwikkelingen geen sprake is van toevoeging van of wijziging naar een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

33

de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot de plandelen en de omgeving weergegeven. De locaties zijn met rode cirkels aangeduid.

34

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Risicokaart Overijssel) Uit de inventarisatie blijkt dat de plandelen: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Transport Buisleiding Zoals te zien in afbeelding 5.1 loopt er ten zuidoosten van de Rode Veldweg 4, ten oosten van de Deurningerstraat 32 en ten noorden van de Gammelkeresweg 5, een buisleiding. bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

35

Rode Veldweg 4 Het betreft hier een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie met een uitwendige diameter van 219,08 mm en een maximale werkdruk van 80 bar. Bij dergelijke buisleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 130 meter De 100% letaliteitsgrens ligt op 70 meter. De locatie ligt op minimaal 452 meter afstand van deze buisleiding. Deurningerstraat 32 Het betreft hier een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie met een uitwendige diameter van 219,08 mm en een maximale werkdruk van 80 bar. Bij dergelijke buisleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 130 meter De 100% letaliteitsgrens ligt op 70 meter. De locatie ligt op minimaal 780 meter afstand van deze buisleiding. Gammelkeresweg 5 Het betreft hier een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie met een uitwendige diameter van 219,08 mm en een maximale werkdruk van 80 bar. Bij dergelijke buisleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 130 meter De 100% letaliteitsgrens ligt op 70 meter. De locatie ligt op minimaal 330 meter afstand van deze buisleiding. Verder wordt opgemerkt dat de te realiseren bijgebouwen op de locaties geen verblijfsobjecten betreffen en hierdoor het aantal personen dat op het erf verblijft niet toeneemt. Het groepsrisico veranderd daarom niet. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet benodigd. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die 36

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Alle plandelen zijn gelegen in het buitengebied, dat is aan te merken met het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In voorliggend geval wordt op of aansluitend aan drie woonpercelen een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Deze bijgebouwen dienen als bergingsruimte bij de woningen. Deze bijgebouwen zijn vanwege aard en omvang niet aan te merken als een milieubelastende functie. Aan de Loodijk 17 wordt het agrarisch bouwvlak verkleind vanwege de te slopen bebouwing en het afschalen van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Gelet op het vorenstaande is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden geen sprake. Ter plaatse van de Loodijk 17 is voor omwonenden mogelijk zelfs een verbetering van het woonen leefklimaat te verwachten, omdat het agrarisch bouwvlak wordt verkleind.

5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving, en andersom of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De bijgebouwen aan de Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 zullen gezien de gewenste functie niet worden gebruikt voor structureel langdurig menselijk verblijf en zijn dan ook niet aan te merken als een milieugevoelig object in het kader van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. De woonbestemmingen van de Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 worden niet vergroot. Voor zover het de uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van de Rode Veldweg 4 wordt het volgende opgemerkt: Rode Veldweg 4 In de volgende tabel worden de activiteiten/functies benoemd die rondom het plangebied liggen. Er zijn geen andere relevante activiteiten/functies in de omgeving welke meegenomen dienen te worden. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het bouwvlak van de nieuwe woonbestemming en de bestemmingsgrens van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Opgemerkt dient te worden dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur.

Bij bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

37

veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de paragraaf geur nader op ingegaan. Er is in onderstaande tabel, voor wat betreft veehouderijen, getoetst aan de overige aspecten 'stof', 'geluid' en 'gevaar'. Functie

Categorie

Geur

Tramweg 11 (Meditatiecentrum)

3.1 0 (Veldsportcomp lex (met verlichting) 3.2 50

Stof

Geluid

Gevaar

0

50

0

Grootste afstand

Afstand tot bestemmingsvlak dubbele woning 50 meter 470 meter

Tramweg 3 30 30 0 50 330 meter (manege) Tramweg 2 1 10 0 10 10 10 530 meter (restaurant) Molenweg 1-A 3.1 30 0 50 30 50 260 meter (kampeerterrein) Everlostraat 3-A 1 10 0 10 10 10 370 meter (recreatiewoningen) Oldenzaalsestraat 3.2 100 30 30 0 30 610 meter 10A (Grondgebonden agrarisch bedrijf) Zoals blijkt uit de tabel, wordt in voorliggend geval aan alle richtafstanden voldaan. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd resulteren de woningen niet in een belemmering voor de omliggende milieubelastende functies. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

