CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen regels_Bijlage 2 Besluit Natura 2000-gebied _Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek_.pdf

Gemeenteraad 27 september 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek23.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De “bestaande budgetten” waaruit realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gefinancierd moet worden, zijn grotendeels opgenomen in het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en de financiële middelen voor de bestrijding van verdroging in de zogenoemde TOP-lijst gebieden. Daarnaast is ook het bestaande beheerbudget voor Staatsbosbeheer een financieringsbron voor de instandhoudingsdoelstellingen. Waar de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gekoppeld zijn aan waterkwaliteit kunnen de additionele kosten worden gefinancierd via het spoor van de Kaderrichtlijn Water. Veel subsidiemogelijkheden voor inrichting en (agrarisch) natuurbeheer zijn met het ILG onder verantwoordelijkheid van de provincies gekomen. Daartoe behoren de maatregelen die vallen onder het Subsidiestelsel Natuur- & Landschapsbeheer (vanaf 2010) en de provinciale subsidieregelingen zoals de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Verder is er in het kader van het LIFE+-programma vanuit de Europese Commissie geld beschikbaar voor overheden en NGO’s voor co-financiering van de ontwikkeling, implementatie, monitoring, evaluatie en communicatie van het Europees milieu- en natuurbeleid en van wetgeving op dit gebied, bijvoorbeeld voor projecten die gericht zijn op maatregelen voor behoud en herstel van Natura 2000-waarden.

4.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN Meerdere insprekers lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat het gebied de Europese Natura 2000-selectiecriteria bevat. De ecologische kenmerken van de habitattypen zwakgebufferde vennen (H3130), eikenhaagbeukenbossen, hogere zandgronden (H9160A) en vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91E0C) zijn niet of nauwelijks aanwezig en ook niet potentieel aanwezig. Op basis van ontbreken van de habitattypen kan de habitatsoort kamsalamander (H1166) in dit gebied niet voorkomen. Ook de zeggekorfslak (H1016) is ten onrechte voor dit gebied aangewezen. Op basis van deze conclusie verzoeken de insprekers vervolgens de begrenzing van het gebied te corrigeren of zelfs de aanwijzing volledig te schrappen. De zienswijzen hebben deels geleid tot aanpassing van het besluit. Het gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek was ten tijde van de aanmelding één van de drie belangrijkste gebieden voor het habitattype eiken-haagbeukenbossen, hogere zandgronden (H9160A) en is destijds daarom voor dit habitattype geselecteerd. Vervolgens moeten vanuit de Habitatrichtlijn alle in het gebied aanwezige habitattypen en soorten aangewezen en beschermd worden. Het deelgebied Achter de Voort is komen te vervallen. Zie voor een nadere toelichting de Nota van Antwoord, paragraaf 3.3.

In paragraaf 4.4 van deze Nota van toelichting zijn de locaties van de genoemde habitattypen en soorten in het gebied globaal nader beschreven. Een inspreker acht het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) niet van toepassing op het Natura 2000gebied en met name het deelgebied Achter de Voort. De reden hiervoor is het veronderstelde voorkomen van de tot het Potamion graminei behorende gemeenschappen, welke voorkomen in dieper water. Diepere wateren zijn echter geheel niet te vinden in dit gebied. Ook zouden gemeenschappen uit het verbond Eleocharition acicularis moeten voorkomen in het gebied, welke typerend zijn voor vennen en visvijvers, 40

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

maar deze komen ook niet in het aangewezen gebied voor. Daarnaast lijken pionierbegroeiingen van het Nanocyperion flavescentis niet voor te komen vanwege het feit dat er geen karrensporen/paden door het gebied hebben gelopen. Als laatste het voorkomen van pleistocene zandgronden: aangezien de bovengrond in Twente in zijn geheel veelal bestaat uit afzettingen gevormd tijdens de glacialen in het pleistoceen, acht de inspreker dit een zeer ruime en onnauwkeurige benadering van dit habitattype. De zienswijze is niet overgenomen. Het habitattype komt in goede kwaliteit voor in de vorm van ongelijkbladig fonteinkruid in een natuurlijke laagte in het deelgebied Agelerbroek en is derhalve opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Zie bijlage B.1 en paragraaf 4.4. Volgens een inspreker ontbreekt de noodzaak voor de aanwijzing van blauwgraslanden (H6410) in Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. De bijdrage van dit habitattype in het aangewezen Natura 2000-gebied wordt negatief beoordeeld en er is al een landelijke dekking van 70%. Een andere inspreker geeft aan dat er van grasland totaal geen sprake is in het gebied. Het gebied is afgegraven en het overige grasland is dichtgegroeid met struiken en bomen. Bovendien is er geen sprake van venige grond of klei. Het gaat hier om schraal zand op een lemige bodem.

