CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bopa RWZI Denekamp.pdf

Gemeenteraad 20 januari 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake bindend adviesrecht Dorpermeienweg 13 Denekamp16.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

25

Projectgerelateerd

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (artikel 7.6 Bkl). Op grond hiervan hebben Provinciale Staten het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten binnen het werkingsgebied NNN of het werkingsgebied natuurverbindingen zijn niet toegelaten wanneer deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden, of als deze leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of samenhang. Uitzonderingen zijn mogelijk, waaronder gevallen waarin: ◼

Er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt met mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd.

◼

De activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten op gebiedsniveau leiden tot duidelijke aantoonbare meerwaarde voor het NNN of de natuurverbindingen.

◼

Er sprake is van kleine wijzigingen of toevoegingen die duidelijk ondergeschikt zijn aan de bestaande activiteiten.

Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g Ow is sprake van een vergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit als sprake is van een overtreding als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteit leefomgeving. Als uit een natuurtoets blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen schadelijke gevolgen heeft voor plant- en/of diersoorten is sprake van een omgevingsvergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit. Pas als onderzoek is verricht naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten door de voorgenomen ontwikkelingen en als in deze onderzoeken is vastgesteld dat geen sprake zal zijn van een (mogelijke) verstoring van beschermde plant-/diersoorten, is een omgevingsvergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit uit te sluiten. Gedeputeerde Staten is bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit (artikel 4.6, eerste lid, onder e Omgevingsbesluit). Houtopstanden Indien te kappen bomen binnen de bebouwingscontour houtkap (als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving) gelegen zijn, dient de kap getoetst te worden aan enkel de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente en het omgevingsplan. Zijn de te kappen bomen buiten de bebouwingscontour houtkap gelegen, dan dient aan de APV, aan het omgevingsplan en aan het Besluit activiteiten leefomgeving getoetst te worden.

Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden ook een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de APV of planregels in het omgevingsplan. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan zelf regels stellen over de kap van houtopstanden. In een omgevingsplan wordt voor toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a van het Bal een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied (artikel 5.165b Bkl).

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

26

Projectgerelateerd

5.4.2

Soortenbescherming afwegingskader

RoyalHaskoningDHV heeft een natuurtoets uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 2 bij deze BOPA gevoegd. Op basis van de natuurtoets kan samengevat, per onderdeel van het onderzoek het volgende worden aangegeven.

Planten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat er in en rond het plangebied geen beschermde planten zijn waargenomen. Beschermde planten komen vooral voor op extensief beheerde, onbemeste akkers en kalkrijke of schrale, zwak zure standplaatsen, die in het projectgebied ontbreken. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Overtreding van de Omgevingswet (Ow) met betrekking tot planten wordt op basis van de natuurtoets uitgesloten. De stijve ogentroost, een Rode Lijst soort, zou in het projectgebied kunnen voorkomen en valt onder de specifieke zorgplicht van de Ow. De voorgenomen werkzaamheden zullen echter geen significant negatieve effecten hebben op de lokale populatie. Verdere stappen ten aanzien van de planten zijn niet noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren Het projectgebied ligt binnen het verspreidingsgebied van boommarter, das, vos en wezel. Bunzing, das, eekhoorn, egel, hermelijn, wezel en steenmarter zijn niet vrijgesteld tijdens de werkzaamheden. Er zijn geen vaste rust- of verblijfplaatsen van boommarter, das en eekhoorn gevonden, maar de aanwezigheid van egel en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) kan niet worden uitgesloten. Een voortplantingsplaats van de otter is uitgesloten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Volgens de NDFF zijn er geen grondgebonden zoogdieren op de Rode Lijst waargenomen in het projectgebied of de directe omgeving. Andere Rode Lijst soorten worden niet verwacht in het projectgebied. Effectbeoordeling en vervolgstappen Overtredingen van verbodsbepalingen ten aanzien van de otter zijn uitgesloten, dus verdere stappen zijn niet nodig. Voor egel, kleine marterachtigen en steenmarter zijn permanente negatieve effecten niet te verwachten. Om negatieve effecten door zwaar materieel en verlichting te voorkomen, moeten werkzaamheden buiten de actieve periode (april-augustus) worden uitgevoerd of met een constante intensiteit worden doorgewerkt. Werkzaamheden moeten volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd om verstoring te minimaliseren.

