CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Weerselo, Spikkert 3”11.425 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3

55

Bijlage 1

56

Groen inrichtingsplan

bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3

Bijlage 2 m.e.r.

Aanmeldnotitie vormvrije

bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3

63

Aan: Gemeente Dinkelland t.a.v. dhr. Hindriksen Postbus 11 7690 AA Denekamp Borne, 20 oktober 2020 Ons kenmerk: 20AF103 Bijlagen: Geen

Betreft:

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Weerselo, Spikkert 3

Geachte heer Hindriksen, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor d e herverkaveling van het woningbouwplan Spikkert, derde fase en de toevoeging van 7 extra woningen. Het plan kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in dat geval een m.e.rbeoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college) voorafgaand aan het ontwerpbesluit. Het college van burgemeester en wethouders neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van deze besluitvorming is voorliggende aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r.

is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r. -plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r. -beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Onderhavig plan, kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl

Onderhavig plan heeft betrekking op de herverkaveling van een bestaand woningbouwplan en de toevoeging van 7 extra woningen. De omvang van het plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden waardoor in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: de kenmerken van het project; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project De gemeente Dinkelland is eigenaar van de gronden en initiatiefnemer van het woningbouwplan Spikkert, derde fase. Op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn in het plangebied voor Spikkert, derde fase reeds 26 woningen toegestaan. Op basis van gesprekken met de dorpsraad van Weerselo is een (her)verkavelingsschets opgesteld voor de realisatie van 33 woningen. Ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan worden er 7 extra woningen toegevoegd. Plaats van het project Het plangebied is gesitueerd aan de noordoostzijde van Weerselo.

Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie Q, nummer 1104 en heeft een oppervlakte van circa 1,2 hectare. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiële milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt via Erve Spikkert en de Eertmansweg ontsloten op de Legtenbergstraat. De Legtenbergstraat is op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeer - en Vervoerplan voor Dinkelland 2019' (hierna: GVVP) aangemerkt als een "erftoegangsweg type A" waarvoor een wegintensiteit geldt van 4.000 tot 6.000 motorvoertuigbewegingen per dag met een rijbaanbreedte van 5 tot 7 meter. De maximumsnelheid bedraagt 50 km per uur. De Eertmansweg is in het GVVP gecategoriseerd als "erftoegangsweg type B". Voor deze erftoegangsweg geldt een verkeersintensiteit van 3.000 tot 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de herverkaveling van woningbouwplan Het Spikkert. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan worden zeven nieuwe woningen toegevoegd. Het vigerende bestemmingsplan biedt voor onderhavig plangebied de mogelijkheid om 16 vrijstaande woningen, vier aaneengebouwde woningen en 6 twee-onder-een kapwoningen te realiseren.

Op grond van de herverkaveling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is het mogelijk om 10 aaneengebouwde woningen, 5 vrijstaande woningen en 18 twee-onder-een kapwoningen te realiseren. Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland geldt dat het plangebied wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Op basis van de adresdichtheid geldt dat de kern Weerselo wordt aangemerkt als 'niet-stedelijk'. Op basis hiervan kan op grond van de CROWuitgave 381 de verkeersgeneratie voor de woningen bepaald worden. Voor vrijstaande woningen geldt voor gebiedstype 'rest bebouwde kom' en 'niet - stedelijk' een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per dag. Voor twee -kappers geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen en voor aaneengebouwde woningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per dag. De totale verkeersgeneratie van de huidige planologische situatie bedraagt totaal (16 * 8,2 + 6 * 7,8 + 4 * 7,4 = 207,6 ) afgerond 208 verkeersbewegingen per dag.

-2-

De verkeersgeneratie als gevolg van de herverkaveling en de toevoeging van 7 woningen bedraagt (5 * 8,2 + 18 * 7,8 + 10 * 7,4 = 255,4) afgerond 256 verkeersbewegingen per dag. In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen derhalve toe met 48 verkeersbewegingen per dag. Gelet op de kenmerken van de Legtenbergstraat en de Eertmansweg kan deze toename aan verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur afgewikkeld worden. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luc htkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Het bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van bestaande bouwrechten (woningen). Daarnaast worden er als gevolg van dit bestemmingsplan zeven nieuwe woningen toegevoegd. Voor woningbouw geldt dat de grens van 3% overeenkomt met de bouw van 1.500 woningen (bij één ontsluitingsweg), dan wel 3.000 woningen (bij twee ontsluitingswegen). Aangezien dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 33 woningen (en ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan zeven woningen toevoegd) kan geconcludeerd worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geluid Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: in stedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; in buitenstedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; o voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek (projectnummer 20.108, d.d. 13 oktober 2020) uitgevoerd naar de geluidbelasting, afkomstig van het wegverkeer op de Legtenbergstraat en de Eertmansweg ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plan Spikkert, derde fase. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, Reken - en meetvoorschrift geluidhinder 2012( SRMII-2012).

Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen: -3-

Het blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Legtenbergerstraat ter plaatse van de toekomstige woningen niet wordt overschreden. Er dient geen hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Legtenbergerstraat. Het blijkt dat de maximale cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de gevels van de toekomstige woningen maximaal 46 dB bedraagt. Derhalve dienen er geen geluidwerende voorzieningen bepaald te worden om aan het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen. Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Daarnaast vormen de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai', vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse.

De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontrein iging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Ten behoeve van het woningbouwplan Spikkert, tweede fase is in 2010 een gecombineerd verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Gelet op het feit dat de onderzoeksresultaten ten tijde van de december 2015 geactualiseerd voor Het Spikkert, fase 2. De geldigheidsduur van een bodemonderzoek wordt gesteld op vijf jaar. Omdat mag worden aangenomen dat de milieuhygiënische toestand van de bodem sinds het vorige onderzoek (2010) niet is gewijzigd heeft het verrichte onderzoek in 2015 enkel betrekking gehad op de bovengrond (dus niet op de diepere ondergrond en het grondwater). Aangezien de reeds verrichte bodemonderzoeken reeds verouderd is door Kruse Milieu een verkennend bodemonderzoek (projectcode 20050516, d.d.

21 september 2020) uitgevoerd op een terreindeel ter grootte van circa 1,2 hectare ter plekke van het Spikkert, derde fase. De onderzoekslocatie is onbebouwd en en grotendeels onverhard. Het terrein bestaat uit weiland met een puinweg. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. De bovengrond van de locatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Het overige deel van de locatie is onverdacht voor chemische componenten. De bovengrond, de ondergrond en het grondwater worden op verzoek van de gemeente Dinkelland aanvullend op PFAS onderzocht . De resultaten worden hieronder weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven. De boringen 1 en 2 zijn doorgezet tot 3.50 en 3.60 meter diepte en afgewerkt tot peilbuizen. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zand in de bovengrond en matig fijn tot matig zand in de ondergrond met tussen 0.6 en 1.7 meter diepte een sterk zandige leemlaag. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of op en in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 2.26 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: -4-

de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met lood; de ondergrond (OG I en OG II) zijn niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en nikkel; het grondwater (PB 2) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink. Resultaten PFAS-analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: In de bovengrond (BG I, BG II en BG III) is geen PFAS verhoogd aangetoond. in de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS verhoogd aangetoond. in het grondwater (PB 1) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRC humaan); in het grondwater (PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan). Resultaten asbestanalyses MM FF - 01 bevat geen asbest; MM FF - 02 bevat geen asbest. MM FF - 03 bevat geen asbest. MM FF - 04 bevat geen asbest. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn verontreinigingen aangetoond. In de bovengrond (BG I en BG II) en in de ondergrond (OG I en OF II) zijn g een verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - 02, MM FF - 03 en MM FF - 04 is geen asbest aangetoond. In de grondmengmonsters van de bovengrond (BG I, BG II en BG III) en de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS aangetoond. In het grondwater (PB 1 en PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRC humaan). Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen geplande nieuwbouwplannen, aangezien de geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 890 meter afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal.

De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 1,12 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lemselermaten. Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van -5-

stikstofdepositie, maar het Natura 2000 -gebied Lemselermaten bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstofdepositie De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, z oals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000 gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Lemselermaten is een negatief effect uitgesloten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal emissie van NOx plaats vinden, als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de sloop- en bouwfase en een tijdelijke toename van verkeer tijdens de ontwikkelfase als gevolg van transport van sloop- en bouwmateriaal, materieel en personeel.

Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 980 meter afstand van een Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, kan een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Door middel van een stikstofberekening kan het effect van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te onderzoeken is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (kenmerk: R001-1276615LKR-V02-nnc-NL). Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stat e geldt dat de stikstofdemissie die gepaard gaat met de voorgenomen ontwikkeling bezien moet worden in relatie tot de referentiesituatie. Als referentiesituatie geldt bij de vaststelling van een nieuw bestemmingspan ter vervanging van het vigerende bestemmingsplan: de huidige - legale - feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Aangezien er in de huidige situatie op grond van het vigerende bestemmingsplan 26 woningen zijn toegestaan. Als gevolg van de herverkaveling voorziet dit bestem mingsplan in de realisatie van 33 woningen. Er worden derhalve (planologisch) 7 nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd.

Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan te berekenen is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar de realisatie van 7 nieuwe woningen. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2019A. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2020. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlagen bij de rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase. Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van de rapportage. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar berekend. De stikstofemissie tijdens de aanlegfase is gebaseerd op werktuigen met STAGE IV klasse (bouwjaar 2014 of later). Op basis van de gestelde uitgangspunten in dit rapport zijn er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000 -gebieden ten gevolge van de aanlegfase en de voorwaarden geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming en kan het project doorgang vinden.

Soortenbescherming Ten behoeve van het bestemmingsplan voor woningbouwplan Het Spikkert, tweede fase, (vastgesteld op 28 juni 2016) is in 2012 een flora en faunaonderzoek uitgevoerd door Eelerwoude. Daarnaast is te -6-

behoeve van het vigerende bestemmingsplan is 2015 een nieuw flora en fauna onderzoek verricht (projectnummer P7476, d.d. 16 november 2015). Aangezien de reeds uitgevoerde onderzoeken verouderd zijn is door Natuurbank Overijssel onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het plangebied is op 28 juli 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Op 28 juli 2020 is het plangebied onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de v oorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden de resultaten weergegeven. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk 'verstoren, beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten.

Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en amfibieën benutten het plangebied als foerageergebied, grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rust - en voortplantingsplaats en amfibieën bezetten er een (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren, niet aangetast. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.

Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. -7-

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veilighe id buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening.

Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 875 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet - en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Conclusie In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het mil ieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r. (beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

-8-

Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest.

Hoogachtend,

Ad Fontem BV, T. Boswerger

-9-

Bijlage 3

Geuronderzoek

bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3

73

Geuronderzoek Uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo Datum Projectnummer Versie

: 11-12-2015 : 150015-00 : 01

Opdrachtgever Gemeente Dinkelland Nicolaasplein 5 7590 AA Denekamp

Datum 11-12-2015

Versie: 01 Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

Avenue Adviseurs 1e Energiew eg 14c, 9301 LK Roden

T 06 832 130 45

E info@avenuea.nl

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

Inhoud 1

Inleiding ................................................................................................................. 2

2

Uitbreidingslocatie Weerselo ................................................................................... 4

3 3.1 3.2 3.3

Toetsingskader en beoordelingsgrootheden ............................................................. 5 Wet veehouderij en geurhinder ................................................................................ 5 Normstelling ........................................................................................................... 5 Verspreidingsmodellen V-Stacks ............................................................................. 6

4 4.1 4.2 4.3 4.4

Geurbelasting veehouderij Siemertsteeg 5 ............................................................... 8 Invoergegevens ...................................................................................................... 8 Geurbelasting......................................................................................................... 9 Vaste afstanden ..................................................................................................... 9 Omgekeerde werking............................................................................................ 10

5 5.1 5.2

Achtergrondbelasting geur .................................................................................... 12 Invoergegevens .................................................................................................... 12 Geurbelasting....................................................................................................... 12

6 6.1 6.2

Geurhinder en wat is veel of weinig ....................................................................... 14 Geurhinder........................................................................................................... 14 Wat is veel of weinig? ........................................................................................... 14

7

Conclusie............................................................................................................. 16

Figuren 1. 2.

Geurcontouren Siemertsteeg 5 vergunde situatie Geurcontouren Siemertsteeg 5 omgekeerde werking

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 1

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

1

Inleiding De gemeente Dinkelland oriënteert zich op de mogelijkheden om een uitbreidingslocatie in Weerselo voor woningbouw te realiseren. De locatie wordt globaal begrensd door de Legtenbergerstraat, de Eertmansweg, de Middensloot en de toekomstige rondweg Weerselo. Een van de aspecten die een rol speelt is de geur veroorzaakt door dierenverblijven van de omliggende veehouderijen. Op relatief korte afstand is de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 gelegen. Als er sprake is van nieuwbouwplannen in de omgeving van veehouderijen, dan moet worden onderzocht of en waar de nieuwbouw kan plaatsvinden. Sinds 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor geur afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. Met het geuronderzoek dient de uitbreidingslocatie te worden beoordeeld op aanvaardbaarheid van woningen in verband met de geuremissie van de veehouwerdij aan de Siemertsteeg 5. Met andere woorden: kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd? Het onderzoek moet hierbij antwoord geven op twee vragen. 1. 2.

