CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 19: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp”31.462 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: Tijdens werkzaamheden, in het gebouw dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. Aangezien de bedrijfsfunctie reeds aanwezig is in het gebouw dienen er geen (ver)bouw of sloopwerkzaamheden in het gebouw plaats te vinden. Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft gemeentelijk beleid opgesteld met een gemeentelijke verwachtings- en 44

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

advieskaart. Het betreft een kleinschalige kaart die voor het hele grondgebied van de gemeente inzichtelijk maakt waar zich archeologische resten kunnen bevinden. Op de kaart zijn landschappelijke eenheden met een archeologische betekenins weergegeven. In figuur 4.6 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart weergegeven.

Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: RAAP) Toets Het plangebied is op grond van de archeologische verwachtingskaart voorzien van het gebiedstype 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek' en 'beekdalen en overige laagten'. Voor de dekzandhoogten en -ruggen geldt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m2 geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Voor de beekdalen en overige laagten geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Het plangebied voorziet in de transformatie van een voormalig grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij één van de twee agrarische bedrijfswoningen wordt omgezet naar een reguliere woning. Daarnaast wordt het voormalig agrarisch bedrijfsgebouw gebruikt voor de opslag van (bouw)materialen en wordt de agrarische bedrijfswoning omgezet naar een reguliere bedrijfswoning. Als gevolg van het plan vinden geen bodemingrepen plaats over een oppervlakte van 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt via de Lubberdinksweg ontsloten op de Nordhornsestraat (N342) en de Lattropperstraat. Voor de Lubberdinksweg geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. De Lubberdinksweg heeft een bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 45

wegbreedte van circa 3,5 meter en kan op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan' worden aangemerkt als 'Overige Erf-toegangswegen buiten de kom'. Voor dit wegtype geldt een verkeersintensiteit kleiner dan 4.000 verkeersbewegingen per dag. De Lubberdinksweg betreft met name een erftoegangsweg die de aangrenzende percelen met de doorgaande wegen Nordhornsestraat en de Lattropperstraat verbindt. Verondersteld wordt dat het aantal verkeersbewegingen op de Lubberdinksweg gering is. Als gevolg van het plan worden de agrarische bedrijfswoningen omgezet naar een reguliere burgerwoning en bedrijfswoning. Omdat er enkel sprake is van een planologische functiewijziging van die woningen, en geen nieuwe woningen gerealiseerd worden, leidt het plan niet tot toename van het aantal verkeersbewegingen. Om de toename van het aantal verkeersbewegingen van het bedrijf (opslag ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming en lichte houtbewerkingswerkzaamheden) te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-kengetallen zoals verwoord in de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018). Voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag) geldt een maximale verkeersgeneratie van 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo.

De oppervlakte van het bedrijfsgebouw waarbinnen de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden bedraagt 715 m2. De buitenopslag bedraagt maximaal 200 m2. Op basis daarvan wordt berekend dat de maximale verkeersbewegingen van het plan (9,15 * 5,7 = 52,155) 52 verkeersbewegingen (inclusief vrachtverkeer) bedraagt. Gelet op de geringe verkeersintensiteit op de Lubberdinksweg wordt gesteld dat de planologische toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Voorheen was er aan de Lubberdinksweg 12-14 sprake van een agrarische bedrijf waardoor de Lubberdinksweg vooral belast werd met landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading. Aangezien er als gevolg van het plan vooral sprake is van opslag van (bouw)materialen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk lager uitvallen. Immers, de initiatiefnemer heeft naast bedrijfsactiviteiten die geëxploiteerd worden ook nog een baan elders. Dat betekent dat de bedrijfsactiviteiten in feite als nevenactiviteit geëxploiteerd worden. Aangezien er voorheen landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading van het agrarisch bedrijf gebruik maakten van de Lubberdinksweg, wordt geconcludeerd dat de verkeersbewegingen als gevolg van het plan via de Lubberdinksweg kunnen worden afgewikkeld.

