CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bopa RWZI Denekamp.pdf

Gemeenteraad 20 januari 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake bindend adviesrecht Dorpermeienweg 13 Denekamp16.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) [Uitbreiding RWZI Denekamp] BOPA Denekamp Klant:

Waterschap Vechtstromen

Referentie: Status: Datum:

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM-0081 A1/C04 31 oktober 2025

Projectgerelateerd

Haskoning Nederland B.V. Laan 1914 35 Postbus 1132 3818 EX Amersfoort +31 (0)88 348 20 00 www.haskoning.com KvK 56515154

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Titel document:

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) [Uitbreiding RWZI Denekamp]

Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer:

BOPA Denekamp BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM-0081 A1/C04 31 oktober 2025 KRW opgave Waterketen Vechtstromen BJ2346

Opgesteld door:

diversen

Gecontroleerd door: Datum: Goedgekeurd door: Datum:

RBH, TC, CKM, ML, MC, FB, RvdW 23-10-2025 BZ, WB 31-10-2025

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. De Ingenieursbureau combinatie Haskoning Nederland B.V. en Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. en Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat.

31 oktober 2025

BOPA DENEKAMP

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

ii

Projectgerelateerd

Versiegeschiedenis: Versie 1. 2.

Datum 25-06-2025 23-10-2025

Auteur JT JT & FB

3.

23-10-2025

MC & RvdW

4.

31-10-2025

WB & EN

31 oktober 2025

BOPA DENEKAMP

Wijzigingen Comments verwerkt Gemeente + S0 QA Check Comments verwerkt Gemeente + S0 QA Check Comments WVS verwerkt

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

iii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Inleiding en aanduiding plangebied

1

1.2

Beoordelingskader en belangenafweging

2

1.3

Leeswijzer

4

2

Toekomstige situatie

5

2.1

Gewenste ontwikkeling

5

2.2

Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

6

3

Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

7

3.1

Toetsing aan het omgevingsplan

7

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4

Strijdigheden met het bestemmingsplan Buitengebied 2010 Bruidsschat/Besluit activiteiten leefomgeving Gemeentelijke verordeningen Nota omgevingskwaliteit (welstand)

7 7 8 8

4

Toets aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend advies

10

4.1

Visie en beleid voor het plangebied

10

4.1.1

Nationale omgevingsvisie

10

4.2

Kaderrichtlijn Water

10

4.3

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

11

4.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

16

4.3.1.1

Omgevingsvisie Dinkelland

16

4.3.1.2

Buitengebied met kwaliteit

17

4.4

Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders

18

4.4.1 4.4.2 4.4.3

Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Participatie omgeving Bindend adviesrecht gemeenteraad

18 18 21

5

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

22

5.1

Archeologie en cultuurhistorie

22

5.2

Behoeden staat en werking infrastructuur en voorzieningen

24

5.3

Bodem

24

5.4

Gebiedsbescherming en -soortenbescherming

25

5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.4.5

Algemeen kader Soortenbescherming afwegingskader Gebiedsbescherming afwegingskader Stikstofdepositie Conclusie gebieds- en soortenbescherming

25 27 32 32 32

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

iv

Projectgerelateerd

5.5

Geluid

32

5.6

Geur

33

5.7

Laddertoets

34

5.8

Luchtkwaliteit

35

5.9

Mer-beoordeling

38

5.10

Ontplofbare Oorlogsresten

38

5.11

Omgevingsveiligheid

39

5.12

Trilling

41

5.13

Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren

42

5.14

Water

42

6

Financiële haalbaarheid

44

6.1

Economische uitvoerbaarheid

44

6.2

Nadeelcompensatie

44

7

Conclusie

45

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

v

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Inleiding en aanduiding plangebied

Het Waterschap Vechtstromen (WVS) staat voor de opgave om uiterlijk 31 december 2027 acht rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) zodanig aan te passen dat ze voldoen aan de effluenteisen. Deze eisen zijn afgeleid uit de opgave van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het gaat hierbij om extra fosfor- en stikstofverwijdering tot zeer lage gehaltes. Eén van de rioolwaterzuiveringen waar dit moet plaatsvinden is de RWZI Denekamp. De RWZI Denekamp ligt aan de Dorpermeienweg 13, 7591 NK Denekamp. Het huidige terrein (eigendomssituatie) is weergegeven op onderstaande afbeelding. De blauwe lijnen markeren de randen van het terrein. Vastgesteld kan worden dat een terreinuitbreiding in deze situatie niet aan de orde is.

Figuur 1-1: Luchtfoto van de RWZI Denekamp met blauwe eigendomscontour (Bron: Google Earth)

De aanpassingen en wijzigingen die noodzakelijk zijn in het kader van de KRW kunnen samengevat als volgt worden weergegeven: ◼

Nieuwe metaalzoutopslag en doseerinstallatie realiseren;

◼

Bestaande gravitaire indikker amoveren;

◼

Nieuw Slbindikgebouw (MII) realiseren;

◼

Nieuwe schakel- en besturingsruimte realiseren;

◼

Installeren extra mixer in bestaande slibopslagtank;

◼

Aanleggen van nieuwe kabel- en leidingtracés.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

1

Projectgerelateerd

Om de aanpassingen en wijzigingen mogelijk te maken, zullen een aantal gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen gerealiseerd moeten worden. Het gaat hierbij om: ◼

Een schakel- en besturingsruimte (48 m2);

◼

Slibindikgebouw (118 m2);

◼

Metaalzoutopslag- en doseerinstallatie (23m2)

◼

Diverse bijbehorende voorzieningen, zoals bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kabels en leidingen.