De aanwezigheid van kalkhoudende grond trekt de inspreker sterk in twijfel gezien de afwijkende pH van de omliggende gebieden. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het besluit. Vanuit de Habitatrichtlijn bestaat de verplichting alle in het gebied aanwezige habitattypen en soorten aan te wijzen en te beschermen, zie voor een nadere toelichting paragraaf 3.3 van de Nota van Antwoord. Blauwgraslanden zijn aanwezig in het gebied: in paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting is de locatie van de habitattypen en soorten in het gebied globaal beschreven. Op meerdere locaties in het gebied komt het habitattype voor en de aard van de bodem biedt potentie voor uitbreiding van de oppervlakte. De zuurgraad van de bodem is inderdaad van belang voor dit habitattype. Wegens de aanwezigheid van kalkrijke leemlagen is plaatselijk wel degelijk sprake van de voor dit habitattype vereiste kalkrijke kwel. Een inspreker is van mening dat aanwijzing van Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek voor het habitattype eiken-haagbeukenbossen, hogere zandgronden (H9160A) geheel overbodig is. Op korte afstand ligt het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal wat volgens de inspreker een grotere bijdrage levert, aangezien in het huidige aangewezen gebied minder dan 2% van dit type voorkomt en erg geïsoleerd ligt in een overwegend agrarisch gebied.

Een andere inspreker acht het habitattype eiken-haagbeukenbossen, hogere zandgronden (H9160A) niet aanwezig. De soortenrijkdom wordt sterk overschat gezien het grote aandeel van elzen en populieren met name in het deelgebied Achter de Voort. De in de jaren vijftig en zestig aanwezige graslanden zijn toen beplant met populieren en na afgraving van de toplaag tien jaar geleden zijn voornamelijk elzen opgekomen. Bovendien zou kenmerkend voor een dergelijk habitat zijn dat de grondwaterstand in de zomer en winter sterk afwijken ten opzichte van elkaar. Dit is niet het geval in het gebied Achter de Voort. De zienswijzen hebben deels geleid tot aanpassing van het besluit. Het deelgebied Achter de Voort is komen te vervallen. Zie paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting. Het habitattype komt verspreid voor in het gebied. Zie paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting. Volgens een inspreker ontbreekt de noodzaak voor de aanwijzing van het Natura 2000-gebied. Het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91E0C) draagt nauwelijks (<2%) of niet bij aan de landelijke opgave terwijl er voldoende gebieden met grotere oppervlakten zijn aangewezen. Bovendien moeten er in dit geval zeer grote inspanningen uitgevoerd worden in en buiten het gebied om uitbreiding mogelijk de maken.

Een andere inspreker is ook van mening dat voor dit habitattype geen sprake is van grote oppervlakten met goed ontwikkelde beekbegeleidende bossen. Het deelgebied Achter de Voort betreft in zijn geheel een dekzandwelving en -vlakte. Ook de deelgebieden Agelerbroek en Voltherbroek vallen grotendeels onder de dekzandwelvingen en -vlakten in plaats van beekdalen en overstromingsvlakten. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Vanuit de Habitatrichtlijn bestaat de verplichting alle in het gebied aanwezige habitattypen en soorten aan te wijzen en te beschermen, zie voor 41

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

een nadere toelichting paragrafen 2.1.2 en 3.3 van de Nota van Antwoord. Het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C) komt plaatselijk in goed ontwikkelde vorm voor in elk van de deelgebieden Agelerbroek en Voltherbroek. De relatieve bijdrage van het subtype aan de landelijke opgave is tussen de 2 en 6 % (B1), zie bijlage B van de Nota van toelichting. Er zijn mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. De uitbreiding van oppervlakte zal grotendeels gerealiseerd kunnen worden binnen bestaand bosareaal in het gebied. Maatregelen hiervoor zullen in het beheerplan verder worden uitgewerkt. Een inspreker stelt dat in de omschrijving van de zeggekorfslak (H1016) staat dat deze soort recentelijk slechts in vier gebieden is waargenomen. Hier hoort het deelgebied Agelerbroek niet bij, aldus de inspreker. Het document (inventarisatie en onderzoek) dat ten grondslag ligt aan de aanwijzing voor H1016 de zeggekorfslak spreekt in de tekst over 1 locatie in kilometerhok 259-489 en 3 locaties in 258-489 (Agelerbroek). De inspreker is van mening dat ten onrechte gesuggereerd wordt dat het Agelerbroek een bijdrage levert van 2-15%, aangezien hier slechts een eenmalig onderzoek uit 2005, op een beperkt aantal locaties, aan ten grondslag ligt.

