CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen Toelichting_Bijlage 2 Ecologie Natuurtoets.pdf

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek7.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beoordeling juridische consequenties uitvoering interne PAS-maatregelen in Natura2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek In het kader van de Wet natuurbescherming

- Werkdocument -

Colofon Beoordeling juridische consequenties uitvoering interne PAS-maatregelen in Natura2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek

Werkdocument

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

Gemeente Dinkelland D.Bonenkamp Postbus 11 7590AA Denekamp

Projectnummer en versie: 1421B, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Naam projectgebied: Natura2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: CONCEPT Rapportdatum: 1-10-2019

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.2 Geraadpleegde bronnen .......................................................................................................................... 3 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 4 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 4 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 4 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 4 3.1 Algemeen .................................................................................................................................................

4 3.2 Voorgenomen activiteiten........................................................................................................................ 4 4 Verspreiding beschermde waarden ................................................................................................................ 8 4.1 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.2 Houtopstanden ........................................................................................................................................ 9 4.3 Soortbescherming .................................................................................................................................... 9 4.4 Gebiedsbescherming ................................................................................................................................ 9 5 Analyse en toetsing gebiedsbescherming ..................................................................................................... 10 5.1 Inleiding .................................................................................................................................................. 10 5.2 Analyse beheerplan ................................................................................................................................

11 5.3 Conclusie ................................................................................................................................................ 13 6 Analyse en toetsing soortbescherming ......................................................................................................... 16 6.1 Inleiding .................................................................................................................................................. 16 6.2 Effectbeoordeling van beschermde soorten .......................................................................................... 16 6.3 toelichting wettelijke consequenties ..................................................................................................... 23 6.3.1 Vrijstelling in het kader van instandhoudingsdoelen Natura2000 .................................................. 23 6.3.2 Vrijstelling in het kader van een Ruimtelijke ontwikkeling ............................................................. 23 6.3.3 Vrijstelling in het kader van een Gedragscode ................................................................................ 25 7 Conclusies ......................................................................................................................................................

25 7.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 25 6.2 Conclusie en aanbeveling ....................................................................................................................... 26

2

1 Inleiding 1.1 Inleiding Voor het Natura2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek (verder in dit rapport aangeduid als AVAV) hebben de provincie Overijssel en het Rijk een PAS-gebiedsanalyse met een concrete maatregelen laten opstellen. Hierin staat wat de doelen zijn voor het gebied en welke herstelmaatregelen waar en wanneer nodig zijn. Herstelmaatregelen bestaan bijvoorbeeld uit het verontdiepen/dempen van sloten, het verwijderen van detailontwatering en het omvormen van grasland naar bos. Het is aannemelijk dat tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen, dat veelal gepaard gaat met de inzet van groot en zwaar materieel en grondverzet, de lokale flora & fauna, negatieve effecten ondervinden van deze werkzaamheden. Mogelijk worden (beschermde) planten beschadigd en vernield, worden (beschermde) faunaoorten verwond of gedood, worden (winter)rust- en voortplantingslocaties verstoord en vernield en worden abiotische processen beinvloed die effect hebben op Habitatsoorten of –typen. De gemeente Dinkelland, waarbinnen voorgenoemde Natura2000-gebied ligt, heeft Natuurbank Overijssel gevraagd om inzichtelijk te maken tot welke wettelijke consequenties de uitvoering van de voorgenomen maatregelen in het Natura2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming leiden.

Dit inzicht is van belang in verband met wijzigingen van het bestemmingsplan (toets aan de uitvoerbaarheid) maar ook voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten om vast te stellen of er wel of geen ontheffing vereist is voor het mogen uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Bij de beoordeling van de wettelijke consequenties wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming, soortbescherming, houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland. Voorliggend rapport moet beschouwd worden alse en eerste verkenning, dat antwoord geeft of de vraag of er wel of geen vergunning/ontheffing vereist is, of er wel of geen nader onderzoek vereist is of dat verdere toetsing, zoals een voortoets of mogelijk zelfs een passende beoordeling vereist is, om de voorgenomen maatregelen uit te mogen voeren.

1.2 Geraadpleegde bronnen Voor de beoordeling zijn o.a. de volgende documenten geraadpleegd:  Het Natura 2000-beheerplan AVAV (hierna aangeduid als beheerplan) en, waar nodig, de PAS gebiedsanalyse. Hierin staan immers de beschermde waarden benoemd waarvoor maatregelen worden genomen en waaraan effecten moeten worden getoetst;  Actuele inrichtingskaart, opgesteld door Unie van Bosgroepen en Royal Haskoning (versie 2-9-2019)  De Omgevingsverordening Overijssel waarin de regels ten aanzien van de bescherming van natuurwaarden (Wet natuurbescherming) en het Overijssels Natuurnetwerk (NNN; voormalige EHS) zijn gesteld. De verordening kan leiden tot vergunnings- of ontheffingsplicht voor de voorgenomen maatregelen;  NDFF Verspreidingsatlas (augustus 2019) ;

3

2 Het plangebied 2.1 Situering Het Natura2000-gebied AVAV ligt net ten oosten van de woonkern Denekamp en iets ten zuiden van de woonkern Ootmarsum. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging en begrenzing van het Natura2000gebied weergegeven.

Ligging en begrenzing van het Natura2000-gebied AVAV (bron kaart: Aerius.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek zijn drie loofbosgebieden in Twente. Door de plaatselijke aanwezigheid van kalkrijke leem in de ondergrond en door het waterregime zijn dit vanouds zeer soortenrijke gebieden. Achter de Voort bestaat uit twee deelgebieden. Het Loomanskamp is een eikenhaagbeukenbos en vogelkers-essenbos, Asbroek is een natter bos met tussenliggende graslandjes en enkele poelen. Agelerbroek is een elzenbroekbos met daarin enkele graslandjes, moerassen en een voormalige eendenkooi. Voltherbroek bevat een uitgestrekt moerasbos (elzenbroekbos) en vochtige graslanden (Bron; Synbiosys.Alterra).

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Voor het Natuura2000-gebied AVAV zijn de meer algemene maatregelen vertaald naar concrete herstelmaatregelen welke ook op kaart zijn aangeduid. De lijst met uit te voeren maatregelen en de locaties waar de maatregelen uitgevoerd is niet definitief en kan in de loop van de tijd wijzigen. De lijst met voorgenomen maatregelen vormt wel een vrij volledige lijst van maatregelen. De maatregelen, zoals opgenomen op de maatregelenkaart van 2-9-2019 vormen de basis van voorliggende beoordeling. 3.2 Voorgenomen activiteiten Voor dit Natura2000-gebied wordt een groot aantal verschillende herstelmaatregelen voorgesteld. Daarbij kan het gaan om forse inrichtingsmaatregelen, zoals het dempen van watergangen, maar ook het uitvoeren van (achterdtallig)beheer zoals kleinschalig plaggen en hervatten hooilandbeheer. Daarnaast staan op de maatregelenkaart ook 24 nummers die verwijzen naas specifiek maatregelen, meestal maatregelen die op een specifieke plek en met een beperkte oppervlakte worden aangelegd. Naast de actuele beheerkaart van

4

september 2019, welke gaat over Ageler- en Voltherbroek, worden ook maatregelen voorgesteld in het bos Achter de Voort.

Op de maatregelenkaart (september 2019) voor Ageler- en Voltherbroek onderscheiden we de volgende maatregelen (zie beheerkaart): M1 Aanleg stuw M2 Aanleg uitstroom _ stuw M3 Aanleg uitstroom M4 Aanleg uitstroom M5 Aanleg onderleider M6 Verwijderen duiker M7 Aanleg voorde M8 Aanleg voorde M9 Aanleg voorde M10 Aanleg voorde M11 Verwijderen duiker M12 Gedeelte dam verwijderen M13 Gedeelte dam verwijderen M14 Gedeelte dam verwijderen M15 Gedeelte dam verwijderen M16 Gedeelte dam verwijderen M17 Vernieuwen stuw M18 Vernieuwe stuw M19 Afwateringshoogte sloten afhankelijk van Wareco onderzoek M20 NAM locatie (geen maatregelen) M21 Afwatering percelen in noordelijke richting M22 Duiker door kade voor doorstroming M23 Uitstroom waterloop via terugslagklep M24 Doorsteek kanaal M25 Verwijderen duiker M26 Opstuwen M27 Dempen M28 Nieuwe waterloop M29 Verontdiepen 20cm M30 Verontdiepen 30 cm M31 Verontdiepen 40 cm M32 Verontdiepen (onbekend) M33 Afvoerbuis afsluiten M34 Optimaliseren ontwatering M35 Laten verlanden M36 Aanpassen Watergang M37 Vistrap M38 Boskap M39 Buisdrainage dempen M40 Doorbraak kanaal M41 Nieuwe inrichting (details onbekend) M42 Zoekgebied kleinschalig plaggen M43 Zoekgebied hervatten hooilandbeheer M44 Zoekgebied kleinschalig maaien, chopperen heide M45 Zoekgebied aanleg poelen M46 Zoekgebied vistrap

Op de maatregelenkaart voor Achter de Voort onderscheiden we de volgende inrichtingsmaatregelen : M47 Zoekgebied verwijderen zomereik, aanplant rijk- strooiselsoorten Voor een nadere toelichting op deze maatregelen wordt verwezen naar het rapport Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek (rapportnummer 16.53.1030.01, Unie van Bosgroepen, 2017). 5

Op onderstaande kaart worden de locaties van de te nemen maatregelen op kaart weergegeven.

Maatregelenkaart AVAV-Noord (bron : Unie van Bosgroepen)

6

Maatregelenkaart AVAV-Zuid (bron : Unie van Bosgroepen)

Maatregelenkaart Achter de Voort (bron : Unie van Bosgroepen)

7

4 Verspreiding beschermde waarden 4.1 Natuurnetwerk Nederland Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren omvatten nagenoeg alle gronden die tot Natura2000-gebied AVAV behoren. Enkele agrarische percelen behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Deze worden op onderstaande kaart aangeduid als uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura2000. Er is geen sprake van aanpassing van de bestemming van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren en er is geen Omgevingsvergunning nodig waarmee afbraak aan de bescherming van (oppervlakte en samenhang) van het Natuurnetwerk Nederland mogelijk wordt. Op basis van deze constateringen is aangenomen dat de effectbeoordeling Wet natuurbescherming of het Natura 2000beheerplan, voldoende inzicht biedt in de te verwachten effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Daarmee ontstaat geen strijd met de in de Omgevingsverordening Overijssel beoogde bescherming van de NNN. Vervolgstappen ten aanzien van de NNN zijn niet noodzakelijk

Begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland rondom het Natura2000-gebied Lemselermaten. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid.

Begrenzing van het Natura2000-gebied AVAV. Gronden die tot het Natura2000-gebied AVAV behoren behoren worden met de gele kleur op de kaart aangeduid.

8

4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Indien houtopstanden gekapt worden die onder de Wet natuurbescherming vallen dient een kapmelding gedaan te worden bij de Provincie. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wet natuurbescherming. In principe geldt een instandhoudingsverplichting voor het areaal bos. Bos dient heringeplant te worden, of elders gecompenseerd te worden. Ten gevolge van maatregel M38 (Boskap) wordt opgaande beplanting verwijderd die onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming valt. Indien bos gekapt wordt in het kader van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel, geldt deze instandhoudingsdoelstelling niet. Alle genoemde maatregelen zijn onderdeel van instandhoudingsmaatregelen of passende maatregelen voor Natura 2000-gebied. Er is dus geen sprake van strijdigheid met het onderdeel ‘houtopstanden’ in de Wet natuurbescherming.

