Bijlagen toelichting_Bijlage 4 Bodemonderzoek Diepengoor 32-32a.pdf
Tekst van het document
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 www.sigma-gm.nl email info@sigma-gm.nl
juli ’25
Onderwerp:
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Projectnummer:
25-M11751
Opdrachtgever:
BJZ.nu
Datum:
22-7-2025
0
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740 Diepengoor 32 te Denekamp
datum
22-7-2025
projectnummer
25-M11751
in opdracht van
BJZ.nu Dokter van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle
uitgevoerd door
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-ENISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Geo- & Milieutechniek B.V.
juli ’25
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen.................................................................................................................................... 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ......................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek.............................................................................................................. 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................... 4
1.5
Opbouw van het rapport ............................................................................................................. 4
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1
3
Hypothese en onderzoeksstrategie .......................................................................................... 15
VELDONDERZOEK……………………………………………………………………………………….13 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek ............................................................................................. 16 3.2 Resultaten van het veldonderzoek ............................................................................................ 16
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 19 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ........................................................ 19
4.2
Toetsingscriteria ....................................................................................................................... 20
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ............................................................................................ 21
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 25
6
LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 28
7
COLOFON ...................................................................................................................................... 29
Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:1.000) 3. Boorprofielen onderzoekslocatie 4. Analysecertificaten 5. Toetsing analyseresultaten 6. Onafhankelijkheidsverklaring
juli ’25
2
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van BJZ.nu is in mei/juni 2025 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 uitgevoerd op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Diepengoor 32 te Denekamp (gemeente Dinkelland). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Geo- & Milieutechniek is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.
De veldwerkzaamheden van Sigma Geo- & Milieutechniek zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Geo- & Milieutechniek is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters) en 2002 (het nemen van grondwatermonsters) van toepassing. Sigma Geo- & Milieutechniek verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van drie woningen op de onderzoekslocatie.
1.3
Doel van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is verder om vast te stellen of de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare kwaliteit voor het beoogde bodemgebruik. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.
juli ’25
3
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
1.4
Referentiekader van het onderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN-5725 (versie 2023); 'Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN 5740+C1 (versie 2024); strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond'. 1.5
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • vooronderzoek, (hoofdstuk 2) • veldonderzoek, (hoofdstuk 3) • chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4) • conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).
juli ’25
4
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is uitgevoerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. In de NEN-5725 (2023) zijn negen aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens
Eigendomssituatie
A O
B O
✓
✓
✓
✓
✓
✓
Aanleiding tot vooronderzoek C D1 D2 E F G ✓
Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem of bijzondere bestanddelen in de grond Geohydrologie
3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Geval van ernstige bodemverontreiniging? bodemkwaliteit o.b.v. bodemkwaliteitskaart bodemkwaliteit o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken
H
✓
✓ ✓
✓
O
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
✓
Oa
Oa
✓
✓
✓b
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓b
✓
✓
✓
✓
✓
Ob
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
Oc
O
Od
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ Asbestverdacht? ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect gelet op de achtergrond van het onderzoek niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd
✓
4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte activiteiten, activiteiten, ongewoon voorval Voormalig Huidig Toekomstig
✓
✓
✓
O
0 Optioneel a) b) c) d)
ingeval de grondwaterstand zich dieper dan 25 cm onder het ontgravingsvlak bevindt, kan geohydrologie buiten beschouwing blijven het betreft hierbij de herkomstlocatie van de te beoordelen partij bij eindonderzoek bodem verplicht, bij nulonderzoek bodem optioneel bij nulonderzoek bodem verplicht, bij eindonderzoek bodem optioneel
afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte onderzoekslocatie, zoals weergegeven in bijlage 2.
juli ’25
5
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
aanleiding vooronderzoek Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van drie woningen op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.3.2 “uitvoeren van een bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie” uit de NEN-5725 (2023). geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Dinkelland (d.d. 29-04-2025); • informatie van de asbestdakenkaart van de gemeente Dinkelland; • informatie van de omgevingsrapportage van de omgevingsdiensten Overijssel; • informatie van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Dinkelland • Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt.
locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven. tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (totaal) Algemene omschrijving
juli ’25
Diepengoor 32 Denekamp Dinkelland Zie bijlage 1 X = 265.637 Y= 489.104 (middelpunt) Perceel Denekamp sectie O nr. 1858 Niet nagegaan. Ca. 510 m2 De onderzoekslocatie betreft het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Diepengoor 32 te Denekamp. Op de onderzoekslocatie is een woning met inwoning gevestigd. Aan de oostzijde van de bestaande woning bevindt zich een aangebouwde garage. Daarnaast zijn enkele bijgebouwen op de onderzoekslocatie aanwezig. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is deels verhard met betonklinkers en tegels (oprit en paden rondom de bebouwing) en deels onverhard (gras). De opdrachtgever is voornemens de bestaande woning op de onderzoekslocatie af te breken en hier de nieuwbouw van een drietal woningen te realiseren.
