Bijlagen bij toelichting_Bijlage 7 Quickscan.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Punthuizerweg 30 en Westerhoekweg 10 te Denekamp
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Punthuizerweg 30 en Westerhoekweg 10 te Denekamp
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever: N+L Landschapsontwerpers Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 5543 versie 1.0 Ligging plangebied: Punthuizerweg 30 en Westerhoekweg 10 te Denekamp Auteur: Ing. P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 1-9-2023 Veldwerk uitgevoerd door: J. Tamminga & Ing. P.Leemreise
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
1
Inhoud SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 3 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ................................................................................................................................. 4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ........................................................................................................................ 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 5 3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS.................................................................................................................... 10
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 10 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 ............................................................................................... 10 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming .................................................................................. 10 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................ 11
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden .......................................................................................... 11 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING .............................................................................................................. 12
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 12 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 13 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 15 HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING ............................................................................................................ 16
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 16 6.1.1 Algemeen...................................................................................................................................... 16 6.1.2 Bronnenonderzoek ....................................................................................................................... 16 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 17 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 18 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 22 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 26 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 26 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES ............................................................................................................................ 27
2
SAMENVATTING Er zijn plannen voor de bouw van een extra woning op een erf aan de Punthuizerweg 30 te Denekamp. Deze woning mag gebouwd worden in het kader van het Rood-voor-rood-beleid van de gemeente Dinkelland. Ter compensatie voor de bouw van de extra woning wordt voormalige agrarische bebouwing op een erf aan de Westerhoekweg 10 te Denekamp gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied (beide deelgebieden) is op 20 augustus 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Er dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase voor beide deelgebieden en een stikstofberekening voor de gebruiksfase van deelgebied Punthuizerweg. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, kunnen op voorhand uitgesloten worden. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende amfibieën-, vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of verblijfplaats bezetten in de bebouwing of de bomen.
Van de vogels die in het plangebied nestelen, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die een negatief effect op een vogelnest hebben, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Er geldt echter geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde dieren. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood wordt. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Gevolgen van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Geen beschermde amfibieën of zoogdieren opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); • Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode;
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn plannen voor de bouw van een extra woning op een erf aan de Punthuizerweg 30 te Denekamp. Deze woning mag gebouwd worden in het kader van het Rood-voor-rood-beleid van de gemeente Dinkelland. Ter compensatie voor de bouw van de extra woning wordt voormalige agrarische bebouwing op een erf aan de Westerhoekweg 10 te Denekamp gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden; deelgebied Punthuizerweg 30 en Westerhoekweg 10 te Denekamp. Beide deelgebieden liggen in het buitengebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van beide deelgebieden weergegeven op een topografische kaart.
Deelgebied Westerhoekweg
Deelgebied Punthuizerweg
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Punthuizerweg Dit deelgebied vormt een deel van een bestaand woonerf en bestaat volledig uit tuin met sierplanten, siergrassen en bloem- en faunarijk grasland met inheemse soorten. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
5
Luchtfoto van het plangebied. Het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid.
Deelgebied Westerhoekweg Dit deelgebied vormt een deel van een woonerf en bestaat uit bebouwing, erfverharding en opgaande beplanting in de vorm van een houtsingel. De houtsingel bestaat uit een gemengde aanplant van inheemse bomen en struiken. Het betreft een jonge aanplant. In het plangebied staat een voormalige rundveestal met bakstenen buitengevels. De stal is gedekt met golfplaten en beschikt niet over een beschoten kap of dakisolatie. De staat van onderhoud van de stal is goed; de stal is wind- en waterdicht. De stal wordt gebruikt als paardenstal. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied weergegeven.
Luchtfoto van het plangebied. Het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid.
6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een extra woning te bouwen in deelgebied Punthuizerweg. Naast een woning wordt tevens een bijgebouw gerealiseerd. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast middels de aanleg van erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding, wordt het wenselijke eindbeeld in deelgebied Punthuizerweg weergegeven.
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron N+L Landschapsontwerpers).
Ter compensatie voor de bouw van de extra woning met bijgebouw wordt een stal gesloopt in deelgebied Westerhoekweg. Op het erf wordt nadien een kapschuur gebouwd op de slooplocatie. De bestaande dressuurbak wordt vergroot met 468 m2. Om de dressuurbak te kunnen vergroten dient een houtsingel verwijderd te worden. Op onderstaande afbeelding, wordt het wenselijke eindbeeld in deelgebied Westerhoekweg weergegeven.
7
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron N+L Landschapsontwerpers).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Deelgebied Westerhoekweg • Slopen schuur; • Verwijderen houtopstand; • Vergroten paardrijbak; • Bouwen kapschuur; • Aanleggen erfbeplanting; Deelgebied Punthuizerweg • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woning en bijgebouw; • Aanleggen erfbeplanting; • Bewonen woning;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten;
8
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en het gebruik van de woning en paardrijbak. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan openbare weg, erf en agrarisch cultuurland. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.
