CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a.pdf

Gemeenteraad 19 april 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Deurningen Hoofdstraat 11-11a23.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

104 alinea's met “deur”: 2 6 33 47 50 52 55 58 59 61 64 65 66 67 68 70 73 76 77 78 79 81 82 85 87 92 96 99 106 107 119 124 129 134 136 140 143 145 148 150 …

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de 32

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Zoals reeds beschreven wordt het plangebied ontsloten door de Hoofdstraat en de Wilthuisstraat. Voor beide wegen geldt er een maximumsnelheidsregime van 30 km/u, waarbij geen sprake is van een geluidszone. Door het ontbreken van een geluidszone kan een toetsing aan de Wgh formeel gezien achterwege blijven. Toch dient in het kader van het bestemmingsplan te worden onderzocht of er aan de gevels van de toekomstige appartementen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van de geluidskaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat door het plangebied meerdere geluidscontouren loopt (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3: Fragment v.d. gemeentelijke geluidskaart, het plangebied is globaal omlijnd (bron: gemeente Dinkelland, bewerkt door Ad Fontem). Zoals in figuur 4.3 te zien is, zijn er drie geluidscontouren: 1. Geel waarbij de geluidsbelasting > 53 dB bedraagt; 2. Felgroen waarbij de geluidsbelasting tussen de 48 en 53 dB bedraagt; 3. Donkergroen waarbij de geluidsbelasting < 48 dB bedraagt. Waar een donkergroene geluidscontour loopt geldt sowieso een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangezien de geluidsbelasting op de gevels van de appartementen als gevolg van wegverkeerslawaai < 48 dB bedraagt en de voorkeurswaarde 48 dB is. Daar waar een felgroene geluidscontour loopt geldt dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangezien met een standaardgevelwering van 20 dB voldaan kan worden aan de norm van een binnenwaarde van 33 dB binnen de bebouwing als bedoeld in het Bouwbesluit. Daar waar een gele geluidscontour loopt geldt dat er aangetoond moet worden dat er voldaan kan worden aan de norm van een binnenwaarde van 33 dB binnen de bebouwing. Het voornemen heeft betrekking op de transformatie van de voormalige bloemenwinkel met bedrijfswoning naar vijf appartementen. Zoals blijkt uit figuur 4.3 zit de voorgevel van het gebouw aan de zijde van de Hoofdstraat deels binnen de gele geluidscontour. Hier geldt een geluidsbelasting van > 53 dB.

Met een standaardgevelwering van 20 dB kan er niet voldaan worden aan de norm van een binnenwaarde van 33 dB. In de huidige situatie is er echter aan deze zijde reeds sprake van een woning. Ten opzichte van deze woning zal niets veranderen, aangezien in de toekomstige situatie weer gewoond zal worden. Daarnaast zitten er geen roosters op de voorgevel, waardoor er geen geluid in de appartementen kan binnendringen. Geacht wordt dat er in de huidige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat dit in de toekomstige situatie zo blijft. Voor de overige appartementen aan de zijde van de Wilthuisstraat geldt dat hier met een standaardgevelwering van 20 dB voldaan kan worden aan de norm van een binnenwaarde van 33 dB. De geluidsbelasting hier is immers minder dan <53 dB. Geacht wordt hiermee dat een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai niet nodig is.

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

33

Railverkeerslawaai In de nabije omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen waarvan de appartementen railverkeerslawaai kan ondervinden. Industrielawaai In de nabije omgeving van het plangebied is geen industrieterrein gelegen. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets en conclusie Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de transformatie van de bestaande bebouwing aan de Hoofdstraat 11-11a Deurningen naar vijf appartementen mogelijk gemaakt.

