Bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum.pdf
Tekst van het document
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval is er sprake van een gewijzigd woonperceel. Door Kruse Milieu BV is dan ook een vooronderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Dit volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Algemeen De gronden van het plangebied welke gewijzigd worden naar de bestemming wonen zijn in gebruik als oprit en tuin bij de ten noorden gelegen woning aan de Wiemselweg 17 in Oud Ootmarsum. De oprit is verhard met klinkers en het onverharde deel is begroeid met gras. Uit de historische topografische kaarten blijkt dat het besluitvormingsgebied tot ongeveer de jaren ’70 in gebruik is geweest als weg. De voormalige weg liep van de Ottershagenweg naar de Wiemselweg en de Laagsestraat. Er zijn ter plekke geen waarnemingen gedaan die duiden op een voormalige weg (ook niet aan de overzijde van bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 29
de Wiemselweg). Sinds de jaren ’70 is het terreindeel in gebruik als landbouwgrond (weiland en akker). In 2012 is de woning aan de Wiemselweg 17 verbouwd en is het besluitvormingsgebied in gebruik als tuin. De klinkerverharding is aangebracht in 2019 en sindsdien is de situatie niet gewijzigd. 5.2.2.2 Onderzoeksresultaten Op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) en de Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS (Tauw bv, mei 2020) wordt verwacht dat de boven- en ondergrond ter plekke van het besluitvormingsgebied niet verontreinigd zijn (klasse AW2000). Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de herziening van het bestemmingsplan. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. Omdat de te bouwen schuur (bijgebouw) geen verblijfsfunctie zal krijgen, kan het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek achterwege blijven. Eventueel vrijkomende grond kan ter plekke hergebruikt worden of kan op basis van de bodemkwaliteitskaart elders binnen de regio Twente worden toegepast. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
30
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
5.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling (realisatie van een bijbehorend bouwwerk ter compensatie van de sloop van landschapsontsierende schuren) in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Verder wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Op deze locatie worden dan ook geen (beperkt) kwetsbare objecten toegevoegd of nieuwe functies toegestaan waarbij sprake is van gebruik van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is in afbeelding 5.2 indicatief weergeven met een rode ster.
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 31
Afbeel ding 5.2 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat het deelgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen. Geconcludeerd wordt dat de ligging van het te realiseren bijbehorend bouwwerk binnen de afstand waarbinnen verantwoording van het groepsrisico nodig is geen belemmeringen met zich meebrengt. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5 Milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de 32
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt aan de rand van de kern van Oud Ootmarsum, waar nauwelijks sprake is van functiemenging. Het plangebied wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden bij de omgevingstypen weergegeven.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied wordt een woonperceel vergroot en een extra bijbehorend bouwwerk bij een woning gerealiseerd. deze vergroting van het woonperceel en bijbehorend bouwwerk vormt geen milieubelastende functie. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies rondom dit deelgebied. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Situatie plangebied bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 33
Het voornemen voorziet in de vergroting van het woonperceel om zodoende de realisatie van een bijhorend bouwwerk mogelijk te maken aan de Wiemselweg 17. Hierbij wordt opgemerkt dat het niet mogelijk wordt de woning te verplaatsen, gezien het huidige bouwvlak gehandhaafd blijft. Het geurgevoelig object (de woning) kan dan ook niet dichter bij een agrarisch bedrijf worden gesitueerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna wel ingegaan op de meest nabijgelegen milieubelastende functie, betreffende een grondgebonden agrarisch bedrijf. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een agrarisch bouwvlak (Wiemselweg 17). Hier bevindt zich een grondgebonden veehouderij. Bij veehouderijen gelden de grootste richtafstanden veelal voor het aspect geur. Voor dit aspect gelden echter geen richtafstanden, maar wettelijk bepaalde afstanden of geurcontouren op basis van de Wet geurhinder. Voor de veehouderij wordt daarom uitgegaan van de grootste richtafstand met uitzondering van het aspect 'geur'. Voor het aspect 'geur' wordt verwezen naar paragraaf 5.6 Het agrarisch bedrijf kent op basis van de VNG-uitgave een milieucategorie van 3.2 met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De afstand tussen het agrarisch bouwvlak en de toekomstige grens van de woonbestemming betreft circa 130 meter. De afstand is ruim voldoende.