9
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of 10
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. (in voorliggend plan worden geen houtopstanden gerooid buiten een woonerf. Dit aspect wordt verder niet besproken in deze studie)
11
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 62 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven.
12
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van de deelgebieden wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Beschermingsregime De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief 13
mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Beide deelgebieden ligging buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Deelgebied Punthuizerweg ligt op minimaal 547 meter afstand van Natura 2000-gebied Dinkelland. Deelgebied Westerhoekweg ligt op minimaal 2,7 kilometer afstand van Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van de deelgebieden wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de grijze kleur aangeduid (bron: aerius.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopafval, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura2000 gebied kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Er dient daarom een stikstofberekening opgesteld te worden voor beide deelgebieden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) De gebruiksfase in deelgebied Westerhoekweg is gelijk aan de referentiesituatie. Toename van stikstofdepositie kan daarom op voorhand uitgesloten worden. Als gevolg van het bewonen van de extra woning neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe.
Een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied kan daarom niet op voorhand uitgesloten worden. Om vast te 14
kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Er dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase voor beide deelgebieden en een stikstofberekening voor de gebruiksfase van deelgebied Punthuizerweg. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, kunnen op voorhand uitgesloten worden.
15
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 21-8-2023 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 20 augustus 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. Deelgebied Punthuizerweg In de NDFF zijn twee waarnemingen bekend. Het betreft twee losse waarnemingen van vogels (torenvalk en fazant). Deze waarnemingen worden meegenomen in de soortbespreking. Op onderstaande luchtfoto wordt het zoekgebied, waarbinnen de NDFF is geraadpleegd, weergegeven.
Verspreiding van alle bekende flora- en faunawaarnemingen in het plangebied (bron: NDFF). Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven.
Deelgebied Westerhoekweg In de NDFF zijn drie waarnemingen bekend. Het betreft een waarneming van vogel (bonte vliegenvanger) en twee vaatplanten. De waarnemingen zijn verricht buiten het plangebied en zijn niet relevant voor de effectbeoordeling. Op onderstaande luchtfoto wordt het zoekgebied, waarbinnen de NDFF is geraadpleegd, weergegeven.
16
Verspreiding van alle bekende flora- en faunawaarnemingen in het plangebied (bron: NDFF). Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied weergegeven.
6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 21 augustus 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28).
Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar weinig territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en sommige soorten alweer weggetrokken zijn naar de overwinteringsoorden. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Verschillende grondgebonden zoogdieren kunnen zogende jongen hebben in deze tijd van het jaar. Veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, kraben bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. De bebouwing is specifiek beoordeeld als verblijfplaats van steenmarter.
17
Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de zomerverblijfplaats bezetten. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Sommige amfibieën bezetten de voortplantingswateren in deze tijd van het jaar, terwijl sommige andere amfibieënsoorten de voortplantingswateren alweer ingeruild hebben voor landbiotoop. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. 6.3.1 resultaten deelgebied Punthuizerweg Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Potentiële nestplaatsen zoals bomen, heesters of dichte ruigte ontbreekt in het plangebied. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door het bebouwen van een deel van het plangebied af. Als gevolg van het bouwen van de woning en bijgebouw wordt geen vogel gedood of een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, egel, haas, vos, ree en huisspitsmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Er zijn geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door het bebouwen van een deel van het plangebied iets af. Als gevolg van het bouwen van de woning en bijgebouw wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier 18
beschadigd of vernield. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Eventueel aanwezige verblijfplaatsen buiten het plangebied worden niet negatief beïnvloed. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Geen. • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied. Geschikte plekken voor het bezetten van een (winter)rust- of voortplantingsplaats ontbreken er.