Voor plannen waarbij sprake is van twee ontsluitingswegen en maximaal 3.000 woningen geldt dat er sprake is van een project of plan dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In onderhavig plan is het plangebied gelegen aan twee ontsluitingswegen, de Hoofdstraat en de Wilthuisstraat. Hoewel geen nieuwe bebouwingen worden gebouwd, worden er per saldo wel drie nieuwe woningen (appartementen) mogelijk gemaakt. Ondanks daarmee de grens van 3.000 woningen niet wordt overschreden, zal het gebruik van de appartementen leiden tot extra verkeersbewegingen. Omdat de grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland het wegverkeer is, dient te worden bepaald of de bijdrage aan de luchtverontreiniging als gevolg van het extra wegverkeer wel of niet in betekende mate is. Daarvoor kan de NIBM-Tool worden gebruikt die te raadplegen is via InfoMil. Bij het gebruiken van de NIBM-Tool dient het verwachte aantal extra verkeer als gevolg van het plan te worden bepaald. Dit kan worden gedaan via de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland en van de CROW-publicatie 381. In deze nota is er voor de bebouwde kom in de gemeente Dinkelland onderscheid gemaakt tussen 'centrum' en 'rest bebouwde kom'. Alle straten die in de beleidsnota zijn benoemd vallen onder 'centrum'.

Als een straat in de beleidsnota niet is benoemd, dan ligt die straat in rest bebouwde kom. Het plangebied ligt aan de Hoofdstraat en de Wilthuisstraat. Beide straten worden niet benoemd in de beleidsnota. 34

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Daarom kan worden uitgegaan van 'rest bebouwde kom'. Zoals reeds beschreven worden er vijf appartementen gerealiseerd. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de appartementen in principe huur appartementen betreffen, waarvan twee appartementen (appartement 2 en 4) voor de sociale huursector en de overige appartementen (appartement 1, 3 en 5) voor de vrije huursector. De verkeersgeneratie van een huurappartement in de sociale huursector bedraagt volgens de CROW-publicatie 381, afgaande van rest bebouwde kom en een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad, uit maximaal 4,5 verkeersbewegingen. Voor twee appartementen komt dit neer op maximaal 9 verkeersbewegingen per dag. Voor wat betreft de appartementen voor de vrije huursector geldt een dagelijkse verkeersgeneratie van maximaal 6,4 verkeersbewegingen. Voor drie appartementen komt dit neer op maximaal afgerond 19 verkeersbewegingen. In totaal komt bestaat de verkeersgeneratie als gevolg van het gebruik van de nieuwe appartementen uit (9 + 19,5) 28,5 verkeersbewegingen. Hierbij is er voorzichtigheidshalve uitgegaan dat 5% van het aantal verkeersbewegingen zwaar vrachtverkeer betreft, om rekening te houden met bijvoorbeeld extra verkeersbewegingen als gevolg van het halen van afval door vuilniswagens.

Wanneer deze verkeersbewegingen worden in de NIBM-Tool worden ingevuld, dan draagt het extra verkeer niet in betekenende mate bij de verontreiniging van de luchtkwaliteit (zie figuur 4.4). Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit wordt niet noodzakelijk geacht.

Figuur 4.4: Uitwerking v.d. NIBM-Tool (Bron: InfoMil, bewerkt door Ad Fontem). Gelet op de vorenstaande kan worden geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

35

het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. De risiconormen geven alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In onderstaand figuur is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. Het plangebied is globaal met een rode ster aangegeven.

Figuur 4.5: Uitsnede risicokaart Nederland (Bron: Risicokaart Nederland). Toets en conclusie Uit de inventarisatie van de risicokaart (zie figuur 4.5) blijkt dat er op een afstand van 345 meter ten zuidwesten van het plangebied een lpg-tankstation aanwezig is. Zoals in figuur 4.3 te zien is valt het plangebied ver buiten de invloedssfeer van dit tankstation. Gevaarlijke situaties voor het plangebied afkomstig van deze risicobron zijn dan ook niet te verwachten. Verder bevindt het plangebied zich niet: binnen de risicocontour van Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

36

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

37

Watertoetsproces Op 12-07-2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. Door de beantwoording van de vragen is naar voren gekomen dat de korte procedure is toegepast. Dit hout in dat er direct door gegaan kan worden met de planvorming onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toegepast. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentie compensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd. een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel.