Het plan leidt niet tot een onevenredige toename van hinder en/of gevaar op de Lubberdinksweg. Parkeren Ten behoeve van het parkeren heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' vastgesteld. Voor Dinkelland en Tubbergen wordt eenduidig beleid en duidelijke parkeernormen vastgesteld met deze beleidsnotitie. De nieuwe parkeernormen voor beide gemeenten zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie. Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit publicatie 317, op grond van de uitgangspunten in deze beleidsnotitie. De parkeerbehoefte van een bouwplan en/of een gebruikswijziging wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Dat kan op grond van de afzonderlijke ruimtes in een bouwwerk of op grond van het totale bouwwerk (b.v. een kantoorgebouw, indien van zeer homogene functie sprake is). Daarbij wordt de rekensystematiek uit bijlage IV in acht genomen. Het berekende aantal parkeerplaatsen is de “nieuwe” parkeerbehoefte van het bouwplan of de gebruikswijziging. Bij verbouw of wijziging van een bestaand bouwwerk, mag de parkeerbehoefte van de bestaande (oude) situatie in mindering worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat een nieuw bouwplan bezwaard wordt met tekortkomingen uit het verleden (b.v.

te weinig parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw of functie). In het kader van een bouwplan hoeft alleen de toename van de parkeerdruk, die dus het gevolg is van het bouwplan zelf, te worden gecompenseerd door de aanvrager. Het omgekeerde is ook het geval. Als er gedurende langere tijd sprake is van leegstand, dan is de bestaande parkeervraag nul (0). Bij een leegstandsperiode van = 5 jaar is de oude parkeerbehoefte gelijk aan 0. Voor de twee bestaande woningen geldt op grond van de parkeernormen een parkeerbehoefte (gemiddeld) 2,4 parkeerplaatsen per woning (vrijstaand, koop, buitengebied). Zoals uit het erfinrichtingsplan in Bijlage 1 blijkt is er bij de woningen voldoende verharding aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. De reguliere burgerwoning Lubberdinksweg 14 is voorzien van een oprit met een breedte van 3 meter en een lengte van 13 meter. Rond de woning Lubberdinksweg 12 is circa 310 m2 aan verharding aanwezig waar auto's geparkeerd kunnen worden. Daarmee is voldoende ruimte aanwezig om het parkeren op eigen terrein op te vangen. Voor het bedrijfsgebouw (opslag van (bouw)materialen ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming waar lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden) kan aangesloten worden bij de parkeerbehoefte voor een 46

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief waarvoor in het buitengebied een parkeernorm geldt van 1,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo. De totale bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt voor het bedrijfsgebouw (715 m2) en de buitenopslag (max. 200 m2) 915 m2. De parkeerbehoefte bedraagt derhalve (9,15 * 1,05 = 9,6) afgerond 10 parkeerplaatsen. Rond de bedrijfsbebouwing is voldoende erfverharding aanwezig waar het parkeren op voorzien kan worden. Voor het bedrijfsgebouw en op het noordwestelijke gedeelte van het erf, (O) in figuur 4.7, is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Een parkeerplaats moet een lengte hebben van 5 meter en een breedte van circa 2,5 meter. Binnen de aanduidingen op de erfinrichtingsschets is het mogelijk om tien parkeerplaatsen te realiseren waardoor op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien kan worden. Daarnaast is op eigen terrein voldoende ruimte om te laden en lossen. Laden en lossen van kleine leveringen zoals een werkbus eventueel met aanhanger zal plaatsvinden op het achtererf (N). Grote leveringen, zoals een vrachtwagen, worden aan voorzijde (O) op eigen terrein gelost.

Figuur 4.7: Opzet parkeervoorzieningen (bron: N+L Landschapsvormgeving) Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'verkeer' en 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 47

48

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 49

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en het parkeren en stallen van voertuigen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch - 1 (Artikel 3) De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ zijn voornamelijk bestemd voor agrarisch gebruik. Tevens zijn de gronden ondergeschikt bestemd voor het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. De keuze voor het toekennen van de bestemming 'Agrarisch - 1' komt voort uit het feit dat het agrarische bouwperceel voor grondgebonden bedrijf zal worden verwijderd waardoor de gronden worden teruggebracht naar agrarische gronden zonder bouwvlak of bouwperceel. Bedrijf - Voormalig agrarisch (Artikel 4) De bestemming ‘Bedrijf - Voormalig agrarisch’ is een bestemming ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid in voormalige agrarische bebouwing, die aansluiting vindt bij de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden gebruikt voor de bedrijfsfunctie, waarbij specifiek de opslag ten behoeve van een bouw- en handelsondenerming is toegestaan. Tevens is buitenopslag toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag' waarbij geldt dat de maximale oppervlakte aan buitenopslag 200 m2 mag bedragen. Daarnaast is een bedrijfswoning toegestaan.

In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen 50

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

zijnde. Ten aanzien van de gebouwen en overkappingen is bepaald dat deze uitsluitend ten behoeve van de toegestane bedrijfsfunctie mogen worden gebouwd. Het aantal bedrijfswoningen is bepaald op één. De initiatiefnemer is tevnes voornemens om een mantelzorgwoning in een bestaand bouwwerk te realiseren om mantelzorg te kunnen verlenen. Daarbij geldt dat het geen permanente woning betreft. Als de noodzaak voor mantelzorg vervalt zal de huisvesting voor mantelzorg worden beëindigd en wordt het bouwwerk teruggebouwd in de oorspronkelijke functie: bijgebouw bij de woning. In de gebruiksregels is derhalve opgenomen dat bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan al dan niet in combinatie met onder andere mantelzorg. Bedrijfsgebouwen en overkappingen worden ten minste 3 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoning gesitueerd, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt in welk geval de bestaande afstand danwel de bestaande situering geldt. Voor alle gebouwen zijn de maatvoeringen in een tabel opgenomen. In het geval dat bestaande maatvoeringen afwijken van de tabel, dan gelden de bestaande maatvoeringen als maximaal toegestaan. Wonen (Artikel 5) De bestemming 'Wonen' heeft betrekking op de woonhuizen en bijgebouwen in het plangebied.

Onder de woonfunctie vallen woonhuizen, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Extra functies waaronder een beroep aan huis ten behoeve van het wonen mogen in de hoofd- en bijgebouwen plaatsvinden. Daarnaast zijn binnen de woonbestemming hobbymatig agrarische activiteiten toegestaan. Per bestemmingsvlak is één woonhuis met één woning toegestaan. De inhoud van een woning mag niet meer dan 750 m3 bedragen, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval maximaal de bestaande inhoud is toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan 100 m2 bedragen.

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 51

52

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 53

54

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft aangegeven dat het plan past in hun ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer het plan in deze vorm in procedure gebracht. Hiermee is voldaan aan het ambtelijk vooroverleg met de provincie (uit het Bro). Waterschap Vechtstromen Op 21 september 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen.

De conclusie van die digitale toets is dat het plan geen waterschapsbelang raakt. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 29 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 55

56

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 57

Bijlage 1

58

Erfinrichtingsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

A:

Woonhuis.

B:

Bijgebouw.

C:

Mantelzorgwoning met een maximaal opper vlakte van 100 m2. De rest van de schuur blijft berging c.q. opbergruimte.

M

D:

Bedrijfshal.

E:

Woning.

F:

Buitenopslag, opslag voor materiaal betreft 200 m2. Verharding t.b.v. buitenopslag betreft 740 m2.

I H

K F

O F

E 1

F

4

N

G

L

J

Lub

G:

Erfverharding.

H:

Bestaande houtopstanden.

I:

Te ver wijderen erfverharding, de opper vlakte bedraagt 314 m2.

J:

Nieuw aan te planten beeldbepalende boom. Aan te planten met

D

berd

een koningslinde of Hollandse linde in de maat 14-16 (stamomtrek

inks

weg

in centimeters) en voorzien van twee boompalen.

O

C

B H

K:

Nieuw aan te planten hagen. Aanplant met beukenhaag (Fagus

H

sylvatica) of meidoorn (Crataegus monogyna) in de maat 80-100 (hoogte in centimeters) met 5 stuks per meter. Tot ale lengte

A

bedraagt 85 meter, totaal aantal stuks bedraagt 425 stuks. L:

Enkelbestemming bedrijf, de opper vlakte bedraagt 5074 m2.

M:

Enkelbestemming wonen, de opper vlakte bedraagt 2733 m2.

N:

Laden en lossen van kleine leveringen. Kleine leveringen:

10

Werkbus eventueel met aanhanger. Grote leveringen worden aan voorzijde gelost. Grote leveringen: Vrachtwagen met trailer.

O:

Parkeermogelijkheden, totaal: 10 stuks. Voorzijde bevat: 6 stuks. Achterzijde beschikt over 4 stuks, deze zullen sporadisch gebruikt

11

worden.

Fragment uit 1920 (topotijdreis.nl)

ri

Project:

nl-landschap.nl

Landschappelijke inpassing

Adres:

Lubberdinksweg 12-14

Woonplaats:

Denekamp

Getekend: vb

DA

Status:

DO

Datum:

23-11-2023

Aantal pag.:

1

Gecontroleerd:

NH

Formaat:

A3

Schaal:

1:1000

Noord:

Tekening is noordgericht

Bijlage 2

60

Aanmeldnotitie m.e.r.

bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp

Aan: Gemeente Dinkelland Postbus 11 7590 AA Denekamp Borne, 14 november 2023 Ons kenmerk: 22AF224 Bijlagen: Geen

Betreft:

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Lubberdinksweg 12-14

Geachte college, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de wijziging van de functie van het voormalig agrarisch bedrijf aan de Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het in het gebruik nemen van de tweede bedrijfswoning aan Lubberdinksweg 14 als reguliere woning. De bedrijfswoning op nummer 12 zal de bedrijfswoning blijven bij het bedrijf wat zich door de jaren heen op de locatie heeft opgebouwd. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gebruikt als opslag voor een bouw- en handelsonderneming waar met name de opslag van (bouw)materialen plaatsvindt en incidenteel lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw vindt buitenopslag plaats, waar maximaal 200 m2 aan materiaal mag worden opgeslagen. Het plan kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in dat geval een m.e.r-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college) voorafgaand aan het ontwerpbesluit inzake het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen.

In het kader van deze besluitvorming is voorliggende aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.

Onderhavig plan, kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd.

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37  7622 LW Borne  T 074 255 70 20  IBAN NL92RABO 0331 6534 27  BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851  Btw nr. NL 8151.28.939.B01  info@ad-fontem.nl  www.ad-fontem.nl

Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Als gevolg van dit plan wordt de agrarische bedrijfsvoering gestaakt. De reeds bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (circa 715 m2) worden als gevolg van het plan gebruikt voor de handel en opslag van (bouw)materialen met incidenteel lichte houtbewerkingswerkzaamheden. Daarnaast wordt de buitenopslag van (bouw)materialen mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van maximaal 200 m2. Het grondgebonden agrarisch bouwperceel wordt op de verbeelding verwijderd en voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' met een oppervlakte van 5.074 m2. Daarnaast wordt het perceel Lubberdinksweg 14 voorzien van de bestemming 'Wonen' (oppervlakte 2.733 m2). In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling.

Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit plaatsvindt; • de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project Als gevolg van dit plan wordt de agrarische bedrijfsvoering gestaakt. De reeds bestaande bedrijfsgebouwen (circa 715 m2) worden als gevolg van het plan gebruikt voor de handel en opslag van (bouw)materialen met incidenteel lichte houtbewerkingswerkzaamheden. Daarnaast wordt de buitenopslag van (bouw)materialen mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van maximaal 200 m2. Het grondgebonden agrarisch bouwperceel wordt op de verbeelding verwijderd en voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' met een oppervlakte van 5.074 m2. Daarnaast wordt het perceel Lubberdinksweg 14 voorzien van de bestemming 'Wonen' (oppervlakte 2.733 m2). Plaats van het project Het plangebied bestaat uit de erven aan de Lubberdinksweg 12 en 14 in Denekamp. Het plangebied ligt op ca. 200 meter ten noorden van de bebouwde kom van Denekamp, nabij het Almelo-Nordhorn Kanaal en het klooster te Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M, perceelsnummers 798, 1379, 1380, gedeeltelijk 1383, gedeeltelijk 1385 en gedeeltelijk 1574.

Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt via de Lubberdinksweg ontsloten op de Nordhornsestraat (N342) en de Lattropperstraat. Voor de Lubberdinksweg geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. De Lubberdinksweg heeft een wegbreedte van circa 3,5 meter en kan op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan' worden aangemerkt als 'Overige Erf-toegangswegen buiten de kom'. Voor dit wegtype geldt een verkeersintensiteit kleiner dan 4.000 verkeersbewegingen per dag. De Lubberdinksweg betreft met name een erftoegangsweg die de aangrenzende percelen met de doorgaande wegen Nordhornsestraat en de Lattropperstraat verbindt. Verondersteld wordt dat het aantal verkeersbewegingen op de Lubberdinksweg gering is. Als gevolg van het plan worden de agrarische bedrijfswoningen omgezet naar een reguliere burgerwoning en bedrijfswoning. Omdat er enkel sprake is van een planologische functiewijziging van die woningen, en geen nieuwe woningen gerealiseerd worden, leidt het plan niet tot toename van het aantal verkeersbewegingen.

-2-

Om de toename van het aantal verkeersbewegingen van het bedrijf (opslag ten behoeve van een bouw- en handelsonderneming) te bepalen wordt aangesloten bij de CROW-kengetallen zoals verwoord in de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018). Voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag) geldt een maximale verkeersgeneratie van 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. De oppervlakte van het bedrijfsgebouw waarbinnen de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden bedraagt 715 m2. De buitenopslag bedraagt maximaal 200 m2. Op basis daarvan wordt berekend dat de maximale verkeersbewegingen van het plan (9,15 * 5,7 = 52,155) 52 verkeersbewegingen (inclusief vrachtverkeer) bedraagt. Gelet op de geringe verkeersintensiteit op de Lubberdinksweg wordt gesteld dat de planologische toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Voorheen was er aan de Lubberdinksweg 12-14 sprake van een agrarische bedrijf waardoor de Lubberdinksweg vooral belast werd met landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading. Aangezien er als gevolg van het plan vooral sprake is van opslag van (bouw)materialen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk lager uitvallen.

Immers, de initiatiefnemer heeft naast bedrijfsactiviteiten die geëxploiteerd worden ook nog een baan elders. Dat betekent dat de bedrijfsactiviteiten in feite als nevenactiviteit geëxploiteerd worden. Aangezien er voorheen landbouwvoertuigen en vrachtverkeer ten behoeve van de bevoorrading van het agrarisch bedrijf gebruik maakten van de Lubberdinksweg, wordt geconcludeerd dat de verkeersbewegingen als gevolg van het plan via de Lubberdinksweg kunnen worden afgewikkeld. Het plan leidt niet tot een onevenredige toename van hinder en/of gevaar op de Lubberdinksweg. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen voor de bedrijfsfunctie (opslag en incidentele zaagwerkzaamheden) op 52 verkeersbewegingen per dag worden gesteld (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief, loods, opslag). Aangezien het plan voorziet in de opslag van (bouw)materialen wordt het aandeel vrachtverkeer op 25% gezet. In figuur 1 is de worstcase berekening weergegeven met 98 extra voertuigbewegingen.

-3-

Figuur 1: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geluid Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: • in stedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; • in buitenstedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; o voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: • voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; • voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; • wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied is gelegen aan de Lubberdinksweg. De Lubberdinksweg betreft een ontsluitingsweg in het buitengebied waarvoor een maximumsnelheid geldt van 60 km per uur. Op grond van de Wet geluidhinder wordt zowel de bedrijfswoning als de reguliere woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Aangezien er sprake is van reeds bestaande woningen kan dit niet worden aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 Wgh geldt namelijk dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. De bedrijfsbebouwing kan niet worden aangemerkt als geluidsgevoelig object. Toetsing aan het wegverkeerslawaai kan voor die gebouwen achterwege blijven. Derhalve geldt dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Railverkeerslawaai en industrielawaai