6
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Hieronder wordt in figuur 1 de onderzoekslocatie weergegeven en rood omlijnd.
figuur 1: onderzoekslocatie (rood omlijnd)
Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG) Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Geplande herinrichting bijzonderheden: -
juli ’25
Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. De bestande woning op de onderzoekslocatie dateert van 1969. De onderzoekslocatie is deels verhard met betonklinkers en tegels en deels onverhard (gras). Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden. Nieuwbouw van drie woningen.
7
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
bodemgebruik op basis van topografische kaarten In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis)
Op basis van de topografische kaarten is er vanaf 1966 voor het eerst enige bebouwing op de onderzoekslocatie te herkennen. Deze bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid. Voor 1966 was de locatie nog onbebouwd en voor zover te herkennen onderdeel van agrarische gronden. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op Vanaf het jaar 1850 is er in de directe omgeving van de basis van onderzoekslocatie bebouwing te herkennen. Deze topografische bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid / kaarten, gewijzigd. Topotijdreis) Huidig In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk woningen en enkele agrarische percelen. Noord-, oost- en zuidzijde: Diepengoor Westzijde: naastgelegen woningen
juli ’25
●Langdurige bebouwing.
Geen.
Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
8
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik
Op basis van de topografische kaarten is er vanaf 1966 voor het eerst enige bebouwing op de onderzoekslocatie te herkennen. Voordien was de locatie nog onbebouwd en voor zover te herkennen onderdeel van agrarische gronden. Op basis van BAG viewer dateert de bestande woning op de onderzoekslocatie van 1969. Op de onderzoekslocatie is een woning met inwoning gevestigd. De woning wordt inmiddels niet meer bewoond. Aan de oostzijde van de bestaande woning bevindt zich een aangebouwde garage. Daarnaast zijn enkele bijgebouwen op de onderzoekslocatie aanwezig.
Bouwvergunning
Er is geen informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten, (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied geen andere concrete aanwijzingen van bodembedreigende milieubelastende activiteiten die geleid zouden kunnen hebben tot bodemverontreiniging. T.b.v. de bestaande gebouwen zijn bouwvergunningen verleend.
Milieuvergunning
Niet bekend.
Handelsregister
De onderzoekslocatie wordt niet in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermeld. Er is geen informatie bekend over de eventuele aanwezigheid van zowel boven- als ondergrondse brandstoftanks. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en/of ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding/ De aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie.
Aanwezigheid brandstoftanks
juli ’25
9
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Aanwezigheid asbest
Op basis van de asbestdakenkaart van de gemeente Dinkelland zijn de daken van de bebouwing op de onderzoekslocatie niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De daken in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn evenals niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest.
figuur 2: asbestdakenkaart gemeente Dinkelland
Ophogingen/dempingen/stortingen
Er is geen informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. In algemene zin wordt gesteld dat puinlagen en/of grondlagen waarin bijmenging van puin en/of ander sloopafval voorkomt worden verdacht voor aanwezigheid van asbest. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Op topografische kaarten tot rond 1976 is op de locatie mogelijk een sloot/watergang te herkennen (zie figuur 3). Het is niet bekend waarmee deze sloot/watergang is gedempt.
figuur 3: vm. sloot
Er is geen andere informatie omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen/ sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel). Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie.
juli ’25
10
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Niet gesprongen explosieven
PFAS-verdachtheid
Calamiteiten Verdachte activiteiten < 25 m
Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente. PFAS is een stofgroep van persistente, giftige fluorverbindingen die zijn toegepast in coatings van consumentenproducten als textiel, tapijt, leer en papieren in industriële producten zoals verf en blusschuim. Op en nabij locaties waar PFAS is toegepast,kan de bodem (grond en grondwater) verontreinigd zijn. Op of nabij de onderzoekslocatie bevinden zich voor zover bekend geen locaties die de bodem verdacht maken voor PFAS en GenX verbindingen als gevolg van puntbronnen. De kans op verontreiniging met PFAS in de grond t.p.v. de onderzoekslocatie t.g.v. puntbronnen wordt gering geacht.