Overige bedrijvigheid in de omgeving bevindt zich aan de westzijde van het plangebied. De uitbreiding van de woonbestemming (oostzijde) zal niet op kortere afstand van deze bedrijven gesitueerd zijn. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 5.5.4
Conclusie
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Geur 5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Zoals reeds benoemd in paragraaf 5.5 wordt in voorliggend geval geen milieugevoelig object toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv, aangezien in het nieuwe bijbehorend bouwwerk niet wordt gewoond of beschikbaar is voor menselijk verblijf. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft bovendien een grondgebonden bedrijf. Aan de vaste afstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling. Omgekeerd worden agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmerd als gevolg van de ontwikkeling.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Ecologie 5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, te weten 'Springendal & Dal van de Mosbeek', tot het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 814 meter. De voorgenomen ontwikkeling (vergroting woonperceel ten behoeve van de realisatie van een extra bijbehorend bouwwerk) betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling, waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt, zoals aangetoond in paragraaf 3.2. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in combinatie met de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een stikstofonderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied bevindt zich op een afstand van circa 15 meter afstand. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal en kleinschalig waardoor deze geen significant negatieve effecten hebben. Het NNN kent immers geen schaduwwerking. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (vergroten woonperceel en realisatie bijbehorend bouwwerk) wordt geen bebouwing gesloopt of opgaande beplanting gerooid. Het plangebied betreft agrarische grond welke intensief wordt beheerd. Er is in voorliggend geval sprake van een lage ecologische waarde. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna. 5.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 35
5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Afbeelding 5.3 toont een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Het plangebied is weergegeven met een rode omlijning.
Afbeelding 5.3 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Dinkelland) Situatie plangebied Het plangebied ligt, op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland in een gebied dat gedeeltelijk is aangemerkt als 'dekzandwelvingen- en vlakten' en gedeeltelijk als 'stuwwalhellingen met vochtige zandige of kleiige bodems'. Voor dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5.000 m² waarbij de bij bodemingrepen dieper dan 40 cm rijken. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. In voorliggend geval wordt slechts een vrijstaand bijbehorend bouwwerk gerealiseerd met een oppervlakte van maximaal 96 m2 en het woonperceel met 365 m² vergroot. De bodemingrepen blijven ruimschoots beneden de onderzoeksgrens van 5.000 m², waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is. 5.8.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De geldende archeologische dubbelbestemmingen worden overgenomen in dit bestemmingsplan. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 36
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, te weten 'Springendal & Dal van de Mosbeek', tot het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 814 meter. De voorgenomen ontwikkeling betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling, waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt, zoals aangetoond in paragraaf 3.2. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in combinatie met de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 37
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het planologisch mogelijk maken van een extra bijbehorend bouwwerk in het buitengebied van de gemeente Dinkelland ter compensatie van de sloop van een landschapsontsierende schuur in de gemeente Tubbergen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1 Vigerend beleid 6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 39
6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Hierna wordt beknopt ingegaan op de relevante waterhuishoudkundige aspecten. 6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten
Afvalwater Het afvalwater van het deelgebied zal, conform de bestaande situatie, worden afgevoerd via het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. Hemelwater Het hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd in de bodem, of afgevoerd naar de dichtstbijzijnde sloot.
40
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels; Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 41
Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6) In de algemene bouwregels zijn regels ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen en bestaande maatvoering opgenomen. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin zijn vormen van strijdig gebruik beschreven. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 9) In dit artikel worden de overige regels beschreven. Deze regels gaan in op welstandscriteria, parkeren laden/lossen en nadere eisen. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch' (Artikel 3) Een deel van het plangebied is in de huidige situatie voorzien van de bestemming 'Agrarisch – 1' zonder bouwvlak. In de beoogde situatie blijft dit ongewijzigd. Voor deze gronden zijn geen agrarische bedrijfsmogelijkheden toegestaan. Deze gronden zijn meegenomen in voorliggend bestemmingsplan, om te waarborgen dat de landschapsmaatregelen allemaal binnen het plangebied liggen.
Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, en het uitvoeren van ruimtelijke kwaliteitsplannen. 'Wonen' (Artikel 4) Aan de gronden ter plaatse van het bestaande woonerf aan de Wiemselweg 17 in Oud Ootmarsum is de bestemming 'Wonen' toegekend. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen. Voor wat betreft de bouwregels is, voor zover relevant, aangesloten bij de regels uit de geldende bestemmingsplannen "Oud Ootmarsum". In de verbeelding en bouwregels is door middel van een maatvoeringsaanduiding opgenomen dat het maximum oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 196 m² mag bedragen. Dit zodat het nieuwe bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 96 m2 kan worden gerealiseerd. Tevens is de bestaande aanduiding 'maximum 42
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' en het bestaande bouwvlak overgenomen. In de specifieke gebruiksregels is door middel van een voorwaardelijke verplichting de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen vastgelegd.
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 43
44
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt onder meer opgenomen dat het risico van planschade bij de initiatiefnemers ligt zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
Hoofdstuk 9
Vooroverleg
9.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkelingen geen nationale belangen schaden. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
In het voorliggende geval is sprake van een bestemmingsplan waarmee de realisatie van een bijbehorend bouwwerk wordt geborgd en de gewijzigde situering en vergroting van een bestaand woonperceel. De ontwikkeling past binnen de gebiedskenmerken en versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Het plan staat daarnaast op de uitzonderingslijst voorlijst van de provincie Overijssel. Op grond van vorenstaande is geen vooroverleg vereist. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden voor het plangebied via de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. 9.1.4
Zienswijzen
In voorliggend geval heeft het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijze ingediend. Dit bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum 49
Bijlage 1 Erfinrichtingsplan Wiemselweg 17
50
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
1
A:
Bestaande woning huisnummer17.
B:
Bestaand bijgebouw.
C:
Nieuw te realiseren bijgebouw met een opper vlak van 96m2.
D:
Bestaande er fverharding.
E:
Te vellen boom om nieuw te realiseren bijgebouw te betrekken bij de er fopzet. Vitaliteitscheck uitgevoerd bij boom geconstateerd dat deze in verdrukking staat t.o.v. naastgelegen boom.
F:
Nieuw aan te planten bomen t.b.v. aanvullen bestaande Casco-lijn. Bomen aanplanten in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) Soor t: Eik of linde. Bomen elk voorzien van 2 boompalen. Totaal 5 stuks. K 121
K 894
K 629
G:
Tuin/Gazon.
H:
Bestaande hagen.
I:
Weiland.
J:
Bestaande houtopstand, Casco-lijn.
K:
Bestaande houtopstand, Casco onderdeel.
Fragment uit 1950 (topotijdreis.nl) K 878
K 879
K
19
H
17
K 638
B
A
K 877
D
K 637
K 326
E
H
G C K 823
F
Wiem
selw
eg
K 683
K 507
I K 138
H J
C 1886
nl-landschap.nl
Project:
Schuur voor schuur
Getekend:
DA
Status:
DO
Adres:
Wiemselweg 17
Woonplaats:
Oud-Ootmarsum
Datum:
03-03-2023
Aantal pag.:
1
Gecontroleerd:
NH
Formaat:
A3
Schaal:
1:1000
Noord:
Tekening is noordgericht
Bijlage 2
52
Bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied, Wiemselweg 17 Oud Ootmarsum
RAPPORT VOORONDERZOEK conform NEN 5725 Wiemselweg 17 - Oud Ootmarsum
Opdrachtgever: Familie Nijhof Locatie: Wiemselweg 17 7637 PE Oud Ootmarsum November 2022
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Tel: 0546 - 63 96 63
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Rapport Vooronderzoek conform NEN 5725 Wiemselweg 17 - Oud Ootmarsum
Opdrachtgever: Familie Nijhof Wiemselweg 17 7637 PE Oud Ootmarsum Locatie: Wiemselweg 17 7637 PE Oud Ootmarsum Projectcode: 22065925 Rapportagedatum: 21 november 2022 Auteur: ing. J. Lammers Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2 2.1 2.2