Voor algemeen voorkomende beschermde soorten bestaat er een vrijstelling van de provincie Overijssel voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Er is geen vergunning nodig voor potentiële verstoring, maar de algemene zorgverplichting moet worden nageleefd, bijvoorbeeld door werkzaamheden vanuit één richting uit te voeren zodat dieren kunnen vluchten.

Vleermuizen De voorgenomen werkzaamheden zullen geen vleermuisverblijfplaatsen fysiek vernietigen, maar er zijn wel potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes in de omgeving. Er is geen essentieel foerageergebied in het plangebied, maar foeragerende vleermuizen kunnen aanwezig zijn. Bouwverlichting kan vleermuisverblijfplaatsen en vliegroutes verstoren, wat een overtreding van artikel 11.46 lid 1d zou zijn. Om tijdelijke negatieve effecten te voorkomen, moeten werkzaamheden bij daglicht worden uitgevoerd of aangepaste verlichting worden gebruikt bij nachtelijke werkzaamheden. In de winterrustperiode (half november t/m half maart) zijn geen aanvullende maatregelen nodig, maar verstrooiing van licht naar de omgeving moet worden voorkomen. Permanente negatieve effecten kunnen worden voorkomen door in de nieuwe situatie geen extra verlichting richting de omgeving, bomen en gebouwen van de RWZI te realiseren.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

27

Projectgerelateerd

Vogels Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Sommige vogelsoorten hebben jaarrond beschermde nesten omdat ze deze nesten het hele jaar door gebruiken of omdat ze honkvast zijn en elk jaar naar hetzelfde nest terugkeren. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van verschillende soorten met jaarrond beschermde nesten, zoals boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief en zwarte specht. Boerenzwaluw, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, steenuil, kerkuil en slechtvalk In het projectgebied is geen geschikte bebouwing aanwezig voor soorten die onder dakpannen, in nissen of kieren broeden. Ook zijn er geen geschikte toegangen voor uilen of nestkommen gevonden. Daarom is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van boerenzwaluw, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, steenuil en kerkuil uitgesloten. De slechtvalk broedt in Nederland op hoge constructies zoals torens, kantoorgebouwen en hoogspanningsmasten. Algemeen De aanwezigheid van broedende ooievaars is uitgesloten. Verder kan worden aangegeven dat de aanwezigheid van een nest van de grote gele kwikstaart direct ten oosten van het projectgebied bij het Omleidingskanaal kan niet worden uitgesloten.

Ook kan de aanwezigheid van een broedgeval van één van de volgende soorten: boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht niet worden uitgesloten. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Sommige vogelsoorten hebben jaarrond beschermde nesten om ecologisch zwaarwegende redenen. Deze soorten kunnen zich elders vestigen als hun broedplaats verloren gaat. In en rondom het zoekgebied zijn waarnemingen gedaan van soorten zoals blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, ijsvogel, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ringmus, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp en zwarte roodstaart. In het projectgebied en de omgeving zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig, waardoor er geen ecologisch zwaarwegende reden is voor jaarrond bescherming van deze nesten. Algemene broedvogels zoals houtduif, kauw, merel, roodborst en winterkoning kunnen in het projectgebied voorkomen, waar geschikt leefgebied aanwezig is. Rode Lijst soorten Diverse Rode Lijst soorten zoals koekoek, kramsvogel, oeverloper, wielewaal en wulp zijn bekend in of nabij het plangebied. De kramsvogel en oeverloper zijn doortrekkers en broeden waarschijnlijk niet in het plangebied.

De wulp broedt eerder in graslanden buiten het plangebied, de wielewaal in vochtige loofbossen, en de koekoek parasiteert op andere vogelsoorten langs de randen van het plangebied. Er is voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten, waardoor negatieve effecten op hun instandhouding door de werkzaamheden zijn uitgesloten. Effectbeoordeling en vervolgstappen Grote gele kwikstaart Voor de grote gele kwikstaart kan worden gesteld dat permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden niet aan de orde zijn.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

