Bijlagen bij de motivering_Bijlage 5 Quickscan flora _ fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Rossumerstraat 19 Agelo
Quickscan flora en fauna Rossumerstraat 19 Agelo
Titel
Quick Scan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
Uitvoering
Bureau Bleijerveld
Opdrachtgever
BJZ.nu Dr. Van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle
Datum
10 oktober 2025
Status
3e versie
8451 KB Oudeschoot
www.ruimtevooradvies.nl
Schoterlandseweg 53
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding & doel 1.2 Methoden 1.3 Plangebied 1.4 Ingreep
1 1 2 2 4
2
Beschermde gebieden 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden 2.2 Effecten 2.3 Effecten NNN 2.4 Effecten Natura 2000 2.5 Houtopstanden
5 5 5 5 5 6
3
NDFF-gegevens
7
4
Beschermde soorten 4.1 Planten 4.2 Zoogdieren 4.3 Vleermuizen 4.4 Vogels 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Vlinders 4.9 Libellen 4.10 Ongewervelden 4.11 Specifieke zorgplicht 4.12 Samenvatting
8 8 8 10 13 13 14 14 14 15 15 15 16
5
Conclusies 5.1 Beschermde gebieden 5.2 Beschermde soorten
17 17 17
Bronnen Bijlage I. Wettelijk kader en beleidsbeleid
19
1 1.1 Aanleiding & doel
Inleiding
Op de Rossumerstraat 19 te Agelo is een bedrijf gevestigd op een voormalig agrarisch erf. Het voornemen bestaat om de voormalige boerderij te slopen ten behoeve van nieuwbouw. Het plan kan een negatief effect hebben op beschermde gebieden en soorten uit de Omgevingswet (Ow, 2024). In dit kader is een quickscan flora en fauna van de locatie uitgevoerd.
Figuur 1. Globale ligging plangebied (rood).
Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van de quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij omgevingsplanwijzigingen en of vergunningaanvragen in het kader van de Omgevingswet. Een quickscan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied op basis van beschikbare gegevens, een terreinbezoek en ecologische kennis. De quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en – beheer na afloop van het onderzoek.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
1
1.2 Methoden
Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten. Daarvoor zijn de gegevens van de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Op 11 februari 2025 is het plangebied bezocht. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).
1.3 Plangebied
Op het voormalige agrarische erf is in gebruik als bedrijfsterrein met verschillende bedrijfsgebouwen. Aan de noordzijde van het erf bevindt zich de oorspronkelijke boerderij uit 1949. De boerderij bestaat uit twee delen met ieder een zadeldak. Van de begane grond is een deel in gebruik als woning en een deel als kantoorruimte. Beide delen bezitten een hooizolder die niet meer in gebruik is maar waar nog wel hooi ligt. Aan de oostkant staat een moderne ligboxenstal die aan de boerderij verbonden is via een korte corridor. Het terrein rond de boerderij en stal is bestraat, behalve aan de west- en noordzijde van de boerderij. Hier ligt een tuin. De tuin gaat aan de noordzijde over in een regulier agrarisch graslandperceel. Rond het perceel en langs de straatkant staan oude eikensingels. Op het terrein is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving ligt een kavelsloot (westzijde Rossumerstraat) en ten zuiden van de locatie twee vijvers of poelen. Aan de oostzijde van de straat heeft de kavelsloot het karakter van een greppel die meestal droog staat.
Figuur 2. Situatie plangebied (rood) in 2024.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
2
Figuur 3. Entree bedrijfsterrein met links de boerderij.
Figuur 4. Zuidzijde boerderij.
Figuur 5. Zuidoosthoek ligboxenstal.
Figuur 6. Terrein ten noorden van de stal.
Figuur 7. Weiland ten noorden van de tuin.
Figuur 8. Noordwesthoek van de boerderij.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
3
1.4 Ingreep
Het voornemen bestaat om de boerderij en ligboxenstal te slopen. Direct ten noorden van de te slopen gebouwen wordt een bedrijfsgebouw gerealiseerd. De nieuwe woning komt op het weiland te staan. De woning krijgt een eigen oprit naar de Rossumerstraat. Voor de reconstructie wordt de tuinbeplanting gerooid. Deze bestaat uit gazon, lage sierperken en enkele jonge bomen en struiken. Aan de noordkant wordt het bestaande groenelement uitgebreid met inheemse beplanting.
Figuur 9. Inrichtingsschets met nieuwe bebouwing (groen).
Figuur 10. Toekomstige situatie plangebied.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
4
2 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden
Beschermde gebieden
Het plangebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden. In de omgeving liggen onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN. De afstand tot deze gebieden bedraagt circa 600 meter. In de nabije omgeving liggen enkele Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 800 meter afstand.
