Bestemmingsplan Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop; bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
29
7. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. Wat betreft de uitbreiding woonbestemming en uitbreiding bedrijfsmatige activiteiten kan het volgende worden opgemerkt. Uitbreiden woonperceel In het beleid is de mogelijkheid opgenomen voor het uitbreiden van een woonperceel met de functie 'Wonen'. De vergroting van de woonbestemming aan de Reimerweg 10 is nodig om de verblijfsrecreatie binnen de woonbestemming te realiseren. Hiermee blijft de hoofdfunctie van het erf 'Wonen' met de verblijfsrecreatie als ondergeschikte functie. De vergroting van de woonbestemming aan de Laagsestraat 70 is nodig om de feitelijke situatie planologisch kloppend te maken. Er zijn geen mogelijkheden om de bestaande woonpercelen met gelijkblijvende oppervlakte te verschuiven;
Uitbreiden oppervlakte bedrijfsmatige activiteiten in het beleid is de mogelijkheid opgenomen om binnen de functie 'Wonen' bedrijfsmatige activiteiten uit toe oefenen. Niet elk nieuwe functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Aan de gestelde voorwaarden uit het beleid wordt voldaan. De gezamenlijke oppervlakte bij de bijbehorende bouwwerken die in gebruik zijn voor de bedrijfsmatige activiteiten bedraagt 289 m2. Dit betreft de smederij met bijbehorende voorzieningen met een oppervlakte van 199 m2. Er is geen sprake van buitenopslag of bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen. Voor wat het type van verblijfsrecreatie betreft wordt voldaan aan de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente. Verder is er geen sprake van detailhandel in een andere vorm dan productiegebonden detailhandel. Doorwerkingin het onderhavige plan en conclusie 1. In voorliggende situatie wordt ter plaatse van de Laagsestraat een asbesthoudende schuur met een totaaloppervlakte van 118 m2 gesloopt. Gelet op bovenstaande voorwaarden geldt bij de sloop van een schuur met een totaaloppervlakte van 118 m2 aan sloopmeters in totaal 109 m2 aan bouwmeters worden verkregen. Dit aangezien de eerste 100 m2 middels de verhouding 1 staat tot 1 wordt berekend en de 101 tot en met 118 m2 middels de verhouding 1 staat tot 2. 2.
Daarnaast is ter plaatse van de Laagsestraat sprake van legaal opgerichte gebouwen waardoor de gehele bebouwing in de sloopnorm mag worden meegenomen. 3. Er is geen sprake van een landschapsontsierende veldschuur. 4. Het gehele gebouw wordt gesloopt, inclusief funderingen. 5. In voorliggende situatie is er sprake van de sloop van een volledig gebouw. 6. Er is geen sprake van een karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevol gebouw 7. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situaties. Samenvatting Middels de sloop van landschapsontsierende bebouwing aan de Laagsestraat wordt in totaal 109 m2 bouwmeters overgeheveld naar de Reimerweg. Conform het geldende bestemmingsplan is ter plaatse is in totaal 200 m2 aan bijgebouwen toegestaan en zal middels voorgenomen sloopontwikkeling de totale omvang op 309 m2 aan bijgebouwen worden vastgezet. Deze 309 m2 wordt als volgt ingezet: 199 m2 ten behoeve van de smederij 90 m2 ten behoeve van drie trekkershutten 20 m2 ten behoeve het houten bijgebouw binnen het plangebied.
30
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
3.3.3
Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018
De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben in 2018 een gezamenlijke beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente” opgesteld. Met de gezamenlijke nota voor Noordoost Twente in 2018 zijn de ruimtelijke kaders in heel Noordoost Twente grotendeels gelijk getrokken en is het beleid in de vier gemeenten op elkaar afgestemd. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. Het doel van de nota verblijfsrecreatie is Noordoost Twente is om kaders weer te geven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. In de analyse van deze nota kunnen aantal conclusies worden getrokken die van belang zijn voor het formuleren van de visie: De vrijetijdssector, in dit geval specifiek verblijfsrecreatie, is van groot economisch belang voor de regio Noordoost Twente. Een breed scala aan functies profiteert mee van een gezond, divers en onderscheidend, toekmist- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product In Noordoost Twente is sprake van de 'verblijfsrecreatieparadox'. Er is een overaanbodsituatie ontstaan, waardoor de markt verzadigd is.