28

Projectgerelateerd

Verstoring van een actief nest van de grote gele kwikstaart kan leiden tot overtreding van artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d van de Omgevingswet (Ow). Dit kan worden voorkomen door sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen (maart-juli) uit te voeren. Als dit niet mogelijk is, moet aanvullend onderzoek plaatsvinden en mogelijk een vergunning worden aangevraagd. Voor boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht kunnen werkzaamheden hun nesten tijdelijk verstoren. Voorgaande kan worden voorkomen door buiten hun broedseizoen (februari-augustus) te werken. Indien dit niet mogelijk is, is aanvullend onderzoek en mogelijk een vergunning nodig. Permanente negatieve effecten op algemene broedvogels zijn uitgesloten. Het verstoren van broedgevallen kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken of ecologische begeleiding te hebben tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen werken heeft de voorkeur om overtredingen van de Ow te voorkomen. Het broedseizoen loopt grofweg van maart tot augustus, maar broedgevallen kunnen ook buiten deze periode voorkomen. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze BOPA.

Amfibieën Op basis van de gegevens van de NDFF komen in de omgeving van het plangebied kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad voor. Verder zijn er in de omgeving ook algemene soorten waargenomen of te verwachten, namelijk: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Specifieke amfibieën De aanwezigheid van de kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad binnen het projectgebied is uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat en voortplantingsbiotopen. Het Omleidingskanaal vormt bovendien een barrière voor de rugstreeppad tussen het projectgebied en bekende populaties. Algemeen voorkomende amfibieën Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen in het plangebied voorkomen. De sloot langs de Dorpermeienweg vormt een geschikte voortplantingslocatie voor deze amfibieën, en de bosschages op en rondom de RWZI bieden geschikt landhabitat. De aanwezigheid van algemene amfibieën binnen de planlocatie is daarom niet uitgesloten. Effectbeoordeling en vervolgstappen amfibieën Voor algemeen voorkomende amfibieën zijn er voldoende alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving. Voor beschermde soorten is er een algemene vrijstelling voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen, waardoor geen vergunning nodig is.

De zorgplicht volgens artikel 11.27 Bal moet echter altijd worden nageleefd. Voorgaande kan door werkzaamheden zoveel mogelijk met klein materieel en bij daglicht uit te voeren en altijd vanuit één richting, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

Reptielen Op basis van de gegevens van de NDFF komt de levendbarende hagedis voor in de omgeving van het projectgebied. Vastgesteld wordt dat geschikt habitat voor deze hagedis in de omgeving van het plangebied of direct omgeving ontbreekt. De aanwezigheid van de hagedis wordt daarom uitgesloten.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

29

Projectgerelateerd

Ongewervelden Op basis van de gegevens van de NDFF komen in de omgeving van het projectgebied de beekrombout, grote vos en kleine ijsvlinder voor. Beekrombout De habitat voor de beekrombout is in het projectgebied en directe omgeving niet aanwezig. Het voorkomen ervan kan binnen het projectgebied worden uitgesloten. Grote vos Tijdens de werkzaamheden vinden geen werkzaamheden plaats rondom de waardplanten van de grote vos. Negatieve effecten voor de grote vos bij de voorgenomen werkzaamheden zijn dan ook uit te sluiten Kleine ijsvogelvlinder Tijdens de werkzaamheden vinden geen werkzaamheden plaats rondom de waardplanten van de kleine ijsvogelvlinder. Negatieve effecten voor de kleine ijsvogelvlinder bij de voorgenomen werkzaamheden zijn dan ook uit te sluiten Rode Lijst soorten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn op en in de directe omgeving van het projectgebied geen ongewervelden die op de Rode Lijst voorkomen. Rode Lijst soorten zijn binnen het projectgebied niet te verwachten.

Conclusie soortbescherming Samenvattend kan in tabelvorm over de soortbescherming het volgende worden gezegd: Mits wordt voldaan aan de gestelde maatregelen (volgens ecologisch werkprotocol), de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de betreffende en aangegeven perioden worden verricht dan vormt de soortbescherming geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt (negatieve effecten zijn te voorkomen). Mocht niet buiten de aangegeven perioden gewerkt kunnen worden, dan is aanvullend onderzoek noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden. Als na onderzoek blijkt dat een beschermde soort wordt aangetroffen, dan is een vergunningsaanvraag mogelijk aan de orde.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

