Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld 14 november 2023 NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01
Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 8 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 13
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 19 26
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
31 31 32 34 35
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
36 37 38 39 41 44 45
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
49 49 49
Hoofdstuk 6
53
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
55 55 55
Bijlagen bij de toelichting
57
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
58
Bijlage 2
Aanmeldnotitie m.e.r.
60
Bijlage 3
Besluit aanmeldnotitie
73
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek industrielawaai
81
2
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
116
Bijlage 6
Watertoets
200
Regels
205
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
207 207 212
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Bedrijf - Voormalig agrarisch Wonen
213 213 215 218
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
221 221 222 223 224 225
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
227 227 228
Bijlagen bij de regels
229
Bijlage 1
230
Erfinrichtingsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp is een voormalig agrarisch erf met twee bedrijfswoningen aanwezig. De initiatiefnemers zijn voornemens de functie te wijzigen naar gedeeltelijk een woonbestemming en gedeeltelijk een bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming zal worden gebruikt ten behoeve van de opslag van een bouw- en handelsonderneming waar (bouw)materialen worden opgeslagen en lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit de erven aan de Lubberdinksweg 12 en 14 in Denekamp. Het plangebied ligt op ca. 200 meter ten noorden van de bebouwde kom van Denekamp, nabij het Almelo-Nordhorn Kanaal en het klooster te Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M, perceelsnummers 798, 1379, 1380, gedeeltelijk 1383, gedeeltelijk 1385 en gedeeltelijk 1574. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied met rood omcirkeld (bron: atlasvanoverijssel.nl) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto met kadastrale kaart weergegeven waarop het plangebied te zien is. De begrenzing komt overeen met het bouwperceel van het grondgebonden agrarische bedrijf. Het plangebied wordt aan zowel de noord, oost als westzijde begrensd door agrarische weidegronden. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Lubberdinksweg. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 7
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Lubberdinksweg 12-14 te Denekamp geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 vastgesteld. Op 20 april 2012 is het bestemmingsplan onherroeppelijk geworden. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend met een bouwvlak en de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' en 'specifieke vorm van wonen tweede bedrijfswoning'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij gebouwd kan worden binnen het bouwvlak. Alle agrarische bedrijfsgebouwen zijn niet meer in gebruik voor het agrarische bedrijf. Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om andere activiteiten dan een agrarische bedrijf te exploiteren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk om het gewenste gebruik mogelijk te maken.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. 8
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPLUBBERDW1214-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noorden van de kern Denekamp. In de huidige situatie is er aan de Lubberdinksweg 12-14 in Denekamp sprake van een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel. Op onderstaand figuur is een luchtfoto weergegeven waarop de verscheidene gebouwen te zien zijn. Op het erf zijn twee bedrijfswoningen en meerdere schuren aanwezig.
Figuur 2.1: huidige situatie plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl) De ruimtelijke structuur wordt met name bepaald door verspreid liggende woonerven en agrarische bedrijven in agrarische cultuurgebied. De erven in de omgeving liggen onregelmatig verstrooid langs de wegen. De Lubberdinksweg is één van de wegen die leidt naar het Klooster van Denekamp. De bebouwing is georiënteerd op deze weg waarbij de nokrichting in het verlengde of haaks op de weg staat. Het meest westelijk gelegen gebouw betreft een bedrijfswoning welke in figuur 2.2 weergegeven is. Op figuur 2.3 is het merendeel van de voormalige agrarische bebouwing te zien. Het meest oostelijk gelegen gebouw betreft eveneens een bedrijfswoning en is in figuur 2.4 weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 11
Figuur 2.2: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)
Figuur 2.3: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)
Figuur 2.4: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)
12
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
2.2 Toekomstige situatie Het voormalige agrarisch erf zal een functiewijziging ondergaan. De voorgenomen situatie ziet toe op het in het gebruik nemen van de tweede bedrijfswoning aan Lubberdinksweg 14 als reguliere woning. De bedrijfswoning op nummer 12 zal de bedrijfswoning blijven bij het bedrijf wat zich door de jaren heen op de locatie heeft opgebouwd. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gebruikt als opslag voor een bouw- en handelsonderneming waar met name de opslag van (bouw)materialen plaatsvindt en lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw vindt buitenopslag plaats, waar maximaal 200 m2 aan materiaal mag worden opgeslagen. Voor het geheel is een erfinrichtingsplan opgesteld, waarbij de uitgangspunten van het landschap zijn opgenomen. Op het perceel wordt een aanzienlijke oppervlakte aan erfverharding verwijderd (314 m2). Er wordt een nieuwe beeldbepalende boom aangeplant (J) en aan de achterzijde van het perceel worden nieuwe hagen aangeplant (K). Het volledige erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. In figuur 2.5 is een uitsnede van het erfinrichtingsplan weergegeven.