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt ernaar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Daarmee wordt geacht dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets en conclusie Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een QuickScan natuurwaarden, zie Bijlage 4. De conclusies worden hieronder beschreven. Voor de concrete inhoud wordt verwezen naar Bijlage 4. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ruimtelijke ontwikkeling. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen.

Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden volgens een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet 38

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in de beplanting en de bebouwing en bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de bebouwing. Van de in het plangebied nestelende soorten is het bezette nest beschermd en van huismussen is ook de nestplaats (jaarrond) beschermd. Bezette vogelnesten mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Mogelijk aanwezige nesten van de huismus, worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk aanwezige verblijfplaatsen niet beschadigd, maar kunnen verblijfplaatsen wel verstoord worden, indien niet zorgvuldig gewerkt wordt. Om te voorkomen dat verblijfplaatsen niet verstoord worden, dienen de kopgevels niet volledig in steigers (met netten) gezet te worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, voor zover tijdens de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het advies dat de kopgevels niet volledig in steigers gezet moeten worden.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland heeft in 2007 door RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologische verwachtingsen advieskaart laten opstellen, waarin voor het gehele grondgebied van de gemeente Dinkelland is bepaald of ter plaatse archeologische waarden worden verwacht en wat het advies daarbij is. In figuur 4.4 is een uitsnede opgenomen van de betreffende kaart. Het plangebied is daarbij globaal omlijnd.

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

39

Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Dinkelland). Toets en conclusie Zoals uit figuur 4.6 blijkt is het plangebied gelegen binnen 'Beekdalen en overige laagten'. Hier geldt een lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Het advies is een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. In onderhavig geval worden geen nieuwe bebouwingen toegevoegd. Wel wordt rondom de appartementen uitgebreid met erkers. Er vinden echter geen bodemingrepen plaats die dieper gaan dan 40 cm. Daarmee wordt geacht dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets en conclusie De archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland laat niet alleen zien welke archeologische waarde ter plaatse aanwezig is, maar ook of er monumenten zijn.

In het plangebied komen er geen monumenten voor. Daarnaast is in paragraaf 3.2 al beschreven dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan de geldende gebiedskenmerken. Daarmee wordt geacht dat er geen onderzoek naar cultuurhistorie noodzakelijk is. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.10

Parkeren / Verkeer

Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland 'Bouwen en Parkeren 2018' toegepast, waarbij de bestaande situatie wordt afgezet tegen de nieuwe situatie. Het plangebied is gelegen in Deurningen en dus moeten de parkeernormen voor rest bebouwde kom worden toegepast. Bestaande situatie In de bestaande situatie is de winkel op de begane grond met de bedrijfswoning vergund. Op de verdieping boven de winkel mag volgens het bestemmingsplan worden gewoond en die wordt verhuurd aan derden zonder directe verbinding met de winkel. Het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland gaat uit van de feitelijke situatie 40

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

en niet van de vergunde situatie. Hierdoor wordt in de parkeerberekening uitgegaan van de feitelijke situatie. De bloemenwinkel heeft een oppervlakte van 123 m². Voor de bloemenwinkel kan in het parkeerbeleid van de gemeente aangesloten worden bij 'buurt- en dorpscentrum'. Er geldt dan een parkeernorm van 4,10 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Uitgaande van 123 m² bvo komt dit neer op 5,04 parkeerplaatsen. Voor wat betreft de bedrijfswoning dient in het parkeerbeleid van de gemeente aangesloten te worden bij twee-onder-een kapwoning' aangezien deze goed vergelijkbaar is met een twee-onder-een kapwoning. De parkeernorm bedraagt dan 2,2 parkeerplaatsen. Voor het appartement op de verdieping dient in het parkeerbeleid van de gemeente aangesloten te worden bij 'appartement < 100 m²) aangezien dit appartement een oppervlakte heeft van circa 65 m². De parkeernorm bedraagt dan 1,60 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is er een lange oprit/garage aanwezig die voor 1,30 parkeerplaatsen staat. De parkeervraag t.a.v. de openbare ruimte bestaat in de huidige situatie derhalve uit (8,84 - 1,30) 7,54 parkeerplaatsen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden de gebouwen binnen het plangebied getransformeerd naar vijf appartementen.