Ten tijde van de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden (2003) was het voorkomen van de zeggekorfslak alleen bekend in vier gebieden in Limburg: Swalmdal (148), Roerdal (150), Geleenbeekdal (154) en Sint Jansberg (142), zoals genoemd in het Lijstdocument, 2004. Dankzij inventarisaties in de jaren 2004-2008 is gebleken dat de landelijke verspreiding veel ruimer is met vindplaatsen onder andere in Twente (zoals in Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (047)). De weergave van de relatieve bijdrage van het gebied in het aanwijzingsbesluit is gewijzigd ten opzichte van het profielendocument (2006). De huidige relatieve bijdrage van het gebied is met recentere informatie (2008) ten opzichte van het profielendocument (2006) vastgesteld op 2-6% (B1), zie bijlage B.3.2. In de laatste vijf jaar is de soort in 2005 en 2007, op zes verschillende locaties (3 kilometerhokken), in het Natura 2000-gebied Agelerbroek en Voltherbroek waargenomen. In paragraaf 4.4 van deze Nota van toelichting is de locatie van de genoemde habitattypen en soorten in het gebied globaal beschreven. Volgens een inspreker wordt in de toelichting van de instandhoudingsdoelstelling van de kamsalamander (H1166) niet genoemd dat de deze soort ook voorkomt in de Hunenborg. De zienswijze is deels overgenomen.

In het ontwerp-aanwijzingsbesluit werden destijds alleen de gebieden in de toelichting vermeld waar de soort vooral voor kwam. Aangezien het aantal waarnemingen een stuk lager ligt in de Hunenborg is de soort toentertijd niet genoemd. In het definitieve aanwijzingsbesluit is een dergelijke zin opgenomen: “De kamsalamander is reeds van voor 2000 bekend uit het Voltherbroek en het Oude Broek en Wiekermeden en is daar sindsdien regelmatig waargenomen”. In paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting wordt genoemd dat sinds de periode 2005-2009 de kamsalamander ook in de Hunenborg waargenomen is. Een inspreker geeft aan dat op dit moment voor twee gebieden in Overijssel nader onderzoek is gedaan, waar volgens de inspreker uit blijkt dat grote vraagtekens gezet kunnen worden bij het überhaupt voorkomen van bepaalde Natura 2000-habitattypen en -soorten. Ook valt sterk te betwijfelen of sommige habitats/soorten wel van Europees belang zijn, lijken de omgevingseisen van verschillende habitats/soorten strijdig met elkaar en ontbreken analyses van de ontwikkeling van de habitats/soorten van de afgelopen jaren, aldus inspreker. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit.

Het onderzoek waarop de inspreker haar zienswijze heeft gebaseerd kon bij de behandeling van deze zienswijze niet worden betrokken, omdat niet duidelijk is om welk onderzoek het gaat en deze niet was meegestuurd. Los hiervan kan worden geconstateerd dat alle waarden waarvoor het gebied is aangewezen van Europees belang zijn, omdat deze voorkomen op de bijlagen behorende bij de Habitatrichtlijn. Er worden geen gebieden aangewezen voor andere habitats of soorten dan die op deze bijlagen voorkomen. In paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting van dit besluit zijn de locaties van de aangewezen habitattypen en soorten in het gebied globaal beschreven. De uitwerking van de doelstellingen in omvang, ruimte en tijd, waarbij ook de recente ontwikkeling van waarden een rol kan spelen, vindt plaats in het beheerplan. Indien er sprake is van strijdigheid tussen 42

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

(omgevingseisen van) aangewezen waarden, dan zal hier in het beheerplanproces nader op ingegaan worden en zal hiervoor middels lokalisering, fasering en prioritering van de waarden een oplossing kunnen worden gezocht.

43

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

44

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

5

bijlage C

REACTIES OVER DE RECHTSGEVOLGEN

5.1 ALGEMEEN Er wordt door diverse insprekers gewezen op het feit dat de gevolgen van het huidig gevoerde natuurbeleid een onevenredige belasting vormen voor de bevolking van Noordoost Twente. Men stelt dat het onmogelijk is om op basis van de stukken te bepalen wat de gevolgen van de aanwijzing zijn voor de individuele bedrijfsvoering. De scheiding in tijd tussen het aanwijzingsbesluit en het beheerplan wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden. Daarnaast worden er veel opmerkingen gemaakt en vragen gesteld over de diverse facetten van bestaand gebruik, de externe werking, de relatie met het toetsingskader Ammoniak en Natura 2000, de relatie met de Kaderrichtlijn Water en de relatie met bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen zoals het Uitwerkingsplan Reconstructie Dinkelland. Enkele insprekers wijzen er op dat 1 oktober 2005 (de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998) niet als peildatum voor bestaand gebruik kan dienstdoen. Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Externe werking Het is moeilijk aan te geven wat de precieze omvang van de externe werking van een bepaalde activiteit is. In paragraaf 4.3 van de Nota van Antwoord staat dat dit afhangt van de aard van de activiteit zelf, de intensiteit ervan en de gevoeligheid van de aanwezige habitattypen en soorten.

Het valt op voorhand dus niet te zeggen of er beïnvloeding plaatsvindt. Dat betekent dat wanneer niet uitgesloten kan worden dat een Natura 2000-gebied door een bepaalde activiteit wordt beïnvloed, er bekeken moet worden of er op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 een vergunningplicht voor een bepaalde activiteit aan de orde is. Het is dus evenmin aan te geven waar de externe werking van een bepaalde activiteit eindigt. In het beheerplan zal duidelijkheid gegeven worden voor welke activiteiten een vergunningplicht aan de orde kan zijn. De afstand tussen de locatie van de activiteit en de te beschermen natuurwaarden is daarbij niet altijd doorslaggevend; het gaat er om of een bepaalde activiteit al dan niet de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, waar habitattypen en leefgebieden van soorten onderdeel van uitmaken, kan aantasten. Rond de Natura 2000-gebieden wordt, volgens sommige insprekers, een beschermingszone ingesteld van 3.000 meter. Dat is echter niet van toepassing op de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden. In het kader van de Interimwet ammoniak en veehouderij31 werd in verband met de ammoniakdepositie een zone van 3.000 meter gehanteerd. Binnen die zone was de beïnvloeding door een veehouderijbedrijf van verzuringsgevoelig gebied nog meetbaar.

Tot deze grens kon een vergunningplicht voor deze verzuringsgevoelige gebieden aan de orde zijn. Deze grens is inmiddels vervallen. Natura 2000 is gericht op de bescherming van de in het gebied voorkomende habitattypen en soorten. Een exacte grens waar de externe werking ophoudt, is in algemene zin niet aan te geven. Dit wordt van geval tot geval beoordeeld. Bepalend is dus niet de afstand, maar of er sprake kan zijn van verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in het betreffende gebied. Bestaand gebruik: peildatum en vergunningplicht Het aanwijzen van een Natura 2000-gebied leidt niet tot een verbod op het verrichten van bepaalde handelingen zoals fietsen, wandelen of het laten loslopen van de hond. In het aanwijzingsbesluit staat alleen voor welke waarden het gebied is aangewezen, welke instandhoudingsdoelstellingen gelden en wat de grens van het betreffende gebied is. In het besluit zelf is niet aangegeven of, en onder welke voorwaarden, een activiteit kan worden toegestaan.

Op grond van de huidige Natuurbeschermingswet 1998 geldt een vergunningplicht voor activiteiten in en om Natura 2000-gebieden die gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 31 Wet van 9 juni 1994, houdende tijdelijke regeling inzake de ammoniakdepositie veroorzaakt door veehouderijen (Interimwet ammoniak en veehouderij). Staatsblad 1994, nr. 634.

45

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

In de wet is op deze vergunningplicht een uitzondering gemaakt voor bestaand gebruik. Bestaand gebruik is als gevolg van de wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 door de Crisis- en herstelwet altijd vergunningvrij, tenzij het gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. De Natuurbeschermingswet 1998 omschrijft bestaand gebruik als “gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag.” Om te voorkomen dat het bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen draagt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid dat er in het gebied passende maatregelen genomen worden. In het uiterste geval kan dit betekenen dat op last van het bevoegd gezag het bestaande gebruik wordt stilgelegd. In het beheerplan zal het bestaande gebruik beschreven moeten worden en zal zo nodig aan voorwaarden worden gebonden.

Doorwerking aanwijzing in andere plannen De verplichting om Natura 2000-gebieden aan te wijzen volgt direct uit de Habitatrichtlijn en uit de Vogelrichtlijn. Mede op basis van Europeesrechterlijke uitspraken kan er bij de selectie en bij de begrenzing van Natura 2000-gebieden uitsluitend van ecologische criteria worden uitgegaan. Dat betekent in de praktijk dat de grenzen van deze gebieden zijn bepaald door het gebruik dat de betreffende planten- en diersoorten van het gebied maken. Terreindelen die van mindere kwaliteit zijn, kunnen deel uitmaken van Natura 2000gebieden als herstel van die terreinen haalbaar is en als ze nodig zijn voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Daardoor zal de begrenzing van zo’n gebied niet in alle gevallen overeenkomen met de bestemming die in een vastgesteld bestemmingsplan aan het gebied is toegekend. In het uiterste geval zou dat kunnen betekenen dat een bepaalde bestemming die in een bestemmingsplan aan zo’n gebied rechtsgeldig is toegekend, toch niet gerealiseerd kan worden, omdat daarvoor geen vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 kan worden verleend. In paragrafen 4.2 en 6.1 van de Nota van Antwoord wordt hierop verder ingegaan. Ook voor reconstructieplannen32, provinciale waterplannen en waterbeheerplannen van de waterschappen geldt een gelijksoortige situatie.