19
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen (winterverblijfplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën mogelijk iets af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Bebouwen en verharden plangebied; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.3.2 Deelgebied Westerhoekweg
Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd. Vogels benutten de buitenruimte als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in de beplanting. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, winterkoning, groenling en vink. Er zijn in het plangebied geen huismussen waargenomen en de te slopen bebouwing wordt als een ongeschikte nestplaats voor de huismus beschouwd. Het gebouw is niet toegankelijk voor huismussen (en andere vogelsoorten) en het dakvlak vormt een ongeschikte nestplaats. Ook zijn geen sporen waargenomen die op de aanwezigheid van een rust- of nestplaats van de steen- of kerkuil in de bebouwing duiden. Door het rooien van de beplanting tijdens het voortplantingsseizoen, kunnen bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet aangetast.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als egel, steenmarter, bosmuis en huisspitsmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als huisspitsmuis, bosmuis en veldmuis er ook een rust- en voortplantingsplaats. Voorgenoemde soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder bladeren, takkenbossen, groen(afval) en opgeslagen goederen. Er zijn geen potentiële rust- of voortplantingsplaatsen van grondgebonden zoogdieren (zoals de steenmarter) in de bebouwing aangetroffen. Door het rooien van de beplanting en het bouwrijp maken van de bouwplaats, worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Slopen bebouwing; • Rooien beplanting ; • Uitvoeren grondverzet;
20
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. De gemetselde buitengevels van de te slopen stal beschikt over een (holle) spouw, maar er zijn in de buitengevels geen potentiële invliegopeningen, zoals open stootvoegen of andere gaten en kieren waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw. In het plangebied zijn geen andere potentiële verblijfplaatsen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een dakpan, gevelbetimmering, vensterluik, windveer of zonnescherm waargenomen. Door het slopen van bebouwing wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap, kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Het plangebied vormt een geschikt foerageergebied voor vleermuizen.
Het is aannemelijk dat vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger rond de bebouwing en de randen en kronen van de bomen en struiken in het plangebied foerageren. Ook vliegen vleermuizen over het plangebied terwijl ze foerageren rond beplanting die net buiten het plangebied staat. Vanwege de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Geen; • Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
21
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt de buitenruimte van het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte van het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, en onder bladeren, opgeslagen goeden en groen(afval). Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Gelet op de geïsoleerde ligging van het plangebied in intensief beheerd agrarisch cultuurlandschap, op enige afstand van geschikt voortplantingsbiotoop, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieën gering. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)verblijfplaats beschadigd/vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: • Rooien beplanting en verwijderen groen(afval) en opgeslagen goederen; • Uitvoeren grondverzet; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen.
Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep (beide deelgebieden) Vogels Door het rooien van beplanting wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is november1-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: -
1
Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode; Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode;
Houtduiven kunnen tot eind oktober een bezet nesten hebben. 22
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt er geen vleermuis gedood en wordt er geen verblijfplaats verstoort, beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Het plangebied betreft echter geen essentieel foerageergebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes2 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden3 of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van de spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.
Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
2
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 3 In de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn hiervoor regels opgenomen 23
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt); Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de winterrustperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt); Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
24
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen
Aandachtspunt
(Wet natuurbescherming)
Grondgebonden zoogdieren
Foerageergebied
Diverse soorten
Niet van toepassing, functie is niet beschermd
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Rust- en voortplantingslocaties
Diverse soorten
Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Doden en verwonden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling (of soort is niet beschermd zoals mol en huismuis);
Geen
Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Niet van toepassing, functie is niet beschermd
Geen
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Mogelijk diverse soorten
Art. 3.1 lid 2
Beplanting rooien en bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vogels
Doden en verwonden van dieren
Mogelijk diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Beplanting rooien en bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode
Vleermuizen
Verblijfplaats
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vleermuizen
Foerageergebied
Mogelijk diverse soorten
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast
Geen
Vleermuizen
Vliegroute
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vleermuizen
Doden en verwonden van dieren
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Foerageergebied
Mogelijk diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd
Geen
Amfibieën
(winter)rustplaatsen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Voortplantingsbiotoop
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Doden en verwonden van dieren
Mogelijk diverse soorten
Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Geen
Overige soorten
Dieren en overige functies
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Vaste rustplaats
Voortplantingsplaats
Vliegroute (vleermuizen)
Grondgebonden zoogdieren Vogels Vleermuizen
Ja
Ja
n.v.t.
Essentieel foerageergebied Nee
Nee Nee
Nee Nee
n.v.t. Nee
Amfibieën
Ja
Nee
n.v.t.
Wettelijke consequenties Ja
Nader onderzoek vereist Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee
Ja
Nee
Ontheffing vereist
Nee, tenzij dieren gedood worden Nee Nee Nee, tenzij dieren gedood worden
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep. 25
6.5 Historische gegevens en overige bronnen Deelgebied Westermaatweg is reeds eerder bezocht en onderzocht in het kader van een verkennend natuurwaardenonderzoek. Dat onderzoek heeft plaats gevonden op 21 januari 2020. De bevindingen van dat onderzoek zijn gerapporteerd in rapport 1935 van Natuurbank Overijssel. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
26
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd4. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Er dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase voor beide deelgebieden en een stikstofberekening voor de gebruiksfase van deelgebied Punthuizerweg. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, kunnen op voorhand uitgesloten worden. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende amfibieën-, vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of verblijfplaats bezetten in de bebouwing of de bomen. Van de vogels die in het plangebied nestelen, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die een negatief effect op een vogelnest hebben, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden.