CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 7 - Rapport voortoets effectstudie Springendal 6.pdf

Commissie Omgeving & Economie 30 juni 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake bindend advies uitbreiding bedrijfsgebouw wasserij Springendal3.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische toetsing stikstof locatie Springendal 6 te Ootmarsum Toetsing van mogelijke effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet

Uitgevoerd door: Tuitert Natuuronderzoek

Opdrachtgever: Natuurbank Overijssel

Projectnummer en versie: AT/2025/10.04 Versie D1 Auteur: D. Tuitert

Status: Definitief Rapportdatum: 10-04-2025

Inhoudsopgave

1

Inleiding ...................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................. 3 1.2 Doel ........................................................................................................................ 3 2 Wettelijk kader ............................................................................................................ 4 2.1 Omgevingswet (Natura 2000 activiteit) .................................................................. 4 2.2 Jurisprudentie beoordeling stikstofeffecten............................................................ 4 3 Afbakening Natura 2000-gebieden ........................................................................... 6 3.1 Natura 2000-gebieden ........................................................................................... 6 4 Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek ..................................... 7 4.1 Gebiedsbeschrijving ............................................................................................... 7 4.2 Begrenzing en oppervlakte ....................................................................................

7 4.3 Relevante instandhoudingsdoelen ......................................................................... 7 5 Effecten en toetsing................................................................................................... 9 5.1 Afbakening ............................................................................................................. 9 5.2 Kleine, tijdelijke stikstoftoenames algemeen ......................................................... 9 5.3 Gebiedspecifieke ecologische beoordeling.......................................................... 10 5.3.1 H6410 Blauwgraslanden ............................................................................. 10 5.3.2 H9190 Oude eikenbossen ........................................................................... 11 5.4 Cumulatie ............................................................................................................. 12 6 Conclusie .................................................................................................................. 14

2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Er zijn plannen voor uitbreiding van een bestaande bedrijfslocatie op het adres Springendal 6 te Oud Ootmarsum. Het bestaande bedrijfsgebouw wordt aan de oostzijde uitgebreid voor de plaatsing van een sorteermachine. De uitbreiding vindt plaats op de plek waar nu een verhard pad ligt. Dat pad wordt verlegd in oostelijke richting. De tuinbeplanting die wordt verwijderd, wordt vervangen door nieuwe beplanting. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Door Natuurbank Overijssel is hiervoor een stikstofberekening uit gevoerd. Uit de stikstofberekening blijkt dat sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. In voorliggende ecologische beoordeling wordt getoetst of de berekende toename aan stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor het betreffende Natura 2000-gebied.

Figuur 1: Globale ligging van het projectgebied (rood omcirkeld).

1.2 Doel Doel van voorliggende toetsing is om te bepalen of het voorgenomen project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is voor het voorgenomen project een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet noodzakelijk. Wanneer uit de ecologische beoordeling blijkt dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten, dan kan het voorgenomen project worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit.

3

2

Wettelijk kader

2.1 Omgevingswet (Natura 2000 activiteit) De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Omgevingswet. Projecten of projectnen die significante gevolgen kunnen voor deze beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000gebieden staan in artikel 5.1, eerste lid, sub e, van de Omgevingswet. Daarin is aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000 activiteit te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere projectnen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Kern van de Natura 2000 toetsing zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000-gebied zijn geformuleerd. Een project of project mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).

De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. 2.2 Jurisprudentie beoordeling stikstofeffecten Recent heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enkele uitspraken gedaan over stikstofdepositie, waarbij met name de uitspraken inzake het Porthos-project (ECLI:NL:RVS:2023:3129) en de VIA-15 (ECLI:NL:RVS:2024:951) relevant zijn voor de vraag op welke wijze de effecten van een voorgenomen project beoordeeld moeten worden voor wat betreft het aspect stikstofdepositie. De Afdeling geeft aan dat het enkele feit dat de KDW in de huidige situatie wordt overschreden niet maakt dat een passende beoordeling zonder meer noodzakelijk is en dat niet met een voortoets volstaan kan worden. De Afdeling sluit niet uit dat de tijdelijkheid van stikstofdeposities in sommige gevallen de conclusie kan rechtvaardigen dat uitgesloten is dat een project of project significante gevolgen heeft. Daarbij is van belang in hoeverre en op welke termijn een gebied die deposities kan opvangen.