Het kan zijn dat dit soort plannen nog onvoldoende concreet zijn om ze op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden te toetsen, maar op een gegeven moment zullen al deze plannen, al dan niet bij hun nadere uitwerking, bij het opstellen van beheerplannen afgestemd worden (paragraaf 6.3.2 van de Nota van Antwoord). Relatie met stikstof Stikstof is een groot probleem bij de implementatie van Natura 2000 en daarmee het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Van de 166 aangewezen natuurgebieden in Nederland zijn er 133 stikstofgevoelig. In Nederland wordt het probleem van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zwaarder gevoeld dan in de ons omringende landen. Dat heeft te maken met het feit dat we in een dicht bevolkt land leven, waarin kwetsbare natuur en bijvoorbeeld (snel)wegen dicht bij elkaar liggen. Om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren moet de neerslag van stikstof uit vooral landbouw, verkeer en industrie minder worden. Tegen die achtergrond is het steeds moeilijker vergunningen te verlenen voor nieuwe economische activiteiten die tot extra uitstoot van stikstof (kunnen) leiden in en rond de natuurgebieden. Projecten kunnen alleen doorgang vinden indien aangetoond kan worden dat er geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats33 optreden en de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied niet in gevaar komen.

32 Plannen op grond van de Wet van 31 januari 2002, houdende regels inzake de reconstructie van concentratiegebieden (Reconstructiewet concentratiegebieden). Staatsblad 2002, nr. 115. 33 Het betreft zowel stikstofgevoelige habitattypen als stikstofgevoelige leefgebieden van Natura 2000-soorten.

46

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

In het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek is het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) het meest gevoelig voor stikstof34. In 2007 is het toetsingskader ammoniak en Natura 2000 vastgesteld. Met behulp van dit toetsingskader konden provincies relatief eenvoudig beoordelen of er zich nieuwe bedrijven konden vestigen. In maart 2008 oordeelde de Raad van State dat dit toetsingskader onvoldoende zekerheid biedt over het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister van het voormalig ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Taskforce Trojan ingesteld. Deze Taskforce heeft vervolgens een handreiking opgeleverd waarmee het bevoegd gezag maatwerk kan leveren bij de beoordeling van (nieuwe) activiteiten. Deze maatwerkoplossing bleek echter niet altijd werkbaar in de praktijk. Vervolgens is de commissie Huys gevraagd om een advies. Samengevat luidde dit advies dat er ruimte is voor economische ontwikkeling in Natura 2000 gebieden mits wordt zeker gesteld dat ecologische en economische doelen gelijktijdig en in samenhang worden beschouwd. Om dat uitgangspunt in de praktijk toepasbaar te maken is er gestart met de programmatische aanpak stikstof (PAS). Duidelijk is dat het stikstofprobleem te groot is voor één partij.

Essentie is dat de PAS in beeld brengt wat de bijdrage op verschillende niveaus (generiek, provinciaal, gebiedsgericht) en van verschillende sectoren (landbouw, verkeer, industrie) is aan de oplossing van het probleem. Onder oplossing verstaan we het geleidelijk maar onvermijdelijk omlaag brengen van de stikstofdepositie, waardoor de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden, maar waarbij economische ontwikkelingen mogelijk blijven. Dit wil niet zeggen dat iedere economische ontwikkeling mogelijk blijft. Het incalculeren van ruimte voor economische ontwikkelingen (ontwikkelingsruimte) maakt onderdeel uit van de aanpak. Meer informatie over de stand van zaken rond de PAS is te vinden op de website: http://pas.natura2000.nl/ Kaderrichtlijn Water Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek maakt deel uit van het stroomgebiedbeheerplan voor de RijnDelta35 dat het in kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld is. Natura 2000-gebieden zijn in de stroomgebiedbeheerplannen opgenomen als gebieden waar water een bijzondere bescherming behoeft. De in de stroomgebiedbeheerplannen opgenomen milieudoelstellingen en bijbehorende maatregelen moeten dan ook overeenstemmen met de doelen van Natura 2000.

De afstemming van doelen en de weergave daarvan in het stroomgebiedbeheerplan beperkt zich tot die delen van de doelstellingen van Natura 2000 die een relatie hebben met de ecologische of chemische kwaliteit van het water. Het stroomgebiedbeheerplan wordt uitgewerkt in de provinciale waterplannen en in waterbeheerplannen van waterschappen. Daar waar in de afstemming strijdigheid kan ontstaan wordt maatwerk toegepast en wordt afhankelijk van de situatie de KRW of de Vogel- en Habitatrichtlijnen als richtinggevend genomen. Tot gebiedsspecifiek maatwerk behoort bijvoorbeeld de door de waterschappen opgestelde Gewenste Grond en Oppervlakte Water Regimes (GGOR’s)36. Waar nodig zullen de lokale watervereisten en de daarvoor benodigde maatregelen verder worden uitgewerkt en in de Natura 2000-beheerplannen worden opgenomen. Zie ook Nota van Antwoord paragraaf 6.3. 5.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE RECHTSGEVOLGEN Een inspreker wijst op een onderzoek [niet gespecificeerd red.] van instituut Alterra waarin wordt aangetoond dat de bijdrage die individuele agrarische bedrijven leveren aan de ammoniakdepositie veel minder groot is dan tot nu toe wordt aangenomen. Het is dus niet zeker dat habitats door ammoniakuitstoot van de lokale bedrijven worden bedreigd.

34 H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra. Alterra-rapport 35 http://www.kaderrichtlijnwater.nl/uitvoering/ 36 De te nemen maatregelen voor grondwater worden gebiedsspecifiek vastgesteld via het GGOR in het stroomgebiedbeheerplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van de Kaderrichtlijn Water (EU-richtlijn voor waterkwaliteit).

47

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

In het kader van het beheerplan zal een stikstofparagraaf worden opgesteld, op basis van de afspraken uit de programmatische aanpak stikstof, waarin wordt uitgewerkt wat het bestaande effect van stikstofdepositie op de natuurwaarden in het gebied is. Naar aanleiding daarvan zal worden bepaald of maatregelen noodzakelijk zijn en zo ja, welke.

48

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

6

bijlage C

REACTIES OVER DE RELATIE MET DE BEHEERPLANNEN

De wijze waarop de instandhoudingsdoelstellingen al dan niet verwezenlijkt moeten worden, wordt in vele zienswijzen aan de orde gesteld. Zo wordt in verschillende zienswijzen de wens uitgesproken om de plannen zo te ontwikkelen dat daardoor de aanwezige natuurwaarden zich kunnen verbeteren en voor de komende generaties behouden blijven. Er wordt gewezen op de diverse vormen van ongewenst gebruik van het gebied. In weer andere zienswijzen is men van mening dat bepaalde vormen van gebruik geen negatieve invloed op de natuurwaarden hebben en wordt bepleit dat het huidige landgebruik ongehinderd voortgang moet kunnen vinden. In een ander verband wordt er zorg uitgesproken over de bescherming van soorten als de kamsalamander (H1166). Er wordt opgemerkt dat door de nationale procedure, waarbij eerst de gebieden worden aangewezen en doelstellingen worden geformuleerd en pas in een later stadium de beheerplannen worden opgesteld, aan sociaal-economische belangen voorbij wordt gegaan. Ook zou er in zijn algemeenheid onvoldoende duidelijkheid bestaan over het algehele ambitieniveau en de consequenties van de aanwijzing en het toekennen van instandhoudingsdoelstellingen. Tot slot geven verschillende insprekers aan betrokken te willen worden bij het opstellen van het beheerplan.

Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Volgorde aanwijzing en beheerplan De Nota van Antwoord gaat in paragraaf 1.4 in op de relatie tussen de aanwijzingsbesluiten en de nog op te stellen beheerplannen. De onderbouwing van de keuze om niet gelijktijdig tot vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen en het beheerplan over te gaan wordt in paragraaf 1.4.1 van de Nota van Antwoord uiteengezet. Een verbijzondering hierop vormen de gebieden waar de provincies het voortouw hebben voor het opstellen van de beheerplannen. Op verzoek van de provincies heeft de minister van LNV in het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer van 13 februari 2008 toegezegd te wachten met het definitief maken van de aanwijzingsbesluiten voor die gebieden waarvoor de provincie voortouwnemer is en die daarvoor door de provincie zijn aangemeld (“koppelingsafspraak”). De provincies zijn voor deze gebieden eerst in de gelegenheid gesteld met de betrokken partijen in de gebieden concept-beheerplannen op te stellen op basis van de ontwerp-aanwijzingsbesluiten. Deze afspraak beoogde draagvlak te creëren voor de beheerplannen en de implementatie daarvan en meer inzicht te geven in de haalbaarheid en betaalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing.

