BOPA Hengelosestraat 6 Deurningen - duurzame energievoorziening.pdf
Tekst van het document
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied ............................................................................................ 3 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging .............................................................................. 4 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 5
2.
Toekomstige situatie ................................................................................................................... 6 2.1 Gewenste ontwikkeling............................................................................................................... 6 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. 7
3.
Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 8 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten .......................................................................................... 8 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 8 ............................................................... 8 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. 9
4.
Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht ........................ 9 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ........................................................................................... 9 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ....................................................................................................... 9 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ............................................... 10 ................................................................................................. 15 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................ 18 4.2.1 Provinciaal vooroverleg ......................................................................................................... 18 4.2.2 Vooroverleg waterschap Vechtstromen ................................................................................ 18 4.2.3 Participatie omgeving ............................................................................................................ 19 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad ..................................................................................... 20
5.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ 21 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 21 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 24 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ........................................................................... 24 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming ......................................................................... 25 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 29 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 30 5.7 Geur.......................................................................................................................................... 31 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 32 5.9 Trilling .......................................................................................................................................
34 5.10 Archeologie ............................................................................................................................ 34 5.11 Bodem .................................................................................................................................... 35 5.12 Waterbelang ........................................................................................................................... 36
6. 7. 8.
Financiële haalbaarheid ........................................................................................................... 37 Voorwaarden omgevingsvergunning ........................................................................................ 37 Bijlagen ..................................................................................................................................... 39
1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Dit project is tot stand gekomen omdat de initiatiefnemer voornemens is overkappingen met zonnepanelen te bouwen boven bestaande parkeerplaatsen. Het realiseren van deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Door middel van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit kan medewerking verleend worden aan de voorgenomen ontwikkeling. Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Voorliggende onderbouwing voorziet hierin. Ligging Het projectgebied is gelegen aan de Hengelosestraat 6 in Deurningen en betreft een parkeerterrein ten behoeve van de twee naastgelegen horecagelegenheden (hotel Frans op den Bult en het gelijknamige wegrestaurant). Het projectgebied bevindt zich ten noordoosten van Hengelo op het kruispunt van de Oldenzaalsestraat en de Vliegveldstraat nabij de A1. Kadastraal staat het projectgebied bekend als gemeente Weerselo, sectie M, perceelnummer 3792 met een gezamenlijk oppervlak van 2337m². In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied globaal weergegeven.
Figuur 1 globale ligging projectlocatie, rood omkaderd (Bron: www.google.maps.nl)
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatief advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college worden geweigerd. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan van rechtswege kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden, De gemeenteraad heeft op DATUM een positief advies gegeven. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op voorgaande overwegingen zijn er in hoofdstuk 7 voorwaarden aan de vergunning verbonden voor de ontwikkeling van het project. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden opgenomen die aan deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden.
2.
Toekomstige situatie
2.1 Gewenste ontwikkeling Dit project is tot stand gekomen omdat de initiatiefnemer voornemens is overkappingen met zonnepanelen te bouwen boven bestaande parkeerplaatsen. Het betreft een ontwikkeling van één aaneengesloten overkapping boven 54 parkeerplekken. Het gaat hier om 354 zonnepanelen. De overkapping heeft een totale oppervlakte van 772m2. Bij het voorgenomen project wordt een transformatorkast geplaatst. De nieuwe carports worden aangesloten op de betreffende veldkast. De plaatsing van deze kast zorgt voor geen verdere invloed op gevoelige functies. De veldkast wordt aan de zuidkant van het plangebied geplaatst(zie figuur 2). Het realiseren van deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In het vigerende plan zijn overkappingen niet toegestaan , bovendien zijn er geen geschikte binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen Door middel van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit kan medewerking verleend worden aan de voorgenomen ontwikkeling. In onderstaande afbeelding is de ruimtelijke inpassing van de zonnedaken weergegeven met in het paars een indicatieve weergave van de locatie van de te plaatsen veldkast. De volledige inpassing is opgenomen als bijlage 3 bij deze onderbouwing.
