Bijlagen bij de motivering_Bijlage 6 Nader onderzoek huismus.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK
HUISMUS Conform het kennisdocument huismus
Locatie onderzoek:
Datum:
April-Mei 2025
Rossumerstraat 19
Project:
NOHM53585
Agelo
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Colofon Onderzoek
Nader onderzoek huismus
Document
NOHM53585
Datum
1 april – 15 mei 2025
Locatie
Rossumerstraat 19, Agelo
Opdrachtgever
BJZ.nu B.V.
Opdrachtnemer
Ecofect B.V.
Ecoloog Adres
Laan 21, 8071 JG Nunspeet
Telefoon Email
info@ecofect.nl
Internet
www.ecofect.nl
KvK-nummer
87036487
Btw-identificatienr.
NL864184311B01
Rekeningnummer
NL39 RABO 0198 8908 69
2
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
INHOUD Samenvatting
4
1. Inleiding
5
2. Wettelijk kader
7
3. De huismus
10
4. Werkwijze
14
5. Resultaten
17
6. Te nemen maatregelen
19
7. Conclusie
21
Verantwoording
22
Bijlagen
23
Disclaimer
26
3
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Samenvatting Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is er geen nestindicatief gedrag vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen. Samenvatting: •
Huismus is niet aanwezig
•
Plangebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied
•
Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied
•
Geen effect gunstige staat van instandhouding
•
Maatregelen niet noodzakelijk
Conclusie Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus is geen vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet noodzakelijk. Er is geen sprake van schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet.
4
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen aan de Rossumerstraat 19 te Agelo heeft. BJZ.NU B.V. aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een huismusonderzoek Omgevingswet uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Het natuurwaardenonderzoek van ‘Loo Plan, voor bos, natuur en landschap. B.V.: QS Rossumerstraat 19 Agelo’ ligt ten grondslag. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.
1.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan Rossumerstraat 19 te Agelo en bestaat uit een boerderij, stal en tuin (zie Figuur 1). Het terrein rond de boerderij en stal is bestraat, behalve aan de west- en noordzijde van de boerderij. Hier ligt een tuin. De tuin gaat aan de noordzijde over in een regulier agrarisch graslandperceel. Rond het perceel en langs de straatkant staan oude eikensingels.
Figuur 1 - Onderzoeks- en planlocatie
Agelo is een gemeente en dorp in Twente, in provincie Overijssel.
5
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
1.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens om de boerderij en ligboxenstal te slopen. Direct ten noorden van de te slopen gebouwen wordt een bedrijfsgebouw gerealiseerd. De nieuwe woning komt op het weiland te staan. De woning krijgt een eigen oprit naar de Rossumerstraat. Voor de reconstructie wordt de tuinbeplanting gerooid. Deze bestaat uit struiken en jonge bomen. De functie van de planlocatie blijft ongewijzigd. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever.
Figuur 2 - Geplande ontwikkelingen op planlocatie.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie en ecologie van het plangebied zal veranderen. De mogelijk negatieve effecten van de ingreep in relatie tot beschermde natuurwaarden zijn: •
Sloop- en Bouwwerkzaamheden
•
Afvoer sloopmateriaal
•
Verwijderen van vegetatie
•
Perceel bouwrijp maken
•
Aan- en afvoer materiaal
Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.
6
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
2. Wettelijk kader In dit hoofdstuk is het wettelijk kader beschreven met betrekking tot de huismus.
2.1 Kader en methode Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming huismus.
2.2 Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen).
Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Voor nadere informatie en invulling van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven.