1.2

Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Voor de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0 a tot en met 8.0 e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van artikel 8.0a Bkl wordt de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functie aan locaties ligt primair bij de gemeente. Het belangrijkste kader vormen de instructieregels van het Rijk en de provincie.

Op grond van artikel 8.0b lid 1 Bkl zijn op de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook de volgende regels van toepassing: a.De instructieregels zoals door het Rijk gesteld in hoofdstuk 5 Bkl; b.De instructieregels uit de provincialeomgevingsverordening; c.Eventuele andere instructies van het Rijke en de provincie In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. De gemeente beoordeeld of zij een vergunning wil verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit als rekening is gehouden met deze regels dan wel dat deze regels erbij betrokken of in acht zijn genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) hieraan kan worden getoetst. Het gaat hierbij om de omgevingsvisie en andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de BOPA verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatief advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college van Burgemeester en wethouders worden geweigerd.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij het projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

2

Projectgerelateerd

De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. Eventuele omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Planspecifiek Vastgesteld kan worden dat de huidige oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ongeveer 280 m 2 bedraagt. Op grond van het bestemmingsplan mag een maximale oppervlakte van 300 m 2 worden gerealiseerd, zoals opgenomen in artikel 15.2.1 van de bestemming ‘Bedrijf - Rioolzuiveringsinstallatie’ van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 (onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege). De oppervlakte van de nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen bedraagt ongeveer 166 m2. De overschrijding van het maximum aantal te bouwen vierkante meters aan gebouwen wordt daarmee met 166 m2 overschreden. Realisering is daardoor binnen het bestemmingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkelingen binnen deze BOPA juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt afgeweken van het omgevingsplan van rechtswege, door middel van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, sub a Omgevingswet (Ow). Voorliggend document heeft als inhoud de motivering bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).

Belangenafweging Het college van Burgemeester en wethouders heeft bij het bepalen of wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. De gemeenteraad heeft op 28 november 2023 een notitie vastgesteld op grond waarvan de gemeenteraad een bindend adviesrecht heeft, gelet op artikel 16.15a onder b van de Omgevingswet, in de situatie van gevallen van een BOPA. Binnen de nota is wel benoemd (Het uitbreiden van) nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Vastgesteld kan worden dat het hier wel een niet-agrarische bedrijvigheid betreft, maar dat van vestiging of van uitbreiding van de RWZI geen sprake is. De RWZI is al jaren gevestigd op dit adres en de gevraagde activiteiten vinden binnen het bedrijfsperceel zelf plaats, zodat van uitbreiding geen sprake is. Bovendien kan worden aangegeven dat de capaciteit van de RWZI niet wijzigt. Een bindend advies van de gemeenteraad is daardoor niet aan de orde. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en het beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft. Verder blijkt dat de voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie Overijssel.

Afstemming met de omgeving heeft plaatsgevonden. Zie hiervoor paragraaf 4.3.2 De ruimtelijke relevante aspecten voor het bereiken en instandhouden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit zijn afgewogen in hoofdstuk 5. Conclusie belangenafweging Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

3

Projectgerelateerd

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidend hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de toekomstige situatie. Toetsing aan het Omgevingsplan van rechtswege vindt plaats in het vierde hoofdstuk, waarna in hoofdstuk 5 de relevante fysieke omgevingsaspecten aan de orde. De financiële haalbaarheid wordt besproken in hoofdstuk 6. In het afsluitende zevende hoofdstuk komt de conclusie op basis van de voorgaande hoofdstukken aan de orde.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

4

Projectgerelateerd

2

Toekomstige situatie

2.1

Gewenste ontwikkeling

De ambitie is gericht op het instandhouden van de RWZI op het terrein. Deze BOPA richt zich op het planologisch regelen van de voorzieningen die nodig zijn in het kader van de KRW. Waterschap Vechtstromen is van plan om op de RWZI Denekamp meerdere maatregelen te treffen, die bij zullen dragen aan het behalen van de KRW-doelstellingen. Het betreft hier het amoveren van een indikker aan de oostkant, de bouw van enkele nieuwe gebouwen aan de noordkant en het installeren van een extra mixer voor de meest zuidelijke slibopslagtank. In de beluchtingtanks zullen surplusslib pompen worden aangebracht en over het gehele perceel zullen enkele leidingen worden aangelegd of geamoveerd. Zoals aangegeven in het vorig hoofdstuk zullen een aantal gebouwen zo spoedig mogelijk worden gerealiseerd. Op onderstaande afbeelding zijn de verschillende ontwikkelingen op het rioolwaterzuiveringsterrein weergegeven.

Figuur 2-1: Lay-out nieuwe situatie Definitief VO (BJ2346-RHD-DEN-VO-DR-CB-1202)

Als het gaat om de gebouwen die gerealiseerd moeten worden in het kader van de KRW gaat het om de volgende zaken, inclusief de benodigde vierkante meters. Zie ook bijlage BJ2346-HAS-DEN-DO-DR-CB1210 - BOPA aanvraag ◼

Mechanische slibindikking (118 m2);

◼

Schakel- en Besturingsruimte (48 m2).

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

5

Projectgerelateerd

2.2

Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

De ontwikkelingen die in het kader van de KRW noodzakelijk zijn vinden binnen de contour van het bestaande perceel van de RWZI zelf plaats. Uitbreiding van het terrein is daardoor niet aan de orde. De gebouwen op het terrein zullen qua oppervlakte toenemen. Nu is nog maximaal 300 m 2 mogelijk aan gebouwen. Door de noodzakelijke uitbreiding komt in eerste aanleg de totale oppervlakte van de gebouwen op ongeveer 470m2. Vastgesteld kan worden dat de locatie van de RWZI al omringd wordt door een groene omlijsting. Landschappelijke inpassing is daardoor verder niet noodzakelijk. De milieueffecten van deze ontwikkeling komen voor zover van toepassing aan de orde binnen het hoofdstuk Fysieke leefomgeving.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

6

Projectgerelateerd

3

Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

3.1

Toetsing aan het omgevingsplan

Het projectgebied valt binnen het Omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Hierin zijn de bestemmingsplannen van rechtswege opgenomen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het projectgebied heeft de bestemming ‘Bedrijf – Rioolzuiveringsinstallatie’ volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2010. Binnen de bestemming mogen gebouwen worden opgericht, waaronder overkappingen, ten behoeve van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, niet zijnde een geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven, met de daarbij behorende terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: ◼

De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, waaronder overkappingen, zal ten hoogste 300 m 2 bedragen;

◼

De hoogte van een gebouw of een overkapping zal ten hoogste 6,00 m bedragen.

Voor het bouwen van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelde de volgende regel: ◼

De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 10,00 m bedragen.

De bestemming bevat geen regels voor afwijking van het totaal aantal m2 aan gebouwen.

3.1.1

Strijdigheden met het bestemmingsplan Buitengebied 2010

Vastgesteld kan worden dat de maximale bouwhoogte van 6.00 m zoals genoemd in het bestemmingsplan Buitengebied 2010 geen belemmering vormt voor de te realiseren gebouwen. Strijdigheid van het initiatief zit in de totale toegestane hoeveelheid aan bebouwde oppervlakte aan gebouwen. Voor gebouwen geldt namelijk een maximale oppervlakte van 300 m 2. De huidige bebouwde oppervlakte bedraagt 280 m2. Er worden eerst twee gebouwen gerealiseerd met een totale oppervlakte van 166 m2 Voor de bouwwerken, geen gebouwen zijnde kan worden aangegeven dat hiervoor geen maximum aantal vierkante meters is aangegeven. Van strijdigheid in die zin is geen sprake.

3.1.2

Bruidsschat/Besluit activiteiten leefomgeving

Onder de omgevingswet is geen sprake meer van het begrip inrichting, wat voorheen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wel het geval was. Nu wordt gesproken van milieubelastende activiteiten die individueel (of samen) meldings- of vergunningsplichtig kunnen zijn. Voor dit project wordt nu uitgegaan van de volgende mogelijke milieubelastende activiteit(en): ◼

Het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk, waarbij de aanwijzing ook andere activiteiten omvat die de exploitatie functioneel ondersteunen. Voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk geldt op basis van artikel 3.174 van het Bal een vergunningplicht.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

7

Projectgerelateerd

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: ◼

begrippen (hoofdstuk 1);

◼

voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1);

◼

regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2);

◼

regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3);

◼

regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4);

◼

regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5).

De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De in deze BOPA mogelijk gemaakte activiteiten betreft de milieubelastende activiteit exploiteren van een zuiveringstechnisch werk (artikel 3.174 van het Bal). De omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit namelijk als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Zodoende zijn de regels wel van toepassing. Vastgesteld kan worden dat het hier gaat om een bestaande zuivering die al geruime tijd in werking is. Verder kan worden vastgesteld dat de capaciteit (hydraulisch en inwonersequivalent) van de zuivering niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. Door het uitvoeren van de maatregelen die in het kader van de Kaderrichtlijn Water zal een verbetering optreden in de kwaliteit van het zuiveringswater/lozingswater. Naar verwachting zal de impact gunstig zijn op onder meer de waterkwaliteit, het afvalbeheer, de chemische verontreiniging en eventuele ecologische verstoring. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.

3.1.3

Gemeentelijke verordeningen

Voor zover hier sprake is van het van toepassing zijn van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst binnen deze BOPA.

3.1.4

Nota omgevingskwaliteit (welstand)

Algemeen Welstand heeft betrekking op de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk en het bouwwerk in de omgeving als passend gezien kan worden. Hierbij moet men denken aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, volgens de criteria van de welstandsnota.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

8

Projectgerelateerd

Deze BOPA maakt de oprichting van gebouwen in ruimtelijk juridische zin mogelijk. Deze gebouwen moeten voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan echter niet worden verleend aangezien de gebouwen niet voldoen aan de planregels en door middel van deze BOPA kan daar medewerking aan worden verleend.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

9

Projectgerelateerd

4

Toets aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend advies

4.1

Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1

Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, vastgesteld. De NOVI liep vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en ter vervanging van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Het Rijk wil sturen en richting geven aan nationale belangen. Hiervoor worden de volgende prioriteiten onderscheiden: ◼

Ruimte voor klimaatadaptatie;

◼

Duurzaam economisch groeipotentieel;

◼

Sterke en gezonden steden en regio’s;

◼

Toekomstbestendige ontwikkelingen van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan de vier hiervoor genoemde prioriteiten worden een drietal afwegingsprincipes aangehouden, namelijk: ◼

Combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies;

◼

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

◼

Afwentelen wordt voorkomen.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wordt gezien als een maatschappelijk belang voor de omgeving, immers het voorziet in de zuivering van het afvalwater, waardoor het meewerkt aan het toekomstbestendig maken van in ieder geval het landelijk gebied. Hiermee wordt het als passend gezien binnen de prioriteiten van de NOVI.