4.3 Soortbescherming Voor het hele Natura 2000-gebied is middels een bureaustudie bepaald waar welke beschermde soorten aanwezig zijn. Tijdens de bureaustudie is gebruikgemaakt van diverse openbare bronnen, niet van de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF). Ook is een veldbezoek aan het terrein uitgevoerd ter aanvulling op de bureaustudie. In onderstaande tabel worden beschermde soorten opgesomd waarvoor géén vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze tabel is opgesteld op basis van openbare informatiebronnen en is mogelijk niet volledig. Over de verspreiding van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en kleine zoogdieren is nog (relatief) weinig bekend. Per november 2019 worden kleine marterachtigen en egel vermoedelijk van de Provinciale vrijstellingslijst gehaald. Het gevolg is dat deze soorten niet langer vrijgesteld zijn van wettelijke consequenties en mogen niet meer gedood of verwond worden zonder ontheffing in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling (of gangbaar beheer). Zoogdieren boommarter steenmarter eekhoorn grote bosmuis? waterspitsmuis ? watervleermuis? rosse vleermuis (?) franjestaart (?) gewone grootoorvleermuis (?) ruige dwergvleermuis (?) gewone dwergvleermuis (?) wezel* hermelijn* bunzing * egel *

Herpetofauna levendbarende hagedis poelkikker boomkikker kamsalamander heikikker hazelworm (?)

Ongewervelden zeggekorfslak grote weerschijnvlinder kleine ijsvogelvlinder

Jaarond beschermde wespendief buizerd havik sperwer ransuil bosuil torenvalk zwarte specht boomvalk

Planten

* Deze soorten worden vermoedelijk per november 2019 van de vrijstellingslijst geschrapt. ? Niet vastgesteld, bezetten er mogelijk wel een rust-/voortplantingsplaats

Vastgestelde soorten en mogelijk aanwezige soorten in het Natura2000-gebied waarvoor géén vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.

4.4 Gebiedsbescherming Om een verspreiding te geven van Habitattypen is kaartmateriaal opgesteld. Op onderstaande afbeelding worden alle Habitattypen binnen de begrenzing van het Natura2000-gebied AVAV weergegeven. Naast Habitattypen komen ook de zeggekorfslak en kamsalamander als Habitatsoort voor in het gebied. Deze 9

soorten komen verspreid in het gebied voor en er wordt onderzoek verricht naar deze soort (beheerplan Lemselermaten). De verspreiding van de zeggekorfslak is niet opgenomen in deze rapportage.

Ligging van de verschillende Habitattypen waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in het Natura2000-gebied (bron :geodataoverijssel.nl).

5 Analyse en toetsing gebiedsbescherming 5.1 Inleiding Indien maatregelen, bedoeld als herstelmaatregel voor het Natura2000-gebied opgenomen is in een Beheerplan of een ander door Gedeputeerde Staten vastgesteld (uitvoerings-)plan, dan geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstellingsregeling is opgenomen in de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel (Art. 7.2.1). Wanneer een maatregel benoemd en getoetst is in het beheerplan, is zekerheid verkregen dat de maatregel de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Wel kunnen voorwaarden gelden, die overgenomen zijn in voorliggende rapportage. Om gebruik te mogen maken van deze vrijstelling dient er gewerkt te worden conforme en op te stellen ecologisch werkprotocol. In dit ecologisch werkprotocol is minimaal opgenomen :    

een omschrijving van de uit te voeren Natura 2000-herstelmaatregel; een inventarisatie van de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd; de mogelijke effecten van de uitvoering op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd; maatregelen die worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;

Wanneer een maatregel niet benoemd of niet afdoende getoetst is in het beheerplan, dient het effect van de maatregelen te worden getoetst op de instandhoudingsdoelen voor het Natura-2000 gebied. Binnen voorliggend onderzoek is verkend of bij uitvoering van de maatregel sprake kan zijn van significant negatieve effecten 10

Per maatregelen is getoetst, aan de hand van de effectenindicator (Synbiosys-Alterra), de locaties van de te nemen maatregelen, de aanwezigheid van habitattypen en leefgebieden van Habitatsoorten en deskundigheid van de auteur, bepaald of significante negatieve effecten kunnen optreden op instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied Lemselermaten. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, zijn vervolgstappen nodig. Omdat de maatregelen worden uitgevoerd in het kader van het Programma Aanpak Stikstof, wordt door de werkzaamheden veroorzaakte tijdelijke toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurwaarden buiten beschouwing gelaten. PAS-maatregelen zijn, conform landelijke afspraken, hiervan vrijgesteld.

5.2 Analyse beheerplan Niet alle concrete PAS-maatregelen zijn benoemd in het beheerplan. Als een maatregel beschreven en getoetst is in het beheerplan én de conclusie is dat de maatregel (onder voorwaarden) vergunningvrij kan worden uitgevoerd, dan zijn is veelal geen nader onderzoek nodig. Het op natuurlijke wijze laten verruigen van een grazig perceel staat niet genoemd in het beheerplan, maar wordt niet alse en maatregel beschouwd omdat sprake is van natuurlijke successie. Beheerplan Lemselermaten Het Beheerplan Lemselermaten is op 9 september 2019 definitief vastgesteld. De PAS-maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.1. In hoofdstuk 6.3 wordt ingegaan op de effectbeoordeling van de instandhoudingsmaatregelen, zowel voor PAS-maatregelen, als voor niet-PAS-maatregelen. Daarij dient zowel naar effecten tijdens de uitvoeringsfase gekeken te worden, als naar effecten tijdens de gebruiksfase. In het beheerplan voor de Lemselermaten is hier naar gekeken. nummer M

1

Aanleg stuw

M

2

Aanleg uitstroom _ stuw

M

3

Aanleg uitstroom

M

4

Aanleg uitstroom

M

5

Aanleg onderleider

M

6

Verwijderen duiker

M

7

Aanleg voorde

M

8

Aanleg voorde

M

9

Aanleg voorde

M

10

Aanleg voorde

M

11

Verwijderen duiker

M

12

Gedeelte dam verwijderen

M

13

Gedeelte dam verwijderen

M

14

Gedeelte dam verwijderen

M

15

Gedeelte dam verwijderen

M

16

Gedeelte dam verwijderen

M

17

Vernieuwen stuw

beoordeling maatregel in beheerplan

conclusie

p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie

verbeteren

vergunningvrij

voorwaarde toelichting Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

verbeteren

vergunningvrij

Geen

of

11

M

18

Vernieuwen stuw

p.193 beheerplan: hydrologische situatie p.193 beheerplan: hydrologische situatie nvt

verbeteren

vergunningvrij

Geen

M

19

M

20

Afwateringshoogte sloten afhankelijk van Wareco onderzoek NAM locatie (geen maatregelen)

verbeteren

vergunningvrij

Geen

M

21

M

22

Afwatering percelen in noordelijke richting Duiker door kade voor doorstroming

M

23

Uitstroom waterloop via terugslagklep

M

24

Doorsteek kanaal

M

25

Verwijderen duiker

M

26

Opstuwen

M

27

Dempen

M

28

Nieuwe waterloop

M

29

Verontdiepen 20cm

M

30

Verontdiepen 30 cm

M

31

Verontdiepen 40 cm

M

32

Verontdiepen (onbekend)

M

33

Afvoerbuis afsluiten

M

34

Optimaliseren ontwatering

M

35

Laten verlanden

M

36

Aanpassen Watergang

M

37

Vistrap

p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie wordt niet genoemd in beheerplan

M

38

Boskap

p.192 uitbreiding blauwgrasland

M

39

Buisdrainage dempen

M

40

Doorbraak kanaal

M

41

Nieuwe inrichting (details onbekend)

M

42

Zoekgebied kleinschalig plaggen

M

43

Zoekgebied hervatten hooilandbeheer

M

44

M

45

Zoekgebied kleinschalig chopperen heide Zoekgebied aanleg poelen

M

46

M

47

nvt vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

mogelijk wettelijke consequenties vergunningvrij

Geen

p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 beheerplan: verbeteren hydrologische situatie p.193 uitbreiden areaal blauwgrasland en of hydrologie p.193 beheerplan behoud blauwgrasland p.193 beheerplan behoud blauwgrasland p.193 beheerplan behoud blauwgrasland p.194 aanleggen nieuwe poelen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

vergunningvrij

Geen

Zoekgebied vistrap

wordt niet genoemd in beheerplan

Zoekgebied verwijderen zomereik, aanplant rijk- strooiselsoorten

p. 192 veherstel kwaliteit Eikenhaagbeukenbossen

mogelijk wettelijke consequenties Vergunningvrij

Geen

maaien,

Beoordeling van de maatregelen in beheerplan.

12

5.3 Conclusie Alle maatregelen, met uitzondering van de aanleg van vistrappen, worden in meer of mindere mate concreet beschreven in het Beheerplan voor het gebied. Omdat deze maatregelen beschreven staan in het Beheerplan, geldt voor deze maatregelen een vrijstelling van de Ontheffings- of vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming en hoeven daarom niet nader onderzocht te worden. De aanleg van vistrappen wordt niet in het beheerplan genoemd.

Vistrap Noord

Vistrap Zuid

Activiteiten die niet genoemd staat in het beheerplan van het N2000-gebied.

Mogelijk negatieve effecten De aanleg van de noordelijke vistrap vindt plaats in agrarisch cultuurland, de aanleg de zuidelijke vistrap vindt plaats in een bestaande watergang. Door de aanleg van beide vistrappen worden mogelijk sommige Nationaal beschermde diersoorten verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd of vernield. Ook kunnen grondnesten van vogels beschadigd en vernield worden. Vogels en hun bezette nesten mogen niet negatief beïnvloed worden, voor de grondgebonden zoogdiersoorten die mogelijk negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een ‘Ruimtelijke ontwikkeling’.

Met uitzondering van bezette vogelnesten, geldt voor de overige in het zoekgebied voor aanleg van de vistrappen voorkomende beschermde diersoorten, een vrijstelling in het kader van een Ruimtelijke ontwikkeling.

13

Zoekgebied vistrap-noord

Zoekgebied vistrap-zuid

Wettelijke consequenties Het aanleggen van vistrappen tijdens de voortplantingsperiode leidt mogelijk tot overtreding van. Het vellen van bomen en het verwijderen van strooisel leidt mogelijk tot overtreding van Artikel 3.1 lid 1 en lid 2 en Artikel 3.10 lid 1a en 1b van de Wet natuurbescherming (zie tabel onder).

14

Verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Mits niet voorkomen kan worden dat bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden.

15

6 Analyse en toetsing soortbescherming 6.1 Inleiding In het beheerplan AVAV is geen toetsing opgenomen ten aanzien van soorten en daarom dient het effect op beschermde soorten voor alle maatregelen te worden beoordeeld. Om het effect van de uit te voeren maatregel op een beschermde soort te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke bronnen (gepubliceerde rapporten en internet, zoals de NDFF Verspreidingsatlas), eigen kennis van habitateisen en verspreiding in NO-Twente en is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in het gebied. Er is geen uitgebreide literatuuronderzoek uitgevoerd en er is geen uitdraai gemaakt van alle beschikbare data van de NDFF die betrekking heeft op het gebied. In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het Natura2000-gebied op 7 februari 2018 tijdens de daglichtperiode te voet bezocht. Alle locaties binnen het Natura2000-gebied waar fysieke maatregelen voorsteld worden zijn bezocht en visueel beoordeeld op de mogelijke negatieve effecten op de aanwezige flora- en faunawaarden. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Het veldbezoek is uitgevoerd door Ing. P.Leemreise (specialist vogels, vleermuizen en zoogdieren) en Ing. R.

Schröder (specialis flora- en vegetatie, vissen, herpetofauna, dagvlinders, sprinkhanen, krekels en libellen). Op 7 februari was het onbewolkt met een temperatuur van -1⁰C. De wind was matig tot krachtig (4-5 Bft) en er was ijsbedekking op stilstaande wateren.

6.2 Effectbeoordeling van beschermde soorten Vaste planten Het gebied vormt de groeiplaats voor verschillende zeldzame- en bijzondere planten. Er groeien in het Natura2000-gebied AVAV echter geen beschermde plantensoorten. Verschillende plantensoorten, die wel beschermd waren via de Flora- en faunawet, zijn niet langer beschermd in de Wet natuurbescherming. 6.2.1 Vogels Het gebied behoort tot het functionele leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het gebied als foerageergebied, sommige soorten bezetten er een gemeenschappelijke slaapplaats en er nestelen vogels in boomholten, in bomen, struiken, oever, water en dichte vegetatie op de grond. In het gebied is een bezet nest van de havik en de buizerd waargenomen. Van de meeste vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, maar in het gebied nestelen verschillende soorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.

Foto links: bezet buizerdhorst en rechts bezet havikhorst in het plangebied.

16

Effectbeoordeling Omdat vliegvlugge vogels doorgaans tijdig wegvluchten bij onraad, is het niet aannemelijk dat volwassen vogels verwond of gedood worden. Afhankelijk van de periode van het jaar waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden, kunnen bezette vogelnesten beschadigd en vernield worden, waardoor eieren beschadigd of vernield worden en/of jonge vogels verwond of gedood kunnen worden. Vogels kunnen nestplaatsen bezetten in de periode januari-augustus. De meeste vogels hebben een bezet nest in de periode maart-half juli, maar kunnen bosuilen soms al in januari op de eieren zitten en vliegen de laatste jonge wespendieven pas medio augustus uit. Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht. De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :     

Maaien/chopperen van lage vegetatie Vergraven van grond Verwijderen van strooisel Kappen van bomen Aanpassen/aanleggen watergang (incl. Doorsteek)

Wettelijke consequenties Bij het naleven van de zorgplicht, leiden de voorgenomen activiteiten tot de volgende wettelijke consequenties :  Sparen jaarrond beschermde nesten ;  Werken buiten de broedtijd ;

Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijden het veldbezoek verschillende grondgebonden zoogdieren waargenomen zoals haas en ree en zijn er sporen gevonden van de veldmuis, bosmuis, mol, eekhoorn en vos. Het plangebied behoort vermoedelijk tevens tot het functionele leefgebied van verschillende andere algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als aardmuis, rosse woelmuis, bruine rat, dwergmuis, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, egel, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel. Het plangebied wordt als ongeschikte habitat voor de veldspitsmuis beschouwd, maar mogelijk duikt er incidenteel een boommarter op in het plangebied. Er zijn geen directe aanwijzingen gevonden, maar mogelijk behoort het gebied tot het functionele leefgebied van de waterspitsmuis en de das. Er zijn tijdens het veldbezoek geen dassenburchten in het plangebied waargenomen. Gelet op de recente toename van de grote bosmuis, is het aannemelijk dat deze soort inmiddels voorkomt in het gebied, vooral het half open agrarisch cultuurlandschap met houtwallen en (kleine) bosjes. Grondgebonden zoogdieren bezetten hoofdzakelijk een rust- en voortplantingslocatie in holen in de grond, maar sommige soorten bezetten een rust- en voortplantingslocatie in de vegetatie (dwergmuis), in bomen (eekhoorn) of onder takkenbossen (marterachtigen).

Soorten als haas en ree werpen hun jongen op de grond, meestal in hoge grazige vegetatie. Met uitzondering van mol, veldmuis en haas, vormen de agrarische cultuurgronden een ongeschikte rust- of voortplantingsplaats voor grondgebonden zoogdieren. Effectbeoordeling Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond of gedood. Sommige grondgebonden zoogdieren zullen vluchten, maar een aantal zal zich stil houden in holen en gaten in de grond en zal als gevolg van het berijden van het terrein met zwaar materieel of het vergraven van grond, verwond of gedood worden. Ook zullen rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield worden. 17

Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht. De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :  Maaien/chopperen van lage vegetatie  Vergraven van grond  Verwijderen van strooisel  Kappen van bomen  Aanpassen watergang  Graven van poelen  Aanpassen/aanleggen watergang (incl. Doorsteek)

Wettelijke consequenties Bij het naleven van de zorgplicht, leiden de voorgenomen activiteiten tot de volgende wettelijke consequenties :  Bijvoorkeur werken buiten de voortplantingsperiode ;  Géén takkenbossen verwijderen tijdens de winterrustperiode van de egel ; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen directe aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. Gelet op het areaal bos en het percentage dode en vervallen bomen en de aanwezigheid van spechten die jaarlijks nieuwe holen in bomen hakken, is het aannemelijk dat boombewonende soorten als gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis er een zomer- en mogelijk paarverblijfplaats bezetten. In sommige delen van AVAV zijn enkele holen en losse schors in/aan zomereiken waargenomen. De holenbomen vormen mogelijk een verblijfplaats voor de rosse vleermuis en/of watervleermuis. Dergelijke verblijfplaatsen kunnen fungeren als zomer- en paarverblijf en mogelijk als kraamkolonie. De functie van de aanwezige holenbomen als winterverblijfplaats is onduidelijk. Vanwege de beperkte omvang van de bomen wordt verondersteld dat de bomen een ongeschikte winterverblijfplaats voor vleermuizen vormen.

Gedeelte van AVAV met dode zomereiken. Hierin bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen.

18

Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Behalve de aanwezigheid van verblijfplaatsen, is het aannemelijk dat het plangebied door verschillende vleermuissoorten worden benut als foerageergebied tijdens de actieve periode (april-half oktober). Soorten die mogelijk in het plangebied foerageren zijn watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart, en rosse vleermuis. Het is niet uitgesloten dat sommige andere, meer zeldzame vleermuissoorten als bosvleermuis, vale vleermuis en franjestaart het plangebied ook benutten als foerageergebied.

Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan wel een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen als geleiders tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindend element in een lijnvormig landschapselement en vormt daarom geen essentiële schakel in een vliegroute voor vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden vliegroutes van vleermuizen niet negatief beïnvloed. Effectbeoordeling Alleen door het rooien van bomen met holen en gaten in de stam of een holle ruimte achter schors, worden mogelijk vleermuizen verwond of gedood en worden mogelijk verblijfpaatsen beschadigd of vernield. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vliegroute of foerageergebied aangetast. Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht.

De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :  Kappen van bomen

Wettelijke consequenties Bij het naleven van de zorgplicht, leiden de voorgenomen activiteiten tot de volgende wettelijke consequenties :  Te vellen bomen onderzoeken op functie als verblijfplaats voor vleermuizen ;

Amfibieën Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin amfibieën actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en bekende verspreidingsgegevens, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als bruine kikker, heikikker, kleine watersalamander, bastaardkikker en gewone pad en tot functioneel leefgebied van sommige zeldzame en kritische soorten als poelkikker, boomkikker en kamsalamander. Amfibieën benutten deze habitats als foerageergebied, voortplantingslocatie en bezetten er ook (winter)rustplaatsen. Amfibieen benutten poelen als voortplantingslocatie en bezetten 19

(winter)rustplaatsen in holen in de grond, in slib onder water, onder takkenhopen en strooisellaag. De intensief gebruikte agrarische percelen in het plangebied behoren tot een nagenoeg ongeschikt functioneel leefgebied voor amfibieën.

Potentiele voortplantingslocatie voor zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander en boomkikker in het plangebied.

Effectbeoordeling Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieen verwond en gedood. Amfibieen zijn doorgaans te traag om te vluchten bij onraad tijdens de actieve periode of verschuilen zich overdag in holen en gaten in de grond of onder strooisel/takken of in waterenn. Amfibieen bezetten een winterrustplaats in holen en gaten in de grond tijdens de winterrustperiode (oktober-maart). Als gevolg van het berijden van het terrein met zwaar materieel of het vergraven van grond, kunnen amfibieen verwond of gedood worden en kunnen rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield worden. Er wordt geen voortplantingsbiotoop aangetast. Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht. De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :      

Maaien/chopperen van lage vegetatie Vergraven van grond Verwijderen van strooisel Aanpassen watergang Graven van poelen Aanpassen/aanleggen watergang (incl. Doorsteek)

Wettelijke consequenties Bij het naleven van de zorgplicht, leiden de voorgenomen activiteiten tot de volgende wettelijke consequenties :  Bijvoorkeur werken buiten de winterrustperiode ;  Geen poelen vergraven tijdens de voortplantingsperiode ;  Géén takkenbossen verwijderen tijdens de winterrustperiode van amfibieeën ;  Geen strooisel verwijderen tijdend de winterrustperiode van amfibieeën

20

Reptielen Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin amfibieën actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en bekende verspreidingsgegevens, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden. Er zijn geen actuele verspreidingsgegevens, die er op duiden dat het plangebied tot het functionele leefgebied van de hazelworm, gladde slang of ringslang behoort. Het plangebied behoort wel tot het functionele leefgebied van de levendbarende hagedis. Deze bezet delen van het plangebied met een dichte vegatatie, zoals droge heide en pijpestrootje. De soort komt vermoedelijk voor binnen de begrenzing van het gebied, alsmede in schrale wegbermen erbuiten. De agrarische percelen vormen een voor reptielen ongeschikt leefgebied. Effectbeoordeling Afhankelijk van de periode van jaar, waarin grazige vegetatie en heide gemaaid, geplagd of gechopperd wordt, kunnen levendbarende hagedissen verwond en gedood worden en kunnen winterrustplaatsen beschadigd en vernield worden. Door het vergraven van bermsloten kan functioneel leefgebied verloren gaan. Een berm en kavelgrenssloot aan de westzijde van het Agelerbroek bestaat (plaatselijk) uit een heischrale vegetatie. Deze berm inclusief taluds van de kavelgrenssloot, vormt een potentieel leefgebied voor levendbarende hagedissen.

Bij werkzaamheden aan deze berm/sloot dient specifiek aandacht besteed te worden aan de mogelijke aanwezigheid van deze soort.

Potentieel leefgebied van de levendbarende hagedis, net ten westen van het natuurgebied. Het potentiële leefgebied in de berm wordt met de blauwe ovaal op de kaart aangeduid.

Aanzicht op een berm met aangrenzende kavelgrenssloot welke mogelijk tot functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis behoort. Bij uitvoering van werkzaamheden in deze strook dient nadrukkelijk rekening gehouden te worden met de habitateisen van deze soort. 21

Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht. De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :  Maaien/chopperen van lage vegetatie  Vergraven van grond  Dempen watergang (westzijde Agelerbroek) Wettelijke consequenties Bij het naleven van de zorgplicht, leiden de voorgenomen activiteiten tot de volgende wettelijke consequenties :  Functie behouden van potentiële winterrustplaatsen ;  Maaien/chopperen van lage vegetatie buiten de actieve periode ;  Leefgebied vergraven tijdens de actieve periode ; Ongewervelden Bosvlinders Het Natura2000-gebied behoort tot het functionele leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. Deze vlinders overwinterten niet als volwassen dier, maar afgezette eieren op waardplanten vormen de basis voor de nieuwe generatie.

Effectbeoordeling Met uitzondering van het verwijderen van opgaande vegetatie, zullen de voorgenomen activiteiten geen negatief effect hebben op kleine ijsvogelvlinder of grote weerschijnvlinder. Mogelijk worden half volgroeide rupsen afgevoerd wanneer waardplanten (grote weerschijnvlinder : wilg, kleine ijsvogelvinder : wilde kamperfolie) verwijderd worden. Zorgplicht Ondanks de vrijstelling van de verbodsbepalingen, geldt de zorgplicht. De zorgplicht verplicht uitvoerders om de werkzaamheden op een zo diervriendelijke wijze uit te voeren, ter voorkoming van het doden en verwonden van dieren en het onnodig beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. De zorgplicht leidt tot consequenties voor de volgende maatregelen :  Geen ;

22

6.3 toelichting wettelijke consequenties 6.3.1 Vrijstelling in het kader van instandhoudingsdoelen Natura2000 Voor het doden/verwonden van beschermde dieren, het beschadigen/vernielen van (bezette) nesten en het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren en het vernielen van beschermde planten, geldt een vrijstelling wanneer deze het direct of indirect gevolg zijn van activiteiten of maatregelen die uitgevoerd worden in het kader van een vastgesteld beheerplan voor een bepaald Natura2000-gebied. Om gebruik te mogen maken van deze vrijstelling dient er gewerkt te worden conform een op te stellen ecologisch werkprotocol.

In dit ecologisch werkprotocol is minimaal opgenomen :  een omschrijving van de uit te voeren Natura 2000-herstelmaatregel;  een inventarisatie van de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;  de mogelijke effecten van de uitvoering op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd;  maatregelen die worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, op de aanwezige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het gebied waar de Natura 2000-herstelmaatregel wordt uitgevoerd; 6.3.2 Vrijstelling in het kader van een Ruimtelijke ontwikkeling Omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling, geldt voor een aantal algemene, en minder kritische diersoorten in Overijssel en vrijstelling voor het doden en verwonden van dieren en het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen. Deze vrijstelling geldt niet voor beschermde planten, en zeldzame- en meer kritische diersoorten, waaronder alle vogels, reptielen en vleermuizen en een aantal grondgebonden zoogdieren en amfibieën. In onderstaande tabel worden de soorten weergegeven waarvoor deze vrijstelling geldt.

Vermoedelijk worden de egel, hermelijn, wezel en bunzing van deze vrijstellingslijst verwijderd, als één van de wijzigingen van de Omgevingsverordening Overijssel. Besluitvorming hierover vindt vermoedelijk plaats in november 2019. Als gevolg van deze wijziging, mogen voorgenoemde soorten niet verwond of gedood worden en mogen rust- en voortplantingslocaties niet beschadigd of vernield worden zonder ontheffing, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling of gangbaar gebruik. Ongeacht of een soort wel of niet beschermd is, voor alle in ons land voorkomende dier- en plantensoort geldt de zorgplicht. Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

23

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019. Soorten die met de cirkel zijn aangeduid, worden vermoedelijk van de vrijstellingslijst gehaald per november 2019.

24

6.3.3 Vrijstelling in het kader van een Gedragscode Voor een aantal algemene diersoorten geldt een vrijstelling voor het doden/verwonden van beschermde dieren, het beschadigen/vernielen van (bezette) nesten en het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen, mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde Gedragscode. Deze Gedragscode kan alleen benut worden t.b.v. beheermaatregelen, niet ten behoeve van inrichtingsmaatregelen.

7 Conclusies 7.1 Algemeen De voorgestelde PAS-maatregelen, voor zover die bestaan uit het uitvoeren van fysieke maatregelen in het gebied, staan nagenoeg allemaal vermeld in het Beheerplan van het Natura2000-gebied AVAV. Alleen het aanleggen van vistrappen wordt niet als concrete maatregel benoemd. Voor het doden/verwonden van beschermde dieren en het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen, als gevolg van ingrepen die vermeld staan in het beheerplan voor Natura2000gebied AVAV, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Deze vrijstelling geldt niet voor negatieve effecten op beschermde soorten en waarden (zoals rust- en voortplantingsplaatsen) die optreden als gevolg van de aanleg van vistrappen. Voor deze activiteit kan geen gebruik gemaakt worden van de vrijstellingsmogelijkheden die het werken volgens een Gedragscode biedt.

25

gebiedsbescherming nummer Vergunningvrij Vervolgstap M 1 Aanleg stuw ja ecologisch werkprotocol M 2 Aanleg uitstroom _ stuw ja ecologisch werkprotocol M 3 Aanleg uitstroom ja ecologisch werkprotocol M 4 Aanleg uitstroom ja ecologisch werkprotocol M 5 Aanleg onderleider ja ecologisch werkprotocol M 6 Verwijderen duiker ja ecologisch werkprotocol M 7 Aanleg voorde ja ecologisch werkprotocol M 8 Aanleg voorde ja ecologisch werkprotocol M 9 Aanleg voorde ja ecologisch werkprotocol M 10 Aanleg voorde ja ecologisch werkprotocol M 11 Verwijderen duiker ja ecologisch werkprotocol M 12 Gedeelte dam verwijderen ja ecologisch werkprotocol M 13 Gedeelte dam verwijderen ja ecologisch werkprotocol M 14 Gedeelte dam verwijderen ja ecologisch werkprotocol M 15 Gedeelte dam verwijderen ja ecologisch werkprotocol M 16 Gedeelte dam verwijderen ja ecologisch werkprotocol M 17 Vernieuwen stuw ja ecologisch werkprotocol M 18 Vernieuwen stuw ja ecologisch werkprotocol M 19 Afwateringshoogte sloten afhankelijk van Wareco onderzoek ja ecologisch werkprotocol M 20 NAM locatie (geen maatregelen) M 21 Afwatering percelen in noordelijke richting ja ecologisch werkprotocol M 22 Duiker door kade voor doorstroming ja ecologisch werkprotocol M 23 Uitstroom waterloop via terugslagklep ja ecologisch werkprotocol M 24 Doorsteek kanaal ja ecologisch werkprotocol M 25 Verwijderen duiker ja ecologisch werkprotocol

M 26 Opstuwen ja ecologisch werkprotocol M 27 Dempen ja ecologisch werkprotocol M 28 Nieuwe waterloop ja ecologisch werkprotocol M 29 Verontdiepen 20cm ja ecologisch werkprotocol M 30 Verontdiepen 30 cm ja ecologisch werkprotocol M 31 Verontdiepen 40 cm ja ecologisch werkprotocol M 32 Verontdiepen (onbekend) ja ecologisch werkprotocol M 33 Afvoerbuis afsluiten ja ecologisch werkprotocol M 34 Optimaliseren ontwatering ja ecologisch werkprotocol M 35 Laten verlanden ja ecologisch werkprotocol M 36 Aanpassen Watergang ja ecologisch werkprotocol M 37 Vistrap Nee nader onderzoek M 38 Boskap ja ecologisch werkprotocol M 39 Buisdrainage dempen ja ecologisch werkprotocol M 40 Doorbraak kanaal ja ecologisch werkprotocol M 41 Nieuwe inrichting (details onbekend) ja ecologisch werkprotocol M 42 Zoekgebied kleinschalig plaggen ja ecologisch werkprotocol M 43 Zoekgebied hervatten hooilandbeheer ja ecologisch werkprotocol M 44 Zoekgebied kleinschalig maaien, chopperen heide ja ecologisch werkprotocol M 45 Zoekgebied aanleg poelen ja ecologisch werkprotocol M 46 Zoekgebied vistrap Nee nader onderzoek M 47 Zoekgebied verwijderen zomereik, aanplant rijk- strooiselsoorten ja ecologisch werkprotocol

Gedragscode nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee ja ja ja nee nee nee

soortbescherming vergunningvrij Vervolgstap ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ecologisch werkprotocol ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja nee ja ja ja ja ja ja ja ja nee ja

ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol nader onderzoek ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol nader onderzoek ecologisch werkprotocol

Overzicht conclusies en vervolgstap per maatregel.

6.2 Conclusie en aanbeveling Het beheerplan (2016) Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek beschrijft in hoofdstuk 6.2 en 6.3, respectievelijk Uitwerking doelstellingen en strategie, en Maatregelen, de noodzakelijke beheer en inrichtingsmaatregelen t.b.v. het behalen van de Kernopgaven en Instandhoudingsdoelstellingen. In het beheerplan wordt niet gedetailleerd ingegaan op de noodzakelijke maatregelen. Die uitwerking is opgesteld door de Unie van Bosgroepen (2017). De ontwikkelingsstrategie gaat voor de eerste beheerplanperiode (6 jaar) uit van behoud van de Vochtige alluviale bossen en Eiken-haagbeukenbossen en vervolgens op een verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het areaal Vochtige alluviale bossen op de middellange termijn binnen de Natura 2000begrenzing (2e en 3e beheerplanperiode). De Kernopgave ‘vergroting areaal’ en ‘herstel kwaliteit’ van het Habitattype Eiken-haagbeukenbossen is niet als zodanig in het Aanwijzingsbesluit geformuleerd (hierin staat behoud areaal en kwaliteit). In de ontwikkelingsstrategie wordt daarom uitgegaan van behoud van areaal en kwaliteit van Eikenhaagbeukenbossen, zowel voor de eerste beheerplanperiode als voor de middellange termijn. Het Habitattype Blauwgrasland, de habitatsoort Kamsalamander en het Habitattype Eikenhaagbeukenbossen liften grotendeels mee op de ontwikkelingsstrategie voor Vochtige alluviale bossen.

De habitatsoort Zeggekorfslak lift geheel mee op de ontwikkelingsstrategie voor Vochtige alluviale bossen. Uitbreiding van Blauwgrasland vindt plaats in de nabijheid van bestaande Blauwgraslanden 26

Voor negatieve effecten op Habitattypen en –soorten, als gevolg van maatregelen, die gericht zijn op het herstel en verbetering van de hydrologische situatie van het Natura2000-gebied, zowel directe als indirecte gevolgen, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen voor soorten en gebieden, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Om gebruik te kunnen maken van deze vrijstelling, dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol (bron :beheerplan AVAV – 2016). Voor negatieve effecten op soorten en Habitatypen, die als gevolg van de aanleg van de vistrappen ontstaan, geldt een vrijstelling voor de meeste in het plangebied voorkomende soorten. Deze vrijstelling geldt niet voor vogels, bezette vogelnesten en grondgebonden zoogdiersoorten als grote bosmuis en waterspitsmuis. Om de voorgestelde PAS-maatregelen, met uitzondering van alle maatregelen die te maken hebben met de aanleg van vistrappen, uit te mogen voeren, hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden. Ook hoeft geen Voortoets of Passende beoordeling opgesteld te worden. Wel dienen alle voorgestelde maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. Om dit ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen dient veel detailinformatie omtrent de verspreiding van planten en dieren in het gebied voorhanden te zijn.

In de loop der tijd is veel aanvullend onderzoek verricht, veelal gericht op Habitattypen en Habitatsoorten, maar ook terreineigenaren en lokale werkgroepen beschikken vermoedelijk over veel informatie. Al deze kennis dient bijeen gebracht te worden t.b.v. het opstellen van een volledig ecologisch werkprotocol. Indien kennis omtrent voorkomen en verspreiding ontbreekt, dient mogelijk aanvullend veldbiologisch onderzoek verricht te worden. Om de wettelijke consequenties van de aanleg van de vistrappen inzichtelijk te maken is nader onderzoek nodig, in het bijzonder t.b.v. de aanleg van de vistrap in het zuidelijke deel.

27

Bijlage. Geraadpleegde bronnen:

Rapporten : Coöperatie Unie van Bosgroepen. 2017. Achterde Voort, Agelerbroek en Voltherbroek - uitwerking maatregelenpakket. Eigen uitgave Unie van Bosgroepen, Ede. Provincie Overijssel. 2017. Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Achter de Voort, Agelerbroek en Volterbroek. Eigen uitgave Provincie Overijssel, Zwolle. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 2016. Beheerplan Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Volterbroek (47). RVO, Den Haag.

Internet: https://www.geoportaaloverijssel.nl/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ https://www.verspreidingsatlas.nl/ https://waarneming.nl/

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/597/documents/18311