De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •
§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn
•
§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn
7
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
•
§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten
Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud
van
de
schadelijke
handelingen
komen
overeen
met
de
verbodsbepalingen
van
de
soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen: Tabel 1- Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn
Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):
Het
opzettelijk
doden
of
Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):
Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)
Het
Het opzettelijk doden of vangen
in
hun
natuurlijk
opzettelijk vangen van nature in
verspreidingsgebied opzettelijk
van
Nederland in het wild levende
doden of opzettelijk vangen van
zoogdieren,
vogels van soorten als bedoeld
in het wild levende dieren Hrl
reptielen, vissen, dagvlinders,
in art. 1 Vrl
bijlage IV, onder a, Bern bijlage
libellen
II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1
soorten, genoemd in bijlage IX,
Vrl);
onder A
Het opzettelijk verstoren van
Het opzettelijk beschadigen of
dieren
vernielen
Het
opzettelijk
opzettelijk
vernielen
beschadigen
of van
in
het
en
wild
levende amfibieën,
kevers
van
van
de
nesten, rustplaatsen en eieren
voortplantingsplaatsen,
van vogels, of het opzettelijk
rustplaatsen
wegnemen van nesten van die
dieren
of
eieren
de
vaste van
vogels
Het rapen en onder zich hebben
Het in de natuur opzettelijk
van eieren van vogels
vernielen of rapen van eieren van dieren
Het
opzettelijk
vogels*
storen
van
Het beschadigen of vernielen
Het opzettelijk in hun natuurlijke
van de voortplantingsplaatsen
verspreidingsgebied plukken en
of rustplaatsen van dieren
verzamelen,
afsnijden,
ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B
8
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Het
opzettelijk
plukken
verzamelen,
en
afsnijden,
ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied
Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, •
Als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort:
•
Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel
Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. De huismus wordt in de Omgevingswet beschermd onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn als een soort met een vaste rust- en verblijfplaats. Vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van de huismus zijn jaarrond beschermd. evenals het functioneel leefgebied dat essentieel is voor het functioneren van de nestlocaties.
9
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
3. De huismus In dit hoofdstuk zijn de kenmerken, levenswijze, leefomgeving, verspreiding, en aantallen van de huismus beschreven. Voor meer informatie m.b.t. de huismus wordt verwezen naar het kennisdocument huismus (v 2.1. 2023).
3.1 Kenmerken De huismus is 14 tot 16 centimeter lang en weegt gemiddeld 30,2 gram: man 24 – 37 gram, vrouw 25 – 35 gram). Het mannetje en vrouwtje verschillen van uiterlijk. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwarte oogstreep, een witte stip achter het oog, een zwarte bef tot op de bovenborst, roodbruine, zwart gestreepte bovendelen en vleugels en een opvallende witte vleugelstreep. Het vrouwtje heeft licht bruine bovendelen met een grijs waas en donkerbruine strepen, een effen lichte borst en eenkleurig grijze onderdelen met een beige teint. Meer dan de helft van de juveniele huismussen overleeft het eerste halfjaar niet. Huismussen worden meestal 3 à 4 jaar oud; vogels van 5 of 6 jaar oud zijn een uitzondering. Er zijn enkele exemplaren tot 10 jaar oud bekend.
3.2 Leefwijze Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. Huismussen zijn uitgesproken standvogels. Dit betekent dat ze zich - het hele jaar door - niet meer dan enkele honderden meters van de broedplaats verwijderen. In het broedseizoen blijven ze dichter bij de broedplaats. Huismussen zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. Huismussen zijn in tegenstelling tot veel andere vogels ’s ochtends rond zonsopkomst nog niet erg actief met zingen. De activiteit neemt toe, één tot twee uur na zonsopkomst. Aan het eind van de ochtend neemt de zangactiviteit weer af. Op de gezamenlijke slaapplaatsen, schuilplaatsen en foerageerplaatsen wordt gedurende de dag vaak volop gekwetterd en getjilpt. De broedtijd is meestal van begin april tot en met augustus, maar in maart kan er ook al gebroed worden (afhankelijk van het weer). Meestal worden per paar per jaar twee tot drie legsels grootgebracht. De nestbouw begint al in maart. Ook buiten de broedperiode wordt aan het nest gebouwd en wordt het nest gebruikt als slaapplaats.
Eén succesvol broedsel per seizoen is niet voldoende om de populatie voldoende in stand te houden, daarvoor zijn jaarlijks ook succesvolle vervolglegsels noodzakelijk. De broedduur bedraagt 12 tot 14 dagen en vervolgens vliegen de jongen na 14 tot 16 dagen uit en worden daarna nog 10 tot 14 dagen door hun ouders gevoed.
