Bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Externe werking Zoals beschreven gaat het bij de externe werking om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die vanuit hinder of gevaar bezien in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' kan niet worden aangemerkt als een milieubelastende functie voor de omgeving. Deze functie heeft geen aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden tot gevolg. Interne werking Bij de interne werking gaat het om de vraag of de te realiseren twee-onder-een kap woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich verschillende functies en bedrijven. Deze worden in onderstaande tabel weergegeven. Daarnaast beschrijft de tabel tevens de milieucategorie, de richtafstanden die gelden voor het gebiedstype 'gemengd gebied' en de gemeten afstand. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van de te realiseren twee-onder-een kap woning tot aan de grens van het bestemmingsvlak van de milieubelastende functie. Functie Opslag-/detailhandelspand Koopman Mode Ootmarsumsestraat 163 Bouwbedrijf L. van der Aa Hunenborgseweg 6 Autobedrijf Slots Ootmarsumsestraat 161 Holding A.J.M. Steghuis Ootmarsumsestraat 150
Milieucategorie max. 1
Richtafstand 0 meter
Gemeten afstand > 7 meter
max. 3
30 meter
> 34 meter
max. 2
10 meter
> 47 meter
max. 2
10 meter
> 48 meter
In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot de milieubelastende functies kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de te realiseren twee-onder-een kap woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Als gevolg van de voorgenomen aankoop van het terrein aan de Ootmarsumsestraat 167 en 165 is door Kruse Milieu een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van ditverkennend bodemonderzoek (kenmerk 16058710, d.d.
19 december 2016) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie Bijlage 1). Het terreindeel is, met uitzondering van de zuidgrens van de onderzoekslocatie verdacht voor zware metalen en PAK. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 14 boringen verricht, waarvan 8 ter plekke van de strook langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie (verdachte deellocatie). Eén boring op het onverdacht terreindeel is afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit uiterst fijn zand. Zingtuiglijk zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 3 van het bodemonderzoek). Op het maaiveld en in de bodem zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Het freatische grondwater is in puilbuis 11 aangetroffen op 1.87 meter minus maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
27
Onverdacht terreindeel de bovengrond, BG I is zeer licht verontreinigd met lood; de ondergrond is niet verontreinigd; het grondwater is zeer licht verontreinigd met barium. Strook langs zuidgrens onderzoekslocatie de bovengrond, BG II is zeer licht verontreinigd met kwik. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "verdachte locatie" ter plekke van de strook langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie dient te worden geaccepteerd, aangezien een overschrijding van de achtergrondwaarden is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond BG I (onverdacht terreindeel) en BG II (verdacht terreindeel) en in het grondwater zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Op basis van het historisch vooronderzoek kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie niet asbestverdacht is. Tot slot moet vermeld worden dat de in het bodemonderzoek beschreven waargenomen vervuiling uit het verkennend en aanvullend bodemonderzoek uit 2004 (projectnummer 04002810) destijds gesaneerd is.
Uit milieukundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied bevindt zich aan de Ootmarsumsetraat (N349) waarvoor een maximumsnelheid van 50 km/u geldt. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Ootmarsumsestraat (N349). Door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk 18.233a, d.d. 4 28
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
december 2018) naar de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op de gevels van de twee nieuwe woningen op het perceel aan de Ootmarsumsestraat 165 in Tilligte, zie Bijlage 2. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting LDEN op de gevels van een woning ten gevolge van een weg bedraagt 48 dB. Onder bepaalde voorwaarden kan, indien voor de geplande bouw een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is, door het college van burgemeester en wethouders een ontheffing worden verleend tot een hogere grenswaarde van maximaal 63 dB in stedelijk gebied. Om een hogere grenswaarde aan te kunnen vragen moet voldaan worden aan twee voorwaarden: de optredende geluidbelasting moet lager zijn dan de maximaal toelaatbare gevelbelasting, in dit geval 63 dB (art. 83 lid 2 van de Wgh); de situatie moet passen in het gemeentelijk geluidsbeleid ten aanzien van vaststelling van de hogere grenswaarden. De gemeente Dinkelland heeft het beleid ten aanzien van de voorkeursgrenswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting opgenomen in de "Nota ogere grenswaarden" d.d. 5 mei 2008. Berekend is de invallende geluidbelasting LDEN bij de geplande woningen. Dit betreft de gemiddelde geluidbelasting van de dag, avond en nachtperiode. Toetsing van de geluidbelasting aan de grenswaarden gebeurd volgens de Wgh per weg.
Alvorens de geluidbelasting te toetsen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag de berekende waarde op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder worden verminderd met een tijdelijke aftrek (in verband met het stiller worden van motorvoertuigen) van 5 dB voor wegen met een wettelijk maximum snelheid tot 70 km/uur. De geluidbelasting is berekend conform het gestelde in het "Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012" ex artikel 110d van de Wet geluidhinder. Voor de rekeninvoergegevens wordt verwezen naar bijlage I uit het akoestisch onderzoek. De geluidbelasting LDEN op de voorgevel van beide woningen bedraagt 54 dB waarmee de ambitiewaarde uit het geleidbeleid en de voorkeursgrenswarde uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. De bovengrens van 58 dB uit het geluidbeleid wordt niet overschreden.
In artikel 110a lid 5 van de Wet geluidhinder is bepaald dat een hogere waarde alleen kan worden verleend indien: toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Conclusie De geluidbelasting Lden op de gevels van de geplande twee-onder-een kap woning als gevolg van de Ootmarsumsestraat bedraagt 54 dB waarmee de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh wordt overschreden. De bovengrens van 58 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt niet overschreden. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient een hogere grenswaarde vastgesteld te worden. Zoals uit het akoestisch onderzoek is gebleken kan voor de twee-onder-een kapwoning een hogere waarde worden vastgesteld van 54 dB.
4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
29
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met de NIBM-tool van het kenniscentrum InfoMil kan eenvoudig en snel bij kleinere ruimtelijke plannen worden bepaald of deze in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018) kan het plangebied worden aangemerkt als 'niet stedelijk' - 'rest bebouwde kom'. Voor dit gebiedstype geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 per weekdagetmaal. Voor de realisatie van twee wooneenheden geldt een totale verkeersgeneratie van circa 15,6 extra motorvoertuigbewegingen (mvt) per weekdagetmaal. Van vrachtverkeer is in principe geen sprake. In onderstaande figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 16 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; 30
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.
Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets
Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 2,08 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Het dichtsbijzijnde risicovolle object betreft de buisleiding van de Gasunie met een werkdruk van 40 bar en uitwendige diameter van 6,26 inch. Voor deze buisleiding geldt dat de 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter van de buisleiding. Gelet op de afstand van het plangebied tot aan dit object geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
31
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 29 september 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. Op grond van de verrichte watertoets geldt de korte procedure. Het Waterschap Vechtstromen heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). 32
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Toetsing Dit bestemmingsplan maakt gebruik van een quickscan natuurwaarden (projectnummer 1834, versie 1.0, d.d. 15 maart 2019) om de potentiële aanwezigheid van beschermde flora en fauna te onderzoeken, zie Bijlage 4. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op minimaal 873 meter afstand van het plangebied. In onderstaande figuur is de ligging van het Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.4: Ligging Natuurnetwerk Nederland tne opzichte van plangebied (bron: Atlas van Overijssel) Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied (Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek) ligt op een afstand van 2,2 kilometer van het plangebied. In onderstaande figuur 4.5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura-2000 gebied weergegeven.
Figuur 4.6: Ligging Natura 2000-gebied ten opzichte van plangebied (bron: Atlas van Overijssel) De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
33
Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak).
De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Het rekeninstrument AERIUS Calculator 2020 berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De AERIUS-berekening is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten en conclusies van de AERIUS-berekening weergegeven. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2020. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2021. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlagen bij deze rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase.
De totale NOx-emissie als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling door de inzet van werkvoertuigen en bouwverkeer naar en van het plangebied bedraagt in totaal 15,88 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling, is volgens de AERIUS Calculator 2020 nergens hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De totale NOx-emissie als gevolg van de bewoning (verkeersgeneratie) bedraagt in totaal 0,2 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie (NOx) op Natura 2000- gebieden, als gevolg van de gebruiksfase van de voorgenomen activiteit, is volgens de AERIUS Calculator 2020 nergens hoger dan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Als gevolg van de realisatie en het gebruik van de twee-onder-een kapwoning binnen het plangebied komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. In de aanlegfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanlegfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw van de beoogde ontwikkeling.
De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2020 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Soortenbescherming Als gevolg van de realisatie van de twee-onder-een kapwoning wordt een bestaand gebouw gesloopt. Voorafgaand aan de sloop van het gebouw is in het kader van dit bestemmingsplan een quickscan natuurwaarden uitgevoerd om te bepalen of de sloop van het gebouw nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige beschermde flora en fauna, zie Bijlage 4. De resultaten van deze quickscan zijn hieronder weergegeven. De voorgenomen activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en 34
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieënen grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats. De inrichting, het gevoerde beheer, bouwstijl en staat van onderhoud van gebouwen, maken het plangebied tot een ongeschikte nestplaats voor vogels en tot een ongeschikte verblijfplaats voor amfibieën en vleermuizen. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rusten voortplantingslocaties' (of de soort is niet beschermd).
Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels wordt door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Conclusie Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die als gevolg van de voorgenomen activiteiten negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in overeenstemming met de Wet natuurbescherming.
De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft voor haar grondgebied een archeologische verwachtings- en advieskaart laten opstellen. Het rapport is door RAAP opgesteld een geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In onderstaande figuur 4.7 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven.
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
35
Figuur 4.7: uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Het plangebied aan de Ootmarsumsestraat 165 in Tilligte (blauw omlijnde cirkel) is gelegen binnen de beekdalen en overige laagten. Deze gebieden hebben een lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Voor deze gebieden geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in het plangebied aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Ootmarsumsestraat (N349), een provinciale weg die Ootmarsum via Tilligte met Denekamp verbindt. Binnen de bebouwde kom van Tilligte geldt voor de Ootmarsumsestraat een maximum snelheid van 50 km/u. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te berekenen, is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018). Aan de hand van deze publicatie kan op globaal niveau berekend worden wat de effecten zijn van het plan. Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt gebruik gemaakt van kencijfers voor verschillende woonmilieutypes. Omdat de kern Tilligte uit minder dan 10.000 huishoudens bestaat en daarnaast een groen oppervlak heeft van minder dan 75%, kan het plangebied worden aangemerkt als centrum-dorps. Op basis van de CROW-publicatie geldt voor het plangebied 'weinig stedelijk'- 'rest bebouwde kom' waarvoor een gemiddelde verkeersgeneratie geldt van 7,8 verkeersbewegingen per woning per dag. Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van twee wooneenheden. Derhalve geldt dat de verkeersgeneratie als gevolg van onderhavig plan (7,8 * 2 = 15,6) 16 motorvoertuigbewegingen per dag bedraagt. Op grond van het vigerende bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Detailhandel'.
uitgaande van de planologische mogelijkheden is het mogelijk dat een buurtsupermarkt zich vestigt in het pand. Voor een buurtsupermarkt geldt voor het gebiedstype 'weinig stedelijk' - 'rest bebouwde kom' een gemiddelde verkeersgeneratie van 105,3 verkeersbewegingen per dag per 100 m2 bvo. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan - gekeken naar de huidige planologische mogelijkheden - leidt tot een afname van het 36
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
aantal verkeersbewegingen. Ondanks dat er in het pand al geruimte tijd geen detailhandelsfunctie meer geëxploiteerd wordt, kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie van het plan eenvoudig via de huidige weg afgewikkeld kan worden. Parkeren Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland geldt in eerste instantie het uitgangspunt dat een ontwikkeling zelf voorziet in de parkeerbehoefte. Voor een twee-onder-een-kapwoning geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte voor onderhavig plan bestaat derhalve uit de realisatie van (2 * 2,2 = 4,4) afgerond vijf parkeerplaatsen. Als gevolg van de grootte van de woningbouwkavels (423 m2 en 450 m2) bestaat de mogelijkheid om de woningen te voorzien van een oprit. Op het oprit kan voorzien worden in twee parkeerplaatsen per woning. In figuur 4.8 zijn de parkeerplaatsen schematisch door Bouwbedrijf van der Aa ingetekend.
Figuur 4.8: Situatietekening parkeren (bron: Bouwbedrijf van der Aa) Tussen de bouwkavel en de Ootmarsumsestraat is in de huidige situatie openbare verharding aanwezig. De initiatiefnemer wenst ter plaatse van deze verharding twee parkeerplaatsen (langsparkeren) te realiseren. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm die geldt op grond van de beleidsnota Bouwen & Parkeren 2018. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
37
38
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); Afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; Afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; Wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
39
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van de eis dat de inrichting van de bij een bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat er voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen wordt gerealiseerd.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Wonen (Artikel 3) De bestemming 'Wonen' heeft betrekking op zowel het appartementengebouw (gestapeld) en de twee-onder-een kapwoningen en de bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken). De toegestane goot- en bouwhoogtes van de woningen zijn op de verbeelding vastgelegd. Daarnaast is het bouwtype van de woningen op de verbeelding middels de aanduidingen 'tweeaaneen' en 'gestapeld' vastgelegd. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden bebouwingsbepalingen die betrekking hebben op de oppervlakte (maximaal 85 tot 100 m2, afhankelijk van perceelsomvang), de situering en de hoogte. Voor wat betreft de situering zijn, ter bescherming van het straatbeeld, de bebouwingsbepalingen erop gericht bebouwing aan de voorzijde van de woning te voorkomen. In verband met de bescherming van belangen van buren (privacy, lichttoetreding) gelden ook bij het oprichten van bijbehorende bouwwerken achter de (voorgevel van) woningen eisen ten aanzien van oppervlakte, hoogte en situering. Binnen de woonbestemming wordt met een afwijking ruimte geboden voor een aan-huis-verbonden-beroep, dan wel kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
Het gaat om kleinschalige beroepsof bedrijfsmatige activiteiten die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden. Hierbij kan gedacht worden aan klassieke 'vrije' beroepen (arts, advocaat, notaris) maar ook aan beroepen als makelaar of accountant of bedrijfsmatige activiteiten als een kapper of een schoonheidsspecialist. Om de ruimtelijke en functionele ondergeschiktheid aan de woonfunctie te waarborgen gelden criteria ten aanzien van de aard en omvang van de activiteiten. De woonbestemming biedt ook ruimte voor mantelzorg bij woningen. Ten eerste in de vorm van inwoning, daarnaast ook, via afwijking, in
40
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
de vorm van (tijdelijke) bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Bestaande bijgebouwen kunnen tot een oppervlakte van maximaal 75 m2 worden vergroot ten behoeve van mantelzorg. Voorwaarde is wel dat de noodzaak van de mantelzorg (op medische gronden) hierbij wordt aangetoond.
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
41
42
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Met de aanvrager zal een anterieure overeenkomst gesloten waarin de gemeente gevrijwaard wordt van eventuele planschadekosten. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
43
44
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 29 september 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 23 april 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
45
46
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
47
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
48
bestemmingsplan Tilligte, Ootmarsumsestraat 165 en 167
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 Ootmarsumsestraat 167 - Tilligte
Opdrachtgever: Bouwbedrijf L. van der Aa Locatie: Ootmarsumsestraat 167 7634 PP Tilligte
December 2016
Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Tel: 0546 - 63 96 63
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740 Ootmarsumsestraat 167 - Tilligte
Opdrachtgever: Bouwbedrijf L. van der Aa Hunenborgseweg 6-8 7634 PK Tilligte
Locatie: Ootmarsumsestraat 167 7634 PP Tilligte Projectcode: 16058710 Rapportagedatum: 19 december 2016 Auteur: Ing. J.L. Kienstra
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina
1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Historische gegevens Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing analyses
4 4 5 5 7
4.1 4.2 4.3 4.4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
8 8 8 9 10
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
11
6
Literatuur
13
2
3
4
Bijlagen
I
II III IV
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek CBB (november 1993) Boorplan verkennend en aanvullend bodemonderzoek, Kruse Milieu BV (maart 2004) Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV (december 2016) Situatieschets Kruse Milieu BV met boorlocaties Boorstaten Resultaten en toetsing chemische analyses Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 16058710
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Bouwbedrijf L. van der Aa op een deel van het terrein aan de Ootmarsumsestraat 167 te Tilligte door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen aankoop van het terrein. In het kader van de voorgenomen transactie dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat het terrein ten zuiden van de onderzoekslocatie plaatselijk sterk verontreinigd is met zware metalen en/of PAK. Een strook langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie wordt als verdachte deellocatie beschouwd. Het overige deel van de locatie kan als onverdacht worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
De doelstelling van het onderzoek op de verdachte deellocaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in november en december 2016 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden.
Kruse Milieu BV
Project: 16058710
Pagina 1 van 13
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Ootmarsumsestraat 167, binnen de bebouwde kom van Tilligte. Het centrale punt binnen het te onderzoeken deel van het terrein heeft de RDcoördinaten x = 261.175 en y = 492.081. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Denekamp, sectie N, nummers 1138 (ged.) en 1146 (ged.). De Ootmarsumse-straat is ten noordoosten van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is gelegen in een overwegend woonomgeving en is voor ongeveer de helft bebouwd met een woonhuis (voormalig café Arends). Ten zuiden van het café bevindt zich een vrijstaande berging. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is verhard met klinkers en tegels of is onverhard (tuin). Onderzoekslocatie In het kader van de voorgenomen aankoop van het terrein dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. De onderzoekslocatie omvat circa 860 m². Buiten het onverdachte deel van het terrein wordt een strook van circa 43 meter (1 meter breed) langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie separaat onderzocht als verdachte deellocatie. Deze strook is verdacht omdat op het aangrenzende zuidelijk gelegen terrein in eerdere bodemonderzoeken sterke verontreinigingen zijn vastgesteld (veroorzaakt door verbrandingsresten in de bodem).
In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn tevens 3 boorplannen opgenomen: - boorplan verkennend bodemonderzoek CBB (november 1993); - boorplan verkennend en aanvullend bodemonderzoek, Kruse Milieu BV (maart 2004); - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV (december 2016).
2.2
Historische gegevens
Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever (de heer Van der Aa) en bij de gemeente Dinkelland. Tevens is informatie ontleend aan eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (woon/horeca) bestemming. Het huidige pand dateert van 1956. In het verleden was achter het café een ruimte aanwezig, waarin zich een bowlingbaan bevond. Tot medio jaren ’90 van de vorige eeuw stond ten zuiden van het café een smederij. Later zijn de smederijactiviteiten verplaatst naar het zuidelijk gelegen pand aan de Ootmarsumsestraat 165. - Voor zover bekend is er op het te onderzoeken terrein nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - De voormalige bedrijfsactiviteiten in de smederij, die grotendeels binnen de onderzoekslocatie is gelegen, kunnen een negatieve invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat verbrandingsresten (kolengruis en sintels) uit het smidsvuur zijn gebruikt voor erfverharding. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel opgehoogd met grond afkomstig uit de Dinkel. Deze ophoging bedraagt circa 0.9 meter.
Aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een talud naar de lager gelegen weilanden. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Kruse Milieu BV
Project: 16058710
Pagina 2 van 13
- Er is eerder een bodemonderzoek uitgevoerd, waar de onderzoekslocatie onderdeel van was: Verkennend bodemonderzoek, Ootmarsumsestraat 167 te Tilligte, CBB, projectnummer 105913 d.d. maart 1993 Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende (getoetst aan de huidige richtlijnen): Mengmonster bovengrond: licht verontreinigd met cadmium, lood, zink en PAK; Mengmonster ondergrond: licht verontreinigd met cadmium. Separate analyse boring 3 (0-0.7): licht verontreinigd met arseen, cadmium en PAK. Sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. Grondwater, peilbuis 8: licht verontreinigd met nikkel. De boringen die zijn verricht op en nabij onderhavige onderzoekslocatie zijn opgenomen in het mengmonster van de bovengrond (slechts licht verontreinigd). Boring 3 is niet glegen nabij onderhavige onderzoekslocatie. Het zuidelijk gelegen terrein is in 2004 wederom onderzocht in het kader van een voorgenomen transactie. Dit deel van het terrein was destijds een onderdeel van de locatie Ootmarsumsestraat 167, thans betreft dit de Ootmarsumsestraat 165. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, Ootmarsumsestraat 167 te Tilligte, Kruse Milieu BV, projectnummer 04002810 d.d.