Locatiegegevens Algemene gegevens Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2
3.1 3.2
Werkwijze Verzamelen van de historische en huidige gegevens Methodiek en beschikbare informatie
3 3 3
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Beschikbare informatie Historisch gebruik Milieudossiers Bodemdossiers Huidig gebruik van de locatie Toekomstig gebruik van de locatie
4 4 4 4 5 5
Conclusies
6
3
4
5
Bijlagen I II III IV V
Luchtfoto met geografisch besluitvormingsgebied Historische topografische kaarten Boorplan verkennend bodemonderzoek (Tauw Milieu BV, 1996) Fotoreportage terreininspectie Erfinrichtingsplan
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
1
Inleiding
In opdracht van familie Nijhof heeft Kruse Milieu BV een vooronderzoek conform norm NEN 5725 uitgevoerd voor een locatie ten oosten van de Wiemselweg 17 in Oud Ootmarsum. De aanleiding voor het vooronderzoek is de voorgenomen bouw van een bijgebouw (schuur) ten zuidoosten van de woning. In het kader van de voorgenomen nieuwbouw van de schuur is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het terreindeel met de bestemming “Wonen” zal uitgebreid worden ter plekke van het besluitvormingsgebied. Het vooronderzoek dient om inzicht te krijgen in hoeverre verontreinigingen kunnen zijn ontstaan door huidige en/of voormalige (bedrijfs)activiteiten en of dat er mogelijk sprake is van een (historische) verontreiniging. Het doel van het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit (aanleiding A uit norm NEN 5725). Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens norm NEN 5725:2017, “Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017.
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 1 van 6
2
Locatiegegevens 2.1
Algemene gegevens
De algemene gegevens van het te onderzoeken terreindeel zijn: Adres
: Wiemselweg 17 7637 PE Oud Ootmarsum
Kadastrale registratie
: Gemeente Denekamp, sectie K, nummer 138 (ged.).
Oppervlakte geografische besluitvormingsgebied
: Circa 500 m2 (toekomstige bestemming wonen)
Coördinaten RD-stelsel
: centrale punt
2.2
x = 258.68 en y = 493.21
Bodemsamenstelling en geohydrologie
De regionale geohydrologische situatie rond de locatie is als volgt: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 28 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de formatie van Twente. De deklaag is ter plaatse zeer dun. Onder deze deklaag bevindt zich een tertiaire kleilaag. Het doorlatend vermogen is eveneens gering. - Er zijn geen gegevens omtrent het doorlatend vermogen. De locatie ligt ten oosten van de waterscheiding op de stuwwal Ootmarsum. Door afstroming vanaf de stuwwal stroomt het grondwater in oostelijke richting met een onbekend verhang. De grondwaterstand bedraagt circa 2.0 meter min maaiveld. - Er ligt nabij de onderzoekslocatie geen waterwingebied of oppervlaktewater van enige betekenis.
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 2 van 6
3
Werkwijze 3.1
Verzamelen van de historische en huidige gegevens
Ten behoeve van het verzamelen van historische en huidige gegevens hebben de navolgende raadplegingen van bronnen plaatsgevonden: Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Bron
Specificatie
Relevante informatie
Eigenaar / opdrachtgever
Vroegere en huidige gebruik locatie
Ja
Locatiebezoek
Door medewerker Kruse Milieu BV
Ja
Gemeente Dinkelland
Milieuvergunningen en bodeminformatie
Ja
Kruse Milieu BV
Archief eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Nee
Omgevingsrapportage
https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/
Ja
Google Maps
https://www.google.nl/maps
Ja
Topotijdreis
https://www.topotijdreis.nl/
Ja
BAG-viewer
https://bagviewer.kadaster.nl/
Ja
Perceelloep
https://perceelloep.nl/
Ja
Ruimtelijke plannen
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/
Ja
Grondwatertools
https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/
Ja
DINOloket
https://www.dinoloket.nl/
Ja
AHN-viewer
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
Ja
Bodemkwaliteitskaart
Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020
Ja
De aldus verkregen informatie is samengevat en geïnterpreteerd in hoofdstuk 4.