Figuur 2.5: Toekomstige situatie (bron: N+L landschapsontwerpers) Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om in het bijgebouw bij de bedrijfswoning (aangeduid met C in figuur 2.5) een mantelzorgwoning te realiseren om mantelzorg te kunnen verlenen. Daarbij geldt dat het geen permanente woning betreft. Als de noodzaak voor mantelzorg vervalt zal de huisvesting voor mantelzorg worden beëindigd en wordt het bouwwerk teruggebouwd in de oorspronkelijke functie: bijgebouw bij de woning. In de gebruiksregels van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' is derhalve opgenomen dat bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegestaan al dan niet in combinatie met onder andere mantelzorg.
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 13
14
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in vestiging van een nieuwe economische functie (handelsbedrijf en lichte houtbewerkingswerkzaamheden) in het buitengebied (landelijk gebied) van Denekamp. Daarmee is de vierde pijler "toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied" relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. In de NOVI wordt voor het landelijk gebied aangegeven dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit.
Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied moet cultureel erfgoed en unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten behouden en versterkt worden. Waar mogelijk en gewenst dienen nieuwe kwaliteiten toegevoegd te worden. Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied. Vrijkomende agrarische bebouwing kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van nieuwe functies en woonconcepten. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden voormalige agrarische opstallen gebruikt ten behoeve van een nieuwe economische functie (handelsonderneming en lichte houtbewerkingswerkzaamheden ). De bijbehorende bedrijfswoning blijft als zodanig bestaan. De tweede bedrijfswoning zal worden omgezet naar een woonbestemming. De voorgenomen ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het erf verbeterd. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van het gemeentelijke beleid voor het buitengebied (Buitengebied met kwaliteit). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de prioriteiten van de NOVI past. Er wordt een bijdrage geleverd aan de toekomst van het landelijk gebied.
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 15
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan Het plan voorziet in de vestiging van een handelsbedrijf met lichte houtbewerkingswerkzaamheden op een (voormalig) agrarisch bouwperceel in bestaande bebouwing in combinatie met het omzetten van een tweede bedrijfswoning naar een woonbestemming. Op grond van het geldende bestemmingsplan is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Dit betreft een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf of een akkerbouwbedrijf. Op grond van de bouwregels van de geldende bestemming (Agrarisch - 1) mogen gebouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het huidige agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.000 m2. Het agrarisch bouwperceel waarbinnen het grondgebonden agrarische bedrijf ('specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf') is toegestaan heeft een oppervlakte van 10.800 m2. Als gevolg van dit plan wordt de agrarische bedrijfsvoering gestaakt. De reeds bestaande bedrijfsgebouwen (circa 715 m2) worden als gevolg van het plan gebruikt voor de handel en opslag van (bouw)materialen met lichte houtbewerkingswerkzaamheden.
Daarnaast wordt de buitenopslag van (bouw)materialen mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van maximaal 200 m2. Het grondgebonden agrarisch bouwperceel wordt op de verbeelding verwijderd en voorzien van de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' met een oppervlakte van 5.074 m2. Daarnaast wordt het perceel Lubberdinksweg 14 voorzien van de bestemming 'Wonen' (oppervlakte 2.733 m2). In de overzichtsuitspraak met jurisprudentie met betrekking tot de Ladder van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) is bepaald dat de uitbreiding van bedrijfsbebouwing kleiner dan 500 m2 in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Tevens heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat een in het bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Voorts is daarin overwogen dat een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was. Eveneens is opgenomen dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft. Conform de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) is artikel 3.1.6 lid 2 Bro opgenomen teinende zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en is daarmee beoogd om leegstand te voorkomen. Hoewel het voorgenomen plan in hoofdzaak voorziet in een planologische functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een handelsbedrijf waarbij lichte houtbewerkingswerkzaamheden worden toegestaan, voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een nieuwe stedelijke ontwikkeling/functie waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Derhalve dient een laddertoets uitgevoerd te worden. Bestaand stedelijk gebied Zoals is beschreven voldoet een ontwikkeling aan de Ladder als de behoefte is aangetoond en de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt. In artikel 1.1.1.
onder h van het Bro is een nadere 16
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied betreft een voormalig agrarisch bouwperceel met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Er is geen sprake van een bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid etc. waardoor het plangebied niet aangemerkt kan worden als bestaand stedelijk gebied. Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro gemotiveerd worden dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in die behoefte kan worden voorzien. Verzorgingsgebied In de beschrijving dient inzichtelijk te worden gemaakt dat het plan niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkeling zal leiden (uitspraak van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2095 (Eindhoven)).