De bovengrond, diepere geroerde bodemlagen en de waterbodem zijn op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als gevolg van atmosferische depositie en mobiliteit en het feit dat de stof niet of nauwelijks afbreekt. Verwacht wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie diffuus onverdacht is voor PFAS en onverdacht is op GenX. Voor zover bekend is op de onderzoekslocatie geen sprake geweest van activiteiten die de locatie verdacht maken op het voorkomen van PFAS. Zo is er op de locatie (voor zover bekend) bijv. geen sprake geweest van: ♦ brand met gebruik van blusschuim; ♦ brandblusoefenterrein; ♦ bedrijfsactiviteiten bijv. op het gebied van: - teflonproductie; - galvanische industrie, textiel, papier(verwerking), lak- en verfindustrie, cosmetica; - afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelen brandblussers). Voor zover bekend is er geen informatie over evt. calamiteiten die hebben plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk woningen en enkele agrarische percelen. Diepengoor 14-28
Diepengoor:
Het is op voorhand onbekend of de activiteiten in de directe omgeving een negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie. juli ’25
11
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie
Diepengoor 32: ►verkennend bodemonderzoek; ref. Nibag; rapportnummer: 6022.0166 conclusie: zw:bg: PAK, Pb, Zn, olie>s, EOX og: olie>s (humus) gw: Cr, Zn, Naf>s Op basis van de bovengenoemde resultaten wordt de hypothese 'onverdacht' verworpen. In de grond en het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond. De verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de herinrichting. Het uitvoeren van een nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Omgeving < 25 m
Diepengoor 14-28: ►verkennend bodemonderzoek; ref. Kruse Milieu B.V.; rapportnummer: 02015613tot02016313 conclusie: Op de locatie is een voormalige stortplaats aanwezig. De stortmaterialen zijn hetrogeen verdeeld. zw: zure rottingsgeur bg: zwarte aarde, niet verontreinigd og: Cu+Pb+Zn+PAK > I (puin) gw: ►verkennend bodemonderzoek; ref. Grontmij; rapportnummer: 92041 conclusie: zw: puin, afval bg/og: Cu, olie>s, Pb>t, Zn, PAK>i gw: Zn, Cr>s De grond is deels verontreinigd met zware metalen en PAK. De omvang hiervan is onbekend. Er wordt een nader- en historisch onderzoek noodzakelijk geacht. Voor de woningbouw eerst het puin en stort e.d. verwijderen. ►verkennend bodemonderzoek; ref. Twinnova; rapportnummer: 95.05.547 conclusie: zw: kunststof, textiel, ijzer, glas, veel puin bg: min.olie+Cu+Zn+PAK > S og: min.olie+Zn > S gw: Cr+Cu+Zn > S, fenol = verhoogd
juli ’25
12
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Diepengoor:
Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart
juli ’25
► niet bekend.
Bodemfunctieklasse: wonen; Ontgravingskaart: bovengrond: klasse wonen, ondergrond: achtergrondwaarde (AW200) Toepassingskaart: bovengrond: klasse wonen, ondergrond: achtergrondwaarde (AW200)
13
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket. De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 23-27 m+NAP. In figuur 4 staat de geohydrologische opbouw weergegeven.
figuur 4: De geohydrologische opbouw
De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen. terreinverkenning voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd. De terreinverkenning heeft als doel om te controleren of de vooraf bekende informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie. In tabel 6 is een overzicht opgenomen van de uitgevoerde terreinverkenning. tabel 6: terreininspectie onderdeel:
uitgevoerd door:
datum:
bijzonderheden:
locatie-inspectie
dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)
22-5-2025
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
juli ’25
14
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
2.1
Hypothese en onderzoeksstrategie
Op basis van de topografische kaarten is er vanaf 1966 voor het eerst enige bebouwing op de onderzoekslocatie te herkennen. Voordien was de locatie nog onbebouwd en voor zover te herkennen onderdeel van agrarische gronden. Op basis van BAG viewer dateert de bestande woning op de onderzoekslocatie van 1969. Op topografische kaarten tot ca. 1976 is op de onderzoekslocatie mogelijk een sloot / watergang te herkennen. De mogelijke slootdemping binnen het onderzoeksgebied is in deze fase van het onderzoek in eerste instantie niet apart onderzocht. T.p.v. de mogelijke slootdemping binnen het plangebied zijn enkele boringen in een raai geplaatst, de grondmonsters hiervan zijn, voor zover zintuiglijk onverdacht, betrokken bij de samengestelde mengmonsters van het overige deel van de locatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn binnen het onderzoeksgebied geen andere concrete aanwijzingen van bodembedreigende milieubelastende activiteiten die geleid zouden kunnen hebben tot bodemverontreiniging. Er is geen actuele informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem t.p.v. het onderzoeksgebied beschikbaar.