Figuur 3 situatieschets voorgenomen ontwikkeling (Bron: Amperapark) Figuur 2
Weergave indeling plangebied en te plaatsen veldkast (Bron: Bijkerk landschapsontwerp)
2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De overkappingen hebben een industrieel karakter. Er worden donkere materialen gebruikt. De materiaalkeuze en de beperkte bouwhoogte zorgt ervoor dat het bouwwerk ondergeschikt is aan de nabije bebouwing. De overkappingen zijn bovendien van dusdanige hoogte dat er geen verregaande schaduwwerking optreedt op de nabije omgeving. De zonnepanelen zijn voorzien van een techniek waardoor schitteringen en overige licht hinder tot het minimale beperkt wordt. De constructie wordt eveneens in een donkere kleurstelling uitgevoerd waardoor lichthinder redelijk uitgesloten kan worden. De te plaatsen veldkast heeft een geringe bouwhoogte , een groene kleur en wordt omsloten door een haag waardoor het landschap niet door deze kast wordt ontsiert.
Figuur 3 impressie van de te plaatsen zonneoverkappingen (Bron: Amperapark)
Figuur 4 voorbeeld te plaatsen veldkast (Bron: Amperapark)
3. Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten De initiatiefnemer is voornemens om een overkappingen met zonnepanelen te realiseren ter plaatse en ten dienste van de bestaande horecaonderneming . De ontwikkeling voorziet in het bouwen van een aaneengesloten overkapping met een 772m2 met 354 zonnepanelen boven 54 parkeerplaatsen. Tot slot wordt er ook een ondersteunende veldkast geplaatst Daarnaast wordt er een veldkast geplaatst 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Het bouwen van een aaneengesloten overkapping met een oppervlakte van 772m2 zonnepanelen boven 54 parkeerplaatsen en het plaatsen van een veldkast. 3.2.1 Strijdigheden met
met 354
Dinkelland met onderliggend bestemmingsplan
de functie Horeca. Daarnaast is de functieaanduiding parkeerterrein opgenomen.
Figuur 5: uitsnede vigerend omgevingsplan (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
aanduiding 'parkeerterrein' ten behoeve van de bestaande horecabedrijf op de aangrenzende gronden; met de daarbij behorende: bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De voorgenomen ontwikkeling van het realiseren van overkappingen met zonnepanelen is in strijd met het omgevingsplan. Op deze aangewezen gronden is het niet toegestaan gebouwen of overkappingen te plaatsen. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het omgevingsplan.
3.2.2. Bruidsschat De artikelen 22.3.2 en 22.3.4 uit de bruidsschat zijn van toepassing voor het voorgenomen project. Voor de uiteenzetting wordt verwezen naar paragraaf 4.1.3 en paragraaf 5.6.
4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets Het voorgenomen initiatief draagt bij aan het efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik. De NOVI stelt dat: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Met dit initiatief wordt de opwekking van duurzame energie gecombineerd met de functie parkeren. Naast het combineren van functies heeft de realisatie van zonnepanelen op bebouwing een minder grote invloed op de identiteit van een gebied. Dit initiatief draagt bij aan de principes van de NOVI. gesteld in het Klimaatakkoord. Het klimaatakkoord heeft als doel dat in 2030 70% van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen opgewekt wordt. Dit gebeurt met windturbines op zee en land en met zonnepanelen op daken en zonneparken. Het voorgenomen project draagt bij aan de doelstelling van het Rijk genoemd in het klimaatakkoord.
4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Provinciale Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2024 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen.
Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang: Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) Lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is doorherstructurering en transformatie; c. en mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend project: Door het realiseren van een overkappingen met zonnepanelen op een bestaande functie (parkeerplaats) wordt er gebruik gemaakt van meervoudig ruimte gebruik. Daarbij wordt de huidige functie in dezelfde omvang voortgezet en zorgt de nieuwe functie voor extra mogelijkheden in de vorm van het opwekken van duurzame energie.