Uit de Nota van toelichting blijkt dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van het onderzoek naar, de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de uitkomsten dienen te zijn opgenomen in de plantoelichting. Daaruit blijkt voorts dat het primair aan de bestuursorganen is om op basis van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling te bepalen hoe uitgebreid het onderzoek moet plaatsvinden, met welke bestuursorganen en diensten het overleg over de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gevoerd en tot welk gebied de onderbouwing van de behoefte zich uitstrekt. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling in relatie tot de context. Van geval tot geval zal moeten worden bezien welk schaalniveau past bij de behoefte, in de leniging waarvan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling voorziet, gelet op de aard en omvang daarvan (uitspraken van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek), van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:798 (Asten) en van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2921 (Geldermalsen)). De werkzaamheden van het handelsbedrijf met lichte houtwerkbewerkingswerkzaamheden zijn bepalend voor de locatiekeuze. Het betreft een kleinschalige handelsbedrijf dat reeds bij het agrarisch bedrijf aan de Lubberdinksweg 12 is gevestigd.
Het klantenbestand van het handelsbedrijf bevindt zich voornamelijk in de regio Denekamp. Logischerwijs is het voor particulieren en bedrijven aantrekkelijker en gemakkelijker om een handelsbedrijf in de nabijheid van de woonplaats, de bouwplaats c.q. vestigingsplaats in te schakelen. Vanwege economisch gronden (korte rijafstanden) is het logisch dat een handelsbedrijf voor bouwmaterialen en waar lichte houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden, zich midden in het werkgebied bevindt. Het bedrijf kent derhalve een grote mate van lokale gebondenheid (regio Denekamp). De huidige locatie aan de Lubberdinksweg 12 is hierdoor een zeer goede uitvalsbasis om in de behoefte te voorzien. Daarom kan de regio Denekamp aangemerkt worden als verzorgingsgebied. Behoefte Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verplicht het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. Deze verplichting geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij deze behoefte gaat het niet alleen om de kwantitatieve behoefte. Het kan ook gaan om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3444 (Rozendaal)).
In deze beschrijving dient tot uitdrukking te komen dat deze behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor van belang kan zijn (uitspraken van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek) en van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:345 (Kampen)). Zoals is beschreven is het handelsbedrijf reeds gevestigd op het voormalige agrarische bedrijfsperceel. Het klantenbestand van het handelsbedrijf bevindt zich voornamelijk in de regio Denekamp. Logischerwijs is het voor particulieren en bedrijven aantrekkelijker en gemakkelijker om een handelsbedrijf in de nabijheid van de woonplaats, de bouwplaats c.q. vestigingsplaats in te schakelen. Vanwege economisch gronden (korte rijafstanden) is het logisch dat een handelsbedrijf voor bouwmaterialen en waar lichte houtbewerkingswerkzaamheden plaatsvinden, zich midden in het werkgebied bevindt. Het bedrijf kent derhalve een grote mate van lokale gebondenheid (regio Denekamp). Gelet op het verzorgingsgebied vallen binnen de kern Denekamp de bedrijventerreinen Kloppendijk en Sombeek. bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 17
Op bedrijventerrein Kloppendijk en Sombeek zijn momenteel geen nieuwe bedrijfskavels beschikbaar. Ook zijn de bedrijfskavels van de recente uitbreiding (Sombeek IV) reeds allemaal verkocht of in optie. Daarnaast zijn er op het bedrijventerrein geen bedrijfspanden te huur of te koop die voldoen aan de juiste vereisten om een aannemersbedrijf te kunnen beginnen. Op het bedrijventerrein zijn momenteel dan ook geen geschikte panden of locaties beschikbaar. Daarmee zijn er geen geschikte alternatieve locaties in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het voorliggende plangebied valt derhalve niet aan de merken als bestaand stedelijk gebied en ligt op basis van het geldende bestemmingsplan in het bestemmingsplan voor het buitengebied. Conform de ladder moet bij locaties buiten bestaand stedelijk gebied, gemotiveerd worden of de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Binnen het verzorgingsgebied van het handelsbedrijf wordt gekeken naar bestaande stedelijke bedrijvenlocaties in de kern Denekamp. Gelet op de binding met Denekamp, is een verplaatsing naar een locatie elders in de regio, geen reële optie.