Op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart geldt voor de bovengrond (ontgravingskaart/toepassingskaart) dat er op de onderzoekslocatie sprake is van de klasse wonen en voor de ondergrond dat er sprake is van de achtergrondwaarde bodemkwaliteit (landbouw/natuur). Op basis van de bekende informatie uit het historisch onderzoek is in tabel 7 de uitgevoerde onderzoeksstrategie opgenomen. tabel 7: gehanteerde onderzoeksstrategie mogelijke verontreiniging (deel)locatie
verwachte bodemkwaliteit
grond
grondwater
onderzoeksstrategie
bovengrond voldoet aan wonen/industrie, ondergrond voldoet aan landbouw/natuur, grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
PAK’s, zware metalen, PCB’s, minerale olie
-
NEN-5740 strategie VED-HE (bovengrond) (vanwege langdurig menselijk gebruik)
NEN-5740 onderzoekslocatie (ca. 510 m2)
strategie ONV-NL (ondergrond, grondwater)
Op basis van bekende informatie zijn geen gegevens bekend dat op de locatie sprake zou kunnen zijn van een bodemverontreiniging met asbest. Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Er is in dit onderzoek vooralsnog geen onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond uitgevoerd. Het opgeboorde monstermateriaal op de onderzoekslocatie is in dit onderzoek visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Opgemerkt dient te worden dat asbestanalyses geen deel uitmaken van uitgevoerde analyses in het kader van de NEN-5740. Onderhavig onderzoek betreft geen asbest onderzoek in bodem volgens NEN-5707+C2 of NEN-5897+C2. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. in de bodem terecht gekomen is of is begraven. Alleen een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 kan een uitspraak doen over de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem. Tevens dient opgemerkt te worden dat aanwezig puinmateriaal en/of (half)verhardingsmaterialen niet chemisch-analytisch zijn onderzocht. juli ’25
15
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
3
VELDONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocollen 2001 en 2002. In tabel 8 zijn de uitvoeringaspecten opgenomen. tabel 8: uitvoeringsaspecten onderdeel:
uitgevoerd door:
datum:
bijzonderheden:
uitvoeren van boringen, het plaatsen van de peilbuizen en het nemen van grondmonsters (protocol 2001) nemen van grondwatermonsters (protocol 2002)
dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd) dhr. D. Haar (in opleiding) dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)
22-5-2025
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
12-6-2025
geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering
Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Rijkswaterstaat. Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 6. Alle geplaatste boringen zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2. Het veldwerkprogramma staan weergegeven in tabel 9. tabel 9: veldwerkprogramma Onderdeel
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
5
ca.0.5
3 t/m 7
2
ca.1.3
2A+2B
1
ca.2.0
2
1
ca.2.6
1
onderzoekslocatie Boringen
Peilbuis
3.2 Resultaten van het veldonderzoek bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 10 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 10: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.8 0.8-2.6
juli ’25
hoofdbestanddeel
toevoeging
kleur
zand zand
zwak siltig, zwak humeus, matig fijn sterk siltig, matig fijn
donkerbruin/grijs beige/grijs
16
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
veldmetingen grondwater De resultaten van de veldwaarnemingen van het grondwater zijn weergegeven in tabel 11. tabel 11: veldwaarnemingen grondwater Peilbuis
filtertraject m-mv
grondwaterstand m-mv
voorpompen liter
pH
Pb1
1.6-2.6
1.10
5
6.8
EGV geleidingsvermogen µS/cm 330
troebelheid (NTU) 22
In het genomen grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis slechts gering is gedaald tijdens afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. zintuiglijke waarnemingen Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. De afwijkende waarnemingen staan in de onderstaande tabel 12 weergegeven. tabel 12: afwijkende waarnemingen boring/inspectiegat
diepte m-mv.
zintuiglijke waarnemingen
1
0.5-0.8
baksteensporen
2
0.5-0.6
baksteensporen
2A
0.5-1.2
baksteensporen
2B
0.5-0.6
baksteensporen
In de boring (2) t.p.v./nabij de vermoedelijke situering van de gedempte sloot/watergang op de onderzoekslocatie zijn baksteensporen waargenomen die afwijken van de overige waarnemingen. Opgemerkt wordt dat de situering van de gedempte sloot/watergang alsmede de aard van het dempingsmateriaal plaatselijk kan afwijken. grondwater Het bemonsterde grondwater bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen.
juli ’25
17
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
asbest Tijdens de locatie-inspectie is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbest op het maaiveld, hierbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal. Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740.
Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.
juli ’25
18
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van Omegam. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Omegam is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grond- en grondwatermonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. grondwater Uit de geplaatste peilbuis is een grondwatermonster genomen en geanalyseerd. In onderstaande tabel 13 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, het grondwatermonster, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 13: analyseschema Monstercode grond
boringnummer(s)
diepte (m-mv)
zintuiglijke waarnemingen
analysepakket
MM1
1 t/m 4
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM2
5 t/m 7
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM3
2A
0.7-1.2
baksteensporen
NEN-grond(*)+AS3000
MM4
1+2
0.6-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
1
1.6-2.6
-
NEN-grondwater(**) +AS3000
grondwater 1 (peilbuis)
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond
=
**NEN-water
=
Zware metalen
=
Vluchtige aromaten = PCB PAK VOH Bromoform
juli ’25
= = = =
Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); Polychloorbifenylen; Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Tribroommethaan
19
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
4.2
Toetsingscriteria
De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de volgende waarden: • Kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022); • Interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving); • Signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering (Bijlage Vd, Besluit kwaliteit leefomgeving = interventiewaarden Circulaire bodemsanering 2013). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). Toetsingen zijn voorlopig uitgevoerd volgens tijdelijke kaders van de Omgevingswet, in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. De in deze tabel genoemde kwaliteitseisen hebben de volgende betekenis: Landbouw/natuur Wonen Industrie Interventiewaarde Signaleringsparameter
= = = = =
bestaande kwaliteit in ‘schone’ gebieden geschikte toestand voor functie Wonen geschikte toestand voor functie Industrie aanwezigheid van mogelijke onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu beoordeling of sanering nodig is bij historische grondwaterverontreiniging
De kwaliteitseisen voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel. Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: tabel 14: overzicht van de toegepaste termen bij de toetsing volgens het kader van de Omgevingswet. kwaliteitseis
ondergrens kwaliteitsklasse
bovengrens kwaliteitsklasse
landbouw/natuur1 wonen2 industrie matig verontreinigd sterk verontreinigd
landbouw/natuur wonen industrie interventiewaarde bodemkwaliteit
landbouw/natuur wonen industrie matig verontreinigd -
De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de kwaliteitseis landbouw/natuur. Overschrijding van de kwaliteitseis industrie houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de klasse landbouw/natuur en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen: 1 De kwaliteit van de grond overschrijdt niet de kwaliteitseis landbouw/natuur als bij meting van X stoffen in de grond het rekenkundige
gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de kwaliteitseis landbouw/natuur. De verhoging mag per stof maximaal 2x de kwaliteitseis landbouw/natuur voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen (met uitzondering van nikkel) geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de kwaliteitseis wonen van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
2 De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y
stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
juli ’25
20
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na de tabellen worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten opgenomen. In bijlage 5 zijn de toetsingsresultaten opgenomen. onderzoeksresultaten grond In tabel 15 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte mengmonsters van de boven- en ondergrond. tabel 15: samenvatting toets resultaten boven- en ondergrond. grondmengmonster/ boring MM1 (1 t/m 4) (0.0-0.5) MM2 (5 t/m 7) (0.0-0.5) MM3 (2A) (0.7-1.2) MM4 (1+2) (0.6-2.0) landbouw/ natuur wonen industrie
zintuiglijk baksteensporen -
landbouw/ natuur alle onderzochte parameters overige onderzochte parameters overige onderzochte parameters
wonen
industrie
matig verontreinigd
lood1
-
-
sterk verontreinigd (> I) -
kwik, lood, zink, PAK’s
-
-
-
wonen*
cadmium, kobalt, kwik, lood, PAK’s -
nikkel, zink, minerale olie -
-
-
industrie*
-
landbouw/natuur*
alle onderzochte parameters beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse landbouw / natuur /
toetsing eindoordeel landbouw/natuur*
maximale waarde landbouw/natuur < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde wonen beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse wonen maximale waarde wonen < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde industrie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse industrie
matig verontreinigd
maximale waarde industrie < gehalte (gssd) ≤ interventiewaarde beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse matig verontreinigd
sterk verontreinigd >I
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse sterk verontreinigd
1= hier geldt de uitzonderingsregel zoals in paragraaf 4.2 vermeld *= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond
juli ’25
21
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
onderzoeksresultaten grondwater In tabel 16 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte grondwatermonsters. tabel 16: samenvatting toets resultaten grondwater Peilbuis Pb1 (1.6-2.6) <streefwaarde >streefwaarde en <signalerings parameter >signalerings parameter
<streefwaarde
>streefwaarde
toetsing eindoordeel alle <signalerings onderzochte parameter parameters beoordeling grondwatersanering Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig. zintuiglijk
>signaleringsparameter
Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig.
Bij overschrijding zijn er mogelijk significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig (voormalige interventiewaarde).
interpretatie onderzoeksresultaten bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Op basis van de uitzonderingsregel zoals omschreven in paragraaf 4.2 geldt dat in dit geval het eindoordeel landbouw/natuur is. Bovengrondmengmonster MM2 bevat verhoogde gehalten kwik, lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. ondergrond (0.6-2.0 m-mv) Ondergrondmonster MM3 bevat verhoogde gehalten nikkel, zink (zware metalen) en minerale olie die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie en verhoogde gehalten cadmium, kobalt, kwik, lood (zware metalen) en PAK’s die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Ondergrondmengmonster MM4 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. concrit Voor de toetsing van de bodemkwaliteit kan naast de toetsing aan de kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022) en de interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving) gebruik worden gemaakt van de functienormen uit de Regeling Bodemkwaliteit.
De module Concrit van de Risicotoolbox bodem is de applicatie voor de berekening van de risico's voor de mens bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De module voorziet in een toetsing of een bodemgehalte of grondwaterconcentratie niet leidt tot onaanvaardbare risico's voor de mens en geeft ook een indicatie of mogelijk ecologische risico's aanwezig zijn. De uitkomst kan gebruikt worden ter onderbouwing van de waarde voor toelaatbare kwaliteit bodem. Op een bodem met een kwaliteit die niet voldoet aan de waarde die is vastgelegd als toelaatbare kwaliteit bodem mag de activiteit niet uitgevoerd worden of uitgevoerd worden onder voorwaarden. M.b.v. de module Concrit van de Risicotoolbox wordt de humane risico-index (RI-waarde) berekend. De humane risico-index kan groter of kleiner zijn dan 1. Een Risico (RI) Index is een beleidsmatige indicator: - een waarde kleiner dan 1 (RI < 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde niet overschreden wordt; - een waarde groter dan 1 (RI > 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde overschreden wordt, en dat er potentieel problemen voor de beoordeelde vorm van bodemgebruik kunnen zijn.
juli ’25
22
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Bij berekening van de hoogst gemeten gehalten nikkel en zink (zware metalen) in ondergrondmonster MM3 geldt voor de functie wonen met tuin dat de risicoindex kleiner is dan 1 en dat het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR-humaan) niet wordt overschreden en daardoor geen belemmering geeft voor het gebruik als wonen met tuin. De verhoogd gemeten gehalten zware metalen, PAK’s en minerale olie zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen mogelijk deels te relateren aan de zintuiglijk waargenomen baksteensporen in het opgeboorde monstermateriaal. In algemene zin geldt dat in gebieden welke reeds langere tijd door de mens in gebruik zijn (o.a. langdurige bewoning of menselijk gebruik) worden vaker verhoogde gehalten aan o.a. zware metalen en /of minerale olie in de grond gemeten. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem. Zware metalen bezitten veelal een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan sliben kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval.
Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) omvat een groep van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen, die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofbevattende materialen. Het zijn teerachtige stoffen die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofhoudende materialen als hout, fossiele brandstoffen, tabak of levensmiddelen. De aanwezigheid van PAK’s in de bodem zijn vaak het gevolg van de aanwezigheid van teerhoudende of koolstofhoudende stoffen, zoals bv. koolas, verbrandingsresten of teerresten. Ze kunnen zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s kunnen ook worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. opmerking t.a.v. lood in de bodem Een bodemverontreiniging met lood kan vooral voor jonge kinderen een gezondheidsrisico vormen. De wetenschappelijke kennis laat zien dat de huidige interventiewaarde bodem onvoldoende bescherming biedt voor de gezondheid van deze kinderen.
De GGD heeft de wettelijke taak gemeenten te adviseren over de gezondheidsrisico’s van omgevingsfactoren en de publiekscommunicatie daarover. De loodinname die bij kinderen leidt tot één of drie IQ-puntenverlies kan met het blootstellingsmodel CSOIL worden omgerekend naar een gehalte lood in bodem. In onderstaande tabel staan de berekende gezondheidskundige risicowaarden voor lood in bodem weergegeven. Bij de beoordeling van het gezondheidsrisico van lood in bodem wordt het gemeten loodgehalte in de bodem gebruikt (dus niet het gestandaardiseerde loodgehalte). In onderstaande tabel staan ook de handelingsperspectieven en gebruiksadviezen. Voor plaatsen waar jonge kinderen veel in contact komen met grond, gaat de voorkeur uit naar een voldoende bodemkwaliteit voor lood. Het is een beleidsmatige afweging hoe de risicowaarden in de praktijk worden toegepast en welke acties men hieraan koppelt. De GGD wordt bij voorkeur vroegtijdig hierbij betrokken. Op basis van het gemeten gehalte lood in het bovengrondmengmonster MM1 (60 mg/kg d.s) en MM2 (62 mg/kg d.s) geldt bij het gebruik als grote moestuin een matige bodemkwaliteit voor lood en bij wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen een voldoende bodemkwaliteit voor lood.
Op basis van het gemeten gehalte lood in ondergrondmonster MM3 (90 mg/kg d.s) geldt bij het gebruik als grote moestuin en wonen met tuin een matige bodemkwaliteit voor lood en bij plaatsen waar kinderen spelen een voldoende bodemkwaliteit voor lood. Voor meer informatie wordt verwezen naar “”Lood in bodem en gezondheid van de GGD” of de plaatselijke GGD
juli ’25
23
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
figuur 5: gezondheidskundige risicowaarden en handelinsperspectieven voor lood in bodem
grondwater peilbuis 1 (1.6-2.6 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de streefwaarde en de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering.
Opmerking: Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter van uit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000), e.e.a. geldt voor de gecorrigeerde som 1,2dichlooretheen, gecorrigeerde som dichloorpropaan en som xylenen. Op basis van de circulaire bodemsanering 2009 zijn de toetsingswaarden voor barium (zware metalen) tijdelijk ingetrokken. Indien er op een locatie sprake is van een antropogene bron kan het gemeten gehalte barium indicatief worden getoetst aan de voormalige interventiewaarde juli ’25
24
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend milieukundig bodemonderzoek worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal plaatselijk baksteensporen waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). eindconclusie verkennend bodemonderzoek NEN-5740 In de ondergrond zijn plaatselijk verhoogde gehalten nikkel en zink (zware metalen) gemeten die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Op basis van de rekenkundige benadering middels Concrit leveren de verhoogd gemeten gehalten nikkel en zink geen belemmering voor het gebruik als wonen met tuin. Voor het overige zijn in de boven- en ondergrond enkele stoffen verhoogd aangetoond in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. In het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen verhoogd gemeten t.o.v. de streefwaarde en de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. De gemeten gehalten in de grond en het grondwater geven, naar onze mening, uit milieuhygiënische overweging geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek.
Echter, het is van belang te benadrukken dat het bevoegd gezag hierin de uiteindelijke beslissing neemt en hierbij beleidsmatige afwegingsruimte heeft, wat kan resulteren in een afwijkend besluit. Aan onze inschatting (expert-judgement) kunnen dan ook geen rechten worden ontleend en deze is louter indicatief van aard. toetsing hypothese In tabel 17 is de hypothese en de noodzaak tot vervolgonderzoek beoordeeld aan de hand van de onderzoeksresultaten. tabel 17: toetsing hypothese Locatie
Hypothese
Correct?