3.3 Voedsel Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en onkruiden en wordt aangevuld met insecten en hun larven, bessen en bloemknoppen. In stedelijke omgeving zijn naast het voedselaanbod uit voerdersilo’s, broodkruimels en andere voedselresten van mensen en hun huisdieren de belangrijkste voedselbron. Ook wordt er wel grit (kalk) en kleine hoeveelheden kleine steentjes (deze bevorderen vertering harde granen) gegeten. In het broedseizoen hebben vrouwtjes voldoende eiwitrijk voedsel nodig om eieren te kunnen leggen. Jonge huismussen eten in de eerste twee weken van hun leven voornamelijk zacht eiwitrijk voedsel bestaande uit insecten zoals bladluizen, (dans)muggen, vliegen,
10
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
vliegmieren, gaasvliegen, rupsen en spinnen. Naarmate de jongen in die periode groeien, wordt dit dieet geleidelijk aangevuld met plantaardig voedsel. De jongen worden gevoerd tot een week of twee na het uitvliegen en dan is het voedsel hetzelfde als die van een volwassen huismus. Het voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte vegetatie, zoals wegbermen, erven en tuinen. Essentieel is dat er continu betrouwbare, voedselbronnen beschikbaar zijn en dat bij die voedselbronnen voldoende dekking is in de vorm van struwelen en hagen. In het stedelijk gebied is dit vaak in de omgeving van kinderboerderijen en terrasjes. In het landelijk gebied is dit vaak bij boerderijen en graan verwerkende bedrijven. Ook in bomen, zoals wilg, eik en berk, kunnen huismussen insecten vinden.
3.4 Nesten, rustplaatsen en functionele leefomgeving In onderstaande tekst worden de vereisten van de habitat van de huismus uiteengezet. Habitat De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de nabijheid. Ongeveer 70% van de huismussen broedt in stedelijk gebied en de overige 30% in agrarisch gebied. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet meer geschikt.
Verblijfsplaatsen Nesten van huismussen zijn veelal te vinden in of tegen menselijke bebouwing. Over het algemeen geven ze de voorkeur aan holtes, kieren en gaten. Enkele voorbeelden van potentieel geschikte verblijfsplaatsen zijn: -
Onder dakpannen
-
Nestkasten/stenen
-
Op of tussen balkenconstructies
Huismussen zijn zeer honkvast, en verblijven doorgaans jaarrond bij het nest. In de periode maart/begin april tot en met augustus worden er twee à drie legsels per seizoen gelegd in het nest. Zo dient het nest als broeiplaats, maar ook als rust-/schuilplaats. Winterverblijfplaatsen De huismus gebruikt ’s winters vooral groenblijvende struiken, dichte begroeiing zoals meidoornhagen, ligusterhagen en haagbeukhagen met een hoogte van doorgaans 2 á 3 meter of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen. Soms zijn ze ook onder dakpannen of in gebouwen te vinden. Functionele-leefomgeving De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen succesvol functioneren als er voldoende habitat van
11
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen, schuilen en slapen moet er plaats kunnen vinden. De functionele leefomgeving van een nest en een rustplaats moet idealiter het volgende leveren: -
Er moet continu voedsel te vinden zijn. Bij de plekken waar voedsel gezocht wordt moet in de directe omgeving (binnen 5 à 10 meter) dekking aanwezig zijn.
-
voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen. Deze elementen liggen circa binnen 50 meter van de nestplaats
-
altijd groenblijvende planten in hagen, gevelbegroeiing of plekken onder daken te gebruiken als collectieve slaapplek (en tevens voor dekking) voor mannetjes, ongepaarde vrouwtjes en juvenielen
-
droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad; • water om te drinken en water om in te baden. Er moet binnen 1 à 2 meter dekking aanwezig zijn om op te drogen
-
plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden.
Dit alles moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij elkaar liggen, maar altijd binnen een straal van 100 à 200 meter rond de plek waar gebroed wordt (figuur 1). Alle voor de huismus belangrijke elementen moeten op meerdere plekken aanwezig zijn binnen deze range.
3.5
Verspreiding en populatie
Huismussen zijn vrijwel in heel Nederland te vinden (Figuur 3), maar ontbreekt in gebieden waar weinig tot geen bebouwing aanwezig is. De hoogste dichtheden komen voor in min of meer kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing, vooral op de hoge zandgronden. Er is daarbij een duidelijke relatie tussen bewoning van mensen, het aanwezige voedselaanbod (vaak door het houden van kippen en ander vee), voldoende schuilmogelijkheden en het voorkomen van de huismus.
12
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Figuur 3 - Verspreidingsgegevens Huismus in Nederland @NDFF 2023
Aantalsontwikkeling Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende redenen in aantal vrij hard achteruitgegaan. Begin jaren tachtig van de twintigste eeuw begon de afname, die in de begin jaren negentig versnelde. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen. Dit in combinatie met een afname in voedselaanbod, dekkingsmogelijkheden en andere functionele eisen van de leefomgeving van de huismus. Er is bijvoorbeeld sprake van een afname van groen in tuinen en de inrichting van zowel de openbare als privéruimten is veranderd. Ook is tegenwoordig bij gangbare daken de ruimte bij de onderste rij dakpannen ontoegankelijk gemaakt voor huismussen door vogelschroot. Hierdoor hebben huismussen minder mogelijkheden om onder daken tot broeden te komen. De aanwezigheid van vogelschroot kan daarmee een bijdrage leveren aan de achteruitgang van de huismus. Sinds de eeuwwisseling lijkt de Nederlandse broedpopulatie zich te herstellen. Het is nog onduidelijk of dit een structureel herstel is of dat het een tijdelijke opleving betreft. De laatste 12 jaar is er geen sprake van een significante aantalsverandering (Figuur 4).
