Bijlagen motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Drosteweg 19
Tekst van het document
Van een (planologisch) plan, zoals een bestemmingsplan of omgevingsplan, is de huidige feitelijke aanwezige, planologische legale situatie de referentiesituatie. 1 Verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld op het moment dat het aan - en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. 2 Zie hiervoor ook de website van Rechtspraak (Rechtspraak.nl), onder r.o. 9.1
7 HOOFDSTUK 3 METHODE 3.1 Algemeen Voor het project is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het project. Deze bestaat uit een berekening voor de gebruiks - en ontwikkelfase. Hieronder worden de uitgangspunten toegelicht. - De ontwikkelfase vindt plaats in het rekenjaar 2026. - In 2026 wordt 45 weken gewerkt (225 werkdagen). - Vanaf 2027 worden de nieuwe woningen bewoond. - De nieuwe woningen beschikken over een strokenfundering, een betonnen begane grondvloer, twee verdiepingsvloeren (betonnen kanaalplaten), gemetselde buitengevels, binnenmuren van kalkzandsteen en een dakpannen gedekt dak. - De totale hoeveelheid beplanting wordt handmatig verwijderd (zonder behulp van werktuigen). - De beplanting wordt meegenomen door werklieden tijdens normaal werkverkeer, dit leidt niet tot extra verkeersbewegingen. - De totale hoeveelheid nieuwe verharding wordt met maximaal 3 zware vrachtwagens aangeleverd. - Er worden geen bronnering uitgevoerd, geen brombemalingspompen noodzakelijk. - Er worden geen aggregaten ingezet. - Voor het modelleren van de koude start, van het verkeer van de werklieden, gedurende de ontwikkelfase is vanuit een worst-case scenario geredeneerd. Hierbij wordt gesteld dat elke auto van de werklieden (fossiele brandstof), die dagelijks arriveren, vertrekt met een koude start.
Er wordt dus gesteld: 1 koude start per auto per dag gedurende de ontwikkelfase. - De overige voertuigen (middel - en zwaar) tijdens de ontwikkelfase draaien stationair en worden geladen en gelost, de motor koelt niet af. Tijdens het uitsplitsen van de koude start emissie bleek differentiatie van koude start en warme motor bij mobiele werktuigen geen meerwaarde te hebben3. Voor werktuigen is dus geen koude start gemodelleerd. - Voor het berekenen van de inzet van de werktuigen met bijbehorende vermogensklassen is gebruik gemaakt van TNO -rapport 2023 R10541 4. In dit TNO -rapport wordt de inzet van werktuigen met bijbehorende vermogensklassen berekend voor 100 woningen (zie bijlage 3). In dit rapport worden 6 woningen gerealiseerd. Met behulp van dit TNO-rapport 2023 voor 100 woningen is de inzet van werktuigen met bijbehorende vermogensklassen berekend voor deze berekening. - Voor de werktuigen is voor het brandstofverbruik per stage-klasse een 40% belasting genomen. De meeste werktuigen hebben een belasting tussen de 35 -38%. In dit project is er een worst -case scenario genomen van 40% (zie bijlage 4) (bron: TNO 2021-R12305-tab5). - Voor alle werktuigen is Stage -V,>=2019 gebruikt (met de daarbij behorende vermogensklassen, diesel, SCR:ja). - Er is 6% per liter AD Blue aangehouden voor de in te zetten werktuigen.
- De uitstoot van het stationair draaien wordt in AERIUS als een vlakborn ingetekend. Er is vanuit een worst-case scenario geredeneerd en deze vlakbron gelijk gemaakt met de vlakbron die gebruikt wordt voor de begrenzing van het plangebied. 3 Bij12 Handreiking Koude Start; expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (24-02-2025). 4 TNO 2023 R10541 Een vergelijking tussen de uitstoot bij de bouw van nieuwe woningen en die van mobiele bronnen buiten de bouw (Norbert E. Ligterink, Pim van Mensch, 17 maar 2023). 5 Tabellen bij rapport TNO 2021 R12305 AUB (Norbert E. Ligterink, 13 december 2021). 8 3.2 Ontwikkelfase De ontwikkelfase vindt plaats in het rekenjaar 2026. Vanaf 2027 worden alle nieuwe woningen bewoond. 3.2.1 Rekenjaar 2026 1. Verkeer werklieden In het jaar 2026 wordt er 45 weken gewerkt (225 werkdagen). In totaal arriveren 1 0 werklieden per dag. Werklieden arriveren dagelijks in 5 lichte voertuigen (auto’s en bedrijfsbusjes). Dit resulteert in 2.250 verkeersbewegingen met lichte voertuigen. Dit resulteert in 225*5 = 1125 koude starts in dit rekenjaar. Grondwerk ontgraven 2. Aanvoer (hydraulische kraan) Er arriveert en vertrekt één malig één hydraulische kraan. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 3. Graafwerkzaamheden ontgraven grondwerk De graafwerkzaamheden word t met één hydraulische kraan (178 kW) uitgevoerd.