38

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

5.6.2

Situatie plangebied

Zoals in paragraaf 5.5 reeds benoemd wordt in voorliggend geval geen milieugevoelig object toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van een geurgevoelig object. Verder zijn in paragraaf 5.5 reeds de onderlinge afstanden tot omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) weergegeven. Het gaat om grondgebonde veehouderijen met dieren waarvoor de vaste afstand van 50 met geldt. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan, zie hiervoor ook de tabel in paragraaf 5.5. 5.6.3

Conclusie

De Wgv vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. De bouwlocaties en slooplocatie zijn niet gelegen binnen of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Hieronder wordt de onderlinge afstand per locatie weergegeven Loodijk 17 (slooplocatie): 6,2 km tot N2000 gebied 'Lemselermaten'.

Rode Veldweg 4: 1,6 km tot N2000 gebied 'Landgoederen Oldenzaal'. Deurningerstraat 32: 2,9 km tot N200 gebied 'Lonnekermeer'. Gammelkeresweg 5 : 3,5 km tot N200 gebied 'Lonnekermeer'. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied. Ter plaatse van de Loodijk 17 worden in de aanlegfase weliswaar schuren gesloopt, maar hier worden tevens de agrarische activiteiten afgeschaald. Ter plaatse van de Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 wordt gebouwd, maar het betreffen hier bijgebouwen op of aan bestaande woonerven. Deze bebouwing genereert geen extra verkeersgeneratie in de gebruiksfase. In de aanlegfase blijven stikstofuitstotende activiteiten gelet op de aard en omvang beperkt. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000- gebieden. Een stikstofonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

39

5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De te legaliseren bijgebouwen op de Rode Veldweg 4 liggen voor een klein deel binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het Natuurnetwerk Nederland staan in Overijssel de kwaliteitsambities natuur als ruggengraat en continu en beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte binnen het natuurnetwerk. In dit geval is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling of een grootschalige uitbreiding. Er kan daarom op voorhand gesteld worden dat er geen effecten kunnen zijn voor het NNN. Bovendien worden op deze locatie clandestiene bouwwerken verwijderd. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Nadere toetsing is daarom niet noodzakelijk.

Gelet op aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de waardevolle natuurgebieden wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied Door Natuurbank Overijssel is vanwege de voorgenomen sloop- en bouwactiviteiten een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. In Bijlage 6 bij de toelichting is de volledige onderzoeksrapportage opgenomen. Hieronder worden resultaten van deze quickscan weergegeven. Onderzoeksresultaten Quickscan Natuurwaarden De deelgebieden behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase, het gelijk blijven van de gebruiksfase (of afname Loodijk 17) en de afstand tot Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening is niet nodig. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het deelgebied Deurningerstraat wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vogels en vleermuizen benutten het deelgebied uitsluitend als foerageergebied. In de overige deelgebieden nestelen vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten er geen vaste rustof verblijfplaats maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de loofbomen (Gammelkeresweg), naaldbomen, nestkasten, kapschuur (Loodijk) en de kapschuur (Rode veldweg) verwijderd/gesloopt worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden 40

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten in de deelgebieden Loodijk 17 en Gammelkeresweg 5 neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. 5.7.4

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen invloed op beschermde natuurgebieden, flora en fauna. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling Aangezien ter plaatse van de slooplocatie Loodijk 17 enkel sprake is van de sloop van schuren, waarbij geen sprake is van nieuwe roering in de grond, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van mogelijk aanwezige archeologisch resten. Hierna wordt ingegaan op de bouwlocaties aan de Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5. De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Per bouwlocatie is hiervan een uitsnede van deze kaart weergegeven. Het plangebied is hierin aangegeven met de blauwe omlijning. Rode Veldweg 4

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

41

Afbeelding 5.2 Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland)

De locatie waar de schuur wordt gebouwd ligt op gronden die worden getypeerd als 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Dit type gronden kennen een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle periodes. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten blijven hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Voor deze gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De te bouwen schuur heeft een oppervlakte kleiner dan 5.000 m2. De onderzoeksgrens wordt niet overschreden. Deurningerstraat 32

42

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Afbeelding 5.2 Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) De locatie waar de schuur wordt gebouwd ligt op gronden die worden getypeert als 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Dit type gronden kennen een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle periodes. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten blijven hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Voor deze gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 5.00 m2 en dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De te bouwen schuur heeft een oppervakte kleiner dan 5.000 m2. De onderzoeksgrens wordt niet overschreden. Gammelkeresweg 5

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

43

Afbeelding 5.2 Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) De locatie waar de schuur wordt gebouwd ligt op gronden die worden getypeerd als 'dekzandhoogten en -ruggen'. Dit type gronden kennen een hoge verwachting voor archeologische resten uit alle periodes. Voor deze gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De te bouwen schuur heeft een oppervlakte kleiner dan 2500 m2. De onderzoeksgrens wordt niet overschreden. In voorliggend geval is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De geldende dubbelbestemmingen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich binnen de plandelen geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

44

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie.

Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

45

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen voor de locaties Rode Veldweg 4, Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De ontwikkelingen ter plaatse schaden geen waterschapsbelangen. De standaard waterparagraaf behorende bij de korte procedure is voor alle drie de percelen opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Omdat ter plaatse van de Loodijk 17 uitsluitend bebouwing wordt gesloopt is voor dit deel van het plangebied geen watertoets uitgevoerd.

46

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels 7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld evenals de voorwaardelijke verplichtingen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

47

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; wijzigingsbevoegdheid: onder welke voorwaarden mag het bestemmingsplan gewijzigd worden via een wijzigingsprocedure. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. Overige regels (Artikel 14) In dit artikel worden regels omtrent parkeren, laden en lossen beschreven. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch - 2" (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen conform de bestemming 'Agrarisch -2' op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Deze bestemming is voor de gronden aan de noordzijde van het plangebied die momenteel tot de bestemming 'Wonen' behoren en als tegenprestatie voor de verschuiving van de woonbestemming aan de oostzijde, herbestemd worden naar de bestemming 'Agrarisch - 2'. Het gaat om agrarische cultuurgronden, waar gebouwen niet toegestaan zijn.

'Bedrijf - Voormalig agrarisch' (Artikel 4)

48

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Deze bestemming geldt ter plaatse van de slooplocatie aan de Loodijk 17. De maximale gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen is via een aanduiding 'maximum oppervlakte bedrijfsgebouwen (m2)' vastgelegd. Via voorwaardelijke verplichtingen is de sloopopgave en de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan geborgd. Wonen' (Artikel 5) De bouwlocaties aan de Deurningerstraat 32 en Gammelkeresweg 5 zijn gelijk aan de huidige situatie bestemd als 'Wonen'. Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit en mantelzorg. In de bouwregels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken is in afwijking van de standaardmaatvoering, opgenomen dat de oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal het aantal vierkante meters mag bedragen dat is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)'. Via voorwaardelijke verplichtingen is de sloopopgave aan de Loodijk 17 en de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de erfinrichtingsplannen voor de locaties geborgd.

Wonen - Landhuis' (Artikel 6) De bouwlocatie aan de Rode Veldweg 4 is gelijk aan de huidige situatie bestemd als Wonen - Landhuis. Deze bestemming heeft betrekking op landhuizen die zijn gerealiseerd op voormalige agrarische bouwpercelen, ter vervanging van het voormalige agrarisch bedrijfsgebouw en woonhuis. In de bouwregels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken is in afwijking van de standaardmaatvoering, opgenomen dat de oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal het aantal vierkante meters mag bedragen dat is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)'. Via een voorwaardelijke verplichting is de sloopopgave aan de Loodijk 17 en de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de erfinrichtingsplannen voor de locaties geborgd. Waarde - Ecologie (Artikel 7) De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van het Natuurnetwerk Nederland.

Waarde - Landschap (Artikel 8) Door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’ worden de waardevolle landschapselementen beschermd. De houtwallen, houtsingels en bosjes ouder dan 60 jaar, staan op de verbeelding aangegeven. Uit het landschapsontwikkelingsplan is gebleken dat deze elementen zodanig waardevol zijn dat ze een specifieke bescherming krijgen. Het verwijderen van deze landschapselementen wordt niet mogelijk gemaakt, uitgezonderd vanuit het beheer van deze landschapselementen.

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurninge rstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

49

50

bestemmingsplan Buitengebied, SvS Gammelkeresweg 5, Deurningerstraat 32, Rode Veldweg 4 en Loodijk 17

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemers ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Verder is tussen de initiatiefnemers onderling een sloopovereenkomst gesloten, waarin de te slopen meters, de verdeling en bijbehorende kosten zijn vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/816/documents/20976