3.2
Methodiek en beschikbare informatie
Alleen informatie, die betrekking heeft op het geografisch besluitvormingsgebied (met een buffer van 25 meter), wordt in dit vooronderzoek behandeld. Het geografisch besluitvormingsgebied het zuidoostelijke deel van het erf waarvan de huidige bestemming (agrarisch) gewijzigd zal worden naar wonen. In bijlage I is een luchtfoto opgenomen, waarop het geografisch besluitvormingsgebied is aangegeven.
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 3 van 6
4
Beschikbare informatie
In dit hoofdstuk worden de verkregen resultaten en inzichten behandeld van informatie van de gemeente, opdrachtgever en historisch kaartmateriaal.
4.1
Historisch gebruik
Op de topografische kaart van 1903 zijn de Wiemselweg, de Ottershagenweg, de Laagseweg en de Spölmanweg aangegeven. Tevens zijn er enkele voormalige wegen aanwezig, waarvan één weg ter plekke van het besluitvormingsgebied. De weg liep in het verleden van de huidige Ottershagen weg naar de Wiemselweg en de Laagseweg en betrof een zandweg. Ter plekke van de woning aan de Wiemselweg 17 is vanaf 1955 bebouwing weergegeven op de topografische kaarten. Het bijgebouw is vanaf 1965 weergegeven op de topografische kaart. Uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) blijkt dat de huidige woning en de schuur in 1980 zijn gebouwd. Vermoedelijk zijn de woning en de schuur in 1980 herbouwd. Op de topografische kaart van 1976 is de weg aan de oostzijde van het erf aan de Wiemselweg 17 niet meer aanwezig. Ook het stuk van de weg aan de overzijde van de locatie (tussen de Wiemselweg en de Ottershagenweg) is niet meer weergegeven. Ten zuiden van Laagsestraat 40 is nog een gedeelte van de weg aanwezig. De grens tussen de voormalige gemeenten Denekamp en Ootmarsum is op de topografische kaart van 1997 aan de oostzijde van het besluitvormingsgebied weergegeven. De gemeente Ootmarsum is destijds uitgebreid voor de aanleg van het industrieterrein De Mors. In 2001 zijn de gemeenten gefuseerd en is er ter plekke van het besluitvormingsgebied geen grens meer.
In 2012 is de tuin uitgebreid in de richting van het naastgelegen weiland. Tevens is te zien dat de woningen met huisnummer 17 en 19 verbouwd worden. In 2019 is de erfverharding ten zuidoosten van de woning aangebracht. Sindsdien is de situatie ter plekke van het besluitvormingsgebied niet gewijzigd. De historische topografische kaarten en luchtfoto’s zijn weergeven in bijlage II.
4.2
Milieudossiers
Er is navraag gedaan bij de gemeente Dinkelland. Er is geen milieudossier beschikbaar van de locatie. Het besluitvormingsgebied is tussen ongeveer 1955 en 2019 in gebruik geweest als landbouwgrond (akker of weiland). De locatie aan de Wiemselweg 17 is momenteel al lange tijd in gebruik als woonhuis en er is geen agrarisch bedrijf gevestigd geweest.
4.3
Bodemdossiers
Binnen het besluitvormingsgebied of in de directe omgeving hiervan is voor zover bekend niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd. Er is een bodemonderzoek uitgevoerd op het naastgelegen weiland. Dit onderzoek wordt hieronder toegelicht: Verkennend bodemonderzoek Industrieterrein De Mors IV te Ootmarsum, Tauw Milieu BV, d.d. 26 juli 1996 met rapportnummer R3509249.N01/GAL De aanleiding van het bodemonderzoek was de voorgenomen aanleg van het industrieterrein De Mors IV, gelegen tussen de Wiemselweg en De Mors in Ootmarsum. Het weiland ten zuidoosten van het besluitvormingsgebied valt binnen de deellocatie “Terrein B”. Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 4 van 6
Ter plaatse van terrein B is alleen de grondslag en de geohydrologische situatie onderzocht. Er zijn geen analyses uitgevoerd. De bodemopbouw nabij Wiemselweg 17 (peilbuis 1) is als volgt: 0 - 0.5 m-mv: 0.5 - 2.25 m-mv: 2.25 - 5.0 m-mv:
matig grof humeus zand matig grof grindig zand met zeer weinig stenen zandig leem
De grondwaterstand bedroeg circa één week na plaatsing 2.14 m-mv. Het boorplan van het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage III. Bodemkwaliteitskaarten Op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) wordt verwacht dat de boven- en ondergrond voldoen aan de klasse AW2000. Op basis van de Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS (Tauw bv, mei 2020) wordt verwacht dat de boven- en ondergrond met betrekking tot PFAS voldoen aan de klasse landbouw/natuur.
4.4
Huidig gebruik van de locatie
In bijlage I is een luchtfoto van de huidige situatie opgenomen, waarop het besluitvormingsgebied is aangegeven. Van de terreininspectie is een fotoreportage weergeven in bijlage IV. Het besluitvormingsgebied is grotendeels verhard met klinkers en in gebruik als oprit naar de woning en als parkeerplaats voor auto’s. Het overige deel van het gebied is onverhard en in gebruik als gazon. Aan de noordzijde van het besluitvormingsgebied is een hek aanwezig. De voormalige weg ter plekke van het besluitvormingsgebied is niet meer waarneembaar. De bomen in de achtertuin hebben vermoedelijk langs de voormalige weg gestaan. Aan de overzijde van de Wiemselweg heeft de voormalige weg aan de zuidoostzijde van het huidige bos gelopen. Dit deel van de voormalige weg is tegenwoordig in gebruik als weiland.
4.5
Toekomstig gebruik van de locatie
In 2019 is het terreindeel in gebruik genomen als onderdeel van het erf aan de Wiemselweg 17 en verhard met klinkers. Ter plaatse van het besluitvormingsgebied zal een bijgebouw (schuur) gebouwd worden. De schuur heeft een oppervlakte van circa 95 m2 en zal geen verblijfsfunctie krijgen. In bijlage V is het erfinrichtingsplan opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 5 van 6
5
Conclusies
Het besluitvormingsgebied is in gebruik als oprit en tuin bij de ten noorden gelegen woning aan de Wiemselweg 17 in Oud Ootmarsum. De oprit is verhard met klinkers en het onverharde deel is begroeid met gras. Uit de historische topografische kaarten blijkt dat het besluitvormingsgebied tot ongeveer de jaren ’70 in gebruik is geweest als weg. De voormalige weg liep van de Ottershagenweg naar de Wiemselweg en de Laagsestraat. Er zijn ter plekke geen waarnemingen gedaan die duiden op een voormalige weg (ook niet aan de overzijde van de Wiemselweg). Sinds de jaren ’70 is het terreindeel in gebruik als landbouwgrond (weiland en akker). In 2012 is de woning aan de Wiemselweg 17 verbouwd en is het besluitvormingsgebied in gebruik als tuin. De klinkerverharding is aangebracht in 2019 en sindsdien is de situatie niet gewijzigd. Op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) en de Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS (Tauw bv, mei 2020) wordt verwacht dat de boven- en ondergrond ter plekke van het besluitvormingsgebied niet verontreinigd zijn (klasse AW2000). Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de herziening van het bestemmingsplan. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik.
Omdat de te bouwen schuur (bijgebouw) geen verblijfsfunctie zal krijgen, kan het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek achterwege blijven. Eventueel vrijkomende grond kan ter plekke hergebruikt worden of kan op basis van de bodemkwaliteitskaart elders binnen de regio Twente worden toegepast.
Kruse Milieu BV
Project: 22065925
pagina 6 van 6
Bijlage I Luchtfoto met geografisch besluitvormingsgebied
N
Besluitvormingsgebied perceel
Bijlage II Historische topografische kaarten en luchtfoto’s
1903
1955
1965
1976
1997
2019
2008
2018
2019
Bijlage III Boorplan verkennend bodemonderzoek (Tauw Milieu BV, 1996)
Bijlage IV Fotoreportage terreininspectie