Figuur 11. Ligging plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden. 2.2 Effecten
Een effectbeoordeling van een gebied beschermd door de Omgevingsverordening is alleen aan de orde wanneer het plangebied overlapt met een beschermd gebied. Natura 2000-gebieden zijn beschermd onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden dienen ook grensoverschrijdende effecten of externe werking te worden meegewogen.
2.3 Effecten NNN
Het plangebied overlapt niet met Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de Zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN. Dit betekent dat directe effecten niet optreden en geen toetsing van het plan aan de kernkwaliteiten van de beschermde gebieden is vereist.
2.4 Effecten Natura 2000
Het plangebied overlapt niet met Natura 2000-gebieden. Hierdoor zijn directe effecten zoals oppervlaktevermindering niet aan de orde. Gelet op de grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beoogde bestemming wonen is externe werking als gevolg van bijvoorbeeld trilling, geluid, licht en verdroging op voorhand uit te sluiten met uitzondering van stikstofdepositie. De toetsing van
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
5
het plan aan het stikstofbeleid valt buiten het kader van dit onderzoek. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op het omgevingsplan. 2.5 Houtopstanden
De specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten stelt dat activiteiten met nadelige gevolgen voor de oogmerken voor de regels (art. 11.112 Bal) voorkomen of beperkt dien te worden, ongedaan te worden gemaakt of achterwege te worden gelaten. De oogmerken hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. In grote lijnen beschermt de Omgevingswet bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Onder meer houtopstanden op erven of in tuinen vallen niet onder de bescherming van de Omgevingswet. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In het plangebied worden enkele bomen gekapt en de locatie bevindt zich buiten de bebouwde kom. De grens van 10 are of 21 bomen wordt voor zover duidelijk niet overschreden. De specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten is daarom niet aan de orde. In de toelichting op het omgevingsplan dient hier aandacht aan worden besteed.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
6
3
NDFF-gegevens
In de databank van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn van de afgelopen vijf jaar de gegevens opgevraagd van een gebied van circa vijf kilometer rond de locatie. Op het erf en de directe omgeving zijn alleen losse waarnemingen gedaan van algemene vogelsoorten In de regio zijn waarnemingen van strikter beschermde soorten gedaan uit verschillende soortgroepen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de waargenomen soorten. Soortgroep
Soort
Status
Soort
Status
Vleermuizen
Bosvleermuis
Hrl.
Boomkruiper
Vrl
Brandts vleermuis
Hrl.
Bosuil
Vrl
Franjestaart
Hrl.
Draaihals
Vrl
Gewone dwergvleermuis
Hrl.
Gekraagde roodstaart
Vrl
Gewone grootoorvleermuis
Hrl.
Glanskop
Vrl
Laatvlieger
Hrl.
Groene specht
Vrl
Ruige dwergvleermuis
Hrl.
Grote bonte specht
Vrl
Watervleermuis
Hrl.
Grutto
Vrl
Boommarter
Nat.
Kleine bonte specht
Vrl
Bunzing
Nat.
Middelste bonte specht
Vrl
Eekhoorn
Nat.
Oeverzwaluw
Vrl
Egel
Nat.
Raaf
Vrl
Otter
Hrl.
Ringmus
Vrl
Steenmarter
Nat.
Spreeuw
Vrl
Veldspitsmuis
Nat.
Tapuit
Vrl
Waterspitsmuis
Nat.
Torenvalk
Vrl
Vogels
116 soorten
Vrl
Tureluur
Cat. 1-4
Boerenzwaluw
Vrl
Veldleeuwerik
Vrl
Boomvalk
Vrl
Wulp
Vrl
Buizerd
Vrl
Zwarte mees
Vrl
Gierzwaluw
Vrl
Zwarte roodstaart
Vrl
Grote gele kwikstaart
Vrl
Boomkikker
Hrl.
Havik
Vrl
Kamsalamander
Hrl.
Huismus
Vrl
Poelkikker
Hrl.
Ooievaar
Vrl
Hazelworm
Nat.
Ransuil
Vrl
Levendbarende hagedis
Nat.
Steenuil
Vrl
Grote vos
Nat.
Sperwer
Vrl
Grote weerschijnvlinder
Nat.
Steenuil
Vrl
Kleine ijsvogelvlinder
Nat.
Wespendief
Vrl
Teunisbloempijlstaart
Hrl.
Bonte vliegenvanger
Vrl
Kartuizer anjer
Nat.