30

Projectgerelateerd

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

31

Projectgerelateerd

5.4.3

Gebiedsbescherming afwegingskader

Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt op 1,4 km afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR). Andere Natura 2000-gebieden ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’, ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’, ‘Landgoederen Oldenzaal’ en ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ liggen respectievelijk op 4,4 km, 5,8 km, 6,3 km en 9,2 km afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Overige effecten als gevolg van trilling, lichthinder en geluidhinder in de aanlegfase zijn dat gezien de afstand tot de gebieden wel. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd. Als er sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer dan zijn mogelijk vervolgstappen nodig. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland waardoor negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde van het NNN op voorhand zijn uitgesloten. Verder kan worden aangegeven dat eventuele externe effecten op NNN binnen Overijssel niet getoetst worden. Er is daarom ook geen sprake van compensatieplicht of eventuele andere vervolgstappen ten aanzien van het NNN.

5.4.4

Stikstofdepositie

Afweging Door Haskoning is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de bouwfase inclusief gebruiksfase RWZI Denekamp. De berekening met bijlagen is als bijlage 3 bij deze BOPA gevoegd. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator volgt dat er geen berekende significante toename (0,00 mol N/ha/jaar) is op Natura 2000-gebieden in Nederland. Dit betekent dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het project uit te sluiten zijn. Daarmee is er vanuit het aspect stikstof-depositie geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is er geen vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet.

5.4.5

Conclusie gebieds- en soortenbescherming

Het aspect gebieds- en soortenbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.5

Geluid

Algemeen Specifieke instructieregels voor het omgevingsplan over geluid door activiteiten is opgenomen in paragraaf 5.1.4.2.1 Bkl. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw in planologische zin mogelijk maakt. Op grond van het voorgaande gelden de instructieregels bij het toestaan van de activiteit maar ook bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van die activiteit. De instructieregels zijn van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten, met uitzondering van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar ook bijvoorbeeld van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels gelden ook voor bedrijven aan huis. Het toepassingsbereik van deze instructieregels bestaat uit activiteiten die geluid veroorzaken op legale geluidgevoelige gebouwen. De planologische status is bepalend. 31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

32

Projectgerelateerd

Uitzondering voor het van toepassing zijn van de instructieregels zijn tijdelijke gebouwen (minder dan 10 jaar) en geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. In artikel 5.59 Bkl is bepaald dat geluid aanvaardbaar moet zijn uitgaande van geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag moet, op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow), de optredende geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen, als gevolg van activiteiten, beoordelen en betrekken in de belangenafweging. Het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn cumulatieve vereisten. Het kan voorkomen dat het geluid door een individuele activiteit aanvaardbaar is (en dus voldaan is aan het tweede lid), maar ter uitvoering van het eerste lid ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van meerdere activiteiten. Ook andersom is dit mogelijk: de aanvaardbaarheidseis, die op zich voor één activiteit geldt, kan betekenis hebben voor de toedeling van functies van meerdere activiteiten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties.

Ook niet wettelijk genormeerde geluidverschijnselen (zoals cumulatie van geluidbronnen, menselijk stemgeluid) en de bescherming van niet-geluidgevoelige objecten (zoals kantoren) dient onderdeel te zijn van de afweging in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Paragraaf 5.1.4.2.2 Bkl is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van de specifieke activiteiten uit paragraaf 5.1.4.2.3 (windturbines, windparken, schietbanen). In deze paragraaf zijn standaardwaarden (artikel 5.65 Bkl) en grenswaarden (artikel 5.66 Bkl) voor geluid opgenomen. De activiteit die als BOPA wordt aangevraagd, moet hieraan worden getoetst. Er is flexibiliteit om af te wijken tot aan de grenswaarden. De beleidsruimte om af te wijken tot de grenswaarde wordt ingevuld met het Gebiedsgerichte geluidbeleid, waarin de wenselijk geachte gebiedsgerichte waarden zijn opgenomen. Afweging Door RoyalHaskoningDHV is een geluidsonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 4 bij deze BOPA gevoegd. Binnen het rapport is een vergelijking gemaakt tussen de huidige en toekomstige situatie. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie voldaan kan worden aan de geldende geluidseisen uit het Omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.