Zoals reeds aangegeven zijn de appartementen niet allemaal even groot, waardoor op basis van het parkeerbeleid van de gemeente verschillende parkeernormen gelden. De appartementen kunnen als volgt worden onderverdeeld (zie ook het vlekkenplan opgenomen als Bijlage 1 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan): appartement 1 102 m²; appartement 2 67 m²; appartement 3 138 m²; appartement 4 81 m²; appartement 5 179 m². Voor appartement 1 dient in het parkeerbeleid van de gemeente aangesloten te worden bij 'appartement 100 150 m²' aangezien deze een oppervlakte heeft van 102 m². De parkeernorm bedraagt 1,90 parkeerplaatsen. Voor de appartementen 2 en 4 dient te worden aangesloten bij 'appartement < 100 m²' aangezien deze een kleinere oppervlakte hebben dan 100 m². Hierbij geldt een parkeernorm van 1,60 parkeerplaatsen. Uitgaande van twee appartementen komt dit neer op 3,20 parkeerplaatsen. Voor appartement 3 dient te worden aangesloten bij 'appartement 100 - 150 m²' aangezien deze een oppervlakte heeft van 138 m². De parkeernorm bedraagt 1,90 parkeerplaatsen. Tot slot geldt voor appartement 5 een parkeernorm van 2,10 aangezien deze een oppervlakte heeft van 179 m² en er in het parkeerbeleid aangesloten dient te worden bij 'appartement > 150 m²'. De parkeervraag t.a.v.

de openbare ruimte bestaat in de toekomstige situatie derhalve uit (1,90 + 3,20 + 1,90 + 2,10) uit 9,10 parkeerplaatsen. Het verschil tussen de bestaande en toekomstige situatie bedraagt (9,10 - 7,54) 1,56 parkeerplaatsen. Op grond van § 4 van "Bouwen en parkeren 2018" worden geen eisen gesteld aan het aan te leggen aantal parkeerplaatsen, wanneer er minder dan 2 parkeerplaatsen nodig zijn. Daarbij geldt de voorwaarde dat alle bestaande parkeerplaatsen langs de Hoofdstraat nabij het pand blijven liggen en dat het parkeren in de Wilthuisstraat op dezelfde wijze als nu mogelijk blijft. Kortom: aan de situatie in de openbare ruimte mag niets wijzigen wat betreft het parkeren. Geacht wordt dat er vanuit het aspect 'parkeren' geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan, mits de huidige parkeersituatie gehandhaafd blijft. Verkeer Het plangebied wordt via de Hoofdstraat en Wilthuisstraat ontsloten. Omdat het parkeerbeleid van de gemeente Dinkelland 'Bouwen en Parkeren 2018' geen kengetallen bevat voor het bepalen van de verkeersgeneratie, kan de verkeersgeneratie van de beoogde appartementen middels de CROW-publicatie 381 bepaald worden. Het plangebied ligt in Deurningen. Deurningen wordt in het parkeerbeleid van de gemeente aangemerkt tot rest bebouwde kom.

Het gebied kent op basis van CBS 'Kerncijfers wijken en buurten 2020' een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad (buurt: Kern Deurningen). Er worden vijf appartementen gerealiseerd. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de appartementen in principe huur appartementen betreffen, waarvan twee appartementen (appartement 2 en 4) voor de sociale huursector en de overige appartementen (appartement 1, 3 en 5) voor de vrije huursector. De verkeersgeneratie van een huurappartement in de sociale huursector bedraagt volgens de CROW-publicatie bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