Diepengoor 32 te Denekamp
bovengrond voldoet aan wonen/industrie, ondergrond voldoet aan landbouw/natuur, grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
nee, de ondergrond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie
Verkennend onderzoek met nieuwe hypothese? nee, onderzoeksinspanning voldoende
Nader onderzoek? nee, er zijn geen gehalten boven de grenswaarde/ interventiewaarde, de toetsingswaarden voor nader onderzoek of het MTR-humaan gemeten
Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Een asbestonderzoek in grond of puin conform de NEN 5707+C2 resp. NEN 5897+C2 maakt geen onderdeel uit van de scope van onderhavig onderzoek. Op basis van dit onderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin. Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2.
juli ’25
25
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Afwijkingen t.o.v. normen en protocollen Er hebben bij de uitvoering van werkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen 2001, 2002 en/of overige geldende analysemethoden. Aanbevelingen Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op basis van de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moeten voor de milieubelastende activiteiten graven in bodem > 25 m3, het toepassen van grond en het opslaan van grond meldingen worden ingediend via het Omgevingsloket DSO. Met behulp van de ‘Vergunningscheck’ in het DSO kan worden nagegaan om welke meldingen het gaat in de betreffende situatie. In dit verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek uitgevoerd naar PFAS stoffen in de bodem. De in dit onderzoek opgenomen toetsing is excl. onderzoek naar PFAS-stoffen, onderzoek naar PFAS verbindingen is bij definitieve beoordeling van evt. hergebruiksmogelijkheden van evt. af te voeren grond alsnog nodig. Opgemerkt wordt dat evt. afvoer van grond met de bodemkwaliteitsklasse “wonen”, “industrie” en “matig en sterk verontreinigde grond” meer kosten met zich meebrengt dan de afvoer van grond met de “bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur”.
juli ’25
26
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Diepengoor 32 te Denekamp
Algemeen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen Het onderhavige onderzoek heeft betrekking gehad op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Diepengoor 32 te Denekamp (zie bijlage 2). Op basis van het onderhavige onderzoek kan alleen een uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van het onderzochte terreindeel, zie bijlage 2. Op basis van het onderhavige onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan: omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte terreindelen, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet bekende verdachte terreindelen, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet verkende bodemlagen, de milieuhygiënische kwaliteit van het diepere grondwater etc. Door het plangebied liep in het verleden een sloot / watergang welke is gedempt. In de boringen t.p.v./nabij de vermoedelijke situering van de gedempte sloot / watergang binnen het onderzoeksgebied zijn t.p.v. een sloot (boring 2) bodemvreemde bijmengingen of afwijkingen waargenomen. Opgemerkt wordt dat de situering van de gedempte sloot/watergang alsmede de aard van het dempingsmateriaal plaatselijk kan afwijken. Daarnaast kan op basis van dit onderzoek geen uitspraak worden gedaan omtrent de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem/puin.
Indien echter een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2. Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters de gehalten in de individuele deelmonsters van een mengmonster zowel hoger als lager kunnen zijn dan de aangetoonde gehalten in het betreffende mengmonster. Er kan in gevallen waarbij sprake is van ruime overschrijdingen van de achtergrondwaarde, gemeten in een mengmonster, niet worden uitgesloten dat individuele deelmonsters gehalten boven de tussen- of interventiewaarde bevatten. T.a.v. historische (bodem) informatie van de locatie wordt opgemerkt dat de geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Sigma Geo- & Milieutechniek afhankelijk van deze bronnen, waardoor Sigma Geo- & Milieutechniek niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en methoden.
Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het, conform de geldende richtlijnen, steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem d.m.v. een representatief geacht aantal monsters, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is om garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Een verkennend bodemonderzoek geeft nooit volledige zekerheid omtrent de toestand van de bodem ter plaatse van een locatie. Het onderzoek dient geïnterpreteerd worden als een inschatting van de verontreinigingssituatie op een bepaald moment. Het is echter op basis van dit onderzoek nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de bodem voorkomen. Het kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten worden dat zich op de locatie verontreiniging bevindt welke in dit onderzoek niet is aangetroffen/ontdekt. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. aanvaardt derhalve op generlei wijze aansprakelijkheid voor de gevolgen/schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade welke voortvloeien uit beslissingen welke worden genomen op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavige onderzoek als in de praktijk blijkt dat de verontreinigingssituatie anders is dan in dit onderzoek vermeld. juli ’25