CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Harseveldweg 4 Tilligte.pdf

Commissie Omgeving & Economie 11 mei 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte28.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is gelegen aan de Harsveldweg 4 te Tilligte. De Harseveldweg betreft en erftoegangsweg die het plangebied ontsluit op de Damweg/Schiphorstdijk. Aangezien de verkeersintensiteit op de Harseveldweg 4 zeer gering is, kan gesteld worden dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde die geldt. Daarnaast is het plangebied gelegen op een afstand van meer dan 250 meter van de Damweg/Schiphorstdijk. Het plangebied ligt buiten de geluidszone van 250 meter waardoor geconcludeerd kan worden dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde die geldt op grond van de Wet geluidhinder. Ten opzichte van de bestaande woning geldt dat het omzetten van de agrarische bestemming naar de bestemming 'Wonen' niet wordt aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 Wgh geldt dat bij een vaststelling van een bestemmingsplan c.q.

wijzigingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. Het aspect 'geluid' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan voor de realisatie van één woning 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Tevens kan de realisatie van één woning niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

29

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

30

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 165 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtsbijzijnde risicobron betreft een aardgasleiding (N-531-12) van de Gasunie met een diameter van 6 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De 1% letaliteitsgrens voor is gelegen op een afstand van 70 meter van de buisleiding. Aangezien het plangebied op meer dan 165 meter afstand van de buisleiding ligt, geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

31

Watertoetsproces Op 3 juli 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4. Op grond van de uitgevoerde watertoets geldt de korte procedure. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op circa 10 meter afstand van de nieuw te bouwen woning.

Figuur 4.4: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel) De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De bouwlocatie van de woning ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 1,3 kilometer afstand (Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek). In figuur 4.5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Figuur 4.5: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel) De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk.

Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Het rekeninstrument is na de uitspraak van de Raad van State op 16 september 2019 geactualiseerd in de AERIUS Calculator 2019. Op 14 januari heeft het RIVM een update van AERIUS Calculator beschikbaar gesteld, de AERIUS Calculator 2019A. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De AERIUS-berekening is als Bijlage 5 opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2019A. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2020. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming.

Als bijlagen bij deze rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 3 uit Bijlage 5. Aanlegfase De totale NOx-emissie als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling door de inzet van werkvoertuigen en bouwverkeer naar en van het plangebied bedraagt in totaal 3,26 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling, is volgens de AERIUS Calculator 2019A nergens hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van de bewoning (verkeersgeneratie) bedraagt in totaal 1,47 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie (NOx) op Natura 2000- gebieden, als gevolg van de gebruiksfase van de voorgenomen activiteit, is volgens de AERIUS Calculator 2019A nergens hoger dan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

33

Als gevolg van de realisatie en het gebruik van de woning binnen het plangebied komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000- gebieden als gevolg van de bouw en gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming De gronden in het plangebied worden in de huidige situatie reeds gebruikt voor de woonfunctie. De voormalige boerderij is reeds gesloopt. De nieuwe woning gerealiseerd op de locatie van de gesloopte boerderij. Gelet op de terreingesteldheid van de gronden lijkt van aantasting van het leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake. Daarnaast is de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft voor haar grondgebied een archeologische verwachtings- en advieskaart laten opstellen. Het rapport is door RAAP opgesteld en geeft voor het grondgebied de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In figuur 4.6 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven.

Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: RAAP) Toets 34

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Op grond van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geldt voor het plangebied de 'dekzandhoogten en -ruggen met plaggendek'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m2 bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Als gevolg van dit plan worden geen bodemingrepen dieper dan 40 cm over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 uitgevoerd. Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Het bestaande erf bestaat uit een woning uit 1979, een kapschuur en een tweetal kleinere schuurtjes. De voormalige boerderij wordt gesloopt en deze wordt ongeveer op de locatie van de oorspronkelijke boerderij herbouwd. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt er geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het erf.

Derhalve geldt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11

Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt via de Harseveldweg ontsloten op de Damweg/Schiphorstdijk. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen kan eenvoudig via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

35

36

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het wijzigingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); Afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; Afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen. Algemene regels

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

37

Anti-dubbeltelbepaling: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan/wijzigingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan/wijzigingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende enkelbestemmingen en dubbelbestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen 'Agrarisch - 2 (artikel 3) De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, doeleinden van agrarisch natuurbeheer en extensief dagrecreatief medegebruik. Binnen de bestemming 'Agrarisch - 2' is het bouwen van gebouwen vanwege het ontbreken van een bouwvlak niet toegestaan. 'Bos - natuur' (artikel 4) De voor 'Bos - natuur' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging. Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen niet toegestaan.

'Wonen' (artikel 5) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mantelzorg en de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, waterhuishoudkundige voorzieningen en gebouwen van algemeen nut. De inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw zal ten hoogste 750 m³ bedragen, tenzij de bestaande inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw meer bedraagt dan 750 m³, in welk geval de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw ten hoogste de bestaande inhoud zal bedragen, met dien verstande dat de inhoud van een woning ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume' maximaal de op de verbeelding aangegeven inhoudsmaat zal bedragen; De gooten bouwhoogte van een hoofdgebouw ten hoogste respectievelijk 3,5 en 9 meter bedragen, met dien verstande 38

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven. Bij hoofdgebouwen zijn bijgebouwen toegestaan. De goothoogte is vastgelegd op 3,5 meter, de bouwhoogte dient ten minste 1 meter lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Om de landschappelijke inpassing van het plan te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Dubbelbestemmingen 'Waarde - Ecologie' (artikel 6) Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’ worden de gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren beschermd. De bestaande natuurgebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en de natuurgebieden die zijn aangewezen als nieuwe natuur krijgen deze bestemming.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

39

40

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 3 juli 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 februari 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

Bijlage bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

45

Bijlage 1

46

Ruimtelijk kwaliteitsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

ERFPLAN HARSEVELDWEG 4 e n 4 A T I LLI G T E

Onderdeel van bestemmingsplanwijziging, datum: 30 januari 2021

INHOUDSOPGAVE

2

H1.

Inleiding

5

H2.

Historie

7

H3.

Huidige situatie

9

H4.

Beleid en visie

11

H5.

Erfplan

15

3

1. INLEIDING

Oo

tm

ars

um

se

str

Aanleiding De bewoners van het erf aan de Harseveldweg 4/4A, zijn voornemens om op de plek van de oude boerderij met inwoning (1940), een nieuwe woning met inwoning te bouwen. Een huis dat qua architectuur recht doet aan de Twentse erven en dat voldoet aan de wensen en eisen van nu. De familie woont nu tijdelijk in de jaren (1979) woning op het erf en is voornemens na de verhuizing deze woning te slopen. Om de woonbestemming van deze woning vast te leggen voor de toekomst en deze woonfunctie op een andere locatie met eigen inrit te situeren is dit erfinrichtingsplan opgesteld. Het erfinrichtingsplan schetst als ambitie het hiervoor beschreven toekomstbeeld. Wanneer dit in de tijd niet haalbaar blijkt of wenselijk is dan leggen wij middels dit document de ruimtelijke kwaliteit vast middels een drietal faseringen.

aa

t

Met de nieuwbouw en bijbehorend erfinrichtingsplan wordt er een toekomstbestendig en fraai landschappelijk erf gerealiseerd. Oma kan blijven wonen op het erf om samen met de jonge leu en kleinkinderen te genieten van deze unieke plek!

Da

mw

eg

De kel

Din

Almelo-Nordhorn kanaal

Harseveldweg

ijk

d horst

Schip

N

Harseveld LANDGOED SINGRAVEN

Ligging Het erf is gelegen in het fraaie landschap van Noordoost Twente tussen de plaatsen Tilligte en Denekamp, nabij rivier de Dinkel en iets ten noorden van het Almelo-Nordhorn kanaal, nabij het sluizenhuisje. Het erf grenst aan het Landgoed Singraven ‘Het Harseveld’, dit bosrijke gebied is onderdeel van Landgoed Singraven en is zowel vanwege natuurwaarden als voor de recreant een waardevol gebied. Het karakteristieke riviertje de Dinkel is een van de kwaliteiten van deze plek, kent hoge natuurwaarden en biedt ook kansen voor deze locatie. Leeswijzer Op de volgende pagina’s wordt inzicht gegeven op welke wijze dit erfplan tot stand is gekomen en op welke wijze deze ontwikkeling een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Op de volgende pagina (hoofdstuk 2), wordt een weergave geschetst van de tijdslagen die van invloed zijn geweest op de huidige situatie van deze plek. In hoofdstuk 3 wordt inzicht gegeven in de huidige situatie van het erf. In hoofdstuk 4 komt het vigerend beleid, de visie en ambitie aan bod. Tot slot volgt er het erfplan (hoofdstuk 5) dat inzicht geeft in de voorgenomen ontwikkelingen op het erf. Doormiddel van sfeerbeelden wordt er een indruk gegeven van de gewenste beplantingen en verhardingen voor dit erf.

Bestaand erf aan de Harseveldweg 4 en 4a te Tilligte.

4

5

2. HISTORIE PLEK Wanneer we kijken naar de historie van de plek dan kunnen we zien hoe de plek door de jaren heen ontwikkeld is. Elke tijd heeft weer haar eigen invloed gehad op het gebied. Onderstaand zijn per tijdslaag, de belangrijkste ontwikkelingen omschreven, afgeleid uit de historische kaarten die links op deze pagina zijn opgenomen. 1883 Het landschap nabij het plangebied, westelijk van De Dinkel bestond voornamelijk uit onontgonnen, woeste gronden (heidevelden met bos). Langs de Dinkel waren er de lager gelegen natte hooilanden en hoger gelegen bouwlandjes, omzoomd door houtwallen. Er waren kleinere aaneengesloten bospercelen. Oostelijk van het plangebied was er nog sprake van het Landgoed Harseveld dat drie (land-)huizen telde.

Kaartbeeld rond 1883 (Bron: topo tijdreis).

Kaartbeeld rond 1905 (Bron: topo tijdreis).

Kaartbeeld rond 1935 (Bron: topo tijdreis).

1905 Aan het eind van de 19e eeuw werd het Almelo-Nordhorn kanaal gegraven als handelsverbinding voor de scheepvaart. Dit heeft ruimtelijk veel impact gehad op de wegen en waterstuctuur. De knik in de huidige erftoegangsweg, die wat vreemd lijkt, is hieruit te verklaren dit was eerst een kruising die rechtstreeks aansluiting had op het Harsveld. De directe verbinding met de zuidelijk gelegen erven aan de Austieweg ging ook verloren. Omdat de Dinkel door de komst van het kanaal niet snel genoeg haar water kwijt kan wordt een extra onderdoorgang bij het kanaal gemaakt. Vanwege het op peil houden van het water in het kanaal en om wateroverlast van de Dinkel te reguleren wordt rond 1887 het schuivenhuisje gebouwd. Begin 20e eeuw is het erf duidelijk zichtbaar op kaart; een volwaardige boerderij met schuren. Het erf ligt meer besloten, er is sprake van een boskamer op de overgang naar de hei. Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een meer fijnmazige structuur van paden. Er waren meer verbindingen ‘kerkepaden’ naar omliggende erven, dorpen met kerk en heidevelden.

1966 Rond dit jaartal zien we steeds meer contrasten ontstaan in het landschap; zo is er het bosrijke gebied oostelijk van het plangebied en is er sprake van een meer open weidelandschap westelijk. Het erf behoud aan de westzijde een groenopstand in de vorm van houtwallen en bomenrijen. 1995 Tussen 1966 en 1995 zien we de komst van de woning huisnummer 4a. De padenstructuur wordt steeds minder; zo zien we dat de route noordwestelijk vanaf het erf lang de Dinkel naar noordelijk gelegen gebied komt te vervallen. Ruimtelijk gezien wijzigd er niet zoveel. 2015 Rondom het plangebied is er aangaande ruimtelijke context niet tot nauwelijks sprake van veranderingen.Dit ook in relatie tot de huidige situatie. Conclusie: • Oostelijk van het plangebied zien we een toename van bos nadat het landgoed Harseveld onderdeel werd van het Landgoed Singraven. • De heidevelden noord-oostelijk van het erf zijn in de loop der jaren verdwenen doordat deze ontgonnen zijn ten behoeve van de landbouw. • De loop van de Dinkel is grotendeels hetzelfde gebleven. Dit is afwijkend van de karakteristiek van de rivier, wellicht zijn kades vastgelegd met stenen waardoor de Dinkel niet haar eigen weg bepaald. • Kerkepaden zijn grotendeels komen te vervallen, een enkele solitaire boom (westelijk van het erf) is hiervan nog een relict.

• De komst van het Almelo-Nordhorn kanaal zorgde ervoor dat het erf geen directe aansluiting meer had met de erven aan de Kampstieweg (zuidelijk van kanaal). • De bebouwing op het erf is door de jaren heen grotendeels hetzelfde gebleven, op de komst van de woning anno 1979 na.

1935 Het landschap rondom het erf kreeg een relatief meer open karakter. De heide werd ontgonnen en maakte plaats voor functionele agrarische gronden. De functie van het kerkepad westelijk van het erf verviel. Ten gevolge van de schaalvergroting in de landbouw werden veel van de bestaande bomen langs dit pad gerooid. Kaartbeeld rond 1966 (Bron: topo tijdreis).

6

Kaartbeeld rond 1995 (Bron: topo tijdreis).

Kaartbeeld rond 2015 (Bron: topo tijdreis).

7

3. HUIDIGE SITUATIE

Bakhuisje + schuurtje + woning jaren 1979.

Landschap • Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorisch waardevol Nationaal Landschap: Noord Oost Twente. • Het plangebied grenst aan het stroomgebied van de rivier de Dinkel en heeft hier geen directe zichtrelatie mee. • Aan de oostzijde van het erf is er waardevol bos langs de Dinkel dit betreft een gevarieërde mix aan bomen, heesters met een kruidlaag. • Er staan nog enkele solitaire, waardevolle bomen op het erf. De solitaire eik westelijk van het erf is nog een relict van een laan ten tijde van de kerkepaden. Bestaande bebouwing • Bestaande woning 1979 (4a). • Waardevol bakhuisje en enkele kleinere bijgebouwen in een fraaie losse setting op het erf. • Grote (kap)schuur met inpandig enkele stallen. • Vakantiehuisje (in verval) grenzend aan de Dinkel. • Bestaande boerderij 1940; in kader van veiligheid reeds gesloopt.

Op de foto is het huidige erf te zien. De woning (1979) links staat nu zeer beeldbepalend voor op het erf.

Bosrand en erf.

8

Bestaande schuur met kleine bijgebouwen.

Zicht op de halfverharde erftoegangsweg door het bos.

Bestaande kapschuur en aanbouw.

Zicht op de Dinkel vanuit het bos; hier staat nog een vakantiehuisje in vervallen staat.

Oud bakhuisje met op achtergrond een kastanje.

Uitzicht op landschap noordelijk van het erf (voormalig heidegebied). Rechts is de Dinkel.

Reeds gesloopte boerderij (verval /ingestort door storm).

9

4. BELEID EN VISIE

Natuurlijke laag: Beekdalen en natte laagtes (groen), dekzandvlakte en ruggen (bruin). Bron: Omgevingsvisie Overijssel.

Cultuurlijke laag: jonge heide en broekontginningslandschap (geel), oude hoevenlandschap (groen). Bron: Omgevingsvisie Overijssel.

Het erf is gelegen in het beekdal en de natte laagtes van het Dinkeldal.

STURING

Kenmerken Natuurlijke laag • Beekdalen en natte laagtes Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het w ­ ater. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, ’s winters bredere stroomdraad met meestromende geulen. De dynamiek (water, wind) bepaalt de verschijningsvorm; de gedaante wisselt. Dynamisch landschap, open karakter met hogere randen.

Norm • Het waterpeil is niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is.

Bodem: beekeerdgronden Hydrologie: lokale en diepe kwel, stagnatie Natuurlijk bostype: elzen-eikenbos, eiken-haagbeukenbos, vogelkersessenbos Ontwikkelingen Plaatselijk is de ‘oorspronkelijke’ beek nog aanwezig. Vaak waren er geen beken, maar zocht het water via de hellende laagtes zijn weg over het maaiveld, met name in de zwakhellende gebieden zoals Salland. De laagtes werden in de loop van eeuwen doorgegraven, verbonden en steeds sterker ontwaterd, waarbij vanaf de vorige eeuw ook de natuurlijke beken over grote lengte zijn rechtgetrokken. Dit alles om de lagere en hogere gronden van het dekzandcomplex sneller te ontwateren ten behoeve van de moderne landbouw. De snelle waterafvoer heeft uiteindelijk geleid tot verdroging bovenstrooms en wateroverlast benedenstrooms. Ambitie De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier.

Beleving: donkerte. Bron: Omgevingsvisie Overijssel.

10

Richting • Beekdalen en laagtes krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van het watersysteem, de waterkwaliteit en voldoende ruimte voor water en indien het bestaande (agrarisch) gebruik dat toelaat natuurlijke dynamiek. • Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Inspiratie • De onderdelen vanuit een perspectief op het geheel van het lineaire beeksysteem inrichten en beheren. De oeverlanden komen onder invloed van de waterdynamiek. (Broek)bos op de hogere randen. Het erf is gelegen in het gebied ‘donkerte’, dit vraagt bij de toepassing van verlichting op het erf om extra aandacht; • Indien buitenverlichting wenselijk is, dan bij voorkeur koppelen aan bebouwing erf en sober toepassen. Bij toepassing van armaturen enkel postitioneren in nabijheid van het erf. • Lichtbron; warm kleurgebruik (zacht), gericht op grond, weinig uitstralend naar omgeving.

Ontwikkelingsperspectief wonen en werken in een kleinschalig mixlandschap (lichgroen), NNN-natuur (donkergroen, voormalige EHS. Bron: Omgevingsvisie Overijssel.

11

Structuurvisie - deelgebied 1 Midden: Accent op natuur en landschap in verband met ligging EHS, Natura 2000 gebieden, en stuwwallen en natuurlijke bronnen; • Ontplooiingsmogelijkheden agrarische sector in kleinschalig landschap; • Herstel beekdalenstructuur; • Aanwijzing Natura 2000 gebieden in procedure ‘Achter de Voort, Agelerbroek &Voltherbroek’ (324 hectare), Springendal&Dal van de Mosbeek, • Ontwikkeling van aaneengesloten natuurgebieden in de brongebieden op de stuwwallen van Oldenzaal en Ootmarsum met een afwisseling van bossen, half natuurlijke graslanden, heide en half natuurlijke beekdalen; • Versterken recreatieve trekker Ootmarsum; • Versterken toeristische trekker natuur en cultuur (Tilligte en Denekamp). De kenmerken van de vier landschappelijke zone’s in het Dinkeldal zijn: Dinkeldal met kenmerken van het heideontginningslandschap (I)

Jonge heide en broekontginningslandschap (plangebied), bron: structuurvisie gemeente Dinkelland.

Kenmerken: • Besloten tot halfopen rivierdallandschap met matig reliëf. • Zandige, lemige en zavelige, natte tot zeer droge terreincondities. • Onregelmatige blokverkaveling: beplanting langs het riviertje en op steilranden (dalrand), en langs enkele kleinere rechte waterlopen haaks op de Dinkel. • Soortensamenstelling beplanting variabel en afhankelijke van de standplaatscondities: elzenbroek in natte laagten; singels en houtwallen en bosjes met onder andere eik, es en kers op oeverwallen en goed ontwaterde gronden in het dal; wilgen(struweel) en populier op de oever van de Dinkel; grove den en berk op de overgang naar het heideontginningslandschap. • Historische bebouwing en erven aan de randen van het dal rond kleine kampjes in het heideontginningslandschap bron: Casco-benadering in Noordoost-Twente.

12

13

5. ERFPLAN bloemrijk gras landschappelijke haag; Crataegus monogyna, mt. 80-100, 5 st/m1

‘achtererf ’

gezamenlijke inrit, halfverhard (bestaand) lindeboom; Tilia plathyphyllos, mt. 18-20 FASE 1: nieuwbouw van boerderijwoning met inwoning herstel kapschuur zomereik (bestaand) fruitgaard (hoogstam) 6 stuks, mt. 14-16, omrasterd met fraai landschappelijk hek t.b.v. kleinvee (kippen-/geitjes) bakhuisje (bestaand) Juglans regia (walnoot) mt. 16-18 kastanjeboom (bestaand) FASE 2; sloop jaren 1979 woning FASE 3; nieuwe woning ‘twentse karakteristiek’ (1000 m3) + aanleg eigen inrit door bos Tilia cordata (kleinbladige linde), mt. 18-20 moes-/pluktuin

‘voorerf ’

Bomen zijn onlosmakelijk verbonden bij de erfinrichting. Bij dit plan worden de bestaande solitaire bomen op het erf (kastanje en eik) behouden en worden er nog een aantal extra, streekeigen landschappelijke bomen op het erf aangeplant. Met de aanplant van deze bomen wordt het erf fraai ingepast. Bij de inrichting van de buitenruimte krijgt de karakeristiek van het voor- en achtererf ook aandacht. Het voorerf is van oorsprong rijker omdat dit aan de zijde van de woning was waar gewoond werd, hier was een siertuin die er door de jaren heen anders heeft uitgezien. Het achtererf dat aansloot op de deel waar het vee stond, was vooral functioneel ingericht, hier moest gewerkt worden.

Het achtererf zoals hiervoor benoemd, kent van oorsprong een meer functioneel karakter. De tuin is ondergeschikt aan het landschap, dit is terug te zien in het erfplan. Wanneer kleur en diversiteit gewenst is dan kan er gedacht worden aan het inzaaien van een inheems bloemenmengsel of door beheer dit zelf te realiseren. Naast groen is verharding op het erf ook erg sfeerbepalend. Bij de keuze hiervan is het vooral van belang om te kiezen voor materialen in een gedekte kleurstelling, passend in het landschap. Er valt hierbij te denken aan oud gebakken, dikformaat klinkers in een donkerbruinrode kleurstelling en aan veldkeien en-/of halfverharding. Verlichting behoeft ook aandacht bij de erfinrichting. Het erf wordt bij de Omgevingsvisie Overijssel ingedeeld bij ‘donkerte’. Dit is een kwaliteit vandaar dat er sober en ingetogen omgegaan moet worden met verlichting. Is het noodzakelijk of enkel ter verfraaiing? Het is daarom wenselijk om verlichting aan gebouwen te bevestigen. Het licht gericht naar de grond . Bij toepassing van armaturen bij voorkeur lage paaltjes met strijklicht op de grond. De huidige inrit is momenteel niet verlicht aan de zijde van het bos, dit is een kwaliteit mede vanuit de hoge natuurwaarden bij het dinkeldal.

In dit erfplan komt deze karakteristiek terug. Zo komt er een siertuin aan de voorzijde van beide woningen. De tuin van de boerderijwoning wordt begrenst door een fraaie, landschappelijke meidoornhaag van circa 1.10 meter hoog. De tuin bij de meest zuidelijk nieuw te bouwen woning wordt niet begrenst met een haag. Er komt wel een siertuin bij de voorgevel, die samen met de lindeboom de bebouwing opneemt in de landschappelijke context. Wanneer begrenzing of een erfafscheiding in de toekomst wenselijk is dan is het van belang om te kiezen voor een ingetogen (onopvallend) raster. Hierbij kan gedacht worden aan de toepassing van eikenhouten gekloofde palen met (glad) draad. Beeld: transparant en landelijk. Bij voorkeur geen breed en/of wit schriklint. pad door bos NSW Landgoed (opengesteld voor publiek)

N

Het bestaande erf bestaat uit een vervallen en reeds gesloopte boerderij met inwoning, een woonhuis uit 1979, een kapschuur en een tweetal kleinere schuurtjes waaronder een bakhuisje. De familie is voornemens om op de plek van de ‘oude boerderij met bovenkamer’ een nieuwe ‘boerderijwoning’ met inwoning te bouwen (fase 1). De ambitie is er ook om nadien de woning uit de jaren 1979 te slopen (fase 2); om voor de toekomst deze woonbestemming vast te leggen is in dit erfplan de situering van een nieuwe woning meegenomen (fase 3). Het erfplan hiernaast afgebeeld betreft fase 3. Omdat de factor tijd mogelijk nieuwe inzichten geeft of vraagt; en daarmee mogelijk het beeld hiernaast niet gehaald kan worden; wordt op de volgende pagina’s inzicht gegeven hoe de ruimtelijke kwaliteit per fase gewaarborgd wordt.

Het houden van kippen en kleinvee is een hobby van de familie. De dieren krijgen plek zuidelijk van de kapschuur. De plek wordt gecombineerd met enkele hoogstam fruitbomen. Passend bij de sfeer van het erf is het wenselijk om voor deze dieren een eenduidige fraaie landelijke afsrastering te plaatsen. Hierbij valt te denken aan een kastanje houten hekwerk of een raster van gekloofd eiken met een kippengaas raster.

ERFPLAN 1:1000

14

15

bloemrijk gras landschappelijke haag; Crataegus monogyna, mt. 80-100, 5 st/m1

‘achtererf ’

gezamenlijke inrit, halfverhard (bestaand) lindeboom; Tilia plathyphyllos, mt. 18-20 FASE 1: nieuwbouw van boerderijwoning met inwoning herstel kapschuur zomereik (bestaand) fruitgaard (hoogstam) 6 stuks, mt. 14-16, omrasterd met fraai landschappelijk hek t.b.v. kleinvee (kippen-/geitjes) bakhuisje (bestaand) Juglans regia (walnoot) mt. 16-18 kastanjeboom (bestaand) FASE 2; sloop jaren 1979 woning FASE 3; nieuwe woning ‘twentse karakteristiek’ (1000 m3) + aanleg eigen inrit door bos Tilia cordata (kleinbladige linde), mt. 18-20

FASE 1

FASE 2

• •

• •

nieuwbouw boerderijwoning met inwoning familie woont tijdelijk samen in de jaren 1979 woning (zwart dak)

familie woont in boerderijwoning met inwoning sloop jaren 1979 woning

moes-/pluktuin

‘voorerf ’

De familie is voornemens nadat de bouw van de boerderijwoning gereed is de jaren 1979 woning te slopen en het erfplan uit te voeren conform fase 2. Stel de sloop gaat niet door en de woning blijft behouden dan leggen wij met bovenstaande schets de ruimtelijke kwaliteit vast. De erfbeplanting wordt aangeplant conform sortiment en eenheid pagina 16. De meidoornhaag wordt zuidelijk van het erf doorgezet om de woning.

De familie is voornemens om dit plan uit te voeren. De woning jaren 1979 wordt gesloopt nadat zij in de woonboerderij wonen. Het erfplan wordt uitgevoerd conform bovenstaande schets. Om vast te leggen dat de woonbestemming behouden blijft voor de toekomst of voor mogelijke verkoop van deze bestemming wordt dit vastgelegd met het schetsplan: fase 3.

FASE 3 • • • •

zuidelijke woning wordt gebouwd ‘voorerf’ woning krijgt eigen inrit door bos bij de kopgevel van de woning komt een siertuin westelijk van woning is ruimte voor moes-/bloementuin

De famlie heeft dit als droombeeld. Graag zouden zij in de toekomst deze plek aan één van hun kinderen schenken, wanneer dit een wens is en de tijd daar rijp voor is. Middels deze fase leggen wij voor de toekomst vast dat de nieuwe woning op deze plek gerealiseerd kan worden. Deze woning krijgt een eigen inrit; een halfverhard pad door het bos; materiaal moet hetzelfde zijn als de erftoegangsweg. De architectuur van de woning moet recht doen aan de karakteristiek van de Twentse erven; zadeldak, rood pannendak, voorgevel met rijkere detaillering.

pad door bos NSW Landgoed (opengesteld voor publiek)

N ERFPLAN FASE 3 - schaal 1:1000 - inclusief beplantingsplan

16

N ERFPLAN 3x 1:1000

17

sfeerbeelden ‘voorerf ’

18

19

sfeerbeelden ‘achtererf ’

20

21

COLOFON

22

Titel:

Erfrichtingsplan Harseveldweg 4-4a te Tilligte Onderdeel van bestemmingsplanwijziging (Ad Fontem)

Familie:

particulier

Datum:

30 januari 2021

Ontwerp:

Tuin- en landschapsontwerper ing. Anke Kuipers

Gemeente:

Dinkelland

In samenwerking met:

Ad Fontem Ruimtelijk Advies Stationsstraat 3 te Borne 074 - 255 70 20

Tim Boswerger (contactpersoon)

23

Bijlage 2

Erfinrichtingsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

59

bloemrijk gras landschappelijke haag; Crataegus monogyna, mt. 80-100, 5 st/m1

‘achtererf ’

gezamenlijke inrit, halfverhard (bestaand) lindeboom; Tilia plathyphyllos, mt. 18-20 FASE 1: nieuwbouw van boerderijwoning met inwoning herstel kapschuur zomereik (bestaand) fruitgaard (hoogstam) 6 stuks, mt. 14-16, omrasterd met fraai landschappelijk hek t.b.v. kleinvee (kippen-/geitjes) bakhuisje (bestaand) Juglans regia (walnoot) mt. 16-18 kastanjeboom (bestaand) FASE 2; sloop jaren 1979 woning FASE 3; nieuwe woning ‘twentse karakteristiek’ (1000 m3) + aanleg eigen inrit door bos Tilia cordata (kleinbladige linde), mt. 18-20 moes-/pluktuin

‘voorerf ’

pad door bos NSW Landgoed (opengesteld voor publiek)

N ERFPLAN FASE 3 - schaal 1:1000 - inclusief beplantingsplan

16

Bijlage 3 Verkennend (asbest)bodemonderzoek

bestemmingsplan Buitengebied, Harseveldweg 4 Tilligte

61

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Harseveldweg 4 - Tilligte

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Harseveldweg 4 7634 PH Tilligte September 2020

Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Tel: 0546 - 63 96 63

KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Rapport Verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Harseveldweg 4 - Tilligte

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Harseveldweg 4 7634 PH Tilligte Projectcode: 20041716 Rapportagedatum: 25 september 2020 Auteur: ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

4 4 5 6 7 8

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses

9 9 9 11 12 12

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

13

6

Literatuur en bronvermelding

15

2

3

4

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2020 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Informatie van de gemeente VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 200041716

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Harseveldweg 4 in Tilligte door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op het gehele erf op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 1 voormalige tanklocatie en 3 asbestverdachte druppelzones op het terrein aanwezig zijn. Deze locaties worden als verdachte deellocaties beschouwd. De bovengrond op de nieuwbouwlocatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De nieuwbouwlocatie is onverdacht voor chemische componenten.

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op de (asbest)verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de voor-onderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond-, norm- en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in september 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/474/documents/15380