4.2

Kaderrichtlijn Water

Algemeen kader De KRW is in Nederland vertaald naar nationale wetgeving via de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze wetten vormen het juridische fundament voor het waterkwaliteitsbeheer in Nederland. De uitvoering van de KRW is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid, provincies, waterschappen en gemeenten. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is systeemverantwoordelijk.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

10

Projectgerelateerd

De richtlijn kent twee belangrijke juridische principes: 1. Verbeterverplichting: waterlichamen moeten uiterlijk in 2027 een goede toestand bereiken. 2. Achteruitgangsverbod: de kwaliteit van waterlichamen mag niet verslechteren ten opzichte van de eerder behaalde toestand. De KRW werkt met stroomgebiedbeheerplannen, waarin per stroomgebied maatregelen zijn opgenomen om de doelen te behalen. Monitoring en evaluatie vinden plaats in cycli van zes jaar. De voortgang wordt beoordeeld volgens het "one-out, allout"-principe: als één parameter niet voldoet, wordt het hele waterlichaam als onvoldoende beoordeeld. In de praktijk De KRW draagt bij aan een “goede ecologische en chemische toestand” van het oppervlakte- en grondwater. Voor Nederland betekent dit een forse opgave,

De KRW vraagt om een fundamentele verbetering van de waterkwaliteit. Dat betekent dat rwzi's verdergaand stikstof en fosfaat gaan verwijderen. Daarnaast stelt de KRW dat de ecologische kwaliteit van het water moet verbeteren. Dat betekent: meer zuurstof, minder giftige stoffen, en ruimte voor planten en dieren om te leven en migreren. Een rwzi moet dus niet alleen schoon water leveren, maar ook bijdragen aan een gezond ecosysteem. Voorgaande vraagt om ingrijpende wijzigingen van de rwzi's Conclusie: de noodzakelijke aanpassingen zijn overeenkomstig de eisen uit de Kaderrichtlijn Water.

4.3

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Omgevingswet. In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

11

Projectgerelateerd

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 1. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn.

In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden. 2. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.

De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, volgens de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

12

Projectgerelateerd

In artikel 4.13 van de Omgevingsverordening is bepaald dat Gedeputeerde Staten (GS) kunnen afwijken van de instructieregels als dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een provinciaal belang. Van een provinciaal belang is sprake als deze: • Bijdraagt aan de realisatie van provinciale doelen, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel; • Niet op een andere wijze mogelijk is zonder onevenredige aantasting van de provinciale belangen; • En past binnen de uitgangspunten van een goede omgevingskwaliteit. Aan de afwijking kunnen voorwaarden of voorschriften worden verbonden om de provinciale belangen te waarborgen. 3. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 4-1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

13

Projectgerelateerd

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsverordening Overijssel Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Omgevingsplannen en daarmee ook BOPA’s maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: ◼

er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;

◼

de ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en

◼

mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Volgens de Omgevingsverordening Overijssel 2024 wordt de Groene omgeving aangemerkt als: "dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied". Hierbij wordt onder bestaand bebouwd gebied verstaan: "de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg". Een stedelijke functie wordt in de Omgevingsverordening aangemerkt als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". Binnen deze BOPA is sprake van een functie in de groene omgeving. Echter kan gesteld worden dat de voorzieningen op eigen erf worden gerealiseerd, binnen de bedrijfsbestemming. Het aantal vierkante meter aan bedrijfsbebouwing wordt hiermee wel overschreden. Het gaat hierbij echter om noodzakelijke voorzieningen op grond van de Kaderrichtlijn water. Van ruimtebeslag binnen de groene omgeving is daarom geen sprake. Er is daardoor sprake van compacte bebouwing en van een goede ruimtelijke inpassing.

Artikel 4.8 Ruimtelijke kwaliteit Normaliter worden nieuwe ontwikkelingen enkel mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Het gaat hier, zoals eerder gesteld om realisering binnen de feitelijke bedrijfsbestemming. Aan het bestaande RWZI worden een aantal noodzakelijke voorzieningen toegevoegd, zodat geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Het gaat om aanpassing van het bestaande. Van strijdigheid met artikel 4.8 is daarom geen sprake. Gebiedskenmerken nader beschouwd Natuurlijke laag Binnen de Omgevingsvisie is voor de rioolwaterzuivering en de directe omgeving geen natuurlijke laag aangegeven.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

14

Projectgerelateerd

Laag van het agrarisch cultuurlandschap Het gaat om laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant, wat vaak diende als perceelsafscheiding. Deze gebiedjes hebben veel variatie in ruimtelijke opbouw: open ruimte van de watergang, de coulissen van het hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem De ambitie is dit landschapstype weer herkenbaar te maken en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. Als het gaat om nieuwe ontwikkelingen dan geldt de structurerende werking van de beekdalen en oeverdalen als landschap. Het gaat hierbij vooral om de eventuele gevolgen van de landbouw en natuurontwikkeling als gevolg van drooglegging, waterpeilverlaging en dergelijke. Laag van de beleving – Bakens in de tijd Bakens in de tijd zijn relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. Het gaat hierbij om geologische monumenten, archeologische monumenten en vindplaatsen, schansen, verdedigingslinies, kapelletjes, religieuze monumenten, historische wegen tot landschappelijke ensembles. In feite vormen zij de verhalende laag van het landschap.