Figuur 4 - Populatie- en aantalsontwikkelingen trend huismus
13
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
4. Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument huismus (V 2.1. 2023) zoals gepubliceerd op de website van BIJ12. Het nader onderzoek naar de huismus bestaat uit verkennend onderzoek, en een verdiepend onderzoek.
4.1 Verkennend onderzoek Het verkennende onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldbezoek. Het veldbezoek heeft doorgaans al plaats gevonden ter voorbereiding op het Natuurwaardenonderzoek. Bureauonderzoek Om te bepalen of de huismus mogelijk voorkomt in het plangebied, kunnen de verspreidingsgegevens van de soort geraadpleegd worden. Er kan gebruik gemaakt worden van al beschikbare verspreidingsgegevens van huismussen
geregistreerd
op
NDFF
of
bekend
bij
verspreidingsatlassen.
De
bestaande
verspreidingsgegevens moeten: -
niet ouder zijn dan drie jaar
-
het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de relevante omgeving dekken
-
De bestaande gegevens kunnen alleen gebruikt kunnen worden wanneer het plangebied weinig veranderd is sinds de inventarisatie heeft plaatsgevonden waarvan de data gebruikt wordt.
Met het raadplegen van alleen de NDFF kan daarom vaak geen afwezigheid van de huismus worden vastgesteld. Verkennend-veldonderzoek Bij een verkennend veldonderzoek kan in beeld gebracht worden of in of nabij (binnen circa één kilometer) het plangebied nest- of rustplaatsen inclusief de functionele leefomgeving van de huismussen aanwezig zijn. Hierbij kunnen ook omwonenden benaderd worden om een beeld te krijgen van eventueel aanwezige huismusnesten.
14
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
4.2 Verdiepend onderzoek Om aan te tonen of uit te sluiten dat de huismus gebruikt maakt van de planlocatie als leefgebied, dient de planlocatie fysiek bezocht te worden in de juiste onderzoeksperiode
(Figuur
5).
Er zijn twee
inventarisatiemethoden in twee verschillende periodes om de afwezigheid aan te tonen, namelijk: Enkele zichtwaarneming aanwezigheid huismus tijdens de broedperiode (10 mrt – 20 jun), of door de dakpannen te lichten om de nesten waar te nemen. (15 sep-1 mrt). Naast het aantonen of uitsluiten van aanwezigheid is het van belang dat de omvang van de populatie bepaald wordt door het aantal nestende paartjes te tellen, of door het aantal nesten onder de pannen te tellen.
Figuur 5 - Geschiktheid onderzoeksperiode @Bij12
De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Omgevingswet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan voldoende invulling gegeven. Wat betreft dit onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden. Veldbezoeken-zichtwaarneming Afwezigheid van broedende huismussen is aangetoond, als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni waarvan minimaal één bezoek in de optimale periode. De veldbezoeken mogen enkel uitgevoerd worden binnen de volgende kaders: -
gunstige weersomstandigheden (geen regen, geen kou en/of een maximale windsterkte van windkracht 4 (afhankelijk van lokale omstandigheden), of te hoge temperaturen)
-
op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied)
-
op geschikte momenten op de dag wanneer de meeste activiteit is waar te nemen: vaak zijn dit enkele uren na zonsopkomst wanneer de temperatuur is opgelopen (de huismus wordt dan actief aangezien het een warmt minnende soort is; er is daardoor sprake van een piek in de ochtend) en de laatste uren voor zonsondergang
15
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
-
Tussenperiode van minimaal 10 dagen.
Dakpannen-lichten Het aantonen van de afwezigheid van nest- en/of rustplaatsen onder dakpannen kan ook door dakpannen te lichten. Dit kan het beste plaatsvinden in de periode 15 september – 1 maart. Dit kan alleen in overzichtelijke situaties, buiten periodes van vorst, waarbij alle pannen kunnen worden gelicht die potentiële nestplaatsen herbergen en er met zekerheid geen nest meer in gebruik is. Ook moeten de pannen weer zorgvuldig worden teruggeplaatst.