De hierin opgenomen eisen zijn gelijk aan de Bruidsschat, die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rijkswege is toegekend. Aangezien de gemeente geen gebiedsgericht geluidbeleid op basis van het Bkl heeft vastgesteld, vormen de eisen uit de Bruidsschat het geldend normenkader. In de rapportage is ook gekeken naar het gebiedsgericht geluidbeleid uit 2008. Vastgesteld is hier ook wordt voldaan aan het daarin gestelde ambitieniveau. . Uit de rekenresultaten van de rapportage blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie voldaan wordt aan de geldende geluidsgrenswaarden conform het Omgevingsplan. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 4. Conclusie: Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorzieningen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.6

Geur

Algemeen Binnen de Omgevingswet is aangegeven dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). De gemeente moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Geur is één van die aspecten. 31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

33

Projectgerelateerd

Rekening houden met geur werkt twee kanten op: ◼

Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen;

◼

Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl staan instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en enkele andere agrarische activiteiten. De aanvaardbaarheid van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen is bepaald in artikel 5.92 Bkl. Zo dient in geval van een BOPA rekening te worden gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Verder dient rekening te worden gehouden met de specifieke lokale omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat gezien wordt als aanvaardbaar is mede afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vraagt om een zorgvuldige belangenafweging door het bevoegd gezag. Bij toetsing van het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook beoordeeld worden of bedrijven in de omgeving ook beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Toetsing moet daarbij plaatsvinden aan de Bruidsschat en het Bal. Van een onaanvaardbare situatie is sprake als de nieuwe geurgevoelige functie ertoe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer aan de aan de voor hem geldende normen kan voldoen. Hierbij is dan sprake van beperking in de bedrijfsvoering.

Afweging Door Haskoning is onderzoek uitgevoerd naar geur. Het rapport is als bijlage 5 bij deze BOPA gevoegd. Binnen het onderzoek is ook een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de toekomstige situatie. Vast is komen te staan dat in beide situaties wordt voldaan aan de normen zoals beschreven in de Bruidsschat. Verwezen wordt naar de Bruidsschat, aangezien binnen de gemeente Dinkelland op dit moment een Omgevingsplan van rechtswege heeft, waarin de regels uit de Bruidsschat 1 op 1 zijn overgenomen. Ook staat vast dat er geen geurgevoelige objecten binnen de geurcontouren liggen. Conclusie: Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.7

Laddertoets

Algemeen Binnen het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 5.129g. Het gaat hierbij om de afweging of sprake is van zorgvuldige ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand versus de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. De beoordeling gaat nog hetzelfde als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In artikel 8.0b is aangegeven dat eenzelfde beoordeling ook geldt voor een BOPA. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om verduidelijking van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zonodig onderzoek noodzakelijk naar de behoefte van de nieuwe stedelijke voorziening, zie hiervoor artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Met de uitkomsten daarvan moet in de BOPA rekening te worden gehouden.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

34

Projectgerelateerd

Afweging Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Vastgesteld kan worden dat de ontwikkelingen binnen deze BOPA niet gezien worden als een stedelijke voorziening die voldoende substantieel is, zoals hierboven is benoemd. Daaraan kan worden toegevoegd dat op het terrein van de RWZI in zekere zin al sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat door de bouw van de noodzakelijke gebouwen sprake is van een zekere verdichting op het terrein zelf. Verder kan worden vastgesteld dat de ontwikkelingen voorzien in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, het voortbestaan van de zuivering. Het gaat om de bouw van de noodzakelijke gebouwen op grond van de KRW en het uitbreiden van de daarbij behorende bouwwerken. De noodzakelijke voorzieningen voorzien in een kwalitatieve behoefte, aangezien voor alle planonderdelen de wens is om de ontwikkeling mogelijk te maken. De ontwikkeling vindt plaats op bestaand terrein van de zuivering zelf en is relatief kleinschalig en past daarmee qua schaal binnen de omgeving. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.8