De besluitvorming over de definitieve aanwijzingsbesluiten van deze gebieden is daarom uitgesteld tot na 1 september 2009. In het kader van de “koppelingsafspraak’’ hebben de provincies tot 1 september 2009 de mogelijkheid gehad om gebiedsspecifieke wijzigingsvoorstellen in te dienen die voortkwamen uit de opgestelde concept-beheerplannen. De wijzigingsvoorstellen zijn in samenhang met de zienswijzen en op eenzelfde manier, zorgvuldig in overweging genomen. Bij brief van 26 januari 2010 zijn de provincies op de hoogte gebracht van hoe de minister voornemens is met de voorstellen van de provincies in het definitieve besluit om te gaan. Binnen het reguliere proces van de aanwijzing zijn alle overige zienswijzen behandeld. Voor de gebieden waarvoor op 1 september 2009 nog geen concept-beheerplan was opgesteld, geldt dat evident nieuwe inzichten uit het beheerplanproces eveneens in het reguliere aanwijzingstraject zijn meegenomen, ook hier met inachtneming van de ingediende zienswijzen. Beheerplan en bestaand gebruik Het aanwijzingsbesluit legt - naast de begrenzing - de instandhoudingsdoelstellingen vast waarvoor het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen.

De instandhoudingsdoelstellingen geven op hoofdlijnen duidelijkheid over het ambitieniveau (zie ook paragraaf 4.1 van deze bijlage), in termen van “behoud” en “uitbreiding”/“verbetering” van de omvang en kwaliteit van betreffende aangewezen habitattype of leefgebied van een (vogel)soort. De uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstelling(en) uit het aanwijzingsbesluit, is een thema dat in een beheerplan thuishoort. Als er voor het realiseren van deze instandhoudingsdoelstellingen bepaalde specifieke maatregelen nodig zijn, dan behoort dit ook in het beheerplan geregeld te worden. Dat kan betekenen dat er ook maatregelen buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied genomen moeten worden. 49

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

Zoals in paragrafen 1.5 en 4.2 van de Nota van Antwoord staat vermeld, kan bestaand gebruik een plaats in het beheerplan krijgen. Hierbij wordt zoveel mogelijk ruimte gelaten voor het continueren van bestaand gebruik, echter wel binnen de voorwaarden die de instandhoudingsdoelstellingen daaraan stellen. Uiteindelijk heeft het beheerplan een centrale rol als het gaat om de regulering van bestaand gebruik. In een beheerplan wordt concreet gemaakt hoe en op welke termijn de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied gerealiseerd kunnen worden. Het beheerplan zal duidelijkheid verschaffen over de vereiste ecologische randvoorwaarden ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen en over de ruimtelijke samenhang met de omgeving. In het beheerplan zal dus ook aan de orde komen of bestaand gebruik (mogelijk onder voorwaarden) overeenkomstig het beheerplan kan worden uitgeoefend. Kan het bestaand gebruik niet overeenkomstig het beheerplan uitgeoefend worden en zorgt het bestaand gebruik ervoor dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert of dat er door het bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, dan moet het bevoegd gezag passende maatregelen treffen.

Het bevoegd gezag kan dan de aanschrijvingsbevoegdheid gebruiken. De opstellers van het beheerplan zullen onderling afstemmen hoe zij met bestaand gebruik om willen gaan en hoe zij dit in het beheerplan zullen opnemen. Mogelijk kan niet voor al het bestaand gebruik ten tijde van het vaststellen van het beheerplan worden bepaald wat het effect is op de instandhoudingsdoelstellingen. Voor deze gevallen zal dan een eventuele aanschrijving plaats moeten vinden indien blijkt dat er toch (significante) negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen. Jacht, wildbeheer en schadebestrijding worden gereguleerd door de bepalingen van de Flora- en faunawet. Dit betekent dat zienswijzen over dit onderwerp geen directe relatie hebben met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden, maar met de bepalingen van de Flora- en faunawet. De huidige regels voor jacht en wildbeheer volgens de Flora- en faunawet zijn door de aanwijzing als Natura 2000-gebied niet gewijzigd. Over wildbeheer en schadebestrijding zijn afspraken gemaakt in het Faunabeheerplan. Zie verder paragraaf 6.4.2 van de Nota van Antwoord. Betrokkenheid bij beheerplan De wens om betrokken te worden bij het opstellen van het beheerplan en de diverse ideeën die daarover naar voren zijn gebracht, zijn een goed signaal. De integrale benadering die het beheerplan voorstaat, kan alleen succesvol zijn bij voldoende betrokkenheid.