Dit is met name van toepassing in de kampeersector. Het aanbod is in de laatste decennium sterker gegroeid dan de vraag. Met als resultaat teruglopende bezettingen, marges die onder druk staan en wisselend toekomstperspectief. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing en innovatie nodig binnen de sector. In een relatief verzadigde markt is het daarom van belang om te kijken naar de toegevoegde waarde van een initiatief; het moet niet 'meer van hetzelfde' zijn, bijdragen aan diversificatie van het aanbod en/of beter inspringen op de wensen vanuit de markt. De markt vraagt om vernieuwend en luxe aanbod, waarbij beleving en authenticiteit centraal staan. De visie voor verblijfsrecreatie luidt dan ook als volgt: ''Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod''. In voorliggende situatie zijn met name paragrafen 5.11 en 5.14 uit de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018 van belang. Dit aangezien in voorliggende situatie sprake is van een bijzondere situatie. Hierbij spelen de aspecten; aantoonbare meerwaarde, brandveiligheid, ruimtelijke ordening, milieu en en infrastructuur en parkeren een belangrijke rol. Hierna wordt op deze hoofdstukken nader ingegaan.
Aantoonbare meerwaarde De voorgenomen ontwikkeling betreft een bijzondere ontwikkeling dan wel aanbod op recreatief vlak. Dit aangezien in een natuurlijke bebosde omgeving een passende recreatieve functie wordt toegekend. Hierbij wordt een harmonie gerealiseerd tussen recreatie en het bedrijf aan huis. Tevens dient op dit punt te worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling gevoed wordt door heersende wensen van bestaande gasten. Dit vanwege het avontuurlijke karakter, de diversiteit van het tijdelijke verblijf en trekt nieuwe toeristen naar de gemeente Dinkelland. Brandveiligheid Voorliggende realisatie van trekkershutten zal in het projectspoor geregeld worden. Gelet op de omvang van de trekkershutten zullen de trekkershutten plaats bieden aan minder dan tien personen ter plaatse. Ruimtelijkeordening Voorliggende ontwikkeling, te weten de realisatie van trekkershutten wordt geborgd binnen de regels. Hierbij wordt de functie binnen de woonbestemming mogelijk gemaakt, wordt permanente bewoning uitgesloten en wordt de maatvoering wat betreft de trekkershutten vastgelegd. Wat betreft het voornemen in relatie tot de locatie wordt verwezen naar hoofdstuk 3.2 Provinciaal beleid. Milieu Wat betreft de omgevingsaspecten wordt verwezen naar Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten.
Hieruit wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is op het gebied van de omgevingsaspecten. Infrastructuur en parkeren Ter plaatse van de trekkershutten worden enkele extra parkeerplaatsen aangelegd. Dit zodat toeristen binnen het plangebied kunnen parkeren. Voor de gehele invulling wat betreft verkeer en parkeren wordt verwezen naar 4.10 Verkeer en parkeren. Doorwerkingin het onderhavig plan en conclusie bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
31
In voorliggende situatie wordt ten behoeve van kleinschalige bedrijvigheid, een ambachtelijke smederij en drie trekkershutten gerealiseerd. Deze trekkershutten zullen gebruikt worden ten behoeve van de overnachting door cursisten van de cursus. De doelgroep van de cursus zijn avontuurlijk ingestelde personen waarbij de ervaring van de cursus bijdraagt aan het eindproduct. Gelet op de ambachtelijke werkwijze met een avontuurlijk randje, verblijven personen in een bosrijke omgeving op een eenvoudige manier. Gelet op voorliggende situatie wordt een passende vorm van recreatie mogelijk gemaakt. 3.3.4
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Doorwerkingop het plan en conclusie Ter plaatse van het plandeel aan de Reimerweg is sprake van een Casco element. Casco elementen zijn in beginsel beschermd. Echter, in voorliggende situatie worden de trekkershutten op de open plekken binnen het casco element gerealiseerd, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het element zelf. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling vindt geen aantasting plaats. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'.
32
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.2 Bodem 4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2
Onderzoek Reimerweg10 te Rossum
Onderhavig initiatief voorziet onder andere in de realisatie van een bijgebouw ten behoeve van een smederij. Dit bijgebouw is beoogd op gronden welke zijn bestemd als 'Wonen'. Deze bestemming is toereikend voor het beoogde gebruik, dit aangezien op deze gronden gevoelige functies zijn toegestaan. Daarnaast voorziet onderhavig initiatief in de realisatie van drie recreatievoorzieningen waar personen enkele dagen in kunnen verblijven. Hierbij zijn de recreatievoorzieningen beoogd op gronden die op dit moment als 'Agrarisch -2' zijn bestemd. Het is op voorhand niet met zekerheid vast te stellen wat de ter plaatse aanwezige bodemkwaliteit is. Hierdoor is door Kruse B.V. in februari 2023 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd om de bodemkwaliteit vast te kunnen stellen. Voor het gehele bodemonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Reimerweg 10 te Rossum. Hieronder wordt beknopt op de resultaten en conclusies van het onderzoek ingegaan. Resultaten en conclusie verkennend bodemonderzoek Resultaten veldwerk In totaal zijn er 8 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. De bodem bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig grof, zwak siltig tot matig siltig, zwak grindig zand met plaatselijk wortelresten. In de ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen.
Er zijn, met uitzondering van een stukje baksteen in boring 2, geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.75 m-mv. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG) is zeer licht verontreinigd met lood, cadmium en kwik; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB1) is zeer licht verontreinigd met barium. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de ondergrond (OG) zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
33
4.2.3
Onderzoek Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum
Het planvoornemen voorziet wat betreft het plandeel aan de Laagsestraat 70 in de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van nieuwe beplanting. Voorliggend plan voorziet ter plaatse van deze gronden dus niet in het (planologisch) mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie. Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat bodemonderzoek ter plaatse van het betreffende plandeel niet benodigd is. 4.2.4
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan.
4.3 Water 4.3.1
Algemeen
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.1.1 Beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. De waterkwaliteit van alle oppervlaktewateren in een stroomgebied moeten vanaf 2015 aan bepaalde eisen voldoen. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 22 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 laat zien welke resultaten het waterschap op strategisch en tactisch niveau in zes jaar wil behalen. In het Waterbeheerprogramma wordt aangegeven welke maatregelen en voorzieningen daarvoor getroffen worden en wanneer. De maatregelen in het programma zijn een aanvulling op en uitwerking van maatregelen die al in de waterprogramma’s van het Rijk en de regio zijn opgenomen. Dit Waterbeheerprogramma geeft aan wat de inhoudelijke strategie is om de doelen van het waterschap te verwezenlijken. Deze strategie volgt uit de waarden die het waterschap centraal zet. Deze zijn gericht op het: het centraal zetten van de leefomgeving; zo veel mogelijk zoeken naar samenwerking met partners in het beheergebied van het waterschap, en; het streven naar optimale participatie. 4.3.2
Onderzoek Reimerweg10 te Rossum
4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
34
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
4.3.2.2 Watersysteem
Watertoetsproces
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.
Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het voornemen loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Hierbij is in voorliggende situatie, gelet op het stoppen van de agrarische bedrijvigheid sprake van een afname waarbij onder de 1500 m2 aan verharding wordt gebleven. Tevens bevinden de plandelen zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd in de grond waarvoor ruimvoldoende infiltratiemogelijkheden binnen de plandelen aanwezig zijn en het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in de woningen te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Lycens B.V. in april 2023 een digitale watertoets uitgevoerd.
De korte procedure in het kader van de watertoets goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan. Het toetsingsdocument is als Bijlage 5 Watertoets Reimerweg 10 te Rossum toegevoegd. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
35
4.3.3
Onderzoek Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum
Aangezien het planvoornemen voor de gronden ter plaatse van de Laagsestraat uitsluitend voorziet in de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van beplanting, is voor dit plandeel geen watertoets uitgevoerd. Onderhavig initiatief heeft immers geen (negatieve) invloed op de waterhuishoudkundige situatie en schaadt daarmee geen waterbelangen. 4.3.4
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan.
4.4 Erfgoed 4.4.1
Archeologie
4.4.1.1 Algemeen In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
4.4.1.2 Onderzoek Reimerweg10 te Rossum Voor het onderhavige plandeel is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de “Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd. In figuur 4.1 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische verwachtingskaart (Bron: RAAP) Verwachting Hoog voor resten uit alle perioden. Archeologische resten zijn afgedekt door een plaggendek >50 cm en daardoor minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten worden hierdoor goed geconserveerd. Beleidsadvies Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in het plangebied bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Voor gebieden met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m2 geldt een vrijstelling voor archeologisch advies. Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling worden drie recreatievoorzieningen met een oppervlakte van maximaal 30 m2 gerealiseerd. Tevens wordt een bijgebouw gerealiseerd. Hierbij wordt ruimschoots onder de onderzoeksgrens van 2.500 m2 gebleven. Gelet op de kleinschalige bodemingrepen wordt een archeologisch bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.4.1.3 Onderzoek Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Aangezien ter plaatse van de gronden aan de Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum uitsluitend sprake is van de sloop van een schuur en de bodemingrepen ten behoeve van de aanleg van beplanting minimaal zijn, wordt gesteld dat er geen sprake is van de (eventuele) aantasting van mogelijk aanwezige archeologische resten. Nadere beschouwing voor dit plandeel wat betreft het aspect archeologie wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
4.4.1.4 Conclusie Het plangebied is vrijgegeven met betrekking tot archeologische waarden, het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
37
4.4.2
Cultuurhistorie
4.4.2.1 Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelingsen gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. 2. 3. 4. 5.
werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.
4.4.2.2 Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van de plandelen aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In de plandelen zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie. 4.4.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.5 Flora en fauna 4.5.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet 38
natuurbescherming
kent
naast
het
beschermingsregime
voor
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
Natura
2000-gebieden
drie
beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd.
Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. 4.5.2
Onderzoek
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet worden uitgesloten. Het plangebied, bestaande uit de twee plandelen; Reimerweg 10 te Rossum en Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum, is daarom onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden per plandeel de resultaten van dit onderzoek beknopt toegelicht. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 6 Quickscan natuurwaarden. 4.5.2.1 Reimerweg10 te Rossum Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Dit plandeel is geen onderdeel van Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de realisatie- als gebruiksfase voor het deelgebied Reimerweg 10.
Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Stikstofberekening Om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de Natura 2000-gebieden, is een stikstofberekening uitgevoerd. Voor de gehele stikstofberekening wordt verwezen naar Bijlage 7 Stikstofberekening Reimerweg 10 te Rossum. Hierna wordt op de conclusie ingegaan. Als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats op Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de realisatie- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. In het deelgebied Reimerweg benutten beschermde dieren het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten in dit deelgebied mogelijk een verblijfplaats in de reeds aanwezige bebouwing.
Deze mogelijk aanwezige verblijfplaatsen worden niet aangetast als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt geen beschermd dier gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen en verharden van delen van het bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
39
deelgebied Reimerweg 10 en het toepassen van kunstlicht, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogel-, amfibieën- , grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten iets af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied aangetast van soorten, waarvan het foerageergebied beschermd is. Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling in het kader van soortbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Ook hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 4.5.2.2 Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het plandeel behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en het niet toenemen van verkeer in de gebruiksfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden in het deelgebied Laagsestraat 70. Het uitvoeren van een stikstofberekening is in dit deelgebied niet noodzakelijk.
Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. In het deelgebied Laagsestraat 70 benutten beschermde vogel-, amfibie-, grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt geen beschermd dier gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling in het kader van soortbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Ook hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.6 Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai 4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
40
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2
Onderzoek
4.6.2.1 Reimerweg10 te Rossum Een recreatievoorziening wordt op basis van de Wgh niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. Tevens dient er te worden opgemerkt dat ter plaatse van de reeds aanwezige woning, welke een geluidgevoelig object betreft, geen wijziging plaatsvindt ten opzichte van de bestaande situatie. Hierdoor is nadere uitwerking wat betreft het aspect geluid gericht op wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van omliggende bedrijven wordt verwezen naar de paragraaf Bedrijven en milieuzonering. 4.6.2.2 Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Het planvoornemen voorziet ter plaatse van dit plandeel enkel in de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van beplanting. Het initiatief voorziet dus niet in de realisatie van een geluidgevoelig object, derhalve is nadere uitwerking wat betreft het aspect geluid gericht op wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai niet noodzakelijk. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
41
luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.7.2
Onderzoek
4.7.2.1 Reimerweg10 te Rossum Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van drie recreatievoorzieningen ter plaatse van het plandeel aan de Reimerweg 10. Daarnaast wordt de realisatie van een nieuw bijgebouw mogelijk gemaakt ten behoeve van een smederij. In de beoogde situatie vindt een beperkte toename aan verkeersbewegingen plaats waarbij ruimschoots onder de NIBM-grens wordt gebleven. Hierdoor wordt op voorhand geconcludeerd dat het voornemen geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect geur van omliggende bedrijvigheid wordt verwezen naar de paragraaf Bedrijven en milieuzonering. 4.7.2.2 Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van beplanting ter plaatse van het plandeel aan de Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum. In de beoogde situatie vindt er geen toename plaats wat betreft het aantal verkeersbewegingen, derhalve wordt ruimschoots onder de NIMB-grens gebleven. Hierdoor wordt op voorhand geconcludeerd dat het voornemen geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. 4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals het uitgangspunt van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan 42
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige Richtafstanden tot woonwijken buitengebied omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.2
Onderzoek
Beide plandelen behorende bij het plangebied liggen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waarbij de plandelen worden omgeven door agrarische gronden en enkele agrarische bedrijvigheid en woonpercelen. Om die reden kan het plangebied, gelet op de ligging en de nabije omgeving worden aangeduid als 'rustige woonwijk', danwel 'rustig buitengebied'. Hierdoor worden de richtafstanden niet met één stap verkleind. Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemming gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol. 1. Externe werking: past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Interne werking: laat de omgeving de nieuwe functie toe? 4.8.2.1 Reimerweg10 Rossum Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het betreffende plandeel bestaat in de beoogde situatie uit een woning, drie recreatievoorzieningen en een smederij. De functie 'Wonen' betreft geen milieubelastende functie. Hierdoor zijn geen negatieve gevolgen voor de omgeving aanwezig gekoppeld aan de reguliere woning en recreatievoorzieningen.
Een smederij ten behoeve van het smeden van messen en het verblijf van personen is een zeer specifieke functie die niet expliciet in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is benoemd. Hierdoor dient te worden gezocht naar vergelijkbare functies en dient een mogelijke onderbouwing te worden bijgevoegd om te nuanceren dan wel te versterken. In voorliggende situatie is aansluiting gezocht bij een 'Smederij, lasinrichting, bankwerkerij e.d. met een oppervlak van kleiner dan 200 m2'. Hierbij is milieucategorie 3.1 van toepassing met een uiterste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid en 30 meter voor het aspect geur. Hierbij vindt de dichtstbijzijnde woning op circa 90 meter van de beoogde locatie van de smederij en 80 meter van de recreatievoorzieningen. Gelet op bovenstaande wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Tevens dient er te worden opgemerkt dat in voorliggende situatie juist sprake is van een recreatief verblijf waarbij rust en stilte centraal staat, ten behoeve van de beleving. Geconcludeerd wordt dat het voornemen geen belemmering vormt op de omliggende functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de nabije omgeving van het plangebied komen enkel agrarische gronden voor.
Op een afstand bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
43
van circa 130 meter, gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak is een kleinschalig aannemersbedrijf gesitueerd (Reimerweg 12). Bij een aannemersbedrijf met een bedrijfsomvang groter dan 1000 m2 is milieucategorie 3.1 van toepassing met een richtafstand van 50 voor geluid, 30 meter voor geur, en 10 meter voor stof. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan gelet op de afstand van 130 meter. Ten zuidwesten van het plangebied is een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd; specifiek fruitboerderij. Op een afstand van minimaal 60 meter van de fruitteelt worden de recreatievoorzieningen gerealiseerd. Op basis van de VNG-uitgave ''Bedrijven en Milieuzonering behoort hierbij in het uiterste geval milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt eveneens voldaan. Ter plaatse van de recreatievoorzieningen kan geconcludeerd worden dat er geen hinder te verwachten is die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen beperken. 4.8.2.2 Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Het planvoornemen voorziet ter plaatse van het plandeel aan de Laagsestraat 70 enkel in de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van beplanting. Gelet op het vorenstaande is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden geen sprake.
Daarnaast belemmert het planvoornemen omliggende functies niet in de bedrijfsvoering dan wel uitbreidingsmogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat het voornemen geen belemmering vormt op de omliggende functies. 4.8.3
Conclusie
Bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9 Externe veiligheid 4.9.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 44
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsestraat 70 Oud Ootmarsum
4.9.2
Onderzoek
4.9.2.1 Reimerweg10 te Rossum In figuur 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart van de Atlas Leefomgeving weergegeven. Het plandeel is met een blauwe omlijning aangeduid.
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Ten westen van het plandeel aan de Reimerweg 10 ligt een buisleiding van de GasUnie. Op basis van het atribuutrapport behoort bij deze gasleiding een diameter van 108 mm en een werkdruk van 40 bar. Hierbij behoort een 1% letaliteitsafstand van 50 meter en een 100% letaliteitsafstand van 30 meter. Aangezien het plandeel op ruim 250 meter is gesitueerd, vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig initiatief. Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.9.2.2 Laagsestraat 70 te Oud Ootmarsum Het planvoornemen voorziet ter plaatse van de gronden aan de Laagsestraat 70 enkel in de sloop van een bestaand bijgebouw en de aanleg van beplanting. Onderhavig initiatief voorziet niet in de realisatie van een verblijfsobject en het aantal personen dat op het erf verblijft neemt in de beoogde situatie niet toe.
Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd gesteld dat het aspect externe veiligheid geen nadere beschouwing behoeft. 4.9.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
bestemmingsplan Buitengebied, Reimerweg 10 Rossum en Laagsest raat 70 Oud Ootmarsum
45
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Reimerweg10 te Rossum Bij de voorgenomen ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten worden aangehouden: Gemeente:
Dinkelland:
Stedelijkheidsgraad:
Niet stedelijk
Ligging:
Buitengebied
Functie:
Bungalow (huisjescomplex)
Verkeersgeneratie:
2.7 per bungalow
Parkeerbehoefte:
2.1 per bungalow
Verkeer De voorgenomen ontwikkeling voorziet, ten opzichte van de bestaande situatie, in een toevoeging van drie recreatievoorzieningen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Deze ontwikkeling resulteert in een toename van 2,7 x 3 = 8,1 (afgerond 9) extra verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De recreatievoorzieningen (trekkershutten) worden middels de bestaande in- en uitrit op de Vennegoorsteeg ontsloten. Hierbij vindt een verbetering plaats gelet op de verkeerveiligheid. De Vennegoorsteeg en omliggende wegen betreffen autoluwe wegen die voornamelijk voor bestemmingsverkeer worden gebruikt. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ondanks dat er sprake is van een toename wat betreft het aantal verkeersbewegingen, de Vennegoorsteeg en omliggende wegen de verkeerstoename verkeersveilig kan geleiden. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de verkeersgeneratie. Parkeren De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld. Het beleid is van toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente Dinkelland. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld.