CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7.pdf

Commissie Omgeving & Economie 7 februari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Ootmarsum, Westwal 7”18.098 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan

Ootmarsum, Westwal 7

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BPOOTWESTWAL7-VG01

Ootmarsum, Westwal 7

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

2

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

3

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

3

Bestemmingsplan

Ootmarsum, Westwal 7

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BPOOTWESTWAL7-VG01

Ootmarsum, Westwal 7

Inhoudsopgave Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding plan herziening 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

5 5 5 6 7 7

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 9

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 17

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Erfgoed

23 23 23 24 26

4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

28 30 31 32 33 34 35 35

Flora en fauna Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Juridische aspecten 5.2 Handhaving

37 37 38

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiele uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41 41 41

Hoofdstuk 7 Procedure en overleg 7.1 Procedurestappen 7.2 Vooroverleg 7.3 Zienswijzen

43 43 43 43

2

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Toelichting

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

3

4

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding plan herziening Initiatiefnemer is voornemens een (senioren)woning te realiseren op een tweetal percelen aan de Westwal, tussen nummers 5 en 9, in het bestaande stedelijke gebied van Ootmarsum, gemeente Dinkelland. Het plan is binnen het vigerende bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" niet mogelijk vanwege het ontbreken van een bouwvlak. De locatie heeft reeds een woonbestemming, echter is het bouwen van een woning niet mogelijk vanwege het ontbrekende bouwvlak. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is derhalve een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het doel van deze herziening is het creëren van een dusdanige planologisch-juridische situatie dat het voorgenomen plan kan worden gerealiseerd.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied omslaat circa 371 m2 en is gelegen aan de Westwal te Ootmarsum. De betreffende percelen staan kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie B, nummers 829 en 616. De locatie ligt in het stedelijk gebied van Ootmarsum, aan de westkant van het historische centrum. Rondom het plangebied wordt voornamelijk gewoond, aan de overzijde van het plangebied zijn enkele ondernemers gevestigd. In de bestaande situatie is het plangebied in gebruik als tuin, het is ingericht met een oprit, gras en een schuur. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven en in figuur 1.2 de bestaande situatie en begrenzing.

Figuur 1.1: ligging plangebied ten opzichte van de omgeving

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

5

Figuur 1.2: bestaande situatie en begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" (vastgesteld 18-09-2012). Het plangebied kent de enkelbestemming 'Wonen'. Voor een deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waade - Archeologie'. Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop - 400m'. In de regels van de enkelbestemming 'Wonen' is opgenomen dat woningen enkel binnen een bouwvlak gebouwd mogen worden. Omdat ter plaatse van het plangebied een bouwvlak ontbreekt is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk. In voorliggend bestemmingsplan wordt een bouwvlak aan de percelen toegevoegd, het bouwen van en wonen in een woning worden daarmee juridisch-planologisch mogelijk.

6

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Figuur 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.4 Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Ootmarsum, Westwal 7" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding (tek.no. NL.IMRO.1774.BPOOTWESTWAL7-VG01) regels; bijlagen bij de regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse bestemmingen. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de procedure beschreven.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

7

8

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het plan

2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt tegen het historische centrum van Ootmarsum aan. In de ruimtelijke structuur behoren de percelen bij de woning Westwal 5. De gronden zijn in gebruik ten behoeve van de woning en zijn ingericht met een grasveld, oprit en een schuur. Rondom de percelen staat een haag, met aan de oostzijde van het plangebied drie bomen en een parkeerplaats. Gelet op de stedenbouwkundige inrichting van de staat is sprake van een 'open plek' ofwel gat in het bebouwingslint. Figuur 2.1. toont een luchtaanzicht van de locatie, figuur 2.2. weergeeft de bestaande inrichting.

Figuur 2.1: luchtaanzicht

Figuur 2.2: bestaande inrichting

2.2 Toekomstige situatie In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn een erfinrichtingstekening en visualisatie van de beoogde woning gemaakt. De beoogde woning vult op passende wijze de open plek in het bebouwingslint in. Qua goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij het straatbeeld. De woning betreft een seniorenwoning, er is daarom gekozen voor één bouwlaag met kap. Aan de achterzijde van de woning wordt een berging gerealiseerd. Het definitieve ontwerp van de woning zal ter beoordeling worden voorgelegd aan de stadsbouwmeester. De woning wordt ontsloten op de Westwal. De nieuwe oprit wordt aansluitend op de oprit van Westwal 5 bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

9

gesitueerd. Onderstaande figuur 2.3. toont de beoogde inrichting van het plangebied.

Figuur 2.2: indicatieve inrichtingstekening van het plangebied

10

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel.. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

11

3.1.3

Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In voorliggend plan wordt het realiseren van één woning mogelijk gemaakt. Dit is minder dan 11 woningen, er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing en vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Dit betekent dat de provincie ruimte wil bieden voor de ontwikkeling van werkgelegenheid en hoogwaardige woonmilieus tot stand willen brengen. Dynamiek ziet de provincie als een kans om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid te versterken. Dit wordt gedaan door in te zetten op een evenwichtige afweging van beleidsambities waaronder waterveiligheid, een gezond milieu en goede volksgezondheid. Daarnaast wordt ook gestuurd op het versterken van de waardevolle en karakteristieke kenmerken van het landschap. Om de omgevingsvisie tot uitvoering te brengen bevat deze een uitvoeringsmodel. In dat model staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing. Soms is deze sturing normstellend, maar meestal is de sturing richtinggevend of inspirerend. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die ruimtelijke onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening richt zich dan ook - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - uitsluitend op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in de verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Voorliggend plan is getoetst aan de relevante beleidsregels uit de provinciale verordening en worden in de navolgende hoofdstukken beschreven.

12

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

3.2.2.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. In navolgende afbeelding wordt het uitvoeringsmodel weergegeven.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De betreffende niveaus worden hierna toegelicht waarbij het plan wordt getoetst aan het betreffende niveau uit het uitvoeringsmodel. 3.2.2.2 Generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Als deze beleidskeuzes het gevolg zijn van provinciale keuzes zijn ze verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn met name artikelen 2.1.3, 2.1.4 en 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik. Hieropvolgend wordt aan de artikelen getoetst. 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) Lid 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. 2.

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

13

Het initiatief voorziet niet in een ontwikkeling welke een nieuw beslag legt op de groene ruimte. Het initiatief is niet strijdig met het in het artikel bepaalde.

Artikel 2.1.4 (Toekomstbestendigheid) In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus: de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening Overijssel Bij het initiatief zijn geen provinciale belangen in het geding. Voor de motivering van dit artikel wordt verwezen naar de paragrafen 'Ontwikkelingsperspectieven' en 'Gebiedskenmerken'. Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een seniorenwoning binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief is niet strijdig met het in het artikel bepaalde.

Artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) Lid 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. 2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (of-, waar- en hoe benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel Voor de motivering van dit artikel wordt verwezen naar de paragrafen 'Ontwikkelingsperspectieven' en 'Gebiedskenmerken'. Het initiatief is niet strijdig met het in het artikel bepaalde.

Nationaal Landschap Noordoost-Twente Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. In de provinciale verordening is bepaald dat bestemmingsplannen alleen voorzien in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: a. het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; b. de grote mate van kleinschaligheid; c. het groene karakter. De woningbouwontwikkeling in het plangebied ligt in de bebouwde kom van Ootmarsum en sluit aan bij de stedenbouwkundige karakteristiek in de directe omgeving. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van Nationaal Landschap Noordoost-Twente. 3.2.2.3 Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.

Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 14

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Voor het voorliggende plan is het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' van toepassing. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Het initiatief voor de bouw van een enkele woning binnen het bestaande stedelijke gebied van Ootmarsum sluit aan bij dit ontwikkelingsperspectief. 3.2.2.4 Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. 2. 3. 4.

Natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag. Lust en leisurelaag.

Natuurlijke laag Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Stuwwallen'.

Figuur 3.2: uitsnede Natuurlijke laag De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwallen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accentueren en door de zichten erop én er vanaf te versterken. In het plangebied is geen sprake van zichtbaar reliëf. Het initiatief doet geen afbreuk aan het gebiedskenmerk.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' aangeduid met de gebiedstype 'Essenlandschap'.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

15

Figuur 3.3: uitsnede Laag van agrarisch cultuurlandschap Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. Doordat het plangebied deel uitmaakt van het stedelijke gebied van Ootmarsum is het essenlandschap ter plaatse van het plangebied al geruime tijd niet meer als dusdanig herkenbaar aanwezig. Het initiatief doet geen afbreuk aan het gebiedskenmerk.

Stedelijke laag Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Bebouwingsschil 1900 -1955 ' en 'Informele trage netwerk'.

Figuur 3.4: uitsnede Stedelijke laag De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Kenmerkend in de bebouwing is de verwantschap in architectuurstijlen en aandacht voor architectonische details en verbijzondering van gebouwen op specifieke plekken als straathoeken. De schil is op te delen in wijken met individuele panden, gekenmerkt door veel variatie in bebouwing en veel (individueel en openbaar) groen. Voorliggend plan voorziet in de invulling van een open plek in het bebouwingslint. Qua maatvoering en beeldkwaliteit wordt aangesloten bij het straat- en bebouwingsbeeld. Hiermee voorziet het initiatief in de 'logische' invulling van de open plek. Het initiatief doet geen afbreuk aan het gebiedskenmerk.

Lust en leisurelaag Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart 'Lust en leisurelaag' geen nadere aanduiding.

16

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Figuur 3.5: uitsnede Lust en leisurelaag Toetsing van het initiatief aan Gebiedskenmerken Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning binnen het bestaande stedelijke gebied van Ootmarsum mogelijk. Het initiatief voorziet in de logische invulling van een open plek in het straatbeeld. Qua maatvoering en beeldkwaliteit wordt aangesloten bij het straatbeeld. Voorafgaand aan de aanvraag bouwvergunning wordt het ontwerp beoordeeld door de stadsbouwmeester. Met de beoogde ontwikkeling gaat geen ruimtelijke kwaliteit verloren. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Gebiedskenmerken. 3.2.2.5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling niet strijdig is met de uitgangspunten van het provinciale beleid. Het initiatief is in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. 2. 3. 4.

We doen het samen. We geven het goede voorbeeld. We wentelen niet af op volgende generaties. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken. Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDinkelland al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente Dinkelland voortzetten aan de hand van vier speerpunten: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen; leefbare openbare ruimte.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

17

Op basis van de gemeentelijke waardenkaart behoort het plangebied tot de lichtgrijze zone. Dit betreft het gebied 'Kernen met woon- en centrumfunctie'. De gemeente ziet hier voornamelijk ruimte voor kleinschalige herstructurering. De omgevingsvisie schrijft de volgende waarden toe aan deze gebieden: kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart; belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg, pinmogelijkheden; aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen; (verbindingen met) de groene omgeving; in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern; tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Met betrekking tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ziet de gemeente in deze gebieden graag: de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen; behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; mogelijkheden om te ontmoeten; concentratie van de publieksgerichte functies; voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern; de verbindingen met de groene omgeving; vasthouden van water. De gemeente wil graag kernen waar het lekker wonen is.

Kernen met voldoende voorzieningen, ruimte voor ondernemen, een leefbare openbare ruimte en betaalbare woningen. Het aantal en het soort woningen moet passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Uitgangspunt is dat de gemeente graag binnen de bestaande grenzen van een kern wil bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In de huidige woningmarkt is de beschikbaarheid van seniorenwoningen een knelpunt. Voorliggend plan maakt de realisatie van kleinschalige woonbebouwing, zijnde een seniorenwoning, mogelijk op een inbreidingslocatie aan de rand van het centrum. Vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie is het wenselijk dat voor deze doelgroep woningen worden gerealiseerd. De te realiseren woning past daarmee bij de vraag, is toegankelijk voor de betreffende doelgroep en de locatie bevindt zich in het de bestaande bebouwde omgeving. De ontwikkeling is passend bij de locatie. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. 3.3.2

Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland

Op 5 juli 2021 is de nieuwe Woonvisie 2021+ vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland. De Woonvisie is een plan, dat gaat over het realiseren van voldoende betaalbare woningen in de koopsector variërend van rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, appartementen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen. De gemeente ziet dat het aantal ouderen de aankomende jaren zal toenemen. Om in hun woningvraag te voorzien zet de gemeente in eerste instantie in op het toevoegen van levensloopbestendige woningen. Daarmee wordt doorstroming gecreëerd; senioren verhuizen naar een levensloopbestendige woning en maken zo weer een gezinswoning vrij voor een jonger, groter huishouden. Het initiatief voor de bouw van een (levensloopbestendige) seniorenwoningen in de kern van Ootmarsum sluit aan bij de visie. 3.3.3

Nota inbreidingslocaties 2020

Structuurversterkende plekken De Nota inbreidingslocaties is van toepassing op aanvragen voor woningbouw in bestaand stedelijk gebied, welke niet in het bestemmingsplan passen. Het aantal woningen dat de gemeente kan toevoegen is beperkt, zodat het toevoegen van woningen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Aanvragen voor woningbouw welke middels de 'Nota inbreidingslocaties 2020' gerealiseerd kunnen worden moeten aan enkele 18

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

structuurversterkende en stedenbouwkundige voorwaarden voldoen waaraan onderstaand wordt getoetst.

Doorwerking in het onderhavige plan Paragraaf 3.4. Onder structuurversterkende plekken wordt verstaan: a. binnen het bestaand gebouwd gebied zijn gelegen; b. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; c. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: 1. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of 2. het oplossen van leegstand; of; 3. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of 4. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen; of 5. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; of 6. het herontwikkelen van een locatie die één van de volgende criteria omvat: gelegen aan de entree van een kern; of gelegen op een kruispunt van wegen; of aan 3 zijden zichtbaar. Locaties met beeldbepalend groen/bos zijn uitgesloten.

Toetsing a. De seniorenwoning wordt gebouwd binnen het bestaand gebouwd gebied; b. De kavel grenst aan de openbare weg (Westwal); c. De realisatie van een seniorenwoning draagt bij aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern in de zin dat een open plek in het bebouwingslint wordt opgevuld met een woning welke van 3 zijden zichtbaar is. Paragraaf 3.5. Een aanvraag moet tenminste voldoen aan onderstaande voorwaarden: a. b. c. d.

Aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; Kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; Samenhang met de omgeving; Woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast.

Toetsing a. De seniorenwoning past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van de Westwal en de omgeving. b. De kavel grenst aan de openbare weg. c. Een vrijstaande woning past in het straatbeeld van de Westwal en in de omgeving. Het ontwerp van de woning wordt afgestemd met de Stadsbouwmeester. d. Omliggende woonmilieus worden met het realiseren van een vrijstaande seniorenwoning niet aangetast, dit is aangetoond in Hoofdstuk 4. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan binnen de 'Nota inbreidingslocaties 2020' past, het vastgestelde vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

19

3.3.4

Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de gemeente Dinkelland. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: Basis omgeving Midden omgeving Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats.

Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Vanwege het aantal verkeersbewegingen zijn de ontsluitingswegen van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van Ootmarsum. Kenmerkend is de afwisseling van rijenwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. Langs deze wegen is gestuurd op een representatieve architectuur. Langs de invalswegen ontstond 'lintbebouwing' met hoofdzakelijk een woonfunctie. De bebouwing ondersteunt de stedenbouwkundige opzet van het lint. De stijl is zeer divers, zowel in hoofdvorm, kleuren materiaalgebruik als positie en richting. Materialen zijn traditioneel en toegepaste kleuren zijn ingetogen. Incidenteel is sprake van grotere en dieper uitgevallen kavels. Op basis van het bovenstaande en de bijbehorende kenmerkende factoren zijn thema's vastgesteld. Aan de vastgestelde thema's van de stadsbouwmeester worden verschillende acties gekoppeld waaraan het plan moet voldoen. Doorwerking op het plan en conclusie Het plangebied ligt in de zone 'Kernen - niveau midden' welke is aangeduid met de oranje kleur. De zone wordt onder andere gekenmerkt door de ontsluitingswegen en (historische) invalswegen. Het ontwerp van de woning wordt aan de bij dit gebied behorende thema's getoetst, dit zijn: a.

b. c. d. e. f. g. h.

situatie/algemeen hoofdvorm architectuurstijl en gevelcompositie detaillering materiaal en kleurgebruik erfafscheidingen utilitaire bouwwerken (masten, installaties, etc.) reclame

Voorafgaand aan de vergunningsaanvraag zal het ontwerp voor de woning worden voorgelegd aan de stadsbouwmeester. Bij het ontwerp van de woning wordt ontworpen conform de bij het gebied behorende thema's. Het ontwerp zal voldoen aan de nota omgevingskwaliteit, de nota vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

20

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Figuur 3.7 : Kaartuitsnede nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 3.3.5

Beleidsnota 'bouwen en parkeren 2018'

In de nota 'bouwen en parkeren 2018' is het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland vastgelegd. Voorliggend initiatief betreft de realisatie van één seniorenwoning welke wordt gebouwd op een onbebouwde kavel aan de Westwal in de kern Ootmarsum. Het betreft een vrijstaande woning in het centrum, de conform de nota hierbij behorende parkeervraag is 1,80 parkeerplaatsen. Bij de woning wordt een lange oprit met carport gerealiseerd. Een lange oprit met parkeergarage wordt gerekend als 1,30 parkeerplaats, derhalve blijft een resterende parkeervraag van 0,50 parkeerplaats over. Bij een parkeervraag kleiner of gelijk aan 2,00 is het effect op de parkeerdruk gering. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de nota. Het plan doet geen afbreuk aan de parkeersituatie ter plaatse.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

21

22

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Bodem 4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Westwal 7 te Ootmarsum. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek. Chemisch-analytisch zijn in de zintuiglijk met stukjes baksteen verontreinigde bovengrond licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PAK aangetoond. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de waargenomen bodemvreemde bijmenging met baksteen. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het mengmonster van de ondergrond bevat geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen. In het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde concentraties aangetoond. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. 4.2.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. Toekomstig grondverzet (op of van de locatie) dient te worden gemeld via het meldpunt Bodemkwaliteit. De gemeente Dinkelland heeft op 7 juli 2020 de Bodembeheernota en Bodemkwaliteitskaart Twente vastgesteld. De aanvulling ten aanzien van PFAS is echter nog niet vastgesteld. Bij afvoer van overtollige grond dient deze aanvullend te worden onderzocht op PFAS.

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

23

4.3 Water 4.3.1

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.1.1 Beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 4.3.2

Onderzoek

4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2.2 Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Lycens B.V. in juli 2022 de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 2 Digitale watertoets.

STANDAARD WATER PARAGRAAF Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.

24

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

25

een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

Watertoetsproces Lycens B.V. heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. 4.3.3

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.4 Erfgoed 4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de “Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd. Onderstaande figuur 4.1. toont een uitsnede van de beleidskaart.

26

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

Figuur 4.1: Uitsnede archeologische kaart met begrenzing plangebied

Figuur 4.2: Legenda archeologische beleidskaart Uit de kaartuitsnede volgt dat voor het plangebied drie verschillende archeologische waarden/verwachtingen gelden. De woning wordt grotendeels gerealiseerd ter plaatse van de gronden welke zijn aangeduid als 'stuwwalhellingen met een plaggendek'. Voor deze gronden geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten uit alle perioden. Omdat deze resten zijn afgedekt met een plaggendek dikker dan 50 cm zijn eventuele resten goed geconserveerd. Voor ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse van de stuwwalhellingen met een plaggendek geldt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 2.500 m2 bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan deze 2.500 m2 geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek. Voorliggend initiatief betreft een plangebied van circa 371 m2, dit ligt onder de vrijstellingsgrens. In het kader van de beoogde ontwikkeling is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

27

van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.4.2

Cultuurhistorie

4.4.2.1 Rijksbeleid In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelingsen gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied is geen cultuurhistorie aanwezig. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.4.2.2 Gemeentelijk beleid De gemeente Ootmarsum beschikt niet over kaderstellend beleid met betrekking tot cultuurhistorie. Derhalve zijn de gemeentelijke- en rijksmonumentenlijst geraadpleegd, het dichtstbijzijnde monument betreft de Grotestraat 15. De afstand tot dit gebouw is dermate groot dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effect op dit monument zal hebben.

4.5 Flora en fauna 4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets 28

bestemmingsplan Ootmarsum, Westwal 7

niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art. 3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/694/documents/19087