Als een gebied maar een klein opvangend vermogen heeft, is het mogelijk dat tijdelijke deposities toch structureel doorwerken en wel significante gevolgen kunnen hebben, maar als een gebied die tijdelijke toename wel kan opvangen, zijn significante gevolgen wellicht uitgesloten. Volgens de Afdeling moet bij elk nieuw project of project dat leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden een voortoets gemaakt worden waarbij een ecologische analyse moet worden gegeven van die gevolgen in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het betreffende Natura 2000-gebied, ook als het gaat om een tijdelijke en beperkte toename. Daarbij zal voor de relevante Natura 2000-gebieden moeten worden onderzocht hoe de staat van de instandhouding op dat moment is. De effecten van de stikstofdeposities die al hebben plaatsgevonden, zullen zich daarin vertalen. In de VIA-15 uitspraak wordt door de Raad van State bevestigd dat het in het algemeen niet zo is dat elke (geringe) toename van de stikstofdepositie steeds de natuurlijke kenmerken van een gebied zal aantasten, ook niet als de KDW wordt overschreden. De KDW is geen absolute grenswaarde voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding. Als sprake is van een (geringe) toename van de stikstofdepositie op reeds

4

overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename te worden beoordeeld. Dat geldt voor ieder afzonderlijk project of project. Niet voor elke toename van stikstofdepositie geldt de verplichting om een passende beoordeling te maken. Wanneer uit een voortoets blijkt dat een voorgenomen project of project geen merkbaar effect heeft op de kwaliteit van kwalificerende habitattypen, dan kunnen significante gevolgen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De effecten van de stikstofdeposities die al hebben plaatsgevonden, zullen zich volgens de Afdeling vertalen in de beoordeling van de huidige staat van instandhouding van het betreffende habitat. Deze effecten kunnen niet worden toegerekend aan een specifiek project of project dat nog moet worden uitgevoerd.

5

3

Afbakening Natura 2000-gebieden

3.1

Natura 2000-gebieden

Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied, maar ligt wel op korte afstand (enkele tientallen meters) van het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. Op onderstaande figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de begrenzing van het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek weergegeven.

Figuur 3.1: Begrenzing Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek (lichtgroen) ten opzichte van het projectgebied (rode stip). Bron: Aerius Calculator.

Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het projectgebied. Op andere Natura 2000-gebieden dan Springendal en Dal van de Mosbeek zijn geen toenames aan stikstofdepositie berekend als gevolg van het voorgenomen project met Aerius Calculator. Significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

6

4

Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek

4.1 Gebiedsbeschrijving Het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek ligt op de stuwwal van Ootmarsum. Het gebied dankt zijn grote verscheidenheid voor een groot deel aan het aanwezige reliëf met opgestuwde heuvelruggen, waarin een aantal erosiedalen is uitgeschuurd. In de dalen is het oude kleinschalige cultuurlandschap met een afwisseling van bos, heide en beekjes herkenbaar. Keileem afzettingen en glauconiethoudende kleien in de ondergrond maken het gebied zeer gevarieerd en rijk aan bronnen. In het Springendal, het dal van de Mosbeek en Hazelbekke vinden we natte schraalgraslanden (waaronder kalkmoeras en trilveenvegetaties), bronnetjesbos, jeneverbesstruweel, droge en vochtige heiden en heischrale graslanden. De graslanden en heiden worden afgewisseld met bos, struweel en houtwallen. 4.2 Begrenzing en oppervlakte Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek omvat de volgende deelgebieden ten noorden van Ootmarsum: delen van de Mandermaten en houtwallen Mander, Dal van de Mosbeek, Noordelijke Manderheide, Paardenslenkte, Het Springendal, Hazelbekke, Tutenberg en Zuidelijke Vasserheide. Het Natura 2000-gebied heeft een oppervlakte van ongeveer 1.245 ha.