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de betrokken veehouderij?

Voor beantwoording van deze vragen moet de geurbelasting en de geurhinder worden bepaald. De geurhinder wordt bepaald uitgaande van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting in het gebied. Onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij (de dominante veehouderij) die de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelige object is gelegen. In dit geval is dat de veehouderij aan de Siemertsteeh 5. Dit rapport bestaat uit twee hoofdonderdelen. Het eerste deel gaat in op een beschrijving van de uitbreidingslocatie (hoofdstuk 2) alsmede op het toetsingskader en de beoordelingssystematiek voor geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen (hoofdstuk 3).

Het tweede deel van dit rapport volgt het chronologisch beoordelingproces van de geursituatie voor ruimtelijke ordeningsplannen, beginnend met het onderzoek naar de geurbelasting van de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 op de uitbreidingslocatie Deze veehouderije heeft twee belangen: voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien er concrete uitbreidingsplannen zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), deze ook te realiseren (hoofdstuk 4). De toekomstige

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 2

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

bewoners hebben belang bij een goed woon- en verblijfklimaat (hoofdstuk 5). Het rapport wordt afgesloten met de conclusie van het onderzoek (hoofdstuk 6).

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 3

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

2

Uitbreidingslocatie Weerselo De uitbreidingslocatie aan de westzijde van Weerselo wordt begrensd door de Legtenbergerstraat, de Eertmansweg, de Middensloot en de toekomstige rondweg Weerselo. De ligging van het plan is weergegeven in afbeelding 2.1. Afbeelding 2.1: situering uitbreidingslocatie

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 4

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

3

Toetsingskader en beoordelingsgrootheden

3.1

Wet veehouderij en geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader als het gaat om de beoordeling van geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen bij procedures in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. De Wvg geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

3.2

Normstelling Een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen: a. b. c. d.

binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht; buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht; buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

Tabel 3.1: overzicht geurnormen

De uitbreidingslocatie Weerselo is gelegen in het concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, zodat de geurnomen vermeld onder a en b van toepassing zijn. De bebouwde kom kan worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 5

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Voor het uitbreidingsplan is daarom uitgegaan van een normstelling van 3,0 odour units per kubieke meter lucht. De afstand tussen het emissiepunt van een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. b.

binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter; buiten de bebouwde kom tenminste 50 meter.

De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object: a. b.

3.3

binnen de bebouwde kom tenminste 50 meter; buiten de bebouwde kom tenminste 25 meter.

Verspreidingsmodellen V-Stacks Voor toetsing van veehouderijbedrijven aan de Wgv wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsmodellen V-Stacks vergunningen en V-Stacks gebied. V-Stacks is een geavanceerd computerprogramma voor het berekenen van de verspreiding van geur rond dierenverblijven. Het programma is gemaakt door Kema in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). In de ministeriële regeling bij de Wet geurhinder en veehouderij is het gebruik van V-Stacks vergunning verplicht gesteld. Met andere woorden, er mogen geen andere verspreidingsmodellen bij de vergunningverlening op basis van de Wet geurhinder en veehouderij worden gebruikt. V-Stacks vergunning berekent de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de nabije omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Deze norm moet vooraf worden ingevoerd. Om de geurbelasting te berekenen, worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het model houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. De berekening van de geurbelasting bestaat uit de volgende stappen: Stap 1.

geuremissie per dier vermenigvuldigd met aantal dieren is geuremissie vanuit dierenverblijf; geuremissie vanuit dierenverblijf vermenigvuldigd met aantal dierenverblijven is geuremissie vanuit veehouderij.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 6

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

Stap 2. geuremissie vanuit veehouderij ingevoerd in het verspreidingsmodel resulteert in de geurbelasting op geurgevoelig object. Stap 3.