De totale inzet van de hydraulische kraan bedraagt: (800/100) = 8 uur per woning. Omgerekend naar 6 woningen resulteert dit in 8*6 = 48 uur. 4. Shovel Er arrive ert en vertrek t éénmalig één shovel . Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 5. Inzet shovel Voor het laden van het zand afkomstig van de graafwerkzaamheden wordt één shovel (136 kW): (400/100) = 4 uur per woning ingezet. Omgerekend naar 7 woningen resulteert dit in 4*6 = 24 uur. 6. Afvoer zand grondwerk ontgraven. Om de totale hoeveelheid zand af te voeren, afkomstig van het grondwerk ontgraven, worden 8 vrachten met een zware vrachtwagen afgevoerd. Dit resulteert in 16 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. Aanleg riool 7. Aanvoer (hydraulische kraan) Er arrive ert en vertrekt één hydraulische kra an. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 8. Graafwerkzaamheden aanleg riool De graafwerkzaamheden worden met de hydraulische kraan (178 kW) uitgevoerd. De totale inzet van de hydraulische kraan bedraagt: (600/100) = 6 uur per woning. Omgerekend naar 6 woningen resulteert dit in 6*6 = 36 uur. 9. Shovel Er arrive ert en vertrekt éénmalig één shovel . Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 10.
Inzet shovel Voor het laden van het zand afkomstig van de graafwerkzaamheden van de riolering word t de shovel (136 kW): (600/100) = 6 uur per woning ingezet. Omgerekend naar 6 woningen resulteert dit in 6*6 = 36 uur. 9 11. Afvoer zand riolering Om de totale hoeveelheid zand af te voeren, afkomstig van graven van de riolering, worden 5 vrachten met een zware vrachtwagen afgevoerd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 12. Aanvoer rioleringsbuizen De totale hoeveelheid rioleringsbuizen wordt in 5 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. Aanleg fundering 13. Inzet minigraver Voor het graven van de fundering en wordt 1 m inigraver (37 kW): (200/100) = 2 uur per woning ingezet. Omgerekend naar 6 woningen resulteert dit in 2* 6 = 12 uur. Deze minigraver wordt meegenomen door werklieden tijdens normaal werkverkeer, dit leidt niet tot extra verkeersbewegingen. 14. Inzet shovel Voor het laden van het zand afkomstig van de graafwerkzaamheden van de funderingen wordt een shovel (136 kW): (200/100) = 2 uur per woning ingezet. Dit resulteert in 2*6 = 12 uur. 15. Afvoer zand fundering Om de totale hoeveelheid zand af te voeren, afkomstig van het graven van de fundering en, worden 5 vrachten met een zware vrachtwagen afgevoerd.
Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 16. Transport lichte bouwmaterialen Lichte bouwmaterialen, als t.b.v. de funderingen (bekistingen) e.d. worden meegenomen in aanhangers van de werklieden. Dit leidt niet tot extra verkeersbewegingen. 17. Kleinafval Klein afval wordt door de werklieden meegenomen. Dit leidt niet tot extra verkeersbewegingen. 18. Steigers Alle steigermateriaal wordt in 2 vrachten geleverd door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 19. Bakstenen De totale hoeveelheid bakstenen voor de buitengevels word en in 5 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 20. Kalkzandstenen De totale hoeveelheid kalkzandstenen voor de binnenmuren word en in 5 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 21. Cement/lijm In totaal worden 5 zware vrachten met cement/lijm aangeleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 22. Betonnen kanaalplaten De totale hoeveelheid betonnen kanaalplaten voor de verdiepingsvloeren worden in 5 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 23.
Glas en kozijnen De totale hoeveelheid glas en kozijnen worden in 3 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 10 24. Geïsoleerde dakelementen De totale hoeveelheid geïsoleerde dakelementen worden in 6 vrachten met een zware vrachtwagen aangeleverd. Dit resulteert in 12 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 25. Isolatiemateriaal en gevelbekleding Alle benodigde isolatiemateriaal en gevelbekleding wordt in 3 vrachten geleverd door een middelzware vrachtwagen. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. 26. Beton Voor de funderingen en betonnen begane grondvloeren is beton vereist. De totale hoeveelheid beton wordt aangeleverd met 5 vrachten door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 27. Aanvoer (hijskraan, zwaar) Er arriveert en vertrekt één hijskraan. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 28. Inzet zware hijskraan De zware hijskra an (100 kW) word t in totaal 100 uur ingezet. In deze hoeveelheid uren zit ook de uren benodigd voor het storten van beton. Er wordt bij deze kraan een betonkubel aangebracht en ingezet voor het storten van beton voor begane grondvloeren en strokenfunderingen 29. Inzet hijskraan (licht) Er wordt 1 lichte hijskraan (20 kW) ingezet.
In totaal word t deze kranen 36 uur ingezet. Deze kraan wordt meegenomen door werklieden tijdens normaal werkverkeer. Voorbeeld van een lichte, mobiele kraan. Geschikt voor het aanreiken van o.a. dakpannen, isolatiemateriaal, glas en kozijnen. Aanbrengen waterberging 30. Aanvoer (hydraulische kraan) Er arriveert en vertrekt éénmalig één hydraulische kraan. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen.
11 31. Graafwerkzaamheden aanbrengen waterberging De graafwerkzaamheden worden met de hydraulische kr aan (178 kW) uitgevoerd. De totale inzet van de hydraulische kraan bedraagt 40 uur voor het graven van de waterberging. 32. Shovel Er arriveert en vertrekt éénmalig één shovel . Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 33. Inzet shovel Voor het laden van het zand afkomstig van de graafwerkzaamheden aanbrengen waterberging word t de shovel maximaal 16 uur ingezet. 34. Afvoer zand waterberging Om de totale hoeveelheid zand af te voeren, afkomstig van het graven van de waterberging, worden 6 vrachten met een zware vrachtwagen afgevoerd. Dit resulteert in 12 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. Aanleggen paden, leidingen 35. Aanleveren verharding De totale hoeveelheid verharding wordt geleverd in 3 vrachten door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 36. Inzet minigraver Voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden t.b.v. het aanleggen van verharding wordt een minigraver (37 kW) in totaal 40 uur ingezet. Deze minigraver wordt meegenomen door werklieden tijdens normaal werkverkeer, dit leidt niet tot extra verkeersbewegingen. 37. Shovel Een shovel arriveert en vertrekt éénmalig. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 38.
Inzet shovel Voor het laden van het zand afkomstig van de bovengenoemde graafwerkzaamheden wordt een shovel (136 kW) in totaal 8 uur ingezet. 39. Afvoeren zand afkomstig van aanleggen verharding Om de totale hoeveelheid zand afkomstig van het aanleggen van verharding af te voeren worden 6 zware vrachtwagens ingezet. Dit resulteert in 12 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 40. Aanleveren beplanting De totale hoeveelheid beplanting wordt geleverd in 3 vrachten door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 41. Kabels en leidingen Ten behoeve van de aanleg van alle benodigde kabels en leidingen word t 1 minikraan, met een vermogen van 40kW, in totaal 40 uur ingezet. Deze minikraan wordt meegenomen door werklieden op een aanhanger gedurende normaal werkverkeer. 42. Inrichting Ten behoeve van de totale inrichting van de nieuwe woningen , worden 7 middelzware vrachtwagens gerekend. Dit resulteert in 14 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. De lading wordt handmatig gelost. Inzet materieel (Jaar 2026) Hieronder wordt het inzet materieel in het jaar 2026 in een tabel weergegeven. Tijdsduur | Vermogen | verbruik nr.
| Werktuig | (uren) | (kW) | Brandstof | verbruik/uur | totaal | ad blue Hydraulische kraan (ontgraven | 48 | 178 | Diesel | 19,1 | 916,80 | 55,008 3 | grondwerk) Shovel laden zand afkomstig van | 24 | 136 | Diesel | 14,72 | 353,28 | 21,1968 5 | ontgraven grondwerk 8 | Hydraulische kraan (aanleg riolering) | 36 | 178 | Diesel | 19,1 | 687,60 | 41,256 Shovel laden zand afkomstig van | 36 | 136 | Diesel | 14,72 | 529,92 | 31,7952 10 | aanleg riolering 13 | Minigraver (graven fundering) | 12 | 37 | Diesel | 4,39 | 52,68 | 3,1608 Shovel laden zand afkomstig van | 12 | 136 | Diesel | 14,72 | 176,64 | 10,5984 14 | graven fundering 28 | Hijskraan (zwaar) | 100 | 100 | Diesel | 10,96 | 1096,00 | 65,76 29 | Hijskraan (licht) | 36 | 20 | Diesel | 2,65 | 95,40 | 5,724 Hydraulische kraan (aanbrengen | 40 | 178 | Diesel | 19,1 | 764,00 | 45,84 31 | waterberging) Shovel laden zand afkomstig van | 16 | 136 | Diesel | 14,72 | 235,52 | 14,1312 33 | aanbrengen waterberging 36 | Minigraver (aanleggen verharding) | 40 | 37 | Diesel | 4,39 | 175,60 | 10,536 Shovel laden zand afkomstig van graafwerkzaamheden aanleggen | 8 | 136 | Diesel | 14,72 | 117,76 | 7,0656 38 | verharding Minikraan (aanleg kabels en | 40 | 40 | Diesel | 4,7 | 188,00 | 11,28 41 | leidingen) Totaal | 448 | 5389,20 | 323,352 Totale inzet materieel in het jaar 2026.
Laden en lossen Hieronder wordt dieselverbruik tijdens laden en lossen in het jaar 2026 in een tabel weergegeven. laad/Lostijd per | Totale vrachtwagen | N_ | tijdsduur | Tijdsduur Nr. | Activiteit | (minuten) | vrachtwagens | (minuten ) | (uren) 6 | Afvoer zand ontgraven grondwerk | 10 | 8 | 80 | 1,333 11 | Afvoer zand riolering | 10 | 5 | 50 | 0,833 12 | Aanvoer rioleringsbuizen | 10 | 5 | 50 | 0,833 15 | Afvoer zand fundering | 10 | 5 | 50 | 0,833 18 | Steigers | 10 | 2 | 20 | 0,333 19 | Bakstenen | 10 | 5 | 50 | 0,833 20 | Kalkzandstenen | 10 | 5 | 50 | 0,833 21 | Cement/lijm | 10 | 5 | 50 | 0,833 22 | Betonnen kanaalplaten | 10 | 5 | 50 | 0,833 23 | Glas en kozijnen | 10 | 3 | 30 | 0,5 24 | Geïsoleerde dakelementen | 10 | 6 | 60 | 1 25 | Isolatiemateriaal en gevelbekleding | 10 | 3 | 30 | 0,5 26 | Beton | 60 | 5 | 300 | 5 34 | Afvoer zand waterberging | 10 | 6 | 60 | 1 35 | Aanleveren verharding | 10 | 3 | 30 | 0,5 39 | Afvoeren zand afkomstig van aanleggen verharding | 10 | 6 | 60 | 1 40 | Aanleveren beplanting | 10 | 3 | 30 | 0,5 Totaal | 17,50 Totaal brandstofverbruik t.b.v. laden en lossen jaar 2026. 12 Verkeersbewegingen (in het jaar 2026) In onderstaande tabel wordt het totaal aantal verkeersbewegingen gedurende het jaar 2026 weergegeven. Verkeersbewegingen middelzwaar Nr.
