Bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70.pdf
Tekst van het document
Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 10 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en het kerkgebouw voldoet aan deze richtafstand. Ten zuid-westen van het plangebied bevindt zich een school, welke op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand heeft van 30 meter voor het aspect geluid. Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 10 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en het schoolgebouw voldoet aan deze richtafstand. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Als gevolg van onderhavig plan wordt ter plaatse van een bestaand erf meerdere woningen mogelijk gemaakt naast de reeds bestaande commerciële functie (Fietsenwinkel). De functie 'fietsenwinkel' valt in te delen in de VNG richtafstandenlijst onder een categorie 1 bedrijf met een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid .
Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 0 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. De nieuwe functie 'wonen' en de bestaande functie 'detailhandel' past in de omgeving. Functies in het plangebied onderling Voor de verschillende functies op het erf aan de Doprsstraat 70 te Lattrop mag de Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) 'functiemenging' toegepast worden. In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-publicatie reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden o.a. gedacht worden aan (delen van) woongebied met bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
31
kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Ook kan in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig is of gewenst is de SvB 'functiemenging' worden toegepast. In hoofdzaak gaat het om activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden, zoals het pand aan de Dorpsstraat 70. De SvB 'functiemenging' hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid. Voorliggende ontwikkeling betreft het 'Categorie A' (detailhandel en reparatie t.b.v. paarticulieren (excl. auto's en motirfietsen). Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de wijziging naar een gemengde bestemming voor het pand aan de Dorpsstraat 70 slechts beperkte hinder voor omwonenden zal veroorzaken.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets De woningen vallen aan te merken als geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. De dichtsbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Bergvennenweg (grondgebonden agrarisch bedrijf, melkveehouderij) op een afstand van circa 280 meter van het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de afstandsvereiste van minstens 100 meter. Vorenstaande brengt met zich mee dat onderhavig plan in overeenstemming is met de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis van dit gegeven wordt geacht dat geur geen belemmering vormt voor het plan. Er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Door Kruse Milieu BV is een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De aanleiding van het aanvullend bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terreindeel en de bouw van woningen. In 2019 is op het terreindeel een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd.
Het rapport van het bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst Twente en op basis hiervan is een aanvullend 32
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4. Binnen de onderzoekslocatie zijn enkele verontreinigingen aangetoond. Plaatselijk zijn in de bodem koolresten aangetroffen, waardoor de bodem licht tot sterk verontreinigd is met PAK. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke PAKverontreiniging ter plaatse van boring E10 noodzakelijk. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 10 m3. Bij het huidige gebruik levert de verontreiniging geen risico's op voor de volksgezondheid, omdat deze is afgedekt door de klinkerverharding. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Indien de grond gesaneerd wordt, dient dit in overleg met het bevoegd gezag te gebeuren. Ter plaatse van de in 2003 gesloopte kapschuur is de bovengrond kolengruishoudend en licht tot matig verontreinigd met PAK. De omvang van deze kolengruishoudende laag wordt geschat op circa 150 m2 x 0.5 meter = 75 m3. Het is aannemelijk dat het een historische verontreiniging betreft en dat deze voor 1987 is veroorzaakt. Mogelijk zijn in het verre verleden asresten uit de kachel gestort, om dit deel van het terrein te verharden.
Aangenomen wordt dat de PAKverontreinigingen ter plaatse van boringen E10 en W10 ook zo zijn ontstaan en eveneens als historische verontreiniging beschouwd kunnen worden. Ter plaatse van boring W10 zijn in de boven- en ondergrond kolengruis aangetroffen. Deze lagen zijn slechts licht verontreinigd en sanering is niet noodzakelijk. Ter plaatse van de 2 druppelzones is geen sprake van een (sterke) verontreiniging met asbest en er is derhalve geen saneringsnoodzaak. Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de verontreinigingen met PAK, geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling aangezien de overige vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). De Dorpsstraat betreft hier een 30 km/u weg. Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt er vanuit de Wet geluidshinder geen onderzoeksplicht aangezien de locatie is gelegen in een 30 km/u zone. Uit jurisprudentie bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
33
volgt echter dat ook ingeval van een 30 km/uur zone, nagegaan moet worden of de geluidsbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het bestaande hoofdgebouw met woning ligt op korte afstand van de Dorpsstraat. De toekomstige woningen worden op een grotere afstand van de Dorpsstraat gesitueerd.
Figuur 4.2: Wegverkeerslawaai (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Op bovenstaande kaart is de geluidsbelasting op het plangebied weergegeven, waarbij het bouwvlak van de nieuwe woningen en het hoofdgebouw rood omlijnd is. De geluidsbelasting op de gevel van de nieuwe woningen is op de meest westelijke kavel het hoogste. Slechts voor de westelijke gevel van deze woning kan de geluidsbelasting deze varieren tussen de 45 en 55 dB. Gelet hierop is sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting en kan wat betreft wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in 34
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De ontwikkeling van het plangebied betreft het toevoegen van maximaal acht nieuwe woningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 65 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer als gevolg van de woonfunctie, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden.
In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 65 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.2: Worst-case berekening (bron: infomil) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
35
Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen.
Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van circa 4,6 kilometer van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Een gasleiding van de Gasunie ligt op op de genoemde 4.6 kilometer afstand, langs het Almelo-Nordhorn kanaal. Derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
36
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.
Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 21 januari 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Waterhuishouding Centrumplan Lattrop Berging hemelwater Het hemelwater afkomstig van de woningen, weg, parkeerplaatsen en inritten wordt geborgen en geïnfiltreerd middels de wadi in het centrum van het terrein (paarse deel) en in de wadi aan de rechterzijde (paarse deel) van het plan gebied. Het water dat aan de zuidkant van het plangebied valt wordt via kolken in de rijbaan afgevoerd naar het IT-riool. Het IT-riool heeft een overstort voorziening op de wadi in het centrum van het plangebied.
Van de afvoerende waterstromen zal 197m2 worden afgevoerd via het GWA-stelsel in de Dorpsstraat. E.e.a. overlegt in een overleg tussen Nieuwe Weme Infra en de gemeente Dinkelland op 14 september 2020. In het centrum van het plangebied wordt een wadi aangelegd voor de berging en infiltratie van het hemelwater. Er dient een overloop voorziening gemaakt te worden door middel van een IT-riool naar de andere wadi om aan de bergingscapaciteit te voldoen. De inhoud van de wadi's incl. IT-riolering dient samen minimaal 84,6 m3 te zijn. In Bijlage 6 is een tabel weergegeven die laat zijn wat de hoeveelheid te bergen hemelwater is. Hieruit is af te leiden dat de bergingscapaciteit voldoet. Vanuit de wadi in het centrum van het plangebied wordt een overloopvoorziening aangebracht die naar de rechter zijde van het plangebied gaat. In deze aan te leggen wadi zal het overtollige hemelwater middels een vertraagde afvoer op de beek aan de oostzijde gaan afvoeren. Aan de achterzijde van het plangebied ligt een eswal waar bij hevige neerslag de kans bestaat dat regenwater richting het plangebied zal stromen. Om dit water af te voeren wordt aan de achterkant van het plangebied tegen de eswal aan een greppel aangelegd. Over een lengte van 118 m1. De greppel loost op de wadi gelegen aan het Kerkepad.
Echter wordt verwacht, gezien de hoge K-waarde en dat er weinig tot geen verhard oppervlak achter deze greppel met weinig lengteafschot zit. Riolering Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het afvalwater afkomstig van de 8 woningen wordt onder vrijverval met een buisdiameter van pvc Ø250 mm aangesloten op het vuilwaterriool aan de Dorpsstraat. Het hemelwater gaat via oppervlakkige afstroming richting de wadi's. Bij bovengrondse afstroom kan gerekend worden met 2% afschot. Het volledige waterhuishoudkundige plan is opgenomen in Bijlage 6.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
37
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaardenonderzoek [Projectnummer 2136, versie 1.0, d.d. 20-04-2020], zie ook Bijlage 7. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, liggen op minimaal 725 meter afstand van plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, de Bergvennen, ligt op 1.42 km in oostelijke ligging van het plangebied. Vanwege de ligging in de nabijheid van een Natura2000-gebied (1,42 kilometer afstand) is het effect van de uitstoot van NOx/NH3, als gevolg van de voorgenomen activiteiten op de instandhouding van Natura2000-gebied, nader onderzocht m.b.v. het computerprogramma Aerius. Daarbij is zowel gekeken naar het effect van de ontwikkel- en de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling. Als gevolg van de realisatie en het gebruik van acht woningen binnen het plangebied komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
De AERIUS Calculator 2019 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. De Aerius berekening is toegevoegd in Bijlage 8. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, erfverharding, grasland (boomgaard) en agrarische cultuurgrond (grasland). De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een potentieel geschikte habitat voor verschillende beschermde diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Mits bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Voor de beschermde dieren die mogelijk gedood worden, en waarvan de vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
38
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland beschikt over archeologiebeleid. De locatie is daarin aangemerkt als gedeeltelijk 'dekzandhoogten- en ruggen met een plaggendek' en gedeeltelijk 'beekdalen en overige laagten'. De verwachting voor 'dekzandhoogten- en ruggen met een plaggendek' is hoog voor resten uit alle perioden. Archeologische resten zijn afgedekt door een plaggendek >50 cm en daardoor minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor goed geconserveerd. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek voor plangebieden kleiner dan 2500 m2. De verwachting voor 'beekdalen en overige laagten' is laag voor archeologische resten uit alle perioden.
Hoofdzakelijk archeologische resten die in verband staan met beekdalgebonden activiteiten, zoals bruggen, voordes, watermolens etc. en mogelijk archeologische resten, bijvoorbeeld afvaldumps, die in verband staan met bewoning op nabij gelegen, hoge gronden. Verder diverse categorieën losse vondsten. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdereverwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten.
Figuur 4.3: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Laagland Archeologie heeft in maart 2020 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek verkennende fase (mei 2020) uitgevoerd aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop Breklenkamp. Het grootste deel van het plangebied is tot diep in de C-horizont verstoord. Hier is geen sprake meer van een intact plaggendek. Alleen in het noordelijke deel is nog een intact plaggendek aanwezig. Het maaiveld ligt hier duidelijk hoger. Op grond van de landschappelijke gegevens is in het plangebied een podzolbodem te verwachten. Resten van een E-, B- of BC-horizont zijn echter nergens aangetroffen. Ook onder het intacte plaggendek ontbreken sporen van bodemvorming. Desondanks zijn onder het nog aanwezige plaggendek sporen van bewoning te verwachten. De C-horizont ligt hier aanzienlijk hoger dan elders en bij de ontginning van het gebied is vermoedelijk maar een
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
39
klein deel van de top van het intacte dekzand aangetast. Elders in het plangebied zijn alleen nog zeer diepe sporen te verwachten. Ondiepe sporen en vondstenlagen zijn hier waarschijnlijk verdwenen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het te verstoren deel van het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van zeer diepe grondsporen. Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en dit deel het plangebied vrij te geven. Archeologische resten zijn wel te verwachten op de locatie van het plaggendek. Eén van de nieuwbouwwoningen grenst tegen/doorsnijdt de rode advieszone. Gezien de resultaten van het booronderzoek (boring 1, verstoring van 110 cm dik) is de kans dat hier nog archeologische resten aanwezig zijn zeer klein en wordt ook hier geen vervolgonderzoek geadviseerd. Wel dient de verstoring aan de noordkant van de nieuwbouwwoning beperkt te blijven. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 9. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in het plangebied gelegen zijn. Naast het plangebied is hier wel sprake van, de kerk betreft namelijk een rijksmonument. Bij de vormgeving van voorliggend plan is rekening gehouden met een zekere afstand ten opzichte van de kerk. Bovendien blijft het bestaande hoofdgebouw aan de Dorpsstraat behouden, waardoor het huidig straatbeeld grotendeels intact blijft. Het centrumplan omvat eveneens de visie om rondom de kerk woningen toe te voegen zodat de kerk een centralere plek krijgt in het dorp. Daarnaast bestaat er daarmee een pleinfunctie voor de kerk te ontwikkelen. Gesteld kan worden dat het plan geen afbreuk doet aan het monument. Het gebied dat rechtstreeks de windvang van de molen beïnvloedt, vormt een belangrijk onderdeel van de molenbiotoop. De molenbiotoop reikt echter veel verder dan dat. Hij omvat ook de cultuurhistorische interactie tussen molen en omgeving. Voor voorliggend plan heeft er overleg plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en de molenaar. De molenaar heeft geen bezwaar tegen de ontwikkeling.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren
Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten via de Dorpsstraat, voor deze weg geldt een maximale snelheid van 30 km/u. Tevens zal er ten behoeve van de nieuwe woningen een nieuwe weg aan worden gelegd, deze sluit aan op de Dorpsstraat en zal enkel de nieuw te realiseren woningen ontsluiten. De Dorpsstraat vormt een van de belangrijkste ontsluitingswegen van Lattrop-Breklenkamp. De toevoeging van acht woningen, drie rijwoningen, 2 twee-aaneen woningen en 3 vrijstaande woningen in matig stedelijk gebied en in de rest bebouwde kom, zorgt voor een gemiddelde toename van 63 verkeersbewegingen. De bestaande bedrijfswoning wordt niet meegenomen daar het reeds een bestaande situatie met verkeersgeneratie betreft. Dit geldt ook voor de fietsenwinkel. Gelet op het profiel en de kenmerken van de Dorpsstraat kan geconcludeerd worden dat deze toename van verkeersbewegingen eenvoudig via de bestaande wegen kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren voor bewoners zal plaatsvinden op eigen terrein, zoals te zien in figuur 2.3. Als gevolg van de ontwikkeling van acht woningen zal er parkeerbehoefte ontstaan. Binnen het plangebied zal worden voorzien in de hoeveelheid parkeerplaatsen voor de acht toe te voegen woningen.
Daarbij wordt conform de beleidsnotitie "Bouwen en parkeren 2018" van de gemeente Dinkelland de hoeveelheid parkeerplaatsen bepaald. In het plan is een flexibiliteit ingebouwd voor wat betreft de soort woningen en de hoeveelheid. Voor de berekening van de hoeveelheid parkeerplaatsen wordt uitgegaan van de situatie waarbij de meeste parkeerplaatsen nodig zijn. Het noordelijke bouwvlak staat maximaal 5 woningen toe waarbij zowel vrijstaande als twee-aan-een gebouwd kan worden. Een vrijstaande woning heeft de hoogste parkeerbehoefte. Voor het noordelijke bouwvlak geldt een parkeerbehoefte van (2.3 * 5) 11.5 parkeerplaatsen. Het zuidoostelijke bouwvlak staat maximaal 3 rijwoningen toe of 2 vrijstaand/twee-aan-een. De parkeerbehoefte is dan voor rijwoningen (3 * 2) 6 parkeerplaatsen en voor vrijstaand (2 * 2.3) 4.6. In de situatie waarbij de meeste parkeerplaatsen nodig zijn, zijn er conform het beleid 11.5 + 6 = 17.5 parkeerplaatsen nodig. 7 van de 8 woningen zullen een oprit hebben waarbij er conform het beleid dus 7 * 0.8 = 5.6 parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn. Er wordt uitgegaan van een oprit zonder garage daar het bouwen van een garage niet 40
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
verplicht is. In de openbare ruimte zullen er 17.5 – 5.6 = 11.9 afgerond 12 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Het plan voorziet in de hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen terrein en derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor onderhavig plan.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
41
42
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
43
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch (Artikel 3) De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven en kwekerijen. De weidegronden aan de rand van het plangebied zijn bestemd als agrarisch en behouden hun huidige functie. De steilrand naar de es binnen het plangebied wordt onder de bestemming 'agrarisch' gebracht. Detailhandel (Artikel 4) De gronden behorende bij de bestaande winkel zijn specifiek bestemd als “Detailhandel”. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor detailhandel op de begane grond. Binnen deze bestemming is tevens een woning aanwezig. Daarnaast is het onder voorwaarden toegestaan om een deel van de woning te gebruiken voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Groen (Artikel 5) Het openbare groen in het plangebied dat dient voor de landschappelijke inpassing van het woongebied is onder de bestemming 'Groen' gebracht. De gronden binnen de bestemming groen zijn bestemd voor onder andere speelvoorzieningen en groenvoorzieningen behorende bij de landschappelijke inpassing van het plan. Bij recht zijn alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. De plaatsing van speeltoestellen of kunstwerken is
44
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
onder voorwaarden mogelijk. Onder deze bestemming vallen ook voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen. Verkeer (Artikel 6) Alle gronden waar sprake is van een doorgaande verkeersroute of waar sprake is van een openbaar gebied met een verblijf- en verplaatsingsfunctie voor verkeer en de waterhuishoudkundige voorzieningen nabij verhard oppervlak zijn bestemd tot 'Verkeer'. Naast wegen, straten en paden worden binnen deze bestemming onder andere parkeervoorzieningen, straatmeubilair, kunstwerken, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van (hemel)water en speelvoorzieningen toegestaan. Wonen (Artikel 7) De bestemming “Wonen” is een verzamelbestemming voor alle in het plangebied voorkomende vrijstaande, aaneen gebouwde en (eventuele) twee-aaneen gebouwde woningen en de bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) met bijbehorende tuinen en erven. Binnen de woonbestemming wordt ruimte geboden voor een aan-huisverbonden- beroep, dan wel kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Het gaat om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden.
Qua bouwregels is onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor hoofdgebouwen is onder meer bepaald dat als hoofdgebouwen uitsluitend woningen mogen worden gebouwd en dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Per bouwvlak is daarnaast het maximum aantal woningen binnen het bouwvlak vastgelegd.De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen wordt weergegeven op de verbeelding.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
45
46
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
47
48
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Vooroverleg Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven dat het plan past binnen het provinciaal ruimtelijk beleid. Waterschap Vechtstromen Op 21 januari 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
49
50
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
51
Bijlage 1 Inrichtingsschets Centrumplan Lattrop
52
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
zicht op es
ca. 2.05
ca. 1.97 ca. 1.36
ca. 0.91
aria
r es v
naa jlrand
sti
oogte bele h
ca.2.19
ca.2.20
)
10 cm
(10-1
ca.2.10
stijlr
and
ca. 0.85
329 m²
374 m²
85
es v
ca. 0.85
ariab
ele h
225 m²
337 m²
bestaande houtwal grotendeels te kappen en compenseren met nieuwe bomen en groen
naar
oogt
e (10
-110
1
ca.1.61
3
ca. 0.85
4
ca. 0.85
ca. 0.85
5
ca. 0.85
ca. 0.80
ca. 0.93
compensatie kap door aanplant van bomen
ca. 0.80
groen erf
fiets- voetpad
6
83
parkeren n.t.b.
ca. 0.26
7 8
blok van 3 starters - / seniorenwoningen 146 m²
000
338 m²
70
best. winkel met woning
66
75
73
CARP
ca.1.76
cm)
265 m²
2
68
ca.1.95
219 m² ca. 0.80
Bijlage 2
54
Aanmeldnotitie m.e.r.
bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70
Aan: Gemeente Dinkelland t.a.v. de heer N. van Benthem Postbus 11 7590 AA Denekamp Borne, 16 juni 2020 Ons kenmerk: 19AF089 Bijlagen: -
Betreft:
aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Dorpsstraat 70 Lattrop
Geachte heer Van Benthem, Naar aanleiding van het voornemen van de Stichting Projectontwikkeling Centrumplan Lattrop om de locatie Dorpsstraat 70 te Lattrop te herontwikkelen ten behoeve van woningen is voorliggende m.e.r.beoordeling opgesteld. Een aanmeldnotitie is, sinds 16 mei 2017, nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dus ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan is een aanmeldnotitie nodig. Kenmerken van het betreffende project Aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop bestaat er het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de realisatie van woningen. Het betreft een voormalige agrarisch erf welke momenteel de bestemming detailhandel heeft. In het hoofdgebouw wordt een fietsenwinkel geëxploiteerd. De inbreiding zal bestaan uit het toevoegen van acht woningen op het erf behorende bij de Dorpsstraat 70. In de huidige situatie kent de locatie de bestemming ‘Detailhandel’, deze wordt gedeeltelijk gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’.
Het hoofdgebouw wordt behouden evenals de huidige detailhandels functie. De bedrijfswoning zal een reguliere woning worden voor starters, dan wel voor senioren. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop-Breklenkamp, binnen de bebouwde kom en aan de rand van de kern Lattrop-Breklenkamp. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, liggen 760 meter ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied ligt op minimaal 1400 meter afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Milieuzonering
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De omgeving van het plangebied bestaat uit diverse functies, zoals horeca, maatschappelijk, wonen, bedrijf en groen. Interne werking Ten westen van het plangebied is een discotheek, categorie 2, aanwezig welke op basis van de VNGuitgave Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand heeft van 30 meter voor het aspect geluid. Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 10 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en de discotheek voldoet aan deze richtafstand. Daarnaast is er een aannemersbedrijf, categorie 3.1, aanwezig ten noord-westen van het plangebied. De grootste richtafstand voor het aannemersbedrijf is 50 meter voor het aspect geluid. Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 30 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De afstand van het bestemmingsvlak tot aan de woonbestemming betreft circa 30 meter. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en het aannemersbedrijf voldoet aan deze richtafstand. Ten zuiden/oosten van het plangebied is een kerkgebouw, categorie 2, aanwezig welke op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand heeft van 30 meter voor het aspect geluid.
Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 10 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en het kerkgebouw voldoet aan deze richtafstand. Ten zuid-westen van het plangebied bevindt zich een school, welke op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand heeft van 30 meter voor het aspect geluid. Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 10 meter omdat sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. De onderlinge afstand tussen de planlocatie en het schoolgebouw voldoet aan deze richtafstand. Externe werking Ter plaatse van de Dorpsstraat 70 zal de bestaande fietsenwinkel blijven bestaan. Het toevoegen van woningen geeft geen belemmering voor het bedrijf. Het betreft een categorie 1 bedrijf met een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid. Deze afstand mag met één trap verlaagd worden tot een richtafstand van 0 meter. De woning in het de behouden hoofdgebouw en de toe te voegen woningen vormen geen belemmering voor het bedrijf. Uit de beoordeling komt naar voren dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft bedrijven en milieuzonering. De bestaande bedrijven in omgeving ondervinden geen hinder van de ontwikkeling van de woningen.
Het plangebied is gelegen op voldoende afstand van de in omgeving aanwezige bedrijven en instellingen. Er wordt voldaan aan de richtafstanden, er is geen nader onderzoek noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ecologie Het plangebied ligt buiten beschermd natuurgebied als Natuurnetwerk Nederland en Natura2000gebied. Mits bezette vogelnesten beschermd worden en de te verwijderen bomen in de meest geschikte periode van het jaar gekapt wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging nabij Natura2000-gebied is er nader onderzoek uitgevoerd naar het effect van de voorgenomen activiteiten op verzuringsgevoelige habitattypen. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten, leidt zowel de ontwikkelfase als de gebruiksfase niet tot een meetbare verhoging van depositie NOx of NH3 in Natura2000-gebied. Voor het uitvoeren van bouwactiviteiten in het plangebied is geen vergunning van de Wet natuurbescherming vereist, voor zover dit betrekking heeft op het aspect NOx en NH3. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpsstraat. Voor deze weg geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. De weg is met name bedoeld voor de ontsluiting van de aangelegen percelen en het -2-
buitengebied van Lattrop ten noorden van het plangebied. Als gevolg van de herontwikkeling ten behoeve van de ontwikkeling van woningen zal het verkeer toenemen. Als wordt aangesloten bij de CROW-normen ten behoeve van de verkeersgeneratie kan voor de acht woningen aangesloten worden bij de categorie koop, vrijstaand, twee-aan-een (samen 5 woningen) en rij/hoekwoning (3 woningen). Er zit verschil in de verkeersgeneratie van vrijstaande en twee-aan-een woningen en uitgaande van worstcase wordt er gerekend met de gegevens van een vrijstaande woning. Het betreft de rest bebouwde kom met een gemiddelde verkeersgeneratie geldt van 8.2 (vrijstaand) en 7.1 (rijwoning) verkeersbewegingen per woning per dag. De totale verkeersbewegingen van deze woningen bedraagt (8,2 * 5) + (7,1 * 3) = 62,3 verkeersbewegingen. De totale verkeersgeneratie van de woningen binnen het plan bedraagt afgerond 63 verkeersbewegingen per dag. De bestaande bedrijfswoning wordt niet meegenomen daar het reeds een bestaande situatie met verkeersgeneratie betreft. Dit geldt ook voor de fietsenwinkel. Gelet op het profiel en de kenmerken van de Dorpsstraat kan geconcludeerd worden dat deze toename van verkeersbewegingen eenvoudig via de bestaande wegen kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.