Boomklever
Vrl
Grauwe vliegenvanger
Vrl
Zoogdieren
Cat. 5
Soortgroep
Amfibieën
Reptielen Vlinders
Planten
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
7
4 4.1 Planten
Beschermde soorten
Het plangebied bestaat uit bestrating, tuin en soortenarm, agrarisch grasland. Er waren typische, algemene tuinsoorten aanwezig zoals gewone vogelmuur, gewone paardenbloem, grote brandnetel en hondsdraf. Het onderzoek vond plaats in een periode die minder geschikt is voor vegetatieonderzoek. Op grond van de aanwezige vegetatie en het grondgebruik zijn beschermde soorten echter uit te sluiten. In de regio is de beschermde kartuizer anjer aangetroffen. Kartuizer anjer is een zeer zeldzame soort van hooilanden op droge, voedselarme, kalkrijke zand- en leembodem. De soort wordt veel uitgezaaid. Het plangebied voldoet niet aan de standplaatseisen van deze soort. Effecten Een negatief effect op beschermde flora is uitgesloten.
4.2 Zoogdieren
Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van de mol zijn in meer of mindere mate beschermd. Het plangebied bestaat uit bestrating, tuin en soortenarm, agrarisch grasland. Voor zoogdieren vormt het een marginaal habitat. Er zijn algemene muizensoorten te verwachten zoals gewone bosmuis, rosse woelmuis en bosspitsmuis. Voor deze licht beschermde soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. In de regio van het plangebied zijn zes strikter beschermde soorten waargenomen, te weten boommarter, bunzing, eekhoorn, egel, otter, steenmarter, veldspitsmuis en waterspitsmuis. Daarnaast is het voorkomen in de regio van grote bosmuis bekend.
Boommarter Boommarter is enkele malen waargenomen in het bosgebied ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied bestaat uit een erf met bestrating, tuin en weiland in een relatief open, agrarisch gebied. Voor boommarter vormt dit geen geschikt leefgebied.
Bunzing Bunzing is enkele malen waargenomen in regio, onder meer als verkeersslachtoffer langs Rossumerstraat ten noorden van het plangebied. Van de locatie zijn met name de eikensingels rond het terrein interessant voor bunzing. Het plangebied heeft een geringe oppervlakte en bestaat voornamelijk uit bestrating en soortenarm grasland. Een wezenlijk belang voor bunzing is uit te sluiten. Grote bosmuis Het terrein ligt in een gebied met veel oude, en aaneengesloten eikensingels en andere groenelementen. Ook rond het plangebied liggen oude landschapselementen. Het is daarom aannemelijk dat grote bosmuis in de
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
8
omgeving voorkomt. Voor het plan blijven alle landschapselementen intact en worden plaatselijk uitgebreid (fig. 10, K). Wat het groene buitenterrein betreft verdwijnt als gevolg van het plan alleen de tuin en een stuk grasland. De tuin heeft een open karakter met gazon, lage sierperken en smalle beukenhagen. Op de grens van de woning en de stal staat een kleine cluster struiken. Het groene buitenterrein dat verloren gaat of gewijzigd wordt is niet van belang als leefgebied voor grote bosmuis. De uitbreiding van het bestaande groenelement kan als een uitbreiding van het leefgebied van grote bosmuis worden beschouwd.
Eekhoorn Eekhoorn wordt verspreid over de regio waargenomen op meer besloten plaatsen onder meer ten zuiden van het plangebied. Het is mogelijk dat eekhoorn voorkomt in de oudere bomen rond het plangebied maar de bomen zijn geen onderdeel van de ingrepen. De begroeiing in het plangebied is te jong om geschikt te zijn als verblijfplaats.
Egel Egel komt wijdverspreid voor ook in tuinen. Een klein deel van de tuin is relatief besloten met dekking door struiken en dichte begroeiing. Hier zouden egels kunnen voorkomen. Het rooien van dichte begroeiing kan een negatief effect hebben op egels die hierin aanwezig kunnen zijn. Een negatief effect op het leefgebied is niet aan de orde omdat rond het terrein veel eikensingels met ondergroei en bosjes voorkomen.
Otter In en rond het plangebied komt geen groot oppervlaktewater voor. Het voorkomen van otter in het plangebied is uit te sluiten.
Steenmarter De steenmarter komt zowel binnen als buiten stedelijk gebied voor. Bij inspectie van de hooizolders van de boerderij zijn op beide zolders sporen van steenmarter aangetroffen in de vorm van uitwerpselen en prooiresten. Een klein aantal uitwerpselen was vers. Ook in de ligboxenstal zijn uitwerpselen aangetroffen. Van de stal zijn de gevels en het dak enkelwandig waardoor verblijfplaatsen hier zijn uit te sluiten. Door de sloop van de boerderij gaat de verblijfplaats verloren en kan sterfte van individuen optreden.
Veldspitsmuis In de wijde omgeving van het plangebied is veldspitsmuis enkele malen gevonden in braakballen. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in overgangsvegetaties, lintvormige landschapselementen, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. En ook in aanliggende, braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties, zoals boomgaarden, kan de soort worden aangetroffen. In gebouwen komt hij zelden voor (bron: Zoogdiervereniging). Het is niet uitgesloten dat de soorten in de eikensingels rond het terrein voorkomt. Het plangebied bestaat echter uit bestrating, tuin en soortenarm, agrarisch grasland dat niet geschikt is als leefgebied voor deze soort.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
9
Waterspitsmuis Deze soort is gebonden aan waterrijke gebieden en beekdalen. Deze habitat komt in en rond het plangebied niet voor. Het voorkomen van waterspitsmuis in het plangebied is uitgesloten. Effecten De ontwikkeling kan een negatief effect hebben op algemene muizensoorten, egel en steenmarter. Voor de te verwachten muizensoorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor egel en steenmarter geldt deze vrijstelling in Overijssel niet. 4.3 Vleermuizen
Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in de Ow onder de Europese Habitatrichtlijn. Het leefgebied inclusief de verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Verblijfplaatsen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van bouwwerken. Verblijfplaatsen Op het terrein komen geen bomen voor die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De boerderij beschikt over steensmuren zonder spouw. De topgevels bestaan uit enkelwandige damwandplaten. De windveren en daklijsten zijn van plaatstaal. Het dak bestaat uit twee stukken. Het oostelijke deel is gedekt met enkelwandige golfplaten zonder beschot. Het westelijke deel is gedekt met dakpannen. Een deel van het dak beschikt over een beschot. Alleen dit deel is potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De rest van de boerderij is ongeschikt. Op de hooizolders zijn geen sporen van gebruik door vleermuizen aangetroffen. De corridor tussen de boerderij en de stal bestaat uit laag metselwerk met daklijsten van glad trespa. Hier ontbreken toegangen tot eventuele verborgen ruimten. De gevels van de stal bestaan uit metselwerk maar de topgevels zijn van damwand gemaakt. In de stenen gevels kan een spouw aanwezig zijn maar deze is niet toegankelijk omdat open stootvoegen en dergelijke ontbreken en de gevels aan de bovenzijde zijn afgesloten.
Het dak is gedekt met enkelwandige golfplaten zonder beschot. De daklijsten van de kopgevels zijn van trespa zonder holle ruimten die op ruime afstand van de gevel hangen. Hierdoor ontbreken besloten ruimten. De daklijsten van de langsgevels bestaan uit plaatstaal dat zonder tussenruimte op de gevels zit. Er is geconcludeerd dat de stal ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
10
Vlieg- en foerageerroutes Het plangebied heeft een geringe oppervlakte en de hoeveelheid opgaande begroeiing is beperkt. Rond het terrein liggen verschillende lijnvormige landschapselementen. Een belang van het plangebied voor vlieg- en foerageerroutes is uit te sluiten. Effecten Van het westelijke deel van de boerderij is het dak potentieel geschikt als verblijfplaats. Door de sloop gaan eventuele verblijfplaatsen verloren en kan sterfte optreden.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
11
Figuur 11. Hooizolder oostelijke deel van de boerderij.
Figuur 12. Hooizolder westelijke deel van de boerderij met links zonder beschot en rechts met beschot.
Figuur 13. Binnenzijde ligboxenstal.
Figuur 14. Algemene opbouw van de topgevels met damwandprofielen en metalen windveren.
Figuur 15. Ongebruikte steenuilenkast in de stal.
Figuur 16. Prooiresten en uitwerpselen van steenmarter.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
12
4.4 Vogels
Alle inheemse broedvogels zijn beschermd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vogels zonder en met jaarrond beschermde nestplaatsen. Van vogels zonder jaarrond beschermde nestplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met jaarrond beschermde nestplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd. In Overijssel zijn jaarrond beschermde nestplaatsen van categorie 1-4 strikt beschermd. Nestplaatsen van categorie 5 zijn alleen beschermd als er geen of onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn.
Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen In de opgaande begroeiing op het terrein en in de gebouwen zijn broedvogels te verwachten.
Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (cat. 1-4) In het plangebied komen geen bomen voor die voldoende oud zijn om als nestboom te fungeren voor jaarrond beschermde nesten. Op de hooizolders zijn geen sporen van gebruik door uilen aangetroffen. Dit is ook onwaarschijnlijk omdat de ruimte ook gebruikt wordt door steenmarters. De stal is ongeschikt voor soorten met jaarrond beschermde nesten omdat besloten ruimten ontbreken. In de stal was wel een steenuilenkast aanwezig. Hierin verbleven geen uilen en sporen van gebruik ontbraken. In de martersluis was gebroed door vermoedelijk een duif. Nestplaatsen van categorie 1-4 zijn uit te sluiten. In het westelijke gedeelte van de boerderij heeft een deel van het dak een beschot. Hier zouden huismussen onder de pannen of windveren kunnen broeden. Op het terrein waren geen huismussen aanwezig.
Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (cat. 5) Van deze categorie zou een enkele soort in het plangebied tot broeden kunnen komen. Het plangebied heeft een geringe oppervlakte terwijl in de omgeving voldoende alternatief leefgebied voorhanden is met een hogere kwaliteit. Een negatief effect op broedvogels van categorie 5 is daarom uit te sluiten. Effecten Het verwijderen van opgaande begroeiing kan verstoring van broedsels en sterfte tot gevolg hebben van broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaats. De sloop van de boerderij kan tot het verlies van nestplaatsen van huismus leiden. 4.5 Amfibieën
Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. In het besloten deel van de tuin kunnen algemene soorten amfibieën in de landfase voorkomen. In de regio zijn van de strikter beschermde soorten boomkikker, kamsalamander en poelkikker vastgesteld.
Boomkikker Van deze soort zijn alleen waarnemingen bekend uit het Agelerbroek en Volterbroek ten zuidwesten van het plangebied. Hiertussen ligt een open, agrarisch gebied. Het is uitgesloten dat het plangebied van belang is voor boomkikker.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
13
Kamsalamander Van deze soort zijn alleen waarnemingen bekend uit het Agelerbroek en Volterbroek ten zuidwesten van het plangebied. Hiertussen ligt een open, agrarisch gebied. Het is uitgesloten dat het plangebied van belang is voor kamsalamander.
Poelkikker Van deze soort zijn alleen waarnemingen bekend uit het Agelerbroek en Volterbroek ten zuidwesten van het plangebied. Hiertussen ligt een open, agrarisch gebied. Het is uitgesloten dat het plangebied van belang is voor poelkikker. Effecten Een negatief effect op licht beschermde soorten amfibieën is mogelijk tijdens het rooien van dichte begroeiing. Voor de te verwachten soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. 4.6 Reptielen
Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. In de regio is het voorkomen bekend van hazelworm en levendbarende hagedis.
Hazelworm In de regio is slechts één waarneming van hazelworm bekend. Het plangebied ligt in een grotendeels open landbouwgebied. Voor hazelworm vormt dit geen geschikt leefgebied.
Levendbarende hagedis In de regio is slechts één waarneming van levendbarende hagedis bekend. Het plangebied ligt in een grotendeels open landbouwgebied. Voor hagedissen is dit een ongeschikt leefgebied. Effecten Een negatief effect op reptielen in het algemeen is uit te sluiten. 4.7 Vissen
In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor. Geschikt leefgebied voor vissen ontbreekt hierdoor. Effecten Een negatief effect op vissen in het algemeen is uitgesloten.
4.8 Vlinders
In de regio zijn drie beschermde soorten vlinders waargenomen, namelijk grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. De soorten zijn uitsluitend in natuurgebied De Lankheet waargenomen, ten oosten van het plangebied.
Grote vos Grote vos komt voor in bosrijke gebieden op vooral iep en in mindere mate zoete kers, populier en boswilg. In het plangebied komen de waardplanten niet voor. Grote vos is daarom uit te sluiten in het plangebied.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
14
Grote weerschijnvlinder De soort komt voor in bosrijke gebieden op boswilg en soms grauwe wilg. Deze habitat ontbreekt in het plangebied en de waardplanten komen hier niet voor. Grote weerschijnvlinder is daarom uit te sluiten in het plangebied.
Kleine ijsvogelvlinder De soort komt voor in vochtige bossen op kamperfoelie. Deze habitat ontbreekt in het plangebied en de waardplanten komen hier niet voor. Kleine ijsvogelvlinder is daarom uit te sluiten in het plangebied.
Teunisbloempijlstaart Deze soort komt voor in droge of vochtige ruigten met teunisbloem, grote kattenstaart en basterdwederiken. Deze vegetaties ontbreken in het plangebied. Teunisbloempijlstaart is daarom uit te sluiten in het plangebied. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten vlinders is uitgesloten. 4.9 Libellen
In het plangebied ontbreekt oppervlaktewater en in de regio zijn geen beschermde soorten libellen waargenomen. Een belang van het plangebied voor beschermde soorten libellen is uitgesloten. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten libellen is uitgesloten.
4.10 Ongewervelden
De overige beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan specifieke habitats. Ook voor de overige, beschermde soorten ongewervelden ontbreekt geschikt habitat. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten ongewervelden is uitgesloten.
4.11 Specifieke zorgplicht
In de wet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor de volgende soorten: • • • •
Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal).
In het plangebied zijn geen Rode-lijstsoorten waargenomen en op basis van het karakter van het terrein zijn dergelijke soorten niet te verwachten
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
15
4.12 Samenvatting
In het plangebied is het voorkomen van algemene zoogdieren en amfibieën mogelijk waarvoor een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. De aanwezigheid van egel op het terrein is mogelijk. Op de hooizolders is hoogstwaarschijnlijk een actieve verblijfplaats van steenmarter aanwezig. In het westelijke deel van de boerderij kunnen onder het dak verblijfplaatsen en nestplaatsen van vleermuizen en huismus aanwezig zijn. In de opgaande begroeiing en de gebouwen zijn broedsels van vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen te verwachten. De overige beschermde soorten zijn uit te sluiten of de ontwikkeling heeft geen wezenlijk negatieve effecten op deze soorten. Tabel 1: Beschermde soorten die binnen de planlocatie worden verwacht op basis van bestaande gegevens en het veldbezoek. SOORTGROEP
TOELICHTING
BESCHERMDE SOORTEN GEEN
Planten
NATIONAAL
HR
VR
X
Zoogdieren
Algemene soorten
Alg. ontheffing
Egel
Mogelijk
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Potentieel
Vleermuizen
Foerageergebied
Verwaarloosbaar
Vleermuizen
Vliegroutes
Broedvogels
Zonder vaste nestplaats
Aannemelijk
Broedvogels
Met vaste nestplaats
Potentieel
Amfibieën
Algemene soorten
Reptielen
Alle soorten
X
Vissen
Alle soorten
X
X
huismus
Ongewervelden
Alg. ontheffing
X
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
16
5
Conclusies
5.1 Beschermde gebieden
Het plangebied overlapt niet met beschermde natuurgebieden waardoor directe effecten zijn uit te sluiten. Door de grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de toekomstige bestemming van het plangebied is externe werking door bijvoorbeeld geluid, licht en trillingen uit te sluiten met uitzondering van stikstofdepositie. De toetsing van het plan aan het stikstofbeleid valt echter buiten het kader van dit onderzoek. Hiervoor wordt verwezen naar het omgevingsplan.
5.2 Beschermde soorten
Licht beschermde zoogdieren & amfibieën (Ow-nationale soorten, Bal 11.54) Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van algemene, muizensoorten en amfibieën optreden. Voor deze nationaal beschermde soorten geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In het kader van de zorgplicht dienen negatieve effecten echter redelijkerwijs te worden voorkomen. Met betrekking tot muizen en amfibieen zijn geen mitigerende maatregelen mogelijk die redelijkerwijs uitvoerbaar zijn. Met betrekking tot amfibieën dient de ontstane poel op het terrein voor het voortplantingsseizoen te worden gedempt. Het voortplantingsseizoen start voor vroege soorten eind februari. Egel (Ow-nationale soorten, Bal 11.54) Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van egel optreden. Het plangebied heeft potentie voor egel en er is een negatief effect op het leefgebied voor zover het zich binnen het plangebied bevindt. In dat geval dient in provincie Overijssel een vergunning te worden aangevraagd voor een flora- en faunaactiviteit. Deel van de vergunning is een plan om het leefgebied te compenseren. Vanuit de zorgplicht dient egel te worden ontzien (afgezien van een vergunning). Wanneer bij het rooien van struweel egels worden verstoord dienen de dieren een uitweg te worden geboden naar een alternatieve verblijfplaats, zijnde de eikensingel aan de noordzijde of het bosje in de noordwesthoek.
Steenmarter (Ow-nationale soorten, Bal 11.54) Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van steenmarter optreden. Verder gaat een verblijfplaats verloren. Op grond hiervan is een vergunning voor de sloop vereist. Een wezenlijk effect op het leefgebied is uit te sluiten. Vleermuizen (Ow-Habitatrichtlijn, Bal 11.46) Door de sloop van het westelijke deel van de boerderij kan verstoring, sterfte en verlies van verblijfplaatsen optreden. Daarom dient een nader onderzoek naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen plaats te vinden. Het onderzoek naar verblijfplaatsen moet gebeuren in de periode 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 30 september.
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
17
Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) In dichte begroeiing in de tuin en de gebouwen moet rekening worden gehouden met broedsels. Bij het rooien van tuinbegroeiing en het slopen van de gebouwen tijdens het broedseizoen kan sterfte van vogels en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) In het westelijke deel van de boerderij kunnen nestplaatsen van huismus aanwezig zijn. Door de sloop gaan deze nestplaatsen verloren. Daarom dient een nader onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van nestplaats van huismus. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd is de periode 1 april tot 15 mei. 5.3 Ecologische werkprotocol
Gelet op het voorkomen van steenmarter, broedvogels en het mogelijke voorkomen van vleermuizen en huismus dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Daarin dient in ieder geval aandacht te worden besteed aan de volgende zaken:
Bouwverlichting: er dient voorkomen te worden dat de bomen – met name de eikensingel langs de noordkant – beschenen worden. Daarom moet de belichting naar de bouwplaats gericht zijn.
Rooien begroeiing: het rooien van begroeiing dient in één richting te gebeuren en buiten de kwetsbare periode van soorten die hierin kunnen verblijven.
Begeleiding: de werkzaamheden dienen begeleid te worden door een ecoloog. Broedvogels: groenwerkzaamheden en sloop dienen buiten het broedseizoen te gebeuren. Tabel 2. Maatregelen en vervolgacties n.a.v. quick scan Soortgroep
Soort
Maatregel/vervolgactie
Planten
Alle
¾
Vleermuizen
Alle
Nader onderzoek tussen 15 mei en 30 september
Zoogdieren
Egel
Vergunning aanvragen + EWP
Steenmarter
Vergunning aanvragen + EWP
Vogels z. vaste verblijfplaats
Alle
Werkzaamheden uitvoeren buiten (1 mrt) 15 mrt–15 jull (1 sep)
Vogels met vaste verblijfplaats
Alle
Nader onderzoek huismus tussen 1 april en 15 mei
Amfibieën
Alle
¾
Reptielen
Alle
¾
Vissen
Alle
¾
Ongewervelden
Alle
¾
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
18
Bronnen www.ndff.nl www.overijssel.nl www.zoogdiervereniging.nl
Quickscan flora en fauna, Rossumerstraat 19 Agelo
19
Bijlage I
Wettelijk kader en beleidskader
Omgevingswet Algemeen
De Omgevingswet omvat de regels voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. De wet beoogt een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.
AMvB
De inhoud van de AMvB’s verschillen per AMvB. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten, voor zowel initiatiefnemers als overheden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken, eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening. In het Omgevingsbesluit (Ob) staan de spelregels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. Naast de AMvB’s, is er een Omgevingsregeling (Or), waarin de technische en administratieve regels staan, bijvoorbeeld de aanvraagvereisten voor een vergunning voor een Natura 2000-activiteit of Flora- en fauna-activiteit.
Gebiedsbescherming Natura 2000 Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden die zijn samengesteld uit ofwel Speciale Beschermingszones (SBZ’s) conform de Europese Vogelrichtlijn, ofwel SBZ’s conform de Europese Habitatrichtlijn, of een combinatie van SBZ’s. De oppervlakte en de kwaliteit van de habitattypen dan wel de omvang en kwaliteit van de populatie van soorten en de maatregelen om de doelstellingen te realiseren, moeten worden uitgewerkt in een beheerplan.
Zorgplicht Natura 2000
In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voor
hand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000activiteiten maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd. Beoordeling vergunningsplicht
Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een:
‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk is er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.
Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000activiteit’ is of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied’. Hoewel deze type activiteit niet in het stelsel Omgevingswet wordt genoemd, blijkt uit de wettekst en de toelichtingen hierop dat activiteiten op deze wijze moeten worden geïnterpreteerd: ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing (zie hiervoor).
Vergunningsvrije gevallen In het Bal is een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor derhalve geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: • • • •
stikstofdepositie door tijdelijke activiteiten, zoals bouw- en sloopactiviteiten, het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk (art. 11.17 Bal)7; In een programma (bijv. Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal; In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal; In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.
Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Aanwijzing & bescherming
De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44 Ow. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en Artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Wezenlijke kenmerken en waarden
De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd.
Beschermingsregime
Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, lid 2 Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: “De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, lid 1 Bkl.
Gebiedsbescherming bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art. 3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow).
Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal. De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening.
Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een:
‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden art. 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna
In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘floraen fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en
fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • • • •
Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal).
Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd. 5.4 Soortenbeschermingsregimes
In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 soortenbeschermingsregimes opgenomen:
zijn
de
verschillende
§ 11.2.2: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn § 11.2.3: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn § 11.2.4: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunningplichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wet natuurbescherming, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:
• • • • •
•
het opzettelijk doden en vangen van soorten; het beschadigen of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van dieren, niet zijnde vogels; het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, eieren of wegnemen van nesten van vogels; het opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren; het (ver)storen van dieren volgens de beschermingsregimes soorten Vogelrichtlijn en soorten Habitatrichtlijn (geldt voor vogels niet als er geen sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de vogelsoort); het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten.
De beschermde soorten staan per beschermingsregime aangegeven en betreffen alle van nature in Nederland voorkomende vogels conform art. 1 Vogelrichtlijn, dieren en planten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn, en andere soorten, genoemd in bijlage IX behorende bij art. 11.54 Bal (nationaal beschermde soorten). 5.5 Uitzonderingen vergunningen
Voor instandhoudings- en passende maatregelen in het kader van het bereiken van Natura 2000-doelstellingen geldt een uitzondering van de vergunningplicht voor schadelijke handelingen. In het Bal zijn verder een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen per beschermingsregime waarvoor derhalve geen vergunningplicht geldt. Hoewel er enkele verschillen zijn, betreft het onder meer de volgende gevallen: • In een programma aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. een Natura 2000-beheerplan); • In een omgevingsverordening aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. de door de provincie vrijgestelde soorten en handelingen); • In een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. de door de Minister van LNV vrijgestelde soorten en handelingen. In art. 4.31 Or zijn de flora- en fauna- activiteiten genoemd in art. 11.54 Bal aangewezen als vergunningvrij voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkelingen of inrichting van gebieden (incl. gebruik) voor de soorten in bijlage VIIc Or); • Flora- en fauna-activiteiten die aantoonbaar worden uitgevoerd conform een per ministeriële regeling aangewezen gedragscode (zie de huidige gedragscodes onder deze link).
5.6 Beoordelingsregels vergunning
Een vergunning kan alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels die staan uitgewerkt in § 8.6.2 Bkl. De beoordelingsregels verschillen per soortenbeschermingsregime (uitgewerkt in art. 8.74j t/m art. 8.74l Bkl), maar komen kort gezegd neer op de beoordeling: a) of er geen andere bevredigende oplossing is, b) de activiteit nodig is vanwege een genoemd wettelijk belang, en c) de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de aangevraagde soort.
5.7 Indieningsvereisten en beslistermijnen
Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit gelden de indieningsvereisten die zijn opgenomen in de Or. De indieningsvereisten zijn in algemene zin uitgewerkt, waarna per beschermingsregime specifieke aanvullende indieningsvereisten kunnen gelden: • • • •
§ 7.2.8a.2 Algemeen flora- en fauna-activiteiten: modules § 7.2.8a.3 Flora- en fauna-activiteit: vogelrichtlijnsoorten § 7.2.8a.4 Flora- en fauna-activiteit: habitatrichtlijnsoorten § 7.2.8a.5 Flora- en fauna-activiteit: andere soorten
In § 7.2.8a.2 Or is onder meer aangegeven dat een ‘natuurwaardenonderzoek' moet worden aangeleverd dat aan bepaalde eisen moet voldoen. Naast de aanlevering van details van de handelingen waaronder de omvang, kaart, planning en onderbouwing van het voldoen aan de voorwaarden aan vergunningverlening, is het van belang dat het natuurwaardenonderzoek gegevens bevat waarvan de jongste gegevens niet ouder zijn dan drie jaar, of korter als in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht ingrijpend zijn gewijzigd (art. 7.197j, lid 2, onder b Or). Verder moet een ‘natuurwaardenonderzoek zijn verricht door een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten (art. 7.197j, lid 2, onder a Or). Art. 16.64 Ow bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningsaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag). De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken. Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4 Awb) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j Ob).
Dan geldt een beslistermijn van 26 weken. Bij meervoudige aanvragen die ook een aanvraag voor een Natura 2000activiteit bevat, moet rekening worden gehouden met deze beslistermijn. 5.8 Bevoegd gezag
De Minister van LNV is het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang (art. 4.12 Ob). In art. 4.12, lid 2 Ob zijn de activiteiten van nationaal belang aangewezen. Het betreft onder meer wegen, hoofdspoorwegen, wateren en primaire waterkeringen die worden beheerd door het Rijk (o.a. Rijkswaterstaat en Prorail), militaire terreinen en militaire luchthavens, luchthavens van nationale betekenis (o.a. Schiphol), het hoofdgastransportnet, hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV, kustverdediging, het delven van delfstoffen, etc. Voor zover de activiteiten niet zijn aangewezen als activiteiten van nationaal belang, dan is Gedeputeerde Staten van de provincie het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Ob).