Luchtkwaliteit

Algemeen De Omgevingswet bevat regels voor het bepalen, beoordelen, beschermen en borgen van de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is verdwenen. Het luchtkwaliteitsonderzoek richt zich op de nadelige effecten op aandachtsgebieden. Grenswaarden van de te onderzoeken stoffen en ‘niet in betekende mate’ (NIBM) zijn aspecten die binnen de Omgevingswet behouden zijn. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn met name twee stoffen van belang, namelijk NO2 en PM10. De aandachtsgebieden die enkel betrekking hebben op PM10 hebben betrekking op een aantal gemeenten in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, waar relatief gezien sprake is van hoge concentraties van PM10. De verwachting is dat door onder meer een schoner wordend wagenpark de komende jaren sprake is van een trendmatige daling van de concentraties van NO2 en PM10, waardoor de verwachting is dat het aantal aandachtsgebieden op termijn zal afnemen. Een dergelijke wijziging moet plaatsvinden door aanpassing van het Bkl. Er is sprake van NIBM als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Een volledig luchtkwaliteitsonderzoek hoeft dan niet te worden uitgevoerd. Het is voldoende als wordt aangetoond dat de toename niet in betekende mate is.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

35

Projectgerelateerd

Als een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit buiten de aandachtsgebieden wel beoordeeld worden bij: ◼

de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal);

◼

de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt;

◼

de aanleg van een auto(snel)weg.

Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen als: ◼

aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) danwel niet leidt tot een toename van al bestaande overschrijding van een grenswaarde;

◼

aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering);

◼

aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten ◼

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, en ook een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Afweging De voorgenomen ontwikkelingen liggen niet in of in de buurt van een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een goede luchtkwaliteit. De verkeersgeneratie zal als gevolg van de ontwikkelingen (nagenoeg) niet wijzigen en draagt niet in betekende mate bij aan stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Op basis van de Atlas Leefomgeving kan worden aangegeven dat de heersende concentraties Stikstofdioxide en Fijnstof onder de advieswaarden van de WHO liggen. Zie hiervoor onderstaande afbeeldingen. Het meest recente referentiejaar, als heersende achtergrondconcentratie is 2022.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

36

Projectgerelateerd

Figuur 5-3: Uitsnede kaartbeeld stikstofdioxide 2022 Atlas voor de Leefomgeving

Figuur 5-4: Uitsnede kaartbeeld fijnstof 2022 Atlas voor de Leefomgeving

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

37

Projectgerelateerd

5.9

Mer-beoordeling

Algemeen Een project-mer-beoordeling is vereist bij projecten die genoemd staan in artikel 16.43 eerste lid, onder b Omgevingswet. In een project-mer-beoordeling moet beoordeeld worden of bij een voorgenomen activiteit aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De project-mer-beoordeling maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning voor de BOPA en moet gelijktijdig in procedure worden gebracht. In bijlage V van het Omgevingsbesluit worden de projecten benoemd die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en ook de projecten waarvan beoordeeld moet worden of deze aanzienlijke milieueffecten hebben. Kolom 2 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Ow, die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Kolom 3 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de Ow, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Afweging De wijziging van een zuivering is qua technisch werk een activiteit die benoemd is in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Als een activiteit wordt benoemd in de bijlage V en dat daarnaast ook een bepaalde grenswaarde wordt overschreden dan is sprake van een m.e.r.-plicht. Voorgaande is in ieder geval aan de orde als de capaciteit van de zuivering wordt vergroot. Aangezien de capaciteit van de zuivering niet wijzigt is in deze situatie geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Vastgesteld kan worden dat het hier gaat om de renovatie van de zuivering en de bouw van een mechanische slibindikinstallatie (die wordt bijgebouwd in de waterlijn), waardoor in deze situatie sprake is van een mer-beoordeling. Conclusie Er is een verplichting tot het opstellen van een mer-beoordeling. De aanmeldnotitie hiervan is separaat bijgevoegd op het DSO bij de aanvraag van de MBA.

5.10

Ontplofbare Oorlogsresten

Algemeen Het wettelijk kader voor ontplofbare oorlogsresten omvat verschillende aspecten en regelgeving. In hoofdlijn gaat het hierbij om de Gemeentewet, Arbeidsomstandighedenwetgeving, Wet wapens en munitie, Omgevingswet en eventuele lokale regelgeving zoals, APV en binnen bestemmingsplannen om de veiligheid bij het omgaan met Ontplofbare Oorlogsresten (OO) te waarborgen. Voorgaande regelgeving zorgt voor een gestructureerde en veilige aanpak voor het opsporen, verwijderen en beheren van OO, met als doel de veiligheid van de bevolking en werknemers te waarborgen. Binnen het omgevingsplan kunnen OO opgenomen worden, bijvoorbeeld aan de hand van een verwachtingskaart met verdachte gebieden voor OO. Voorgaande is echter geen verplichting. Als blijkt dat sprake is van indicaties van oorlogshandelingen dan is wenselijk vooronderzoek uit te voeren. Afweging Door Bombs Away B.V. is vooronderzoek Conflictperiode OO uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 6 bij deze BOPA gevoegd. Op basis van het onderzoek is vast komen te staan dat er geen indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het gebied is onverdacht op OO. Voor meer inhoud en achtergrondinformatie wordt verwezen naar bijlage 6.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