4.3 Onderzoeksvragen Tijdens het nader onderzoek huismus zullen de volgende onderzoeksvragen worden behandeld (afhankelijk van de aan- of afwezigheid van de huismus tijdens de veldbezoeken): -
Is de projectlocatie geschikt als functioneel leefgebied voor de huismus?
-
Is huismus aanwezig?
-
Welke functie(s) heeft het gebied voor huismus?
-
Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en functioneel leefgebied behouden?
-
Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden?
-
Welk wettelijk belang is er waardoor de activiteiten moeten worden uitgevoerd?
-
Is een vergunning Omgevingswet nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren?
-
Zijn er alternatieven onderzocht voor het uitvoeren van de planontwikkeling?
16
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
5. Resultaten 5.1 Resultaten verkennend onderzoek Het bureauonderzoek heeft aangetoond dat er 1 waarneming geregistreerd zijn op de database van NDFF op en in de omgeving van de planlocatie. Tijdens het veldbezoek is aangetoond dat de planlocatie beschikt over potentiële verblijf- en rustplaatsen voor de huismus. Het kerkgebouw heeft een toegankelijk pannendak met dakbeschot. De omgeving is habitatgeschikt voor de huismus door de aanwezigheid van straatgras, water en zandbaden op de planlocatie. Een verdiepend onderzoek naar de huismus wordt dan ook noodzakelijk geacht.
5.2 Resultaten verdiepend onderzoek De veldbezoeken zijn uitgevoerd door mevr. A. van der Voort van Ecofect B.V. De onderzoeksmethode die is toegepast bestond uit visuele inspectie gedurende twee veldbezoeken (Tabel 2). Tabel 2 - Resultaten verdiepend onderzoek
Datum
Tijdstip onderzoek
Weer
Waarnemingen
02 april 2025
10.00 – 11.30
8 graden; Half bewolkt
Geen activiteit
01 mei 2025
09.00 – 10.30
19 graden; zonnig
Geen activiteit
Tijdens de veldbezoeken zijn er geen activiteit van huismussen waargenomen op de planlocatie.
5.3 Beantwoorden onderzoeksvragen Is de projectlocatie geschikt als functioneel leefgebied voor de huismus? De eisen die een huismus stelt aan zijn leefgebied zijn opgenomen in de onderstaande tabel(Tabel 3): Tabel 3 - Overzicht eisen functioneel leefgebied
Beschrijving
Functie
Aan-of afwezig
Opstallen
Nest- en schuilplaats
Aanwezig
Voedselvoorziening
Voedsel
Aanwezig
Groenvoorzieningen
Voedsel en dekking
Aanwezig
Stofbaden
Verzorging
Aanwezig
Water
Drinkplaats
Aanwezig nabij planlocatie
Tijdens de veldbezoeken zijn er geen waarnemingen van verblijfplaatsen van de huismus gedaan, binnen de grenzen van het plangebied. De huismus zelf was eveneens niet aanwezig binnen het plangebied.
17
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Welke functie(s) heeft het gebied voor huismus? Op basis van de ervaringen tijdens de veldbezoeken kan gesteld worden dat het plangebied de functie van foerageergebied mogelijk vervult voor de huismus. Aangegeven is dat het dak mogelijkheden biedt voor nestlocaties. Tijdens de veldbezoeken is geen nestindicatief of foeragerend gedrag waargenomen bij de daken van de te slopen opstallen. Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en functioneel leefgebied behouden? Bij het slopen van de opstallen zullen er geen nest- of verblijfplaatsen verloren gaan. Met de geplande ontwikkeling zal er geen essentieel foerageergebied verloren gaan door de aanwezigheid van uitwijkmogelijkheden in de omgeving. Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? Geen Is een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren? Nee, er zullen geen jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen verloren gaan van de huismus. Welk wettelijk belang is er waardoor de activiteiten moeten worden uitgevoerd? N.v.t. Zijn er alternatieven onderzocht voor het uitvoeren van de planontwikkeling? De ingreep heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de huismus wanneer de juiste maatregelen getroffen worden.
Het effect zal mogelijk zelfs positief zijn, indien de bewoners van de planlocatie mitigerende maatregelen zullen treffen die nieuwe rust- en verblijfplaatsen aan zullen bieden. Daarnaast wordt ook aangeraden om de huidige tuin te voorzien van voedsel-dekkingsmogelijkheden t.a.v. de huismus.