Per gebied is één bevoegd gezag de zogenaamde voortouwnemer voor het opstellen van het beheerplan. Voor dit gebied is dat Dienst Landelijk Gebied namens het Rijk. Het is aan de voortouwnemer om grondeigenaren, gebruikers, andere overheden en belanghebbenden of vertegenwoordigers te betrekken bij het beheerplan. Belanghebbenden kunnen natuurlijk ook zelf het initiatief nemen de voortouwnemer of hun vertegenwoordigers te benaderen. Het is niet uitvoerbaar verzoeken om betrokkenheid bij het beheerplan, zoals verwoord in een aantal zienswijzen, door te zenden aan de voortouwnemer.

50

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

7

bijlage C

REACTIES OVER SCHADE

In een groot aantal zienswijzen wordt erop gewezen dat er als gevolg van deze aanwijzing inkomens- en vermogensschade kan optreden. Men mist in het besluit een paragraaf over schade en het betalen van een schadevergoeding. Verder wordt aangevoerd dat bij het aannemen van de Habitatrichtlijn de toezegging is gedaan dat de eigenaren en de gebruikers van de grond niet de financiële last van deze maatregelen hoeven te dragen. Artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998 biedt volgens de insprekers geen afdoende mogelijkheid voor compensatie. Verder zou de aanwijzing als Natura 2000-gebied een schending van het eigendomsrecht opleveren en in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook de beperkingen van artikel 19d tot en met 19l en artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998 zou een dermate zware verplichting opleveren dat het eigendom of het gebruikersrecht geen waarde van enige betekenis overhoudt. Er wordt in dit kader om een volledige schadeloosstelling gevraagd. Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Schadevergoeding Zoals in hoofdstuk 5 van de Nota van Antwoord over dit onderwerp staat vermeld, zijn in de aanwijzingsbesluiten geen aparte vergoedingsregelingen opgenomen. De huidige wettelijke regeling biedt namelijk voldoende mogelijkheden voor compensatie.

Het gaat dan in het bijzonder om artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998. De aanwijzingsbesluiten zullen naar verwachting niet snel een recht op schadevergoeding geven, omdat het aanwijzingsbesluit zelf over het algemeen geen beperkingen oplevert. Pas in het kader van het beheerplan of bij vergunningverlening kunnen beperkingen worden gesteld aan het bestaand gebruik, aan voorgenomen uitbreidingsmogelijkheden of aan de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Men komt in aanmerking voor schadevergoeding, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. er is schade geleden door een aanwijzing van een Natura 2000-gebied, door het weigeren van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (of door een daaraan verbonden voorwaarde) of door bepalingen in het Natura 2000-beheerplan; 2. de schade behoort redelijkerwijs niet (geheel) voor eigen rekening te blijven; 3. de vergoeding van de schade is niet (voldoende) verzekerd door aankoop, onteigening of door andere maatregelen, zoals beheersubsidies. Rol van het beheerplan bij schade In de nog op te stellen Natura 2000-beheerplannen zal uiteindelijk worden bepaald wanneer en hoe de doelen gerealiseerd worden en welke maatregelen daarvoor noodzakelijk zijn. Pas op dat moment kan er een nauwkeurige kosteninschatting worden gemaakt.

Er wordt grote waarde gehecht aan goede financiële dekking van de realisering van de doelen in de beheerplannen. Het bovenstaande houdt niet alleen in dat Nederland zich inspant om zoveel mogelijk habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Het betekent ook dat de compensatie van mogelijke inkomens- en vermogensschade van de betrokken eigenaren en gebruikers aan de orde dient te komen. Artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998 is juist voor dit doel door de wetgever in de wet opgenomen en deze heeft gemeend daarmee een voldoende mogelijkheid voor nadeelcompensatie te bieden. Resolutie 2004/2164(INI) van het Europese Parlement over de financiering van Natura 2000, waarnaar verschillende keren in zienswijzen is verwezen, biedt dan ook geen grond voor de stelling dat artikel 31 van Natuurbeschermingswet 1998 onvoldoende compensatiemogelijkheden zou bieden. Eigendomsrecht Van schending van het eigendomsrecht en van strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geen sprake.

Artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol van het EVRM bepaalt dat alle natuurlijke rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve indien sprake is van algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorwaarden die worden gesteld aan het beheer van grond, die nodig is voor het realiseren van het Natura 2000-netwerk, leveren geen aantasting op van het recht van eigendom. De 51

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-047 | 047 Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

bijlage C

bepaling uit het EVRM laat onverlet dat de Staat het recht heeft om die wetten toe te passen die noodzakelijk worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/597/documents/18309