38

Projectgerelateerd

Conclusie Het aspect OO vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.11

Omgevingsveiligheid

Algemeen In een omgevingsplan wordt als het gaat om risico’s van branden, rampen en crises, rekening gehouden met het belang van: ◼

Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;

◼

De mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en,

◼

De geneeskundige hulpverlening.

Binnen het Bkl zijn specifieke regels gesteld over het waarborgen van de veiligheid. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op locatie zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

39

Projectgerelateerd

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: ◼

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;

◼

Veiligheid rond opslaan, her-verpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

◼

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);

◼

Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Afweging De situatie van de omgevingsveiligheid is beoordeeld aan de hand van de Atlas voor de Leefomgeving. Specifiek is gekeken naar de aspecten van een veilige omgeving, waarvan externe veiligheid in het bijzonder onderdeel van uitmaakt. Vastgesteld kan worden dat er geen externe veiligheidsaspecten spelen die meegewogen dienen te worden bij de beoordeling van deze BOPA. Onderstaand is een uitsnede van kaart opgenomen

Figuur 5-5: Gedeelte van de Atlas voor de Leefomgeving (blauwe cirkel is projectgebied)

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

40

Projectgerelateerd

Op basis van de kaart kan worden vastgesteld dat er geen veiligheidsissues spelen. Er is getoetst op 94 activiteiten. Kijkend naar de kaart kan worden vastgesteld dat de aardgastransportleiding op minimaal 470 meter afstand ligt van het project, terwijl de verdere veiligheidsissues beperkt blijven tot het eigen perceel Hiervoor kan worden verwezen naar de rood gemarkeerde percelen met rode stip op de kaart. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt binnen deze BOPA.

5.12

Trilling

Algemeen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan instructieregels die toezien op activiteiten, die op locatie worden uitgevoerd en die trillingen kunnen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als ook bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen, die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat paragraaf 5.1.4.4 van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Uitzondering hierop zijn (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van de betreffende locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen, die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is. Het gaat hierbij om gebouwen die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In het tweede lid zijn een aantal uitzonderingen genoemd, waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn.

Ondanks deze uitzonderingen geldt dat gemotiveerd dient te worden – in verband met de toets aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties – bij verlening van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, dat de optredende trillingen ter plaatse van trillinggevoelige objecten aanvaardbaar zijn. Bij deze beoordeling, dient bij de verlening van BOPA, bekeken te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. Afweging Vastgesteld kan worden dat de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt niet plaatsvinden in de nabijheid van spoorlijnen of bedrijven. Ook veroorzaken de ontwikkelingen zelf geen trillingen. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

41

Projectgerelateerd

5.13

Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De parkeernormen zijn geënt op landelijke parkeerkencijfers op basis van de CROW-publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317” van het CROW. Deze kencijfers worden onder de Omgevingswet nog steeds gehanteerd. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de meest recente CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, 381 (december 2018). Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Afweging Door realisering van de gebouwen met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen wordt de verkeersgeneratie slechts beperkt wijzigt. Ten opzichte van het totaal zal ten behoeve van de slibafvoer het aantal verkeerbewegingen van 6 naar 10 toenemen. Op het geheel van de rioolwaterzuiveringsinstallatie is dat een beperkte toename binnen de marges. De parkeerbehoefte wijzigt niet, doordat de slibafvoer opvolgend plaatsvindt. Ook kan worden aangegeven dat de capaciteit als geheel van de RWZI niet wijzigt.