18
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
6. Te nemen maatregelen 6.1 Verplichte maatregelen Op basis van de conclusies zijn er geen wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Omgevingswet dan wel de huismus.
6.1 Vrijblijvende maatregelen Naast de conclusies t.a.v. de verplichte maatregelen doen wij de volgende aanbevelingen ten gunste van de huismus (niet verplicht binnen Omgevingswet): •
Het nemen van maatregelen om de sloopwerkzaamheden op een natuurvriendelijke wijze uit te voeren.
Aanbevelingen •
Plant bomen aan in en rondom het plangebied. Dit verhoogt de natuurkwaliteit binnen het plangebied. Ze kunnen als corridor dienen voor vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. Ecologisch waardevolle bomen kunnen door de deskundig ecoloog worden aangewezen.
•
Maak gebruik van inheems gebiedseigen plantmateriaal.
•
Creëer verblijfplaatsen voor huismussen in mussenkasten of in de spouwmuren van de bebouwing. Streef naar inpassing van planten en dieren die in en rond het plangebied hun habitat (kunnen) vinden.
•
In de omgeving dient ook voldoende dekkingsmogelijkheden aanwezig te zijn door bijvoorbeeld:
•
Aanplant van doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn, groenblijvende heesters, klimplanten als klimop of wingerd, robuuste beukenhagen, en dergelijke. Bladverliezende soorten zijn in de winterperiode minder effectief.
•
Aanplant van inheemse soorten bomen en ander opgaand groen.
•
Behoud of ontwikkel slaapgelegenheden door bijvoorbeeld:
•
Aanbrengen van groenblijvende gevelbegroeiing of ander verticaal groen, bijvoorbeeld met vuurdoorn, klimop.
•
Aanplanten van groenblijvende heesters (bijvoorbeeld liguster, hulst) of coniferen (bijvoorbeeld taxus).
•
Behoud van voldoende mogelijkheden voor nemen van stofbaden door zandige plekken te realiseren of te handhaven.
•
In de winterperiode winternesten aan te bieden in de vorm van bijvoorbeeld takkenhopen of strobalen als een tijdelijke oplossing noodzakelijk is.
19
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
•
Voor al deze maatregelen geldt dat ze een hoogte van minimaal 3 meter moeten hebben willen ze effectief zijn en zo mogelijk binnen 100 meter van de (te realiseren) nestplaats aanwezig moeten zijn. Behoud of ontwikkeling van voldoende plekken waar gefoerageerd kan worden, door bijvoorbeeld: o
In stand houden of ontwikkelen van hoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron voor zaden en kleine zachte insecten. Straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete onkruiden;
o
Extensief beheer van gazons (maaifrequentie 1 maal per jaar). Het maaien vindt niet in het najaar plaats.
Voor al deze maatregelen geldt dat voedsel jaarrond beschikbaar moet zijn en zo mogelijk binnen 100 meter van de nestplaats beschikbaar zijn en dat er binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) dekking moet zijn. Behoud van voldoende drinkwater door bijvoorbeeld aanleg van (open) water. Het nemen van maatregelen om de sloopwerkzaamheden op een natuurvriendelijke wijze uit te voeren. •
Zorgvuldig handelen
•
Het slopen van de woning en de opstallen zal buiten de kwetsbare periode plaats moeten vinden (zie bijlage)
•
Indien onverhoopt huismussen worden aangetroffen, wordt het werk rond de aangetroffen huismussen gestaakt en wordt direct contact opgenomen met één van de betrokken ecologen.
20
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
7. Conclusie Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is er geen nestindicatief gedrag vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen. Samenvatting: •
Huismus is niet aanwezig
•
Plangebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied
•
Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied
•
Geen effect gunstige staat van instandhouding
•
Maatregelen niet noodzakelijk
Conclusie: Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus is geen vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet noodzakelijk. Er is geen sprake van schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet.
21
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Verantwoording Literatuur/bronnen •
Kennisdocument huismus BIJ12 (v 2.1. 2023)
•
Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus
•
Fauna inventarisatie, Rik Schoon
Internet •
www.bij12.nl
•
www.verspreidingsatlas.nl
•
www.ndff.nl
•
www.bij12.nl
•
www.netwerkgroenebureaus.nl
22
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Bijlagen
23
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
24
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats.
Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken.
Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd.
25
NADER ONDERZOEK SOORTEN – ROSSUMERSTRAAT 19 AGELO
Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2025 Ecofect B.V.; Nunspeet
26