| Verkeersbewegingen zwaar verkeer | verkeer | Verkeersbewegingen licht verkeer 1 | 2250 2 | 2 4 | 2 6 | 16 8 | 2 9 | 2 11 | 10 12 | 10 15 | 10 18 | 4 19 | 10 20 | 10 21 | 10 22 | 10 23 | 6 24 | 12 25 | 6 26 | 10 27 | 2 30 | 2 32 | 2 34 | 12 35 | 6 37 | 2 39 | 12 40 | 6 42 | 14 Tot. | 170 | 20 | 2250 Totaal aantal verkeersbewegingen in het jaar 2026. 13 14 Stationair draaien (jaar 2026) Voor het berekenen van de stationaire emissie van het wegverkeer wordt gebruik gemaakt van Gegevensinvoer voor AERIUS calculator 2024.1 bijlage 1. De waarde stationair NH en NOx worden berekend aan de hand van de categorie zwaar wegverkeer (vrachtauto’s > 20 ton GVW) en middelzwaar wegverkeer 2026. De vrachten voor het aanleveren van isolatiemateriaal en gevelbekleding worden als middelzwaar vrachtverkeer beschouwd. Alle overige vrachten worden als zwaar wegverkeer beschouwd. De waarde stationair voor middelzwaar vrachtverkeer luiden als volgt. NH3 0,72 g/uur en NOx 62,7792 g/uur. Het aantal uur benodigd voor het aanleveren van isolatiemateriaal en gevelbekleding bedraagt: 0,5 uur Dit resulteert in: 0,5*0,72 = 0,36 g NH3 en 0,5*62,7792 = 31,3896 g NOx. Het aantal uur voor de overige vrachten resulteert in 17,5 – 0,5 = 17,0 uur. De waarde stationair voor zwaar vrachtverkeer luiden als volgt. NH3 0,8976 g/uur en NOx 91,03176 g/uur.
Dit resulteert in 17*0,8976 = 15,2592 g NH3 en 17*91,03176 = 1.547,53992 g NOx. Totale NH3: 0,36 + 15,2592 = 15,6192 g = 0,0156192 kg. Totale NOx: 31,3896 + 1.547,53992 = 1.578,92952 g = 1,57892952 kg. De uitstoot van het stationair draaien wordt in AERIUS als een vlakborn ingetekend. Er is vanuit een worst - case scenario geredeneerd en deze vlakbron gelijk gemaakt met de vlakbron die gebruikt wordt voor de begrenzing van het plangebied. 15 3.3 Gebruiksfase Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase is gebruik gemaakt van de CROW publicatie – 317. In het plangebied worden zes rijwoningen gerealiseerd. Deze 6 aaneengesloten woningen worden beschouwd als ‘’tussen/hoek woning’’. Voor een tussen/hoek woning geldt een verkeersgeneratie van 7,4 mvt/etmaal (zie onderstaande tabel). In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie (mvt/etmaal) voor de verschillende type woningen weergegeven. Nr. Mvt/etmaal Koop, vrijstaand 8,2 Koop, twee-onder-een-kap 7,8 Koop, tussen/hoek 7,4 Niet-grondgebonden woning groot 6,8 Niet-grondgebonden woning midden 5,1 Huurhuis, sociale huur 5,6 Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) voor verschillende type woningen. Type woning Aantal Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) Mvt/etmaal Koop, tussen/hoek 6 7,4 44,4 Totaal 44,4 Totale verkeersgeneratie (mvt/etmaal).
Het verwachte aantal koude start per woning worden geschat op twee per woning per dag. Hierbij wordt aangenomen dat elke bewoner van een woning beschikt over één licht voertuig. Deze aanname is gebaseerd op een schatting gedaan in het voorbeeld weergegeven in hoofdstuk 2.1 in de handreiking koude start6. Dit resulteert in 2* 6 = 12 koude starts per etmaal. Voor het modelleren van de koude start is vanuit een worst-case scenario geredeneerd, waarbij de koude start als vlakbron is gemodelleerd ter grootte van de begrenzing van het plangebied. Gasaansluiting Niet van toepassing, de nieuwbouw wordt gasloos opgeleverd (Emissiefactor = 0 kg/jaar). 6 Bij12 Handreiking Koude Start; expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (24-02-2025). 16 HOOFDSTUK 4 RESULTATEN EN CONCLUSIE 4.1 Resultaten ontwikkelfase jaar 2026 De activiteit in de ontwikkelfase, in het jaar 202 6, leidt tot een NOx -emissie van 38,6 kg/jaar en een NH3 - emissie van 1,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase in het jaar 2026, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie . De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 1 toegevoegd. 4.2 Resultaten gebruiksfase jaar 2027 De activiteit in de gebruiksfase, in het jaar 2027, leidt tot een NOx-emissie van 1,9 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar.