Conclusie: De verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.14

Water

Algemeen Op grond van artikel 5.37 Bkl moet in een omgevingsplan, en daarmee vergelijkbaar in een BOPA, rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over de gevolgen van het beheer van het watersysteem moet ook de opvattingen van het bestuursorgaan belast met het beheer van dit watersysteem betrokken te worden. Daarnaast zijn in de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels opgenomen met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het bevoegd gezag bepaalt hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming betrokken moeten worden bij de weging van het waterbelang. Op grond van het voorgaande is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven. De gemeente bepaalt zelf hoe zij hieraan invulling geeft. Voor het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang. Het artikel schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater is toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.

In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Watersysteem 31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

42

Projectgerelateerd

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame en veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Voorgaande houdt in dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Afwenteling van problemen op andere gebieden of latere generaties vindt niet plaats. Het principe van 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is leidend. In het Nationaal Bestuursakkoord Water zijn doelen van Rijk, provincies en gemeenten vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Als het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Toename verhard oppervlak Door de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt binnen deze BOPA zal het verhard oppervlak op het terrein van de RWZI toenemen. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zal de oppervlakte toenemen met 166 m2.. Deze bouwwerken moeten ook voorzien worden van nieuwe verhardingen, als verbindingspaden en verhardingen om de bouwwerken heen. In totaal gaat het om 119 m2 verharding. Daarnaast zullen een tweetal gebouwen (gravitaire slibindikker en bijbehorende pompenkelder) worden geamoveerd. In totaliteit zal de verharding op het terrein toenemen met 285 m2. Doelstelling is om het regenwater vertraagd te laten infiltreren. Op het slibindikgebouw komt een groendak. Het hemelwaterafvoer van het slibindikgebouw en schakel- en besturingsruimte wordt afgekoppeld. Afweging Allereerst dient te worden vastgesteld dat het Waterschap Vechtstromen zelf partij is.

De voorzieningen op het terrein van de rioolwaterzuivering zijn noodzakelijk om het vervuilde rioolwater beter te verwerken en beter te zuiveren volgens de KRW, om te kunnen worden afgevoerd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

43

Projectgerelateerd

6

Financiële haalbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor de realisering van de nieuwe gebouwen binnen de inrichting van het projectgebied met bijkomende voorzieningen komen geheel ten laste van de initiatiefnemer, het Waterschap Vechtstromen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende geborgd.

6.2

Nadeelcompensatie

Met de verlening van een omgevingsvergunning op basis van onderhavige aanvraag wordt afgeweken van de kaders in het omgevingsplan. Een afwijking zou tot gevolg kunnen hebben dat iemand in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak nadeel ondervindt. In een dergelijk geval zou deze persoon het bevoegd gezag kunnen verzoeken om nadeelcompensatie. Het gaat hierbij om schade die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. Er wordt een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en het waterschap.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

44

Projectgerelateerd

7

Conclusie

Algemeen Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Aspecten fysieke leefomgeving Op basis van de beoordeling van alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving, met betrekking tot de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt binnen deze BOPA, kan worden vastgesteld dat nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Instructieregels Bij de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt binnen deze BOPA is getoetst aan de volgende instructieregels, namelijk: ◼

instructieregels op grond van hoofdstuk 5 Bkl;

◼

instructieregels op grond van de provinciale omgevingsverordening;

◼

Instructieregels van het rijk of de provincie voortkomend uit beleid.

Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de voorgenomen ontwikkeling binnen deze BOPA voldoet aan de instructieregels en eveneens in deze situatie leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Op grond van het voorgaande kunnen de beoogde ontwikkelingen op basis van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

45

BIJLAGE 1 Bodemonderzoek

BIJLAGE 2 Natuurtoets

BIJLAGE 3 Aeriusberekening

BJ2346-RHD-DEN-DO-ME-OM-0106_Berekening stikstofdepositie BJ2346-RHD-DEN-DO-ME-OM0140_AERIUS_extra_beoordeling_20251021110813_RyPBPjKjwM6o_GFBF BJ2346-RHD-DEN-DO-ME-OM0141_AERIUS_projectberekening_20251021110813_RyPBPjKjwM6o_GFBF

BIJLAGE 4 Geluidsonderzoek

BIJLAGE 5 Geurrapport

BIJLAGE 6 Ontplofbare oorlogsresten

BIJLAGE 7 Nul- en eindsituatieonderzoek

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1029/documents/24706