Voorts is van belang dat middels onderhavig bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (zoals vervat in de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Beschikbaarheid en geschiktheid locaties binnen bestaand stedelijk gebied Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol.
Argumenten dat binnen bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling kunnen bijvoorbeeld gaan over: kwalitatieve aspecten van de behoefte (hierbij kan gedacht worden aan bedrijvigheid die niet binnen bestaand stedelijk gebied in voorzien kan worden door bijvoorbeeld de kavelgrootte of milieucategorie) Andere functies die ter plaatse al aanwezig zijn of (volgens ruimtelijk beleid, zoals een structuurvisie) worden beoogd (voorbeelden zijn onder andere maatschappelijke voorzieningen, groenvoorzieningen en bedrijven die aanwezig zijn of later worden beoogd in een gebied/locatie); Aanzienlijke investeringen die eerst nodig zijn voor de inbreidingsplekken, bijvoorbeeld vanwege negatieve milieuaspecten als gevolg van de nieuwe functie. Zoals is aangegeven behoort de regio Denekamp, gelet op het klantenbestand en oorsprong van het bedrijf, tot het verzorgingsgebied van het handelsbedrijf. Het handelsbedrijf is reeds gevestigd als nevenactiviteit bij het voormalige agrarische bedrijf. Op het bedrijventerrein Sombeek in Denekamp is geen bedrijfsperceel en/of nieuwe bedrijfskavel beschikbaar. Op korte termijn zijn er geen concrete plannen (bestemmingsplannen in voorbereiding) van de gemeente Dinkelland voor de uitbreiding van de bestaande bedrijventerreinen van Denekamp.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied ontbreekt om de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk te maken. De huidige locatie aan de Lubberdinksweg 12 is hierdoor een zeer goede locatie om in de behoefte te voorzien. Voorliggend plan voorziet daarmee in een actuele behoefte van een lokaal geworteld bedrijf en draagt bij aan de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het plan voorziet in een nieuwe, toekomstbestendige functie in vrijkomende agrarische bebouwing. Resumerend Op basis van het vorenstaande wordt daarom gesteld dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het voorliggende plan geeft invulling aan een concrete kwantitatieve en kwalitatieve behoefte die niet ingevuld kan worden binnen het bestaand stedelijk gebied in de regio Denekamp. Echter geldt ten alle tijde dat tevens gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De verdere toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
18
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 19
stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de van belang zijnde artikelen uit de omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking in voorliggend plan:
20
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag – zowel ondergronds als bovengronds – te voorkomen. De provincie wil het onderscheid tussen het bestaande bebouwde gebied en de onbebouwde groene omgeving scherp houden. Vanuit het principe 'inbreiding gaat voor uitbreiding' moeten bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling eerst waar mogelijk locaties benut worden binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Het bestaand bebouwd gebied wordt gedefinieerd als de gronden die op basis van geldende omgevingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Het benutten van mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar onbebouwde terreinen die zich lenen voor bebouwing. Er kan ook ruimte gemaakt worden door sloop, herbestemming en transformatie van de fysieke leefomgeving. Het is overigens niet de bedoeling om door toepassing van het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik alle open ruimten en het bestaand stedelijk groen op te vullen. De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik moet zo gelezen worden dat pas een uitleglocatie benut mag worden als het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie te vinden binnen bestaand bebouwd gebied.
Ook voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving gelden de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Bij nieuwvestigingen en uitbreidingswensen waarvoor binnen het bestaand bebouwde gebied in redelijkheid geen ruimte te vinden is, moet zoveel mogelijk eerst de ruimte benut worden binnen bestaande erven, voordat beslag mag worden gelegd op de onbebouwde Groene Omgeving. Dit geldt niet alleen voor agrarische bedrijven, maar voor alle functies in de Groene Omgeving. Ook bij/voor hergebruik en transformatie geldt dat zij moet bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit. Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag begint bij de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Voor de beantwoording van de vraag naar nut en noodzaak, gelden voor sommige functies op grond van het provinciale beleid specifieke motiveringseisen. Dit geldt in ieder geval voor wonen, de ontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. In het voorliggend plan worden voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hergebruikt ten behoeve van kleinschalige vormen van bedrijvigheid. Het hergebruiken van economisch goed bruikbare gebouwen voor andere doeleinden dan agrarische doeleinden sluit goed aan bij het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De bestaande bebouwing wordt hergebruikt zonder dat er sprake is van ruimtebeslag op de groene omgeving.
Daarnaast wordt het grondgebonden agrarische bedrijfsperceel gewijzigd van de bestemming 'Agrarisch - 1' met functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' gewijzigd in zowel de bestemming 'Wonen' als de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch'. Het huidige agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.000 m2. Het agrarisch bouwperceel waarbinnen het grondgebonden agrarische bedrijf ('specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf') is toegestaan heeft een oppervlakte van 10.800 m2. De nieuwe bestemming 'Wonen' heeft een oppervlakte van 2.733 m2. De bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' heeft een oppervlakte van 5.074 m2. De overige gronden worden voorzien van de bestemming 'Agrarisch -1' zonder bouwmogelijkheden. Daarmee neemt het het perceel, waarbinnen de bebouwing mag worden opgericht, aanzienlijk af. Ook de toegelaten hoeveelheid bebouwing neemt af. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken Doorwerking voor voorliggend plan: Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld om te borgen dat de herontwikkeling van het voormalig agrarisch bedrijfsperceel leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij zijn de kenmerken van het oude hoevenlandschap leidend. Het landschapsplan is in Bijlage 1 opgenomen. Opgemerkt wordt dat in de navolgende subparagrafen de ontwikkeling wordt getoetst aan de ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken. Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 21
voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Doorwerking voor voorliggend plan: De gemeente Dinkelland heeft het beleid voor het buitengebied vervat in de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit'. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. De beleidsnota vervangt de voorheen geldende Rood voor Rood-regeling, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur-beleid en het VAB+ beleid. In artikel 4.7.2. van de beleidsnota is de functiewijziging van 'Agrarisch bedrijf' naar de functie 'Bedrijf (niet agrarisch)' opgenomen.
Enkele voorwaarden zijn dat de legaal opgerichte gebouwen vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen moeten zijn die minimaal 5 jaar als zodanig in gebruik zijn geweest, daarvan is in voorliggend geval sprake. Daarnaast geldt dat de functiewijziging binnen de bestaande gebouwen moet plaatsvinden. Bedrijfsmatige buitenopslag van goederen is toegestaan waarbij de oppervlakte maximaal 200 m2 mag beslaan. Tevens geldt dat de ontwikkeling landschappelijk moet worden ingepast. In voorliggend geval wordt voldaan aan de voorwaarden dat de bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande gebouwen moeten plaatsvinden. Conform het erfinrichtingsplan (zie Bijlage 1) bedraagt de buitenopslag van materiaal niet meer dan 200 m2. Om het plan landschappelijk in te passen worden nieuwe hagen aangeplant, een nieuwe beeldbepalende boom en wordt erfverharding verwijderd. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de eisen van artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Artikel 2.6.4 Nieuwe ontwikkelingen Nationale Landschappen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 (kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening.
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Doorwerking voor voorliggend plan: Het plangebied behoort tot het Oude hoevenlandschap. Het hoofdkenmerk voor dit landschap is contrastrijke landschappen met veel variatie op de korte afstand: open es, kleinschalige flank met erf, kleinschalige natte laagtes met veel houtwallen, open heidevelden en -ontginningen. Daartussen kleinere bovenlopen van beken. De nederzettingsvormen bestaan uit verspreide individuele erven, geen dorpen en middelgrote erven, met verschillende volumes en zware beplantingen. Aan de Lubberdinksweg 12-14 wordt bestaande bebouwing hergebruikt ten behoeve van de functie wonen en kleinschalige bedrijvigheid. Het erf wordt verder landschappelijk ingepast door de aanplant van landschapselementen. De landschappelijke inpassing van het erf is opgenomen in Bijlage 1. Op deze manier wordt het groene karakter van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente verder versterkt. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied blijft behouden en er is geen sprake van aantasting van het landschap.
Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
22
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen herontwikkeld waarbij een handelsonderneming in oude bouwmaterialen gevestigd wordt waar lichte houtbewerkingsactiviteiten plaatsvinden. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast. Daarmee wordt een nieuwe functie gerealiseerd die een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten en tevens aan het behoud van de mix van functies in het kleinschalige mixlandschap. Het voorgenomen plan doet derhalve geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de aanwezige functies in de omgeving. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet.
En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 23
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden worden gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandgebieden zijn voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heide-ontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Als ontwikkelingen plaatsvinden dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar maken en beleefbaar maken van hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij inrichting. De strekkingsrichting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, dient uitgangspunt te zijn. Hiermee dient bij de planuitwerking rekening te worden gehouden. Het perceel is in de huidige situatie reeds bebouwd. De specifieke kenmerken van de natuurlijke laag zijn niet meer aanwezig in het plangebied. In het voorliggende geval is er sprake van het hergebruik van bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Aangezien de specifieke kenmerken van de dekzandvlakten en ruggen niet meer aanwezig zijn heeft de transformatie van het perceel geen negatieve effecten op de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. Daarnaast is een minimaal gedeelte van het perceel voorzien van de laag 'essenlandschap'. Aangezien het overgrote deel van het perceel, waarbinnen de functiewijziging plaatsvindt, is gelegen in het oude hoevenlandschap, zal het plan getoetst worden aan de kenmerken van het oude hoevenlandschap. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap wordt gekenmerkt als landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.
Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarische bedrijfsgebouwen getransformeerd waarbij een handelsonderneming in oude bouwmaterialen gevestigd wordt. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast en een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Tevens draagt het bij aan het behoud van de mix van functies in het oude hoevenlandschap. Het plan past derhalve binnen de kenmerken van het oude hoevenlandschap. Laag van de beleving Op grond van de 'Laag van de beleving' is het plangebied aangemerkt als 'donkerte'. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkere gebieden. De bedrijfsactiviteiten worden over het algemene gedurende de reguliere werktijden (07.00 tot 18.00) uitgevoerd.
Na werktijd geldt het uitgangspunt dat de verlichting in de bedrijfsgebouwen gedimd worden/uit wordt gezet. Er worden geen grote lichtbronnen in het plangebied gerealiseerd die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de 'donkerte'. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkerte. Het betreft enkel een planologische functiewijziging, er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 25
verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis.
Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. In figuur 3.5 is een uitsnede van de waardenkaart weergegeven.
26
bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp
Figuur 3.5: Uitsnede MijnOmgevingsvisie Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Toets Op grond van MijnOmgevingsvisie Dinkelland valt het plangebied onder de aanduiding 'gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'. Hier wordt aangegeven om in te spelen op onder andere de schaal van het landschap en het afwisselende karakter en de bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. Als waarde geldt onder andere de variatie in beplanting en grondgebruik. Als gevolg van het voorgenomen plan wordt een tweede bedrijfswoning omgezet in een woonbestemming en worden voormalig agrarische bedrijfsgebouwen getransformeerd waarbij een handelonderneming in oude bouwmaterialen met incidenteel lichte houtbewerkingswerkzaamheden gevestigd wordt. Daarmee wordt een vrijkomend agrarisch erf voorzien van een nieuwe functie die landschappelijk wordt ingepast. Daarmee wordt een nieuwe functie gerealiseerd die een bijdrage levert aan het behoud en de versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten en tevens aan het behoud van de mix van functies in het landschap. Daarmee past het plan binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 3.3.2
Buitengebied met kwaliteit
Het buitengebied van Dinkelland kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Om dit te kunnen bereiken beschikte de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie Dinkelland.
De afgelopen jaren is echter ook geconstateerd dat het ruimtelijk beleid voor het buitengebied op onderdelen onnodig ingewikkeld is geworden en is zowel vanuit aanvragers en hun adviseurs als gemeente de wens geuit voor eenvoudiger en overzichtelijker beleid voor het buitengebied. In de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' zijn de eerdergenoemde beleidsregels en de beleidsregels ten aanzien van plattelandswoningen en nieuwe landgoederen vervat in één vereenvoudigde regeling die mede vanwege de opgaven in het buitengebied op onderdelen geactualiseerd en aangevuld is. Doelstelling Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Reikweidte De beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen/ het omgevingsplan bij recht of met toepassing van een binnenplanse afwijking/ binnenplanse omgevingsplanactiviteit biedt. Ook is deze beleidsregel niet van toepassing op o.a. de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen of direct grenzend aan de bebouwde kom zijn gelegen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken. Afhankelijk van de wijze waarop een ontwikkeling juridisch-planologisch geborgd moet worden, moet voor de toepassing van deze beleidsregel een procedure herziening bestemmingsplan/ omgevings-plan of een buitenplanse afwijking/omgevingsplanactiviteit worden doorlopen. Algemene randvoorwaarden Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks- en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op ‘een goede ruimtelijke ordening’ of een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ingeval de bestemmingsplan Buitengebied, Lubberdinksweg 12-14 Denekamp 27