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase in het jaar 2027 , leidt niet tot een toename van stikstofdepositie . D e voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 2 toegevoegd. Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkel- en gebruiksfase (rekenjaren 2026 en 2027). 4.3 Conclusie Als gevolg van de ontwikkel - en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000 - gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Bijlage 1 Uitdraai: AERIUS-berekening ontwikkelfase (jaar 2026). Bijlage 2 Uitdraai: AERIUS-berekening gebruiksfase (jaar 2027).
Bijlage 3 Emissies TNO per bouwfasering
1
2 Bijlage 4 Brandstofverbruik per klasse
Bijlage 4 Quickscan natuurwaarden bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22al Saasveld, Dr osteweg 19 69 0 Quickscan natuurwaardenonderzoek Drosteweg 19 – Saasveld Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Drosteweg 19 – Saasveld Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 Lichtenvoorde 7131 PZ BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852 Opdrachtgever: Huis op Kavel Architectuur & Bouwadvies Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna Projectnummer en versie: 7579 versie 1.0 Status: Definitief Ligging plangebied: Drosteweg 19 – Saasveld Rapportdatum: 03-12-2025 Auteur: J. Pleijzier (nagekeken H. van Gijn) Veldwerk uitgevoerd door: J. van Middelkoop De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2 Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 3 HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................................... 5 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................ 6 2.2 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................................ 7 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 8 3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................
9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ................................................................................................. 9 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS ................................................................................................................. 10 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 10 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 ............................................................................................................... 10 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 10 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 11 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ............................................................. 13 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 14 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................
14 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 14 5.3 Natura 2000 ......................................................................................................................................... 16 5.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING .......................................................................................................... 19 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 19 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 20 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 21 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 26 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ..........................................................................................
29 6.6 Volledigheid van het onderzoek .......................................................................................................... 29 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES .......................................................................................................................... 30 3 SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de realisatie van zes nieuwe rijwoningen op het perceel van het adres Drosteweg 19 te Saasveld. Tevens worden er wegen, voetpaden, parkeerplaatsen, groen en waterberging gerealiseerd binnen het plangebied. Aangenomen wordt dat bestaande beplanting wordt gerooid. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worde n de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 29 april 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustlocaties.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase wordt het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkel - en gebruiksfase niet noodzakelijk geacht. Indien er juridische zekerheid verkregen wil worden wordt geadviseerd een stikstofberekening uit te voeren. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantings- en/of rustplaats.
Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of v ernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora - en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus -februari. Voorgeno men werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebond en zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats. Voor het doden van beschermde grondgebonden z oogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natu urvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora - en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig 4 gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rust - of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief wordt beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën op zettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora - en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevin gsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); 5 HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de realisatie van zes nieuwe rijwoningen op het perceel van het adres Drosteweg 19 te Saasveld. Tevens worden er wegen, voetpaden, parkeerplaatsen, groen en waterberging gerealiseerd binnen het plangebied. Aangenomen wordt dat bestaande beplanting wordt gerooid. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet i n beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustplaatsen en andere beschermde functies.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland). 6 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Drosteweg 19 te Saasveld, gemeente Dinkelland. Het plangebied ligt aan de noordzijde van Saasveld en wordt omgeven door agrarisch cultuurland, openbare weg, bebouwing, een sloot en tuinen. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Het plangebied wordt op onderstaande afbeelding weergegeven met een rode cirkel. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
7 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een kippenhok, grasland, een kleine siervijver en opgaangde beplanting in de vorm van kleine tot middelgrote struiken. Het kippenhok beschikt over horizonta al geplaatste hout en planken met een golfplaten dakbedekking. Op onderstaande afbeelding word t de begrenzing van het plangebied weergegeven met de gele omkadering. Voor een verdere impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotoreportage in de bijlagen. Op bovenstaande afbeelding wordt het plangebied weergegeven. Begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn weergegeven (bron luchtfoto: topotijdreis.nl).
8 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om zes nieuwe rijwoningen te realiseren op het perceel van het adres Drosteweg 19 te Saasveld. Tevens word en wegen, voetpaden, parkeerplaatsen, groen en waterberging gerealiseerd binnen het plangebied. Er wordt een deel van de aanwezige beplanting verwijderd. Op onderstaande plattegrond wordt een verbeelding van het wenselijk eindbeeld weergegeven. Plattegrond van de gewenste situatie (bron: Huis op Kavel). De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Verwijderen deel van de beplanting; • Slopen kippenhok; • Dempen siervijver; • Bouwrijp maken plangebied; • Realiseren nieuwe woningen; • Realiseren nieuwe infrastructuur; • In gebruik name woningen; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren voortplantings - en rust plaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde voortplantings- of rust plaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Doden van dieren; • Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren;
9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar het uitvoeren van rooi-, bouw- en sloopwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe woningen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten de plangebieden te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, openbare weg, bebouwing, een sloot en tuinen. Er is aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden in de naastgelegen opgaande beplanting, bebouwing of sloten op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot overtreding van een verbodsbepaling. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt niet gelijkgesteld aan het plangebied. Hieronder is het plangebied en het onderzoeksgebied weergegeven.