de berekende geurbelasting op geurgevoelig object wordt getoetst aan de maximale waarde voor de geurbelasting. De geuremissies per dier zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De geuremi tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). Europese odour units worden gemeten volgens de norm NEN-EN 13725 1. De geuremissie vanuit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid (ouE/s). De geurbelasting berekend met V-Stacks vergunning wordt uitgedrukt in Europese 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m ) als 98-percentielwaarde (P98). De 98-percentielwaarde betekent dat deze concentratie gedurende 2% van de tijd wordt overschreden, de overige 98% van het jaar is de concentratie lager. 3 Kortheidshalve wordt in de Wgv en in deze handleiding gesproken van ouE/m waar wordt bedoeld ouE/m3 als 98-percentielwaarde. Voor het berekenen van de stankcontour is het verspreidingsmodel V-Stacks vergunningen niet geschikt. De stankcontour moet worden berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 7

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

4

Geurbelasting veehouderij Siemertsteeg 5

4.1

Invoergegevens Om met V-Stacks de geurbelasting te kunnen berekenen moeten de volgende gegevens worden verzameld en ingevoerd: A. B. C. D. E. F.

meteorologie (Eindhoven of Schiphol); (rijksdriehoeks-) X-,Y- coördinaten van de bronnen (emissiepunten); gemiddelde gebouwhoogte [m]; geuremissie per bron [ouE/s]; hoogte van de uitstroomopening [m]; (inwendige) diameter van de uitstroomopening [m]; G. verticale uittreesnelheid [m/s]; G. (rijksdriehoek-) X-,Y- coördinaten van de geurgevoelige objecten; I. geurnorm 3 [ouE/m ]. Het model houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. Voor de ruwheid is ervoor gekozen het programma zelf de ruwheid te laten berekenen voor het opgegeven gebied (wordt sterk aanbevolen). Het programma gebruikt voor deze ruwheidsberekening een meegeleverd kwalitatief hoogstaand bestand voor Nederland. De ruwheidwaarde moet tussen de 0,03 en 1,0 liggen. Waarbij 0,03 geldt voor een flink gebied zonder verstoringen, bijvoorbeeld polder met grasland. 1,0 geldt voor een flink gebied met veel verstorende gebouwen, zoals een bebouwn de kom. Voor de uitbreidingslocatie rekent het programma met een ruwheid van 0,25 m. Een uitwerking van de geuremissies van de veehouderijen aan de Siemertsteeg 5 is weergegeven in tabel 4.1. De geuremissie is berekend op basis van de vergunde situatie 3 [check bij Jos Groeneveld, gerekend is met een totale geuremissie van 21276 ouE/m ] Tabel 4.1: geuremissie Siemertsteeg 5 stal

stal A1/A2

diersoort

RAV-nr.

aantal

geuremissie -

geuremissie

factor

[ouE/s]

kraamzeugen gespeende biggen

D1.2.16 D1.1.15.2

60 880

27,9 1,6

1674 1408

vleesvarkens

D3.4.1.

375

23,0

8625

stal B

vleesvarkens

D3.4.1.

320

23,0

7360

stal C

guste en drachtige zeugen

D1.3.13

139

18,7

2599

guste en drachtige zeugen

D1.3.12

81

5,6

beren

D2.4

2

5,6

geuremissie v anuit v eehouderij

11-12-2015, versie 1.0

3053 25173

Pagina | 8

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

4.2

Geurbelasting Met de invoergegevens, zoals genoemd in de vorige paragrafen, zijn de stankcontouren berekend die de invloedssfeer van de veehouderijen aangeven. In afbeelding 4.2 zijn de geurcontouren gepresenteerd van de veehouderij aan de 3 Siemertsteeg 5. Binnen de 3 ouE/m contour mag in beginsel geen nieuwbouw plaatsvinden. De contouren zijn op schaal gepresenteerd in figuur 1 van de rapportage. Afbeelding 4.2: Siemertsteeg 5 vergund

4.3

Vaste afstanden Zoals in paragraaf 3.2 is genoemd, dient de afstand tussen het emissiepunt van een stal, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter te zijn. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom dient 50 meter te zijn. De afstand tussen deze punten en de uitbreidingslocatie voldoet ruimschoots aan deze vereisten.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 9

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

4.4

Omgekeerde werking Gelet op de ligging van de uitbreidingslocatie ten opzichte van de veehouderijen aan de Siemertsteeg 5 dient te worden beoordeeld of een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarnaast is van het belang dat door nieuwe geurgevoelige objecten te weren binnen de stankcontour, de betreffende veehouderij niet in haar bestaande rechten wordt aangetast. In de vorige paragrafen zijn hiervan de uitkomsten weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de vergunde situatie. Bij de toets aan de omgekeerde werking wordt de contour van de geldende geurnorm gebaseerd op de vergunde situatie voor wat betreft het aantal en soort dieren en het stalsysteem. Voor de contourberekening moeten ook andere brongegevens worden ingevoerd, zoals de ligging, hoogte en diameter van de emissiepunten, de uittreesnelheid en de gebouwhoogte. Voor de ligging van de emissiepunten zijn daarom de randen van het bouwblok genomen (worst case). Uitgaan van de randen van het bouwblok is in lijn met bestaande jurisprudentie waaruit volgt dat de veehouder het recht heeft om overal op zijn bouwblok te bouwen. Bij ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met gevestigde belangen. Een bouwblok mag dus niet zomaar worden verkleind. Voor de hoogte en diameter van de emissiepunten, de uittreesnelheid en de gebouwhoogte is uitgegaan van de vergunde situatie.

In afbeelding 4.3 de geurcontouren gepresenteerd van de veehouderij aan de Siemertsteeg. De contouren zijn op schaal gepresenteerd in figuur 2 van de rapportage. Afbeelding 4.3: Siemertsteeg 5 bouw blok

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 10

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

Ten opzichte van de situatie met de vergunde emissiepunten liggen de geurcontouren, waarbij is uitgegaan van de grens van het bouwblokken logischerwijs verder over uitbreidingslocatie.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 11

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

5

Achtergrondbelasting geur

5.1

Invoergegevens Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object in dit geval de uitbreidingslocatie. De achtergrondbelasting van de omliggende veehouderijen dient te worden berekend om de geurhinder te bepalen. De achtergrondbelasting is berekend met V-Stacks gebied. Dit programma berekent de verspreiding van geur vanuit meerdere veehouderijbedrijven in een gebied. Het rekenresultaat is de achtergrondbelasting aan geur op in de nabije omgeving gelegen geurgevoelige objecten. In dit programma worden de gegevens over de veehouderijen (bronnen) en de omliggende geurgevoelige locaties (receptoren) ingevoerd, zoals in hoofdstuk 4 is omschreven. Het model houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. De berekening van de achtergrondbelasting bestaat uit de volgende deelberekeningen: Berek ening 1, uit te voeren per veehouderij: geuremissie per dier vermenigvuldigd met aantal dieren is geuremissie vanuit dierenverblijf; geuremissie vanuit dierenverblijf vermenigvuldigd met aantal dierenverblijven is geuremissie vanuit veehouderij. Berek ening 2, voor alle veehouderijen samen: geuremissie vanuit veehouderij ingevoerd in het verspreidingsmodel resulteert in de achtergrondbelasting op geurgevoelig object.

Voor de berekening van de achtergrondbelasting is het bestaande rekenmodel van de gemeente Dinkelland gebruikt, die voor de geurgebiedsvisie is gemaakt. Dit rekenmodel opgesteld door Geluidadvies Nederland op 11 september 2015 en heeft als projectnummer 1084-1058.

5.2

Geurbelasting Uit de berekeningen van het genoemde rekenmodel blijkt dat de achtergrondbelasting op 3 de uitbreidingslocatie varieert van 4-8 ouE/m . In afbeelding 5.1 zijn de geurcontouren weergegeven.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 12

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

Afbeelding 5.1: Achtergrondbelasting geur in ouE /m3

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 13

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

6

Geurhinder en wat is veel of weinig

6.1

Geurhinder In de Handreiking bij de Wgv (Handreiking) is aangegeven hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting. De bijlagen 6 en 7 van de Handreiking beschrijven hoe dat gebeurt. Deze bijlagen lichten ook de begrippen toelichting bij de presentatie van de hindercijfers. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. De voorgrondbelasting is van belang voor het bepalen van de verwachte hinder omdat uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de voorgrondbel asting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting, bij gelijke belastingen. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. In tabel 6.1 is de geurhinder weergegeven bij de voorgrondbelasting van geur door de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 en de achtergondbelasting van alle relevante veehouderijen in de omgeving van de uitbreidingslocatie. 3

Tabel 6.1 beoordeling geurbelasting [ou E/m ] <> geurhinder [%] beoordeling voorgrond achtergrond

6.2

geurbelasting in ou E/m3 1-6 4-8

geurhinder in % 4-14 6-10

Wat is veel of weinig? Om te bepalen wat veel of weinig geurhinder is, biedt de Handreiking als achtergrondinformatie het volgende: a) Het geurbeleid voor industriële inrichtingen is uiteengezet in een brief van de Minister van VROM van 30 juni 1995, die is opgenomen in de Nederlandse EmissieRichtlijn lucht (NeR). Met deze brief als basis, wordt als richtwaarde voor geurhinder doorgaans 12 % gehinderden toegepast, als bovenwaarde 20 % gehinderden en 3% echter niet zonder meer te vergelijken met de industrie, omdat veehouderijen sinds jaar en dag verspreid in het landelijk gebied liggen, bij industriële inrichtingen is dat in veel mindere mate het geval.

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 14

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

b) Het RIVM hanteert voor haar milieurapportages en -toekomstverkenningen voor het Milieukwaliteit zeer goed goed redelijk goed matig tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem slecht

Geurgehinderden [%] <5 5 10 10 15 15 20 20 25 25 30 30 35 35 40

Bron: GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)

c) Behalve het percentage geurgehinderden, is ook het absolute aantal geurgehinderden van belang. Bescherming van de bebouwde kom heeft meer effect op het absolute aantal gehinderden dan bescherming van het buitengebied. Bijvoorbeeld: 25% hinder in een gebied met 10 inwoners betekent dat 2 à 3 mensen hinder ondervinden, terwijl 25% hinder in een gebied met 1.000 inwoners betekent dat 250 mensen hinder ondervinden. d) De wettelijke waarden (artikel 3) en maxima (artikel 6) voor de geurbelasting en de bijbehorende geurhinderpercent ages bedragen: ConcentratieBinnen bebouw de kom Buiten bebouw de kom gebied w ettelijk, art.3 w ettelijk, art.3 w ettelijk, art.3 w ettelijk, art.3 Geurgeurbelasting [ouE/m3] 3 14 14 35 Hinder [%] 8 25 25 41* *) Berekend door extrapolatie en daardoor minder betrouw baar dan de overige percentages.

Deze hindercijfers zijn afgeleid van de relatie tussen de geurbelasting als gevolg van één bedrijf (voorgrondbelasting) en de daarvan te verwachten geurhinder. Bij een hoge dichtheid aan veehouderijen in een gebied, kan de achtergrondbelasting tot een hoge aangegeven dat de hinder hoger kan zijn dan de genoemde waarden. e) Behalve de stallen van veehouderijen, zullen er ook andere geurbronnen in de omgeving zijn (overige agrarische geurbronnen, verkeer, industrie, huishoudens). De werkelijke geurhinder in een gebied zal daarom vaak hoger zijn dan de hinder als gevolg van alleen de stallen. In tabel 6.2 zijn de percentages van de geurhinder getoetst aan bovengenoemde milieukwaliteitscriteria. 3

Tabel 6.2 beoordeling geurbelasting [ou E/m ] <> geurhinder [%] beoordeling voorgrond achtergrond

11-12-2015, versie 1.0

geurhinder in % 4-14 6-10

VROM < bovenw aarde < richtw aarde

RIVM redelijk goed goed

Wvg < norm < norm

Pagina | 15

Geuronderzoek uitbreidingsplan Het Spikkert Weerselo

7

Conclusie 3

De uitbreidingslocatie ligt binnen de contour van 3 ou E/m van de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 en voldoet daarmee niet aan de norm. Echter, de gemeente kan bij 3 verordening stellen dat voor de uitbreidingslocatie een norm geldt van 6 ouE/m ; deze contour loopt net over de uitbreidingslocatie heen, indien voor de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 van de randen van het bouwblok wordt uitgegaan. De contour van 3 3 6 ouE/m is kleiner dan die van 3 ouE/m . De feitelijke geurbelasting blijft ongewijzigd. De veehouderij wordt dan niet in haar belangen geschaad. Ook niet wanneer besloten 3 wordt om, zonder verordening, buiten de contour van 3 ouE/m de geurgevoelige objecten te realiseren. 3