Geconcludeerd wordt dat het realiseren van een overkapping met zonnepanelen binnen het projectgebied in overeenstemming is met artikel 4.5. Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. De ontwikkeling draagt bij aan het zorgvuldig ruimtegebruik in combinatie met het opwekken van duurzame energie doormiddel van zonne-energie. De opwekking van deze vorm van energie draagt bij
aan de doelen die gesteld zijn in het Klimaatakkoord. Middels deze ontwikkeling op het bestaande parkeerterrein wordt een bijdrage geleverd aan de toekomstbestendigheid van het gebied. De ontwikkeling voorziet in het duurzaam opwekken van elektriciteit voor het laden van elektrische r een deel van de stroomvoorziening van de naastgelegen horecagelegenheid. De ontwikkeling zorgt voor een vermindering van gebruik van fossiele brandstoffen voor de behoeften van de horecagelegenheid. Dit zorgt voor een vermindering van het gevaar dat de toekomstige generaties niet in hun behoeftes kunnen voorzien. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een vermindering van uitstoot van broeikasgassen. Dit zorgt voor een gezondere atmosfeer en draagt daarom bij aan het welzijn van mensen. De ontwikkeling draagt bij aan de, door Nederland gestelde klimaatdoelen voor 2050. Nederland heeft als doel de energievoorziening uit hernieuwbare bronnen te genereren. Het voorgenomen project heeft daarom op de lange termijn een toegevoegde waarde. Ontwikkelingsperspectieven Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop.
Daarnaast gelden net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel continu en beleefbaar watersysteem
Figuur 6: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Het voorgenomen project draagt bij aan het ontwikkelingsperspectief Wonen en Werken in het kleinschalige mixlandschap.
Gebiedskenmerken Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk door de wind gevormd zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Voor de natuurlijke laag zijn sturingsrichtingen en normen opgenomen: Norm o
Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Richting o Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. o Bij ontwikkelingen is de (strekkings)- richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toets De gebiedskenmerken van de natuurlijke laag zijn niet meer aanwezig in het projectgebied wegens de huidige terreininrichting. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden en worden gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld.
Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop toeristen nieuwe betekenis gekregen. Veel mensen hechten aan de rust, de ruimte, de mogelijkheden om te fietsen, wandelen, et cetera. En aan de kwaliteit: vooral de herkenbaarheid, de contrasten en de afwisseling van verschillende landschapstypen worden gewaardeerd.
Figuur 7: laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)
De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit en beleving van het landschap. De kwaliteit van het agrarisch cultuurlandschap wordt in Overijssel bepaald door de variatie op twee schaalniveaus: provinciaal en regionaal. Op schaal van de provincie door de manier waarop icomplexen van NoordwestOverijssel, de lange lijnen in het Sallandse occupatiepatroon, de intimiteit van het Twentse boerenland en de stoere maat van de grote ontginningen van Noordoost-Overijssel van elkaar verschillen. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen. Toets De beoogde ontwikkeling bevindt zich op het achter terrein van een bestaande horecaonderneming. In de huidige situatie en inrichting van het gebied zijn de gebiedskenmerken van het agrarisch cultuurlandschap niet meer aanwezig in de huidige terreininrichting. Dit project tast de gebiedskenmerken niet onevenredig aan, omdat de beoogde ontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag beoogd en daarmee worden landschappelijke structuren middels dit voornemen niet onevenredig aangetast ten opzichte van de huidige situatie. Stedelijke laag De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen.
Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw. Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit. Elke stad, elk dorp bouwt voort op zijn karakteristieke structuur en ligging in en aan het landschap.
Als er ontwikkelingen plaatsvinden op of rond bedrijventerreinen, dan dragen die bij aan versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van bedrijventerrein. Toets Er zijn geen gebiedskenmerken uit de stedelijke laag in het projectgebied aanwezig. Lust en leisurelaag In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis aantrekkingskracht.
Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar
met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag
Toets Er zijn geen gebiedskenmerken uit de lust en leisurelaag aanwezig in het projectgebied. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland In deze paragraaf wordt beschreven wat de ambities en de speerpunten zijn die genoemd worden in de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. Ook wordt hierin getoetst welke ambities en speerpunten een doorwerking hebben in de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Dinkelland heeft voor de toekomst van de gemeente vier kernprincipes opgesteld. De gemeente Dinkelland heeft voor de toekomst van de gemeente vier kernprincipes opgesteld. 1. We doen het samen: de gemeente Dinkelland werkt nauw samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Hierbij wordt gekeken naar wat er gedaan kan worden om de kernen op lange termijn leefbaar te houden. Het resultaat van deze manier van werken zijn plannen met veel draagvlak. 2. De gemeente wil het goede voorbeeld geven door in de praktijk te laten zien wat de gemeente belangrijk vindt. 3. Combinatie van functies wordt gestimuleerd om de beschikbare ruimte optimaal te benutten. 4. Er worden geen problemen afgewenteld op de volgende generatie. Speerpunten De gemeente Dinkelland heeft in haar omgevingsvisie verschillende speerpunten onder de noemer Energieneutraal in 2050 Duurzaam beheer Gezonde leefomgeving Veilige leefomgeving. Energieneutraal in 2050 het belangrijkste speerpunt.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een grote bijdrage voor dit speerpunt. Duurzaamheid De gemeente wil in 2050 energieneutraal zijn. Dit wil de gemeente in drie stappen realiseren. De stappen die volgens de gemeente genomen moeten worden zijn: Zoveel mogelijk energie besparen. De energie die gebruikt wordt uit duurzame bronnen te halen. Voorbeelden van duurzame energie zijn zonne-energie, windenergie, energie uit omgevingswarmte (bodem, lucht of water) en energie uit biomassa (bijvoorbeeld snoeihout en mest). De resterende traditionele energiebronnen worden zo slim en schoon mogelijk gebruikt. de gemeente stelt hierin randvoorwaarden; Duurzame energiebronnen moeten goed in het landschap ingepast worden. Het behoud van het landschap is belangrijk voor de landbouw, natuur en recreatie in de gemeente.
De kosten van de energietransitie moeten op een eerlijke en draagbare manier verdeeld worden. Er wordt gekeken naar haalbare en betaalbare oplossingen. Lusten en lasten vloeien terug naar de inwoners. De gemeente werkt nauw samen met andere Twentse gemeenten in de Regionale Energiestrategie (RES). De gemeente richt zich op besparing en omschakeling naar duurzame vormen van energie. Hierin faciliteert de gemeente initiatieven die daar een bijdrage aan leveren. Energiebesparing De gemeente verduurzaamt het eigen maatschappelijk vastgoed. De gemeente stimuleert en faciliteert nieuwe duurzame vormen van verkeer en vervoer. Duurzame energieopwekking De gemeente ondersteunt de realisatie van (grootschalige) energieopwekking die goed past in het landschap. In 2030 wil de gemeente via zon en wind 335GWh duurzame elektriciteit opwekken binnen de Noord Oost Twentse gemeenten. De gemeente werkt aan een wijkgerichte aanpak om inwoners en bedrijven te helpen om van het aardgas af te gaan. De gemeente faciliteert en stimuleert de productie van biogas en/of groen gas.
Figuur 8: uitsnede waardenkaart gemeente Dinkelland (Bron: Gemeente Dinkelland)
De bovenstaande kaart geeft aan dat het gebied waarin het projectgebied zich bevind in een hoog dynamisch gebied met lage waarde ligt. Dit betekent dat het gebied is gericht op ontwikkeling. Daarnaast heeft de gemeente als doel gesteld om energieneutraal te worden. de gemeente zet in op het opwekken van energie uit duurzame bronnen, waaronder zonne-energie. Deze ontwikkeling draagt daar aan bij. Gezien de structuur van het gebied en de waarde die eraan is gegeven en de doelstellingen van de gemeente die gelden voor het gebied sluit de voorgenomen ontwikkeling aan bij de omgevingsvisie.
Nota omgevingskwaliteit Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Toets
deelgebieden. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Het welstandsbeleid van de gemeente bestaat uit 3 niveaus: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzonder omgeving Het gebied ligt volgens de welstandsnota een basislandschap (Heideontginning). De speerpunten die voor dit gebied worden genoemd zijn. Behouden basiskarakteristieken. Straatgerichte situering. Enkelvoudige bouwmassa met eenduidige kapvorm. Aansluiten bij de structuur van het gebied. Sturen op: donker kleurgebruik met voldoende reliëf. Voor woningen: donkere Aardetinten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een overkapping (met zonnepanelen) boven de bestaande parkeerplaats. Op het perceel is het niveau basis van toepassing. De overkapping wordt uitgevoerd in een donkere kleurstelling met een eenduidige kapvorm Door de verscholen ligging (achter de bebouwing) van de overkapping en de geringe bouwhoogte zal het bouwplan geen verregaande invloed hebben op de te behouden basiskarakteristieken.. Hierbij sluit het voornemen aan bij de uitgangspunten van de welstandsnota. Of het project daadwerkelijk voldoet aan de redelijke eisen van welstand, wordt beoordeeld door de stadsbouwmeester.
Welstand Het bouwplan is bij de stadsbouwmeester ter beoordeling voorgelegd of het in overeenstemming is s aangegeven dat met het bouwkundige deel van deze ontwikkeling kan worden ingestemd, echter ontbreekt nog wel een landschappelijk inrichtingsplan waarop de landschapsdeskundige van de gemeente positief heeft geadviseerd. Er zal een goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan moeten komen waarin de maten, aantallen en plantverbanden duidelijk staan aangegeven en waarbij ook duidelijk is weergegeven wat nieuw en wat bestaande beplanting is. Tenzij dit wordt aangeleverd en goedgekeurd door de gemeente Dinkelland is het plan in strijd met de redelijke eisen van welstand. De volledige welstandsbeoordeling is opgenomen als bijlage 2.
Het voorgenoemde landschappelijke inpassingsplan is aangeleverd en akkoord bevonden door de landschapsdeskundige van de gemeente Dinkelland. Dit plan is tevens opgenomen als bijlage 3 bij deze onderbouwing. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In een vooroverleg is besproken dat er een omgevingsvergunning ten behoeve van een BOPA zal worden aangevraagd. Voorliggende onderbouwing maakt daar deel van uit. 4.2.1 Provinciaal vooroverleg De provincie Overijssel heeft vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. De ontwikkeling valt niet onder de uitzonderingenlijst. Het plan wordt in het kader van vooroverleg nader voorgelegd aan de Provincie. De provincie heeft een lijst vastgesteld met gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.15a sub d Omgevingswet advies met instemming nodig is (Lijst advies en instemming (lijst BOPA)). Als de gewenste activiteiten zijn opgenomen op deze lijst dan is de provincie bevoegd om advies te geven en instemming te verlenen. Onthoudt de provincie instemming dan kan de omgevingsvergunning niet verleend worden.
Toets Voorliggend plan komt niet voor in de artikelen zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de provinciale verordening. Er is in voorliggend geval geen sprake van een zelfstandige opstelling van zonnepanelen. Er is geen advies met instemming benodigd vanuit de provincie Overijssel
4.2.2 Vooroverleg waterschap Vechtstromen Op 31 januari 2025 is de watertoets uitgevoerd en is gebleken dat de korte procedure van toepassing is op dit project. Dit betekent dat zelfstandig een waterparagraaf kan worden opgesteld welke wordt voorgelegd ter goedkeuring aan het waterschap. Onderstaand is deze opgenomen, de watertoets is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. Waterparagraaf Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden
1. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. 2. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. 3. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. 4. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen r voor de volksgezondheid.
Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Water in het projectgebied Met voorliggend plan wordt een zonneoverkapping mogelijk gemaakt boven bestaande parkeerplaatsen die reeds verhard zijn. De oppervlakte aan verharding en het functioneel gebruik van het projectgebied wijzigt niet met de voorgenomen ontwikkeling. Het hemelwater stroomde voorheen al via bestaande verharding af naar omliggende groenvoorzieningen. Of werd rechtstreeks tussen de klinkers door geïnfiltreerd in de bodem. Met het plaatsen van een zonneoverkapping zal het hemelwater nog steeds op die manier worden afgevoerd, het enige verschil is dat dit eerst via de overkapping afstroomt i.p.v. direct via de onderliggend verharding. Feitelijk gezien verandert er dus vrijwel niks m.b.t. het waterbeheer, enig effect op de waterhuishouding ter plaatse is dan ook uitgesloten. Reactie waterschap Op 3 februari 2025 heeft Waterschap Vechtstromen aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen plannen, de opgestelde waterparagraaf is afdoende. 4.2.3 Participatie omgeving
Door gebruik te maken van deze checklist en de handleiding is de participatievorm m.b.t. dit plan bepaald. Voorliggend plan betreft een bestaand parkeerterrein waarop een zonneoverkapping t.b.v. het opwekken van duurzame energie wordt gebouwd. Daarnaast bevindt de locatie zich langs de A1 en zijn er niet direct omwonenden die zicht hebben op de locatie of anderszins overlast zullen ondervinden door de gevraagde ontwikkeling. Bij het invullen van de Meetlat is hiermee rekening gehouden, onderstaand is de uitkomst van de meetlat opgenomen.
3 1
2 2
8 Figuur 9
Uitkomst Meetlat gemeente Dinkelland (Bron: Gemeente Dinkelland)
Na invulling van de meetlat is gebleken dat in dit geval volstaan kan worden met beperkte participatie. Er zijn zoals gezegd, geen omwonenden die direct zicht hebben op de locatie. Daarnaast zijn de meeste directe omwonenden gelieerd aan het betreffende horecabedrijf. Hierom zijn met name de omwonenden en personen die geen directe relatie hebben met het horecabedrijf benaderd. Er hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden welke zijn vastgelegd in het participatieverslag format van de gemeente Dinkelland. Alle participanten vinden het mooi om te zien dat horecabedrijf Frans op den Bult steeds verder verduurzaamt en zijn positief over de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit het tegenover gelegen kinderdagverblijf is tevens de vraag gesteld of personeel en ouders gebruik mogen maken van de oplaadmogelijkheden die de te plaatsen zonoverkapping zal bieden. Hierop is aangegeven dat zij hier in de toekomst zeker gebruik van mogen maken. Het volledige verslag is opgenomen bij deze onderbouwing als bijlage 4. Vanuit het oogpunt van participatie en de directe omgeving van Frans op den Bult zijn er geen bezwaren tegenover de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.4 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist.
Het gaat om de volgende gevallen: - Een toevoeging van een woning in het buitengebied; - (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; - (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; - De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; - Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: - zonneveld voor zover groter dan 50m2; - windturbine/-molen voor zover hoger dan 25 meter; - biomassavergistingsinstallatie voor zover niet uitsluitend bedrijfseigen mest wordt verwerkt - Antenne-installatie voor zover hoger dan 40 meter; - Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; - De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers Onderhavig plan betreft een geval waarvoor bindend advies van de gemeenteraad moet worden gevraagd. Per (t.z.t. een datum invullen) heeft de raad besloten een positief advies te geven.
5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan/ een (buitenplanse) afwijking van het plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan of de BOPA rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Stedelijke ontwikkeling In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g van het (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Op grond van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 juni 2017 blijkt dat een zonnepark niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt (ECLI:NL:RVS:2019:178). Toets Onderhavig project ziet toe op het realiseren van een zonneoverkapping op een bestaand parkeerterrein van ca. 772m², energie te voorzien. Op basis van jurisprudentie dient een ontwikkeling in beginsel als stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt, wanneer een bestemmingsplan/omgevingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m².
In voorliggend geval is sprake van een toename in bebouwd oppervlak van meer dan 500m², daarmee is in beginsel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling worden aangetoond. Als de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Bestaand stedelijk gebied De ladder voor duurzame verstedelijking is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Stedelijk gebied is een samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en . Het projectgebied betreft in de huidige situatie een horecafunctie met een bestaand samenstel van bebouwing en bijbehorende infrastructurele voorzieningen in het buitengebied van Deurningen. Aangezien de projectlocatie deel uitmaakt van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing met infrastructurele voorzieningen wordt het projectgebied gedefinieerd als bestaand stedelijk gebied. Behoefte duurzame energieopwekking Op 28 juni 2019 is het Nationaal Klimaatakkoord vastgesteld. Hierin zijn afspraken opgenomen om de CO2 uitstoot in 2030 met 49% te beperken. Waarschijnlijk wordt dit aangescherpt naar 55%. Dat wordt
onder meer gedaan door in 2030 50% van het elektriciteitsverbruik op te wekken met duurzame energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie. De gemeente Dinkelland heeft in haar begroting van 2025 verschillende doelen m.b.t. het opwekken van duurzame energie en het stimuleren en faciliteren van inwoners en ondernemers hierin opgenomen. Zo kan ook de gemeente Dinkelland een bijdrage leveren aan de landelijke opgave die er ligt. Deze doelen komen voort uit het klimaatprogramma 2024-2050 van de Gemeente Dinkelland. Nederland heeft als doel om in 2030 met zon en wind op land 35 TWh aan elektriciteit op te wekken. Binnen de RES Twente hebben de partners een gezamenlijk doel van 1,5 TWh gesteld voor de opwek van elektriciteit op basis van wind- en zonne-energie. De gemeente Dinkelland werkt samen met de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal om hun doelstellingen te bereiken. In de RES Twente 1.0 is afgesproken dat deze gemeenten samen 225 GWh aan duurzame energie willen opwekken in 2030.
In de begroting 2025 heeft de gemeente Dinkelland het Programma Leefomgeving van de toekomst opgenomen met 3-actielijnen: Actielijn 1: Verduurzamen Op weg naar energieneutraal en aardgasvrij wonen en werken Actielijn 2: Opwek Duurzame energievoorziening Actielijn 3: Duurzame Mobiliteit Het doel van de gemeente Dinkelland is energieneutraal en aardgasvrij wonen en werken in 2050, geen uitstoot van broeikasgassen vanuit bedrijven in de gemeente Dinkelland in 2050. De gemeente Dinkelland wil het verduurzamen van bedrijven en bedrijventerreinen faciliteren en stimuleren. Duurzame initiatieven waardoor schaalvergroting en/of een gezamenlijke aanpak mogelijk is worden gestimuleerd. Daarnaast wil de gemeente Dinkelland 50% van hun elektriciteit duurzaam opwekken in 2030. De gemeente Dinkelland zet maximaal in op zon op dak, windenergie binnen voor Dinkelland acceptabele (gezondheids)normen, biogas en nieuwe technieken voor energieopwekking. Lokale initiatieven zijn in the lead. De gemeente Dinkelland faciliteert en ondersteunt kansrijke lokale duurzame initiatieven ten behoeve van opwek. Tot slot wil de gemeente Dinkelland ook inzetten op duurzame mobiliteit. Het doel is het organiseren van slimme, duurzame en zorgeloze mobiliteit zonder uitstoot. De gemeente loopt hierin zelf voorop en faciliteert haar inwoners bij de overgang naar duurzaam vervoer.