-4-

Vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd bedrijventerrein geldt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Milieuzonering Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische functies aanwezig met verspreid enkele stedelijke functies. Derhalve wordt het plangebied aangemerkt als 'rustig buitengebied'. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming danwel nieuwe functie dient gekeken te worden of de nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het omzetten van de twee agrarische bedrijfswoningen naar één reguliere woning en een bedrijfswoning wordt niet aangemerkt als een milieubelastende functie. Derhalve geldt dat het omzetten van de woningen niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Daarnaast wordt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing als gevolg van dit plan gebruikt ten behoeve van een handelsonderneming, waar incidenteel lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' geldt voor de categorie "groothandel in hout en bouwmaterialen met een bedrijfsvloeroppervlakte van minder dan 2000 m2" milieucategorie 2, waarvoor een grootste richtafstand geldt van 30 meter voor het aspect 'geluid'. Voor de aspecten stof en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter. De lichte houtbewerkingswerkzaamheden sluiten op grond van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' het meeste aan bij een 'Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2'. Voor een dergelijk bedrijf geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid en 30 meter voor het aspect stof. De grens van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de woning (niet zijnde de berging/garage) bedraagt 7 meter. Voor het aspect geluid wordt niet voldaan aan de richtafstand. Derhalve is door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Door middel van een overdrachtsberekening zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus ter plaatse van de beoordelingspunten bepaald.

De overdrachtsberekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig methode II.8 uit de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999’. Bepaling van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus vinden plaats op een beoordelingshoogte van 1,5 meter (dag) en 5 meter (avond en nacht; in dit geval niet van toepassing). De geluidniveaus worden invallend beschouwd. Bij de berekening van de overdracht van geluid is uitgegaan van een afname van het geluidniveau door geometrische uitbreiding, door luchtabsorptie en door bodemabsorptie. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Lubberdinksweg 14 In de tuin moet het geluidsniveau acceptabel zijn. Een goed woon- en leefklimaat houdt in dat mensen ook op een verantwoorde manier gebruik kunnen maken van hun tuin en buiten kunnen zijn. Voor de bepaling van de maximale geluidniveaus is onderscheid gemaakt in de volgende bronnen: Bron 001-002, mobiele bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 5 dB(A). Bron 01-02, 003 mobiele bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 10 dB(A). Bron 04-07, bron, LAmax= Li maatgevende bron – Cm + een verhoging van 10 dB(A).

-5-

Figuur 2: Rekenresultaten ter plaatse van woningen (bron: Munsterhuis Geluidsadvies) Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen woning maximaal 42 dB(A) in de dagperiode. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de tuin bij de Lubberdinksweg 14 het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 44 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de woning en in de tuin bedraagt in de dagperiode maximaal 70 dB(A) als gevolg van de bestelwagen. De ambitiewaarden uit het geluidbeleid en de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het activiteitenbesluit worden ter plaatse van de woning niet overschreden. De ambitiewaarden voor de tuin bij de woning wordt eveneens niet overschreden. Ter plaatse van de toekomstige burgerwoning aan de Lubberdinksweg 14 is sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook in de tuin van deze toekomstige burgerwoning is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor het aspect stof geldt een richtafstand van 10 meter voor de grootste hoeveelheid werkzaamheden die op het erf plaatsvinden, een handelsonderneming in oude bouwmaterialen. Voor de incidentele houtbewerkingswerkzaamheden geldt een richtafstand van 30 meter voor stof.

Gezien het feit dat de afstand gerekend vanaf de gevel van de woning tot aan de plek waar de werkzaamheden van de handelsonderneming plaatsvinden meer dan 10 meter is, wordt aannemelijk gemaakt dat er geen overlast van stof ter plaatse van de woning zal plaatsvinden. Een groot deel van de werkzaamheden vinden in een gebouw plaats, dan wel op afstand buiten (aanduiding specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag ligt op een afstand van 13 meter van de gevel van de woning). Voor de lichte en tevens incidentele houtbewerkingswerkzaamheden geldt eveneens dat deze slechts een enkele keer plaatsvinden in een afgesloten ruimte. Derhalve wordt geachte dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat. Voor de overige woningen in de omgeving geldt dat de afstand van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van een woonhuis van de bestaande woningen Lubberdinksweg 10 en Lubberdinksweg 11 respectievelijk 67 en 49 meter is. De 49 meter voldoet niet aan de richtafstand van 50 meter. Echter aan de oostzijde van het bedrijfsperceel wordt gewoond en daarmee wordt geacht dat er binnen de 50 meter vanaf de gevel aan de Lubberdinksweg 11 geen bedrijfswerkzaamheden worden uitgevoerd. Daarmee wordt voldaan aan de richtaftstanden.

Interne werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De bedrijfsfunctie in de voormalige agrarische bebouwing kan niet aangemerkt worden als een milieugevoelige functie. Hoewel de bedrijfswoning en de reguliere woning wel kunnen worden aangemerkt als milieugevoelige functie, zijn deze reeds aanwezig en op grond van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Daarmee wordt er geen nieuwe milieugevoelige functie mogelijk gemaakt ten opzichte van bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving en op het bedrijventerrein (Sombeek). Voor wat betreft het bedrijf op het perceel Lubberdinksweg 12 geldt dat de naastgelegen reguliere woning (Lubberdinksweg 14) wel aangemerkt moet worden als nieuw milieugevoelig object. -6-

Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de nieuwe functie is door Dumea Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2022-419, d.d. 21 september 2023). Hieronder worden de resultaten weergegeven. De onderzoekslocatie betreft een voormalig agrarisch erf.

De agrarische activiteiten zijn al geruime tijd gestaakt en wordt op dit moment gebruikt voor houtbewerking en opslag van (bouw)materialen. Als gevolg van dit plan wordt de bestemming gewijzigd. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie • In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 is een lichte verhoging PAK aangetroffen. • In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonsters Pb1 en Pb2 zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 'asbest in bodem' Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.

Druppelzone Het mengmonster van DZ1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Conclusie Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect 'bodem' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke -7-

kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 1,5 kilometer afstand van het plangebied.

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebied De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.

Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura -8-

2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 2,7 kilometer afstand van het plangebied (Natura 2000-gebied 'Dinkelland’). Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Het plan voorziet enkel in een planologische functiewijziging op een voormalig agrarisch erf. Er wordt als gevolg van het plan geen nieuwe bebouwing opgericht en/of bebouwing gesloopt. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden..

Beoordeling stikstof op Natura 2000-gebied Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000– gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak).

De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 13 januari 2022 wordt de huidige AERIUS Calculator geactualiseerd. De belangrijkste verandering is de 'afkapgrens' van 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten. De aanleiding voor de nieuwe kapgrens is het eindrapport van het adviescollege 'Meten en berekenen Stikstof' (ook wel de 'Commissie Hordijk') en de uitspraak van de Raad van State over de A15 (begin 2021). Eventuele deposities voorbij deze afkapgrens worden niet in beeld gebracht. De nieuwe afkapgrens van 25 km zal vooral voor grotere projecten consequenties hebben. Hoewel in de AERIUS 2020 ook een afkapgrens was opgenomen, gold deze slechts voor wegverkeer en was de afstand veel korter (5 km). Uitgangspunt van de stikstofdepositieberekening is dat een realistische/ representatieve inschatting wordt gegeven van de werkmethode en materieelinzet die in de aanlegfase benodigd zal zijn. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de inzet van het materieel “voldoende reëel en aannemelijk” moet zijn (vgl. AbRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, r.o. 17.1).

Er zijn de laatste jaren meerdere situaties doorgerekend waarbij de emissie is bepaald op basis van reële uitgangspunten, zoals ook gehanteerd in onderzoeken voor de bouwvrijstelling van kracht werd. Deze berekeningen zijn ook uitgevoerd voor sloopwerkzaamheden, heien en ontsluiting van een kleine woonwijk. Het plan is gelegen op minimaal 2,7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Als gevolg van het plan vinden geen bouw- en sloopactiviteiten plaats. Het plan voorziet enkel in een functiewijziging van bestaande bebouwing. Derhalve leidt de aanlegfase niet tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.

-9-

Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat het plan voorziet in het beëindigen van een agrarisch bedrijf. Als gevolg van deze wijziging dienen de geldende milieuvergunningen voor het agrarisch bedrijf ingetrokken te worden. Daarmee niet de stikstof- en ammoniakuitstoot aanzienlijk af. Daarnaast kan - op grond van vergelijkbare projecten die zijn doorgerekend - eveneens worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Op basis van vergelijkbare projecten die zijn doorgerekend blijkt dat voor het bouwen van een bedrijfshal (60 * 30 meter) op een afstand van 2 kilometer van Natura 2000-gebied niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De voorgenomen activiteiten kunnen worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/822/documents/21298