41

381, afgaande van rest bebouwde kom en een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad, uit maximaal 4,5 verkeersbewegingen. Voor twee appartementen komt dit neer op maximaal 9 verkeersbewegingen per dag. Voor wat betreft de appartementen voor de vrije huursector geldt een dagelijkse verkeersgeneratie van maximaal 6,4 verkeersbewegingen. Voor drie appartementen komt dit neer op maximaal afgerond 19 verkeersbewegingen. In totaal komt bestaat de verkeersgeneratie als gevolg van het gebruik van de nieuwe appartementen uit (9 + 19,5) 28,5 verkeersbewegingen. Hier kan de verkeersgeneratie van de vergunde situatie, oftewel die van de bedrijfswoning en van het leegstaande winkelpand worden afgetrokken. De bloemenwinkel kan, zoals bij het berekenen van de parkeervraag beschreven is, geschaald worden onder 'Buurt- en dorpscentrum'. Daarbij geldt, afgaande van rest bebouwde kom en van een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad, per 100 m² bvo een maximale verkeersgeneratie van 79,4 verkeersbewegingen per dag. Uitgaande van 132 m² komt dit neer op afgerond 105 verkeersbewegingen per dag. Voor de bedrijfswoning wordt uitgegaan dat er aangesloten kan worden bij de kengetallen van 'koop, huis, tussen/hoek'. Er geldt dan een maximale verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per dag. Samen komt dit neer op afgerond 113 verkeersbewegingen.

Wanneer de verkeersgeneratie van de huidige situatie (113) wordt afgezet tegen de nieuwe situatie (28,5), dan blijkt dat er een afname is van 89,5 verkeersbewegingen. Op basis hiervan wordt geacht dat de ontwikkeling tot een betere verkeersituatie leidt en kan worden geconcludeerd dat het aspect 'verkeer' dan ook geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

42

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen. Algemene regels

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

43

Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Daarnaast zijn hier de parkeerregels van het 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland' opgenomen.

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Wonen (artikel 3) Deze bestemming is opgenomen om de beoogde appartementen binnen het plangebied mogelijk te maken. Daarbij geldt dat er maximaal vijf appartementen zijn toegestaan met bijbehorende bouwwerken. Een hoofdgebouw dient te worden gebouwd binnen het bouwvlak. Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat deze ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden. De goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt 6 meter respectievelijk 10 meter. Voor bijbehorende bouwwerken geldt voor de goothoogte maximaal 3 meter en voor de bouwhoogte maximaal 1 meter lager dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Voor de overige bepalingen wordt kortheidshalve verwezen naar de Regels. De Regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn conform het bestemmingsplan 'Deurningen' opgenomen.

44

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

45

46

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 13-07-2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

Buren Er heeft overleg plaatsgevonden met de buren aan de Wilthuisstraat 2 in Deurningen omtrent het wonen op de erfgrens. De buren hebben het voorgenomen plan gezien en staan er positief tegenover.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 31 december 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