Belangrijke ingrediënten in de opbouw van de gebiedsidentiteit. De ambitie voor deze relicten is om verbindingen en verbanden te creëren tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Recreatie kan hierin een grote rol spelen. Laag van de beleving – recreatieve routes en vaarwegen In de omgevingsvisie wordt hierbij terugverwezen naar de stedelijke laag – informele trage netwerk. Kenmerkend hierbij is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden en vaarroutes, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en de natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maken. Oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. De ambitie is de verschuiving in het verplaatsingsgedrag van auto naar fiets. Het fiets- en wandelpadennetwerk wordt op niveau van de regio geïntegreerd tot een compleet systeem onder andere door de aanleg van fietssnelwegen. Op deze wijze ontstaat een comfortabel alternatief netwerk voor fietsgebruik. Afweging gebiedskenmerken Bij het voorliggende plan is sprake van realisering op ‘eigen erf’. De voorzieningen worden binnen de bestemming van de rioolwaterzuivering zelf gerealiseerd. Deze hebben verder geen gevolgen voor de instandhouding van het omschreven laaggelegen kleinschalig landschap met zijn specifieke kenmerken.

Ook heeft het hier geen betrekking op bescherming of het verbinden van relicten, zoals beschreven bij de ‘Bakens in de tijd’, danwel het realiseren van fietsverbindingen. De voorzieningen binnen de BOPA hebben geen consequenties voor de hiervoor genoemde geldende gebiedskenmerken. Conclusie Vastgesteld kan worden dat de binnen deze BOPA mogelijk gemaakte ontwikkelingen in overeenstemming zijn met het in de Omgevingsvisie Overijssel en in het Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

15

Projectgerelateerd

4.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

4.3.1.1 Omgevingsvisie Dinkelland De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'Mijn Omgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'Mijn Omgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken, werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: ◼

We doen het samen;

◼

We geven het goed voorbeeld;

◼

We wentelen niet af op volgende generaties;

◼

We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Binnen de visie is ook aandacht voor het buitengebied. Het wordt samengevat als ‘Buitengebied in Balans’. Gestreefd wordt naar een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. Voor het buitengebied zijn de volgende speerpunten aangegeven: ◼

Toekomstgericht agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;

◼

Goed staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;

◼

Kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

In algemene zin is als speerpunt aangegeven ‘Leefomgeving van de toekomst’. Hierbij streeft de gemeente naar een leefomgeving die gezond, veilig en duurzaam is. De bodem, het water en de lucht, de natuur, gebouwen en wegen en paden zijn allemaal onderdeel van onze leefomgeving. De speerpunten op veilig, gezond en duurzaam zijn: energieneutraal in 2050, duurzaam beheer, gezonde leefomgeving en veilige leefomgeving. De aanpassingen in het kader van de KRW kunnen gezien worden als passend binnen de Omgevingsvisie van Dinkelland. Immers het gaat om verduurzaming van de bestaande voorzieningen, waarbij de eventuele gevolgen voor de toekomst niet worden afgewenteld op de volgende generaties. Ook kan worden vastgesteld dat de maatregelen zijn gericht op de leefomgeving van de toekomst. Aanvullend kan worden opgemerkt dat de noodzakelijke voorzieningen op eigen terrein worden gerealiseerd en dat uitbreiding daarbuiten niet nodig is. Op basis van de gemeentelijke waardenkaart hoort het projectgebied tot het middelgroen landschap. De waarden zijn gericht op het aanwezig zijn van modern, agrarisch gebruik, en ook landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Op basis van de gemeentelijke waardenkaart is het beleid gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

16

Projectgerelateerd

Waarden: ◼

Afwisseling van openheid en beslotenheid;

◼

Landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon;

◼

Veel variatie in beplanting en grondgebruik;

◼

Recreatieve belevingswaarde.

Ingespeeld dient te worden op: ◼

De schaal van het landschap en het afwisselende karakter;

◼

Behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie;

◼

Versterken van de biodiversiteit;

◼

Vasthouden van water;

◼

Bouwwijze en inrichting die in directe omgeving gebruikelijk is;

◼

Belevingswaarde gericht op recreatie.

Doorwerking in de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt Op de locatie vinden kleinschalige sloop en met name bouwwerkzaamheden plaats. Gelet op het gegeven dat de nieuw te realiseren gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en de bijbehorende voorzieningen op het eigen perceel plaatsvinden en het gehele perceel van de RWZI is omgeven door bomen en onderbegroeiing is de impact op de omgeving gering, zo niet verwaarloosbaar. Door de bouw van de genoemde voorzieningen wordt de waterzuivering toekomstbestendig ingericht. Conclusie Vastgesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkelingen binnen de BOPA in overeenstemming zijn met de Omgevingsvisie Dinkelland en geen negatieve invloed genereert naar de omgeving.

4.3.1.2 Buitengebied met kwaliteit Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart van de gemeente Dinkelland (zie notitie Buitengebied met kwaliteit) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Vastgesteld kan worden dat de casco-benadering niet van toepassing is op de noodzakelijke aanpassingen, nu deze binnen de bestaande terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie plaatsvinden.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

17

Projectgerelateerd

Voor de uitbreiding van bedrijfsgebouwen van niet-agrarische bedrijven gelden de in paragraaf 3.2 opgenomen regels. Hier geldt dat uitsluitend gebouwd mag worden als hier tegenover landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt. Nu de uitbreiding ligt tussen de 101 tot en met de 500 m2 of meer moet de volgende sloopverhouding aangehouden worden, namelijk met asbesthoudende golfplaten 1 m2 extra is 2 m2 sloop en zonder asbesthoudende golfplaten 1 m2 extra is 4 m2 sloop. Artikel 9.2 Afwijkingsbevoegdheid geeft aan dat kan worden afgeweken van de beleidsnotitie ‘Buitengebied met kwaliteit’, wanneer een concreet geval hiertoe aanleiding geeft. Dit biedt mogelijkheden om de ontwikkeling op deze locatie mogelijk te maken. Om op grond van artikel 9.2 te kunnen afwijken dient getoetst te worden aan de algemene randvoorwaarden, zoals benoemd in artikel 2 van de notitie ‘Buitengebied met kwaliteit’. Vastgesteld kan worden dat de ontwikkeling binnen het terrein van de bestaande zuivering plaatsvindt. De effecten op de omgeving zijn daardoor verwaarloosbaar, waardoor vastgesteld kan worden dat de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt naar aard en omvang als passend worden gezien op de locatie en dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gebiedskenmerken van het type landschap.

Verder kan worden vastgesteld dat de veranderingen nauwelijks effect hebben op de bestaande infrastructuur, zodat geen sprake is van een onevenredige toename van verkeer. De verkeersbewegingen in de bestaande en nieuwe situatie zijn nagenoeg vergelijkbaar. Ook kan worden aangegeven dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden, dan wel belangen van derden, doordat de ontwikkelingen op het eigen terrein plaatsvinden en geen impact op de omgeving zullen hebben. In algemene zin kan worden aangegeven dat door de aanpassingen binnen de zuivering voldaan kan worden aan de uitgangspunten van en noodzakelijke aanpassingen in het kader van de KRW. Hierdoor vindt een belangrijke bijdrage plaats aan het milieu, reden waarom ook afgeweken kan worden op grond van artikel 9.2 van de beleidsnotitie. Voor een verdere motivering kan eveneens worden verwezen naar paragraaf 3.4.

4.4

Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders

4.4.1

Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Het betreft hier een initiatief van het Waterschap Vechtstromen zelf. Afzonderlijk vooroverleg kan hier achterwege blijven.

4.4.2

Participatie omgeving

Participatie en communicatie De Omgevingswet stimuleert participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de wet staat dat initiatiefnemers moeten aangeven of er geparticipeerd is. Hoe zij dit vormgeven is door de wetgever bewust opengelaten. Dit om ruimte te laten voor vormen van participatie die aansluiten bij de aard van de opgave en bij de eigen visie van gemeenten op participatie.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

18

Projectgerelateerd

Doelstellingen participatie: Gemeente Dinkelland hecht grote waarde aan inbreng van haar inwoners, bedrijven en instellingen. In het document Inwonersparticipatie Gemeente Dinkelland zijn de volgende doelstellingen benoemd: ◼

Bewustwording en eigenaarschap;

◼

Kwaliteit verbeteren;

◼

Goede buur zijn;

◼

Zorgvuldige besluiten nemen;

◼

Begrip voor gemaakte keuzes en standpunten.

Voor wat betreft participatie bij het proces rond aanvragen van omgevingsvergunningen stelt ze: “Als een initiatief volledig bij recht voldoet aan het geldende Omgevingsplan is er juridisch gezien geen ruimte meer voor een belangenafweging. Participatie is dan minder zinvol. Dit betekent echter niet dat belanghebbenden niet geïnformeerd hoeven te worden. Het is altijd verstandig om je naaste buren te informeren en vragen te beantwoorden. Het is echter niet nodig om een uitgebreid participatietraject te doen.” Het Waterschap Vechtstromen heeft voor de KRW-opgave, en participatie rond de RWZI-aanpassingen, zichzelf tot doel gesteld dat: ◼

De omgeving op de hoogte is van de aanpassingen.

◼

De omgeving op de hoogte is van de gevolgen van de aanpassingen.

◼

De omgeving de aanpassingen begrijpt.

De aanpassingen zijn het gevolg van een wettelijke opgave. Acceptatie van de aanpassingen is geen doel van de participatie/communicatie, begrip voor de aanpassingen – waarom doen we dit – is dat wel.

Figuur 4-2: Omgeving

De omgeving: De RWZI van Denekamp is gelegen ten oosten van Denekamp. Rondom de RWZI liggen: ◼

Enkele verspreide woningen in het buitengebied;

◼

Enkele bedrijven in het buitengebied.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

19

Projectgerelateerd

De impact op de omgeving Tijdens de bouwfase is er meer verkeer op de toegangswegen naar de RWZI: ◼

Op de N342 is dit waarschijnlijk niet merkbaar.

◼

Op de aanvoerroute (Brandlichterweg en Dorpermeienweg) is dat mogelijk wel merkbaar: 

◼

Dit is de toegangsweg naar de RWZI met aanliggende bedrijven en enkele woningen.

Tijdens de bouw kan er sprake zijn van geluid- en trillingshinder wat mogelijk ook buiten de RWZI merkbaar is.

Na de bouwfase zal de omgeving geen veranderingen merken. Het effluent van de RWZI zal voor de omgeving niet merkbaar veranderen. Participatie en communicatie De opgave is vooral ingegeven door wettelijke afspraken: het optimaliseren van het effluent van de RWZI zodat deze kan bijdragen aan de KRW-opgave. Participatie vanuit de omgeving is hierbij, gezien de complexiteit van de technische invulling van de opgave, niet zinvol. Daarom wordt voor participatie en communicatie gekozen voor het informeren van de omgeving. Hierbij wordt aangesloten bij de eerdergenoemde doelen van de opgave voor wat betreft participatie en communicatie. Voor de RWZI Denekamp is dat: ◼

Inrichten projectpagina RWZI Denekamp op site van waterschap: 

Toelichting op KRW-opgave;

Toelichting over aanpassingen op RWZI Denekamp;

Up to date informatie over planning werkzaamheden; 

◼

Reguliere afstemming met bevoegd gezag in relatie tot verkrijgen vergunningen: 

◼

Tot onherroepelijke vergunning.

Informeren stakeholders (anders dan BG) over de KRW-opgave en de vergunningprocedure: 

Via brief/ factsheet /verwijzing naar projectpagina; 

◼

5 maanden voor start uitvoeringsfase.

Informeren stakeholders in omgeving over extra verkeer en bouwlawaai: 

Brief (of persoonlijk bezoek indien gewenst); 

◼

Tot oplevering werkzaamheden.

1 maand voor start uitvoeringsfase.

Informeren bezoekers RWZI over verandering op locatie en toegankelijkheid: 

Bouwbord ook zichtbaar vanaf openbare weg; 

Bij start uitvoeringsfase.

Met deze activiteiten wordt op adequate wijze invulling aan de participatie gegeven, overeenkomstig de uitgangspunten van de Omgevingswet. In feite betreft het ontwikkelingen op eigen terrein van de RWZI. De impact naar de omgeving zal uiterst gering zijn. Het Waterschap vindt het belangrijk dat de omwonenden goed worden geïnformeerd over de ontwikkelingen op haar terrein. In de week van 17 juni 2025 zijn zij met een brief op de hoogte gebracht van de veranderingen op het terrein van de RWZI. Ook zal de projectpagina op de site van het Waterschap worden geplaatst. Hierna zal verder invulling worden gegeven aan het participatieplan.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

20

Projectgerelateerd

4.4.3

Bindend adviesrecht gemeenteraad

De gemeenteraad heeft op 28 november 2023 een lijst vastgesteld waarbij in geval van buitenplanse omgevingsplanactiviteit een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat hierbij om de volgende gevallen: 1 Een toevoeging van een woning in het buitengebied; 1. (verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; 2. (het uitbreiden van) niet agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; 3. De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; 4. Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld zonnevelden groter dan 50 m 2, windturbine/molen hoger dan 25 meter en biomassavergistingsinstallaties; 5. Antenne-installaties voorzover hoger dan 40 m; 6. Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; 7. Opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. Gelet op de lijst kan worden vastgesteld dat de ontwikkelingen die noodzakelijk zijn binnen het RWZI onder punt 3 vallen. Het bindend adviesrecht van de gemeenteraad is in deze situatie noodzakelijk.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

21

Projectgerelateerd

5

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

5.1

Archeologie en cultuurhistorie

Algemeen Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet op grond van Europees beleid onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en dient bij de ontwikkeling van deze plannen zoveel mogelijk rekening worden gehouden. Belangrijkste uitgangspunt van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In de meeste gevallen is het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie, vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op archeologische beleidskaarten en cultuurhistorische waardenkaarten. Deze beleids- en waardenkaarten zijn veelal geregeld in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege of activiteitsgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. De Erfgoedwet vult de Omgevingswet op dit terrein aan. Samen zorgen ze voor een integrale bescherming van cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet richt zich op de definitie en zorg voor het cultureel erfgoed en de cultuurgoederen in overheidsbezit. Het bevat regels voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed, zoals rijksmonumenten en archeologische vondsten. Met andere woorden deze wet richt zich meer op wat cultureel erfgoed is en hoe het wordt beheerd.

Afweging archeologie Het projectgebied is getoetst aan de gemeentelijke Archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld door RAAP. Onderstaande afbeelding is hiervan een uitsnede van blad 19. Op basis van de kaart kan worden vastgesteld dat het hier gaat om dekzandwelvingen en -vlakten. Het gaat hierbij om middelmatig voor archeologische resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Het bijbehorend beleidsadvies geeft het volgende aan. Bij plangebieden groter dan 5.000 m 2 bij bodemingrepen dieper dan 40 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m2 geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2010, als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege zijn voor het projectgebied geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Vastgesteld kan worden dat de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt een kleiner oppervlak hebben dan 5.000 m2. Een archeologisch onderzoek is daardoor niet noodzakelijk.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

22

Projectgerelateerd

Figuur 5-1: Gedeelte van de Archeologische verwachtings- en advieskaart

Figuur 5-2: Gedeeltelijke Legenda behorend bij de Archeologische verwachtings- en advieskaart

Afweging cultuurhistorie Het betreft ontwikkelingen die op het eigen terrein van de RWZI plaatsvinden. De ontwikkelingen betreffen slechts een geringe oppervlakte ten opzichte van het gehele perceel, zodat van aantasting van het rondom aanwezige landschap geen sprake is. Aanvullend kan worden opgemerkt dat het gehele perceel van de RWZI is omringd door bomenrijen en gedeeltelijke onderbegroeiing. Verder kan worden opgemerkt dat op of rond de projectlocatie geen cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt binnen deze BOPA.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

23

Projectgerelateerd

5.2

Behoeden staat en werking infrastructuur en voorzieningen

Algemeen Bij andere infrastructuur moet bijvoorbeeld ook gedacht worden aan oefen- en schietgebieden, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, kernenergiecentrale en hoogspanningsverbindingen. Afweging In algemene zin kan worden vastgesteld dat het hier gaat om renovatie van de zuivering en realisatie van een mechanische slibindikinstallatie op het terrein zelf. Voorgaande heeft geen gevolgen of invloed op de staat en werking van de bestaande infrastructuur en voorzieningen rond het projectgebied. Conclusie Het aspect ‘staat en werking infrastructuur en voorzieningen’ vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.3

Bodem

Algemeen Algemeen uitgangspunt is dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Op grond van het voorgaande kan dit inhouden dat onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Belangrijk voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie volgt uit toetsing op grond van paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl. Binnen deze paragraaf zijn regels opgenomen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De genoemde instructieregels zijn mede opgesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder die van de bodemkwaliteit. Uit artikel 5.89g Bkl volgt dat de hiervoor genoemde paragraaf van toepassing is op onder meer een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Verder kan in dit kader worden aangegeven dat deze paragraaf niet van toepassing is op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2. De vastgestelde waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dienen volgens artikel 5.89i Bkl opgenomen te worden in het definitieve omgevingsplan. Er kunnen verschillen zitten in de vastgestelde waarden per gebied of per gebruiksfunctie.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde op grond van artikel 5.89i Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toestaan als de voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Afweging Op 23 september 2024 is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem opgesteld door RoyalHaskoningDHV. Het rapport is als bijlage1 bij deze BOPA gevoegd. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt. Vastgesteld is dat op de onderzoekslocatie geen overschrijdingen van de interventiewaarde worden verwacht. De graafwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder paragraaf 4.119 van het Bal. Het tijdelijk uitnemen van de grond wat op of nabij de ontgravingslocatie wordt teruggebracht is toegestaan op grond van artikel 4.122a van de paragraaf.

31 oktober 2025

BJ2346-RHD-DEN-DO-RP-OM0081

24

Projectgerelateerd

Wanneer bij de werkzaamheden grond vrijkomt of toegepast moet worden kan dit onder de bodemkwaliteitskaart. Wanneer de nieuwe onderdelen uiteindelijk buiten gebruik worden gesteld is het verplicht om een eindsituatieonderzoek uit te voeren op grond van artikel 4.598 Bal. In dit kader is er een nulmetingsonderzoek uitgevoerd door RoyalHaskoningDHV. In bijlage 7 is het onderzoek terug te vinden. Uit onderzoek is gebleken dat het grondwater ter plaatse van de gravitaire indikker voldoet aan de omgevingswaarden voor water onttrokken op een waterwinlocatie gelegen in een KRW-oppervlaktewaterlichaam. Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de activiteit geen verontreiniging van het grondwater heeft veroorzaakt. Voor de kritische parameters in de grond is geen toetsings- of referentiekader beschikbaar. Wel kunnen de gemeten waarden worden vergeleken met de gemeten waarden voor de nulsituatie van onderzoeken elders op het terrein. Hieruit volgt dat voor alle parameters de gemeten waarden ter plaatse van de gravitaire indikker binnen dezelfde range liggen als de gemeten waarden elders op het terrein. Hieruit kan vervolgens worden afgeleid dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de gravitaire indikker niet is verslechterd. Conclusie Het onderdeel bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen deze BOPA mogelijk worden gemaakt.

5.4

Gebiedsbescherming en -soortenbescherming

5.4.1

Algemeen kader

Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten en gebieden te beschermen. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Op grond van artikel 2.44 Omgevingswet (Ow) wijst de minister wijst Natura 2000-gebieden aan en legt de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden vast. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effect hebben op deze Natura 2000-gebieden. Van een omgevingsvergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit (Artikel 5.1, eerste lid, onder e Ow) is sprake als de voorgenomen ontwikkeling significant verstorende gevolgen kan hebben op een Natura 2000-gebied. Kunnen significante verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden dan geldt mogelijk een vergunningplicht, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In paragraaf 11.1.2 van het Bal staat voor welke Natura 2000-activiteiten geen vergunningplicht geldt. Van significant verstorende gevolgen kan sprake zijn als een toename van stikstofdepositie (meer dan 0,00 mol/ha/jaar) aan de orde is. Ook kan sprake zijn van significant verstorende gevolgen als door (tijdelijke) werkzaamheden in/op/nabij Natura 2000-gebieden effecten optreden met een andere oorzaak dan stikstofdepositie, zoals lichthinder, trillinghinder en geluidshinder.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1029/documents/24706