Indien verder in deze rapportage gesproken wordt over plangebied wordt onderstaand onderzoeksgebied bedoeld. Weergave van het plangebied (geel) en het onderzoeksgebied (rood) (bron: topotijdreis.nl).
10 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000 - gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; 11 d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna -activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide c ategorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora - en fauna- activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier - en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 12 Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
13 Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing).
Ind ien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan wor den. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden.
De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij' -principe. Dit wi l zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. 14 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij" -regime vast gelegd.
Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er ka n echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN -spelregels gehanteerd: her -begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.
Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. 15 Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot NNN behoren, liggen op minimaal 437,5 meter afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt op minimaal 437,5 meter afstand van gronden die tot de NNN behoren. 16 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig.
Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteit leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe.
Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natur a 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 17 Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,32 kilometer afstand van gronden die tot het Natura 2000 -gebied behoren. Het meest nabij gelegen Natura 2000 -gebied is Lemselermaten. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied.
De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000 -gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve ef fecten op Natura 2000 -gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van aan - en af voer van bouw - en sloopmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase wordt het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkelfase niet noodzakelijk geacht. Indien er juridische zekerheid verkregen wil worden wordt geadviseerd een stikstofberekening uit te voeren. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de gebruiksfase neemt door bewoning van de nieuwe woningen toe ten opzichte van de huidige situatie.
Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied wordt het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase niet noodzakelijk geacht. Indien er juridische zekerheid verkregen wil worden wordt geadviseerd een stikstofberekening uit te voeren. Minimaal 4,32 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren. 18 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase wordt het uitvoeren van een stikstofberekening voor de ontwikkel - en gebruiksfase niet noodzakelijk geacht. Indien er juridische zekerheid verkregen wil worden wordt geadviseerd een stikstofberekening uit te voeren. HOOFDSTUK 6 | SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • | Bronnenonderzoek (o.a.
internet en de Nationale databank flora en fauna); • | Veldbezoek op 29-04-2025 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op | 28 april 2025 | is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er beschermde planten en dieren zijn waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In het plangebied en de directe omgeving zijn | 110 waarnemingen vastgesteld in de afgelopen vijf jaar. Op onderstaande afbeelding wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven. Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven. Er zijn | 110 waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF). De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben betrekking op de soortgroepen: | vogels (35), amfibieën (1), dagvlinders (3), libellen (6), wespen, bijen & mieren ( | 7), kevers (4), alle insecten (10), geleedpotigen exclusief insecten ( | 10), vaatplanten ( | 22), mossen (2) en korstmossen (28). Binnen het zoekgebied van de NDFF zijn de volgende relevante waarnemingen met betrekking tot het plangebied bekend: 19 20 • Buizerd, 1 waarneming in april 2021. Losse waarneming. Aangeduid met de blauwe cirkel. • Huismus, 2 waarnemingen in mei 2024. Losse waarnemingen. Aangeduid met de gele cirkel. • Steenuil, 3 waarnemingen in maart 2024. Losse waarnemingen. Aangeduid met de paarse cirkel. • Torenvalk, 2 waarnemingen in de periode van april 2021 – september 2022. Losse waarnemingen.
Aangeduid met de roze en bruine cirkel. Deze waarnemingen worden verder verwerkt onder het onderdeel resultaten. De overige waarnemingen vormen geen relevantie voor deze studie, anders dan het voorkomen van een bepaalde soort in de omgeving van het plangebied. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto hierboven. 6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 29 april 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een zaklamp, verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broedvogels). De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. De meeste vogelsoorten bezetten een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen territorium -indicerend gedrag (zang/balts). Veel vogelsoorten bezetten een nestplaats en sommigen hebben al uitgevlogen jongen.