Met een voorgrondbelasting van maximaal 6 ouE/m en een hinderpercentage van maximaal 14 % is sprake van een acceptabel geurhinderniveau, gelet op de genoemde toetsingkaders bij de achtergrondinformatie: er wordt voldaan aan de bovengrens van 20 % gehinderden; volgens de milieukwaliteitscriteria van RIVM is sprake van een redelijk goed leefklimaat en er wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke waarden (artikel 3) en maxima (artikel 6) voor de geurbelasting en de bijbehorende geurhinderpercentages. Behalve het percentage geurgehinderden, is ook het absolute aantal geurgehinderden van belang. Bescherming van de bebouwde kom heeft meer effect op het absolute aantal gehinderden dan bescherming van het buitengebied. Bijvoorbeeld: 14% hinder in een gebied met 10 inwoners betekent dat 1 à 2 mensen hinder ondervinden, terwijl 14% hinder in een gebied met 1.000 inwoners betekent dat 140 mensen hinder ondervinden. Van belang daarom is te onderzoeken wat straks het daadwerkelijk aantal geurgehinderden in het uitbreidingsgebied zal zijn. Overigens wordt opgemerkt dat een hinderpercentage van 14 % slechts van toepassing op een klein gedeelte van de uitbreidingslocatie. De geurbelasting is op de grens van de 3 uitbreidingslocatie ten hoogte 6 ouE/m en is de locatie inwaarts lager naarmate de afstand tot de veehouderijen groter wordt.

Het grootste gedeelte van de 3 uitbreidinglocatie ligt onder de norm van 3 ouE/m , zodat het percentage geurgehinderden in dit gedeelte ook veel lager zal zijn. Bovendien kan zoals vermeld er 3 ook voor worden gekozen om buiten de contour van 3 ouE/m de geurgevoelige objecten te realiseren. Leek, 11 december 2015 Avenue Adviseurs

De heer ing. R. Laan

11-12-2015, versie 1.0

Pagina | 16

8

Bijlage 4

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3

93

Bijlage II Boorstaten

1

1

weiland, m aaiveld

0

zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin

50

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, rood, m at ig roest

100

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest

0

-50

50

-100

zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, rood, m at ig roest leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest

0

-70 -100

150

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen roest

200

zand, uit erst fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, donker bruin 250

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker grijs

-175

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen roest

200

-200

zand, uit erst silt ig, zwak hum eus, donker bruin

-250

250

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker grijs

260

300

350

weiland, m aaiveld

100

150

250

2

1 0

-175 -200

-250

300

350

-350

350 360

t ype p e ilb uis m e t 1 f ilt e r dat um 0 4 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er J. H a rt m a n

-360

t ype p e ilb uis m e t 1 f ilt e r dat um 0 4 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er J. H a rt m a n

1A

weiland, m aaiveld

0 1 50 2

33x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, rood, m at ig roest , edelm an

2A

0

weiland, m aaiveld

0 1 -50 50

zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an 2

100

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an 150

-110

33x32cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf

100 3

3

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, rood, m at ig roest , edelm an leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

0

-30 -60

-90

150

200

4

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen roest , edelm an

-180 4 200 -220

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

bodem profielen scha a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

H e t Sp ik k e r t ( fa se 3 ) - W e e r se lo 20050516 N EN 5 1 0 4

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, sporen roest , edelm an

-170

-200

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

3

6

weiland, m aaiveld

0 1 50

30x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an

2 100

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker beige, zwak roest , edelm an

3

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

4

zand, m at ig grof, zwak silt ig, licht beige, sporen roest , edelm an

0

weiland, m aaiveld

0 1

-30

50 2

-50 -100

33x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

100

0

-30

-90

3

150

150

200

-160 4 -200

200

zand, m at ig grof, zwak silt ig, licht beige, wit , sporen roest , edelm an

-170

-200

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

4 1 50

30x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an

2

100

7

braak, m aaiveld

0

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, zwak roest , edelm an

3

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

4

zand, m at ig grof, zwak silt ig, licht beige, grijs, edelm an

0

weiland, m aaiveld

0 1

-30

50

zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an

-80 100

2

-110

150

150

200

-160 3 -200

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

50

30x34cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an

2 100

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, sporen roest , edelm an

200

-30 -60

-150

-200

8

braak, m aaiveld

1

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

0

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

5 0

33x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, rood, st erk roest , edelm an

3

leem , st erk zandig, neut raal beige, rood, m at ig roest , edelm an

4

zand, m at ig grof, zwak silt ig, licht beige, grijs, edelm an

0

weiland, m aaiveld

0 1

-30

50

zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, edelm an

-60

-110

32x33cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, schep, geen asbest geen gf

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, rood, m at ig roest , edelm an

0

-30 -60

-70

150

200

-160

-200

9

weiland, m aaiveld

0 1

t ype in sp e ct ie g a t dat um 0 8 -0 9 -2 0 2 0 boorm eest er Rie m e r Ve lt m a a t

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16865