47

48

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

49

Bijlage 1

50

Vlekkenplan

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

00 wc bijkeuken 1800

hal Entree app. 5

badkamer

slaapkamer

A4 8.5m2

A3 8.5m2

berging

berging

49

7G

00 00

00 dakramen

dakraam

900

installaties optioneel: kastruimte

App. 5 bgr. 87m2

A2 8.5m2

keuken

gang

00

Zolder

slaapkamer

A1 8.5m2 berging

hobbyruimte/ slaapkamer

1800

A5 8.5m2 berging

00

App. 5 verd. 92m2

overloop

berging

wonen

7G

dakraam

mk

garderobe

49

slaapkamer

toegang bergingen

overkapping

WSL02N 00903G0000

WSL02N 00902G0000 o

z

WSL02N 00903G0000

WSL02N 00902G0000 o

w

WSL02N 00903G0000

z

WSL02N 0

w

N

N

badkamer

1600

1600

900

slaapkamer Entree app. 2

hal

garderobe

badkamer

wonen wc

mk

woonkamer

slaapkamer

plafond 2620

keuken

Entree app. verdieping

kast garderobe

bijkeuken

overloop

wc

App.2 67m2 koken

Zolder

App. 4 verd. 55m2

900

eten

terras

App. 4 zolder. intern 26m2 hal

900

trapkast 1800

badkamer

plafond 2692

wonen

hal

1800

slaapkamer

wonen

Zolder

garderobe

App. 3 zolder intern 43m2 Zolder

slaapkamer bijkeuken

hobbyruimte koken garderobe

wc

App. 3 verdieping 95m2

App.1 bgr 102m2 eten

wc

bijkeuken

hobbyruimte

badkamer

koken eten

terras

optie loggia

900

Entree app. 1

garderobe

hal mk

2200*1200

balkon

Begane grond

Verdieping

Zolder

Werk

Transformatie "De Bakkerij" Hoofdstraat 11- 11A Deurningen

Opdr. Dhr. Klaas Molemansstraat 23 Deurningen Ond. Vlekkenplan Nieuwe situatie Werknummer 20-0823

Schaal

1:100

Getekend

M. Wiggers

Datum

02-10-2020

Tekening

Fase

DO

Formaat

910*600

Gewijzigd

23-11-2021

S1

Deurningerstraat 26

7561 RP Deurningen

T: 074 2781167

E: info@mirjamwiggers.nl

www.mirjamwiggers.nl

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

52

bestemmingsplan Deurningen, Hoofdstraat 11-11a

Verkennend Bodemonderzoek

Project:

2020-126

Locatie:

Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

Opdrachtgever:

Laurens Klaas Molemansstraat 23 7561 BC Deurningen

Datum:

4 september 2020

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

Verkennend Bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

Opdrachtgever:

Laurens Klaas Molemansstraat 23 7561 BC Deurningen

Adviesbureau:

Terra Agribusiness BV Eerste Stegge 54 7631 AE Ootmarsum

Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:

Definitief 1 4-9-20 2020-126

Auteur:

Joost Stevelink

Paraaf:

Kwaliteitscontrole:

Niek Hesselink

Paraaf:

Veldwerkers:

Joost Stevelink

2020-126

4-9-20

Pagina 2 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

Inhoudsopgave Pagina 1

Inleiding

4

2

Vooronderzoek

5

3

4

5

2.1 Locatie gegevens

5

2.2 Algemene informatie locatie

5

2.3 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek

5

2.4 Directe omgeving locatie

6

2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie

6

2.6 Vooronderzoek PFAS

7

2.7 Vooronderzoek NEN 5707 Asbest

7

Onderzoeksprogramma

8

3.1 Hypothesestelling

8

3.2 Onderzoeksopzet

8

3.3 Analysestrategie

8

Onderzoeksresultaten

9

4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen

9

4.2 Analyseresultaten

9

4.3 Toetsing van de hypothese

9

4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek

9

Samenvatting en conclusie

BIJLAGE I: BIJLAGE II: BIJLAGE III: BIJLAGE IV: BIJLAGE V: BIJLAGE VI:

2020-126

10

Situering van de locatie (schaal 1: 12500) Situering van de locatie (schaal 1: 500) Overzichtstekening boorpunten Boorstaten Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen Foto's onderzoekslocatie

4-9-20

Pagina 3 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

1 Inleiding In opdracht van Laurens Klaas heeft Terra Agribusiness BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Hoofdstraat 11&11A te Deurningen. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. Aanleiding van het onderzoek is in het kader van voorgenomen bestemmingswijzigingen. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: - NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2017); - NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2009+A1:2016); - NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN 5707+C2:2017) - VKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” - VKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” - VKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"

Het procescertificaat van Terra Agribusiness Bodem & Milieutechniek en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness Bodem & Milieutechniek op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; - opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting. In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Terra-Agribusiness BV en zo nodig tot de certificerende-instelling (Normec).

2020-126

4-9-20

Pagina 4 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

2 Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit: Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron

Omschrijving

www.ahn.nl

AHN (Algemeen Hoogtebestand Nederland)

www.bodemloket.nl

Bodemloket van Nederland

www.topotijdreis.nl

Historische kaarten

www.dinoloket.nl

Ondergrond gegeven van Nederland

BAG viewer

Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)

Provincie Overijssel

Bodematlas van Overijssel

Gemeente Dinkelland

Historische informatie van de Gemeente

Informatie Opdrachtgever

Dhr. Klaas

Inspectie onderzoekslocatie

Visueel inspectie van de locatie

2.1 Locatie gegevens Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel Tabel 2 Locatiegegevens Adres onderzoekslocatie

Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

Kadastrale gemeente

Weerselo

Sectie

N

Percelen

902, 903

Oppervlakte van de onderzoekslocatie

<1000 m2

Eigenaar / gebruiker

Dhr. Klaas

Korte beschrijving van de onderzoekslocatie Bebouwing

De onderzoekslocatie bestaat uit een woon/winkelpand met schuur en tuin Ter plaatse staat een woon/winkelpand en een schuur

Verharding

De onderzoekslocatie is grotendeels verhard met klinkers en tegels

2.2 Algemene informatie locatie De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Hoofdstraat 11 tegen het centrum van Deurningen. Op het perceel bevindt zich een woon/winkelpand met schuur en tuin. Op historische kaarten is vanaf 1954 voor het eerst bebouwing op de locatie te zien. Uit het BAGregister blijkt dat het huidige pand gebouwd is in 1950. Op Funda staat omschreven dat het pand gebouwd is in 1962. In het verleden is er een bakkerij in gevestigd geweest. Na de bakkerij is er tot 2020 een bedrijf in gezondheidsondersteunende diensten in gevestigd geweest. Er is verder geen bodemrelevante informatie van de onderzoekslocatie bekend bij de geraadpleegde bronnen. 2.3 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek Voor zover bekend zijn in er in het verleden op de locatie geen bodemonderzoeken uitgevoerd.

2020-126

4-9-20

Pagina 5 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

2.4 Directe omgeving locatie De onderzoekslocatie bevindt zich tegen het centrum van Deurningen. In de directe omgeving bevinden zich meerdere woonhuizen. Aan de Hoofdstraat 21 is een nader onderzoek uitgevoerd door Geofox (rapportnummer: 28410/WB/pq, d.d. 1-6-1992). De aanleiding van dit onderzoek was de verontreinigde grond en grondwater met olie nabij de voormalige olietank. Analytisch zijn in dit onderzoek geen verontreinigingen of vluchtige aromaten aangetroffen. Er wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor verdere sanering. Tussen dit adres en de huidige onderzoekslocatie zit een afstand van circa 60 m1. Er is verder geen bodemrelevante informatie van de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend welke mogelijk invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. 2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie De regionale geohydrologische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande figuur. Figuur 1 Geologisch opbouw landelijk model DGM v2.2

De boorlocatie bevindt zich circa 19 meter boven NAP.

2020-126

4-9-20

Pagina 6 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

2.6 Vooronderzoek PFAS PFAS komt op verschillende manieren in het grond- en grondwatersysteem in Nederland terecht. Bij lokaal gebruik en calamiteiten leidt dit tot het 'klassieke' bron-grondwaterpluim beeld. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook de brandweeroefenplaatsen waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grondof grondwaterverontreiniging. In het handelingskader van Expertisecentrum PFAS zijn alle bedrijfsactiviteiten en toepassingen beschreven waar PFAS wordt gebruikt en de kans dat daarbij PFAS in het milieu vrijkomt. Uit historisch onderzoek van onderhavig onderzoekslocatie blijkt dat geen van de beschreven toepassingen uit het handelingskader plaats heeft gevonden op of nabij de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot PFAS in de bodem. 2.7 Vooronderzoek NEN 5707 Asbest Uit de verkregen historische informatie blijkt dat er sinds circa 1950 bebouwing op de locatie aanwezig is. De huidige woning is volgens het BAG-register gebouwd in 1950. Het is aannemelijk dat er destijds asbest in verwerkt is.

Het is echter niet aannemelijk dat er asbest in de bodem van onderhavige onderzoekslocatie is terecht gekomen. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot asbest in de bodem.

2020-126

4-9-20

Pagina 7 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

3

Onderzoeksprogramma

3.1

Hypothesestelling

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie één of meer hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. De volgende deellocaties en hypotheses worden aangehouden: Tabel 3 Deellocaties en hypothese NEN5740 Locatie Gehele locatie

Hypothese

Verdachte stoffen

Opmerking

Onverdacht (ONV)

-

-

3.2 Onderzoeksopzet De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 24 augustus 2020 (plaatsing peilbuis en monstername grond), 31 augustus 2020 (monstername grondwater). De positie van de boorlocaties zijn weergegeven in bijlage III. Tabel 4 Onderzoeksopzet NEN 5740 Locatie

Ondiepe boringen1

Gehele locatie

4

Diepe boringen2

Peilbuizen

1

1

Analyses grond

Analyses water

2x st. grond AS3000

1x st. grondwater AS3000

1

Ondiepe boringen standaard tot 0,5 m-mv. 2 Diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv.

3.3 Analysestrategie Ten behoeve van het analytisch onderzoek zijn op het laboratorium mengmonsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt. Tabel 5 Analyse onderzochte monsters Analyse monster BM1

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50

OM1

0,50 - 2,00

Analyse monster PB1 WM1

Traject (m-mv) 2,35 - 3,35

Deelmonsters

Analyse

1 (0,08 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 3 (0,05 - 0,50) 4 (0,08 - 0,50) 5 (0,08 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 1 (0,50 - 1,00) 1 (1,00 - 1,50) 1 (1,50 - 2,00) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50) 2 (1,50 - 2,00)

AS3000 NEN5740 Standaard incl struct excl voorb

AS3000 NEN5740 Standaard incl struct excl voorb

Analyse NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)

Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab. Alle analyses zijn AS3000 erkende verrichtingen.

2020-126

4-9-20

Pagina 8 van 16

Verkennend bodemonderzoek Hoofdstraat 11&11A te Deurningen

4

Onderzoeksresultaten

4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen In bijlage V zijn de visuele waarnemingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Veldwaarnemingen De bovengrond bestaat uit matig fijn zand. De ondergrond bestaat eveneens uit matig fijn zand. De diepere ondergrond bestaat uit zwak grindig, matig grof zand. In de onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven: Tabel 6 Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring

Diepte boring (m -mv) 3,35 0,50 0,50 0,50

1 3 4 5

Traject (m -mv) 0,00 - 0,08 0,00 - 0,05 0,00 - 0,08 0,00 - 0,08

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden volledig stenen volledig stenen volledig stenen volledig stenen

Er is geen puin of asbestverdacht materiaal aan het oppervlak of in de boringen aangetroffen. Grondwater De filterbuis wordt minimaal een halve meter beneden de grondwaterspiegel geplaatst, waarna de dichte buis tot iets boven maaiveld wordt gemonteerd en afgedicht met bentoniet om instroom van oppervlaktewater te voorkomen. In onderstaande tabel zijn de gegevens betreffende de grondwaterbemonstering opgenomen: Tabel 7 Metingen grondwater Peilbuis PB1 WM1

Filterdiepte (m -mv) 2,35 - 3,35

Grondwater-stand (m -mv) 1,70

pH (-) 6,3

EC (µS/cm) 334

Troebelheid (NTU) 1,81

Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.

4.2 Analyseresultaten De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven in bijlage V. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab te Deventer. Deze analyses zijn allen AS3000 erkende verrichtingen. Tabel 8 Analyseresultaten NEN 5740 Monster BM1

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50

OM1

0,50 - 2,00

PB1 WM1

2,35 - 3,35

Samenstelling 1 (0,08 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 3 (0,05 - 0,50) 4 (0,08 - 0,50) 5 (0,08 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 1 (0,50 - 1,00) 1 (1,00 - 1,50) 1 (1,50 - 2,00) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50) 2 (1,50 - 2,00) PB1

Verhogingen Minerale olie*

Minerale olie*

Ba*, Naftaleen*

* verhoging groter dan streefwaarde ** verhoging groter dan tussenwaarde *** verhoging groter dan interventiewaarde

4.3

Toetsing van de hypothese

Deellocatie

Gestelde hypothese

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/584/documents/17601