Bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp def.pdf
Tekst van het document
30
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Er zijn enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van belangrijke gevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art.
2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.
Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
31
de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. Gelet op de toename van de bebouwing, de verkeersgeneratie van het plan en het feit dat er sprake is van een functiewijziging dient de voorgenomen ontwikkeling aangemerkt te worden als een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Derhalve dient beoordeeld te worden of het plan negatieve milieugevolgen tot gevolg heeft. Derhalve is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie m.e.r. is vormvrij en is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland heeft besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, voor de locatie aan de Hanzeweg/Parallelweg ong. te Denekamp, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Uit het besluit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden, waardoor het niet noodzakelijk is om een milieueffectrapport op te stellen.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Onderhavig plan voorziet in het toevoegen van een bedrijfskavel voor een bedrijf tot en met milieucategorie 3.2. 32
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
De locatie heeft momenteel een bos en natuur bestemming. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Als gevolg van onderhavig plan wordt de realisatie van een bedrijfskavel tot milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Uitgaande van omgevingstype ‘rustige woonwijk’ geldt voor bedrijven tot categorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Conform de gemeentelijke 'Staat van bedrijfsactiveiten' valt het metaalbedrijf onder 'VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.)', welke bij een constructiegebouw met een gesloten gebouw een grootste richtafstand van 100 meter kent voor het aspect geluid. Daarnaast bestaat er een richtafstand van 30 meter voor geur, stof en gevaar. Ten zuidwesten en zuidoosten van de planlocatie zijn (bedrijfs)woningen gelegen.
Deze zijn beschermd tegen eventuele ontwikkelingen. De woningen zijn gelegen op een bedrijventerrein’, dit sluit aan bij een ‘gemengd gebied’ conform de VNG. In de directe omgeving rondom plangebied liggen verschillende functies. Het betreft onder andere bedrijfspercelen, bedrijfswoningen, kantoren en diverse wegen op korte afstand. Het is hierdoor gerechtvaardigd om uit te gaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Om een goed woon- en leefklimaat voor de naastgelegen woningen te waarborgen zal ten minste een richtafstand van 50 meter worden aangehouden voor het aspect geluid en 10 meter voor de aspecten geur en stof, het aspect gevaar mag niet zonder meer worden verkleind i.v.m. gemengd gebied. Voor de verantwoording van de externe veiligheidsrisico's wordt verwezen naar paragraaf 4.6 van deze onderbouwing. Aan de richtafstanden wordt niet voldaan voor het aspect geluid. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde bedrijfswoning bevindt zich aan de Parallelweg 18, op een afstand van circa 17 meter (gemeten vanaf de bedrijfsbestemming van de nieuwe ontwikkeling tot bouwvlak en aanduiding bedrijfswoning). Voor de woning aan de Hanzeweg 56 is echter een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning met inwoning waarbij buiten de functieaanduiding bedrijfswoning kan worden uitgebreid.
Met inachtneming van deze mogelijkheid kan de woning aan de Hanzeweg 56 dichterbij het plangebied komen te liggen en bedraagt de kortste afstand 16 meter (gemeten vanaf de gevel van de mogelijke uitbreiding van de woning tot aan de nieuw op te richten bedrijfsbestemming). Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd die aantoont dat met de vestiging van het Hogeling Metaal BV op het betreffende bedrijfsperceel ten opzichte van de omliggende woningen, sprake blijft van aanvaardbaar woon en leefklimaat. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Voor het te vestigen van een metaalbewerkingsbedrijf geldt dat er geen activiteiten zullen plaatsvinden die geuroverlast of een toename van (fijn)stof zullen veroorzaken. Het bedrijf focust zich op het verwerken van metaal middels verspanend verwerken, cnc-frezen en draaien, etc. Er vindt klein constructiewerk plaats waarbij geen uitstoot van (schadelijke) stoffen ontstaat of geuremissie plaatsvindt. Alle stoffen die vrijkomen worden daarnaast inpandig afgezogen en verwerkt, alle werkzaamheden vinden inpandig plaats. Het vestigen van nieuwe bedrijvigheid binnen het plangebied zal dan ook niet leiden tot enige overlast op het gebied van geur of stof zoals bedoeld in de VNG-lijst bedrijven en milieuzonering (2009).
Binnen het plangebied wordt naast het voorgenoemde metaalbewerkingsbedrijf enkel bedrijvigheid tot en met maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Enige milieuhinder voor omliggende gevoelige functies is daarmee uitgesloten. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft bedrijven en milieuzonering geldt op basis van het vorenstaande dat sprake blijft van een aanvaardbare situatie in lijn met het geldende bestemmingsplan. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De bedrijven zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. W Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
33
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Door Kruse Milieu is een verkennend bodemonderzoek (rapport met kenmerk 22031110 , d.d. juni 2022) uitgevoerd om de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen, zie Bijlage 5.
Sinds de uitvoering van dit onderzoek is ter plaatse niet in de bodem geroerd of hebben er anderszins activiteiten plaatsgevonden die tot mogelijke andere resultaten zouden kunnen leiden. Het betreffende onderzoek is daarmee nog voldoende actueel. In een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 3.615 m2 aan de Hanzeweg (nabij nummer 56) in Denekamp. De onderzoekslocatie is onbebouwd, onverhard en in gebruik als bos. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van een nieuw bedrijfspand. In totaal zijn er 13 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op gemiddeld 1.95 m-mv.
Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink; Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) licht verhoogde gehalten gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. In de bovenen ondergrond (BG I, BG II en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf).
4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
34
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied ligt aan de Hanzeweg en de Parallelweg, wegen met twee rijstroken waar een maximum snelheid geldt van 50 km/h. De beoogde bedrijfsfunctie op basis van de Wet geluidhinder niet aangeduid als geluidsgevoelige functie. Er wordt met voorliggend plan dan ook geen geluidsgevoelig object toegevoegd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai kan dan ook achterwege blijven.
Railverkeerslawaai Binnen de begrenzing van het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan dan ook achterwege blijven. Industrielawaai In voorliggend plan worden een bedrijfsfunctie tot en met milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt, op basis van de VNG-uitgave, een richtafstand van 100 meter. Voor een metaalbedrijf geldt de grootste richtafstand van 100 meter voor het aspect geluid. Er is sprake van gemengd gebied waardoor de richtafstand met één trede verlaagd mag worden naar 50 meter. Middels onderzoek is aangetoond dat met de vestiging van het bedrijf op het betreffende bedrijfsperceel ten opzichte van woningen sprake blijft van aanvaardbaar woon en leefklimaat, zie Bijlage 6. De ontwikkeling voldoet daarmee aan een goede ruimtelijke ordening.
4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
35
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De ontwikkeling van een bedrijfskavel zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario en een bvo van 2000 m2 kan het aantal verkeersbewegingen op maximaal 114 per dag gesteld worden (bron: CROW, kencijfers parkeren en verkeersgeneratie; uitgaande van 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief, niet stedelijke, rest bebouwde kom). Er zal sprake zijn van vrachtverkeer, waarbij het percentage vrachtverkeer op 10% gezet kan worden. In onderstaand figuur is de worst-case berekening weergegeven.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
36
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld.
Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
37
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets Uit de inventarisatie blijkt dat in de nabijheid (Nordhornsestraat 136) van het plangebied, op ongeveer 335 meter afstand een Beviinrichting is gelegen, te weten een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG. Deze inrichting betreft benzineservicestation Roeleveld Rolink BV aan de Nordhornsestraat 136. Naast een verkooppunt motorbrandstoffen heeft het bedrijf tevens een LPG-installatie. Het plangebied valt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van de LPG-installatie. De GR-contour bedraagt 150 meter. Het plangebied is daarmee buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico gelegen. aan de Nijverheidstraat 14 een Bevi-inrichting aanwezig is, te weten een groothandel voor chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassingen. De inrichting kent een invloedsgebied van 67 meter en een plaatsgebonden risicocontour.
Binnen een straal van 335 meter van het plangebied zijn geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het te vestigen metaalbewerkingsbedrijf geldt dat er geen activiteiten zullen plaatsvinden die mogelijk risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Het bedrijf focust zich op het verwerken van metaal middels verspanend verwerken, cnc-frezen en draaien, etc. Er vindt klein constructiewerk plaats waarbij geen uitstoot van schadelijke stoffen ontstaat of andere mogelijke gevaarlijke werkzaamheden worden uitgevoerd. Alle stoffen die vrijkomen worden inpandig afgezogen en verwerkt en alle werkzaamheden vinden inpandig plaats. Daarnaast worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen en/of vervoerd.
Het is enkel mogelijk om een metaalbewerkingsbedrijf zoals omschreven of bedrijvigheid tot en met maximaal milieucategorie 2 te realiseren, hierbij is tevens rekening gehouden met mogelijke veiligheidsrisico's. Het vestigen van nieuwe bedrijvigheid binnen het plangebied zal dan ook niet leiden tot enige risico's op het gebied van externe veiligheid. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. 38
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.
In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal.
Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
39
- en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied In de bestaande situatie is er geen verharding aanwezig in het plangebied. In de toekomstige situatie betreft de oppervlakte van de gebouwen ca. 2000 m2 met daarnaast wat erfverharding en parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in waterdoorlatende verharding. Een deel van ca. 200 m2 zal verhard worden als toegang tot de hallen.
Het hemelwater dat op een verhard oppervlak valt dient geborgd/geïnfiltreerd te worden. Het hemelwater wordt in een wadi's geborgen. Vanuit het waterschap bestaat de bergingseis van 55 mm per m2 verhard oppervlak dat toegevoegd wordt aan het plangebied. Voor de toevoeging van 2200 m² dient er 121 m3 water te worden opgeslagen in een waterhuishoudkundige voorziening. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in een waterbergingsvoorziening zoals een wadi van ca. 350 m2 en circa 35 cm diep aangelegd waarin ca. 121 m3 water geborgen kan worden.
Watertoetsproces Op 30 augustus 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 7. De normale procedure is van toepassing en er is contact opgenomen met het waterschap in afwachting op hun reactie. Het waterschap heeft aangeven dat de plannen akkoord zijn indien voldaan kan worden aan de 55 mm bergingseis. Sinds 2019 hanteren we een benodigde waterberging van 55 mm in voorzieningen zoals een wadi, vijver of waterdak. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 is tevens aangegeven dat bij nieuwbouw of grootschalig herbouw/vernieuwbouw een berging op eigen terrein gewenst is van minimaal 55 mm. We gaan er dan praktisch van uit dat in het hele plangebied tenminste 91 mm wordt geborgen, bijvoorbeeld op parkeervakken, op straat, in groenvoorzieningen. Het plan kan hieraan voldoen en daarmee staat het waterschap positief ten opzichte van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (Natuurbank Overijssel, projectnummer 4525, versie 1. d.d. 21 juli 2022), zie ook Bijlage 8 Quickscan natuuronderzoek. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.Het plangebied ligt op minimaal 1,51 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Het plangebied ligt op minimaal 2,47 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Dinkelland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de 40
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het verstoren, beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de bouwwerkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Voor de meeste beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling van het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Dit geldt echter niet voor de wezel. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt geen vrijstelling. De vaste rust- en voorplantingsplaats van de wezel is beschermd. Om de vaste rust- en voorplantingsplaats van wezels te mogen vernielen dient een ontheffing verkregen te worden, of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Onderdeel van het werken volgens een gedragscode is het opstellen van een ecologisch werkprotocol. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Addendum 03-10-2024 In navolging op bovenstaande is naar aanleiding van zienswijzen geconstateerd dat er zich ten tijde van de ruimtelijke procedure een roekenkolonie heeft gevestigd in op het perceel. Hierom is een nader veldonderzoek uitgevoerd en een addendum geschreven op de voorgaande quickscan natuurwaarden, door Natuurbank Overijssel (projectnummer 4525A, rapportdatum 03-10-2024). Hieruit volgen de volgende conclusies.
Uit het onderzoek uit 2024 kwam naar voren dat met uitzondering van de roek, de voorgenomen activiteiten tot dezelfde wettelijke consequenties leiden, zoals verwoord in het rapport uit 2022. In 2024 zijn echter 15 nesten van roeken in het bosperceel aangetroffen. Deze nesten maken onderdeel uit van een kolonie met nesten in het plangebied en bomen ten noorden en oosten van het plangebied. Bezette vogelnesten zijn beschermd en de nesten van de roek zijn jaarrond beschermd. De beplanting dient verwijderd te worden buiten de broedtijd van vogels. Als gevolg van het verwijderen van beplanting, conform voorgenoemd inrichtingsplan, wordt geen roekennest direct beschadigd of vernield. Natuurbank Overijssel is van mening, dat de kolonie kan blijven bestaan indien de bomen verwijderd worden conform voorgenoemd inrichtingsplan. Wel dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van nestelende roeken tijdens de bouwfase. Er mag geen sprake zijn van langdurige verstorende werkzaamheden. Het uiteindelijke gebruik van het bedrijfsterrein zal geen dusdanig verstorend effect hebben dat de kolonie verlaten wordt. Mogelijk schuift de kolonie enkele meters op in noordelijke en/of oostelijke richting. Roeken zijn prima in staat nieuwe nesten te maken. De aanwezige beplanting ten noorden en oosten van de huidige kolonie is zeer geschikt als nestplaats voor roeken.
Mits voldaan wordt aan voorgenoemde voorwaarden (bomen kappen buiten broedtijd, geen langdurige verstoring in de broedtijd, gedurende de bouwfase), kan overtreding van een verbodsbepaling voorkomen worden. Er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 9. Stikstof Daarnaast is in het kader van stikstof- en ammoniakdepositie een AERIUS-berekening gemaakt om te laten zien dat voorliggend plan voor dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet tot onevenredige nadelige gevolgen leidt. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
41
en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om de emissie/depositie van NOx, als gevolg van de beoogde situatie te berekenen wordt een onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening (zie Bijlage 10) is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2024.0.1 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling
4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Het plangebied ligt deels in de 'beekdalen en overige laagten' laag. Voor deze laag geldt een lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Hoofdzakelijk archeologische resten die in verband staan met beekdalgebonden activiteiten, zoals bruggen, voordes, watermolens etc. en mogelijk archeologische resten, bijvoorbeeld afvaldumps, die in verband staan met bewoning op nabij gelegen, hoge gronden. Verder diverse categorieën losse vondsten.
42
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart met het plangebied blauw omkaderd (bron: gemeente Dinkelland) Het beleidsadvies is vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Toets Ongeacht de oppervlakte van de bodemgrepen bestaat er vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten en andere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.10
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Hanzeweg en de Parallelweg te Denekamp die aansluiten op de hoofdontsluiting tot de rotonde Nordhornsestraat – Scandinaviëroute. De Hanzeweg en de Parallelweg zijn ontsluitingswegen (50 km/u) . Een (beperkte) toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. In de feitelijke situatie zijn er 9 personeelsleden werkzaam bij het bedrijf. Hiervan komen er 7 met de auto en 2 op de fiets, gemiddeld komt er één vrachtauto per 2 dagen en vindt gemiddeld per dag één bezorgmoment plaats door pakketdiensten. Voor het gemak wordt ervanuit gegaan dat alle personeelsleden met de auto zullen komen. De berekening, uitgaande van twee verkeersbeweging per voertuig (aan en afrijden) is als volgt: 9 x 2 = 18 (personeel) bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
43
0,5 x 2 = 1 (vrachtverkeer) 1 x 2 = 2 (bezorgdiensten) Dit betekent dat, met de plaatsing van de hal, een toename van 21 verkeersbewegingen per etmaal zal optreden op de nieuwe bedrijfslocatie. Gezien de aanwezige infrastructuur en inrichting van de openbare ruimte ter plaatse levert deze geringe toename in het aantal verkeersbewegingen geen belemmeringen op m.b.t. dit plan. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het perceel meet circa 3.615 m². In het voorlopige ontwerp zal de bedrijfshal voor productie circa 1500 m² meten, voor opslag zal 350 m2 gebruikt worden en er wordt een kantoor van 100 m2 geraliseerd. Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen, zijn de parkeernormen van de gemeente Dinkelland aangehouden. In de parkeernormen van de gemeente Dinkelland wordt een metaalbedrijf niet specifiek benoemd. Er kan daarom aangesloten worden bij 'werkplaats, lab, industrie' voor het productie gedeelte. Voor een locatie in de rest van de bebouwde kom geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 2,35 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van 1500 m² komt dat neer op afgerond 35 parkeerplaatsen. Het gedeelte voor de opslag van goederen in de bedrijfshal kan geschaard worden onder de categorie 'loods, opslag, bergplaats'.
Voor een locatie in de rest van de bebouwde kom geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van 350 m² komt dat neer op afgerond 4 parkeerplaatsen. Het kantoor kan geschaard worden onder 'kantoor zonder baliefunctie'. Voor een locatie in de rest van de bebouwde kom geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 2,55 parkeerplaatsen per 100 m². Uitgaande van 100 m² komt dat neer op afgerond 3 parkeerplaatsen. Bij elkaar opgeteld zou dit uitkomen op 35 + 4 + 3 = 42 parkeerplaatsen. Echter zal de meeste ruimte in de bedrijfshal gebruikt worden door de machines die nodig zullen zijn voor metaalbewerking en het materiaal dat hiervoor nodig is. Het aandeel werknemers in relatie tot het bedrijfspand is daarom zeer laag. In totaal zijn er 9 personeelsleden werkzaam waarvan er 7 met de auto naar het werk komen en 2 op de fiets. Daarnaast komt er gemiddeld één vrachtauto per 2 dagen voor de aanlevering en vindt gemiddeld per dag 1 bezorgmoment plaats door pakketdiensten. De verwachting is dat het personeelsbestand de komende tijd niet zal uitbreiden, daarnaast is slechts beperkte uitbreiding mogelijk i.v.m. het ruimtebeslag van de machines en snelheid van fabricatie. Er komen in principe ook geen bezoekers of klanten langs bij het bedrijf. Het is daarom in dit geval niet realistisch om uit te gaan van 42 parkeerplaatsen.
Vanwege het ruimtebeslag door machines en materiaal, het productieproces, vrijwel geen bezoekers en omdat de verhouding personeel naar grootte van het pand zeer laag is, kan in dit geval gesproken worden van een bezoekersextensief en arbeidsextensief bedrijf. Hierom zal voor de bedrijfshal voor productie uitgegaan worden van de parkeernorm voor opslag, conform een arbeids en bezoekersextensief bedrijf. Het aantal benodigde parkeerplekken is in deze situatie als volgt: 1850m² opslag: 18,5 x 1,05 = 19,425 PP 100m² kantoor zonder baliefunctie = 1 x 2,55 = 2,55 PP Totaal benodigde parkeervraag: 19,425 + 2,55 = 21,975 (22) PP In totaal zijn er 22 parkeerplaatsen benodigd om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte, uitgaande van een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf. Hiervan zullen er maximaal 9 benodigd zijn voor het personeel, de rest kan worden toegeschreven aan (mogelijke) bezoekers en/of een eventuele personeelsuitbreiding. In de praktijk zullen de 22 parkeerplaatsen echter nooit allemaal in gebruik worden genomen. Het laden en lossen zal plaatsvinden in de hal of op eigen terrein. Omdat er maximaal 22 parkeerplaatsen nodig zijn, is er meer dan voldoende ruimte om indien gewenst ook buiten op eigen terrein te laden en lossen. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
Figuur 4.5 geeft een mogelijke indeling van de parkeerplekken op eigen terrein weer.
44
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Figuur 4.5: Parkeergelegenheid bij bedrijf indicatief (bron: Leferink architecten)
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
45
46
bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp
47
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.