Figuur 4.2: Begrenzing Natura 2000-gebied Springendal en dal van de Mosbeek.

4.3 Relevante instandhoudingsdoelen Het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek is aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn. Voor het gebied zijn daarom instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor habitattypen en habitatsoorten. In onderstaande tabellen zijn de instand-

7

houdingsdoelstellingen voor de habitattypen en de habitatsoorten voor het Natura 2000gebied Springendal en Dal van de Mosbeek weergegeven. Tabel 4.3-1: Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen

Tabel 4.3-1: Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten

8

5

Effecten en toetsing

5.1 Afbakening Door Natuurbank Overijssel is een stikstofberekening uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius Calculator. Daarbij zijn de ontwikkelfase en de gebruiksfase van het voorgenomen project doorgerekend. Uit de stikstofberekening blijkt dat als gevolg van het voorgenomen project alleen gedurende de ontwikkelfase tijdelijk sprake is van een beperkte toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. Tabel 5.1: Berekende stikstofdepositie van het voorgenomen project in de ontwikkelfase

5.2 Kleine, tijdelijke stikstoftoenames algemeen In de meeste habitattypen functioneert een stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare per jaar. Onverstoorde, natuurlijke achtergronddeposities liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram/ha/jr, overeenkomend met 71 tot 357 mol/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. Dat blijkt wel uit het feit dat in sommige gevallen de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype goed is, ondanks een (forse) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) door de achtergronddepositie. De geringe projectbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop en dus ook niet op de kwaliteit van het betreffende habitattype. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie. De huidige trend is dat de stikstofdepositie sinds 1990 aan het dalen is van ongeveer 2.600 mol N/ha/jr naar gemiddeld 1.600 mol N/ha/jr. Deze trend is echter in de recente jaren afgevlakt, waarvoor regionaal soms nog altijd sprake is van een overschrijding van de KDW optreedt.

Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de ordegrootte van 10% 1 . Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Een toename in depositie van 0,1 mol N/ha/jr bedraagt ongeveer 0,005% van de hoogste achtergronddepositie in Nederland. Een eenmalige dosis van 0,1 is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Directe schade aan individuele projecten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen en/of leefgebieden van soorten als gevolg van dergelijke kleine en tijdelijke deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan projecten (bijna) niet meer 1

https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie.

9

voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol.2 Dergelijke kleine, tijdelijke depositietoenames leiden eveneens niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de project, gerelateerd aan de hoeveelheid die een project nodig heeft om te groeien. Een eenmalige depositie van 0,1 mol N/ha/jr komt overeen ca. 0,005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats.3 Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstof niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele projecten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename van 0,1 mol/ha/jr of minder op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. 5.3

Gebiedspecifieke ecologische beoordeling

5.3.1 H6410 Blauwgraslanden Het habitattype komt volgens de Pas-gebiedsanalyse en de recentere Natuurdoelanalyse met kleine oppervlakte (ca. 3 ha) versnipperd voor in het gebied. Het habitattype is in de oorsprong van de Mosbeek onderdeel van de gradiënt van H7230 Kalkmoerassen naar H4010 Vochtige heiden en bestaat hier uit blauwgrasland met soorten als vlozegge, parnassia en kleine valeriaan. Een deel van het habitattype bestaat hier uit een vegetatietype dat duidt op een goede kwaliteit. Door lokale herstelmaatregelen is de oppervlakte recent iets toegenomen. Herstel van de kwaliteit blijft echter achter omdat de meeste kenmerkende soorten niet terugkeren. Verdroging en ontginning hebben in het verleden sterk bijgedragen aan de achteruitgang van het blauwgrasland. Het huidige agrarisch gebruik van percelen binnen het Natura 2000-gebied beperkt de mogelijkheden voor uitbreiding. Vermesting van het grondwater door bemesting in intrekgebieden is een belangrijk knelpunt volgens de PASgebiedsanalyse. Een hoge zuurdepositie, vooral in het verleden toen de zwaveldepositie hoog was, heeft geleid tot sterke uitloging van basen en verzuring van de bodem. De verzuring is nadelig voor diverse kenmerkende plantensoorten. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat lokaal (in slechts 2 hexagonen) op ca.

0,15 ha binnen het habitattype H6410 sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr tijdens de ontwikkelfase. Het totale oppervlakte aan H6410 in het natura 2000-gebied bedraagt ca. 3 ha. De achtergronddepositie ter plaatse van de hexagonen met een projecteffect ligt met 1.567 en 1.761 mol N/ha/jr boven de KDW van 786 mol N/ha/jr. De stikstoftoename doet zich alleen voor gedurende de ontwikkelfase die hooguit enkele maanden duurt. Het betreft dus een zeer tijdelijk effect, van een langdurige accumulatie van stikstof in de bodem is geen sprake. Een tijdelijke verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr gedurende enkele maanden zal met zekerheid geen in ecologische zin waarneembaar effect hebben op de kwaliteit van het habitattype. Er vindt gedurende deze korte periode en bij een dergelijke verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie geen zodanige accumulatie van stikstofdepositie in de bodem plaats, dat daardoor een merkbare verandering van de vegetatie (verruiging, vergrassing of verbossing) of extra meetbare verzuring van de bodem op2

Effecten van stikstofdepositie via effecten op de projectten/vegetatie kunnen zijn: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit en kwaliteit voedselprojectten, afname kwaliteit voedselprojectten, afname bloemdichtheid, afname beschikbaarheid gastheer, afname nestgelegenheid of afname prooibeschikbaarheid. 3 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.

10

treedt. Van een merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype is derhalve geen sprake. Voor het habitattype is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd waarmee rekening gehouden moet worden. De berekende toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet zich slechts voor op 3 hexagonen binnen het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek en vindt slechts plaats gedurende een korte aanlegperiode van enkele maanden. Dat betekent dat in een groot deel van het Natura 2000-gebied (> 98% van de oppervlakte) uitbreiding mogelijk is zonder invloed van stikstofdepositie als gevolg van het voorgenomen project. Binnen 2% van de oppervlakte van het Natura 2000-gebied is sprake van een verwaarloosbare tijdelijke stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr, gedurende enkele maanden. Uitbreiding van de oppervlakte van H6410 door natuurherstel blijft mogelijk, ook als het voorgenomen project wordt uitgevoerd. Het voorgenomen project staat er dus niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave van het habitattype kan worden gerealiseerd. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H6410 in het Natura 2000-gebied Springen en Dal van de Mosbeek.

Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype kan worden gerealiseerd. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 5.3.2 H9190 Oude eikenbossen Uit de stikstofberekeningen blijkt dat sprake is van één hexagon met een toename aan stikstofdepositie ter plaatse van H9190. Dit hexagon ligt vrijwel volledig buiten de begrenzing van het habitattype H9190. Uit Aerius Calculator blijkt dat het betreffende hexagon het habitattype H9190 alleen schampt, met hooguit enkele m 2. De aanwezige oppervlakte aan H9190 binnen het betreffende hexagon bedraagt volgens Aerius Calculator 0,00 ha. Gelet op de verwaarloosbare oppervlakte aan H9190 die wordt geraakt binnen het hexagon met een projecteffect van 0,01 mol N/ha/jr, kan worden geconcludeerd dat significante gevolgen voor H9190 Oude eikenbossen op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Van een merkbare invloed op de kwaliteit van het habitattype is geen sprake. Het voorgenomen project leidt niet tot een merkbare verslechtering van de kwaliteit of een meetbare afname van de omvang van H9190.

11

Figuur 5.3.2: Ligging H9190 (lichtblauw) ten opzichte van het hexagon met een projecteffect (lichtpaars). Bron: Aerius Calculator.

5.4 Cumulatie In de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) wordt aangegeven wat er in de cumulatietoets wel/niet betrokken hoeft te worden. Zo behoeft niet gekeken te worden naar activiteiten die in het verleden zijn vergund en al zijn of worden uitgevoerd4 Ook bij ‘intern salderen’ hoeft volgens de ABRvS niet naar cumulatie gekeken te worden.5 Onzekere toekomstige gebeurtenissen kunnen bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing blijven. Dat betekent dat met andere projecten waarvoor een Wnb vergunning is vereist maar die nog niet is verleend geen rekening hoeft te worden gehouden.6 De gedachte hierachter is dat in afwachting van een besluit op een aanvraag voor een Wnb vergunning doorgaans niet zeker is of, en zo ja, met welke voorschriften de vergunning verleend zal worden. En bij de toetsing van bijvoorbeeld bestemmingsprojecten mag de cumulatieve toets volgens de ABRvS ook achterwege worden gelaten.7 Bij een project is van belang om te kijken naar mogelijke cumulatieve effecten met reeds Wnb-vergunde, maar nog niet (volledig) uitgevoerde projecten. Voor het voorgenomen project geldt dat dat uit de effectbeoordeling blijkt dat het projecteffect dermate in omvang beperkt is, dat geen sprake is van een in ecologische zin merkbare verandering in de kwaliteit van de betreffende habitattypen.

Van een significant effect door cumulatie met eventuele andere projecten kan dan ook nooit sprake zijn. Bij een zoektocht via het openbare online platform officiële bekendmakingen.nl zijn bovendien geen natuurvergunningen gevonden voor projecten die gelijktijdig met de aanleg van het voorgenomen project worden uitgevoerd en die een overlap hebben qua beïnvloedingsgebied met de 2 hexagonen waarop het voorgenomen project een verwaarloosbare stikstoftoename heeft.

4 5

ABRvS, 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3111, r.o. 3.2; ABRvS 16 april 2014, nr. 201304768, r.o. 38.2. ABRvS, 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 9.8.

6

ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312.

7

ABRvS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:683 (bestemmingsproject Wijk aan Zee/Beverwijk), r.o. 15.4.

12

Geconcludeerd wordt dat ook in combinatie met eventuele andere projecten of projecten geen sprake kan zijn van significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek.

13

6 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden i.r.t. het aspect stikstofdepositie. Als gevolg van het voorgenomen project is sprake van een verwaarloosbaar kleine toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) plaats slechts 2 overbelaste hexagonen binnen habitattype H6410. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat bij een dergelijke verwaarloosbaar kleine toename aan stikstofdepositie gedurende slechts enkele maanden waarin de werkzaamheden plaatsvinden, geen sprake is van een zodanig merkbare verandering van de kwaliteit van het habitattype dat dit van invloed kan zijn op de omvang en verspreiding van vegetaties en populaties van soorten. Ook uitbreiding van het betreffende habitattype blijft mogelijk in het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor het betreffende kwalificerende habitattype kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten, ook in combinatie met eventuele andere projecten. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd is met de bepalingen uit artikel 5.1 van de Omgevingswet. Het opstellen van een passende beoordeling is niet aan de orde. In dat geval hoeft er ook geen Omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit te worden aangevraagd.

14

Literatuur ▪

Natuurbank Overijssel 2025. Stikstofberekening Ontwikkelfase & gebruiksfase Springendal - 6 Oud Ootmarsum.

▪

Arcadis 2024. Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en activiteiten: versie 2024, Rijkswaterstaat.

▪

Provincie Overijssel 2023. Natuurdoelanalyse Springendal & Dal van de Mosbeek (38).

▪

Provincie Overijssel 2017. PAS-gebiedsanalyse Springendal & Dal van de Mosbeek. .

▪

https://www.calculator.aerius.nl/calculator

▪

https://www.natura2000.nl/gebieden/overijssel

▪

https://terinzage.gralliantie.nl/vergunningen/vergunningen/natuurvergunningen/ve rgunning-wet-natuurbescherming-natura-2000

▪

https://www.sovon.nl/nl/gebieden

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/942/documents/23758