CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld.pdf

Commissie Omgeving & Economie 14 mei 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld”25.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPWESTERIKWEG3VG01

Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 11 12 12

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 13

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

15 15 17 24

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.2 Bodem

29 29 29

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

30 32 33 35 37 38 40 41 42 42

Water Erfgoed Flora en fauna Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Juridische aspecten 5.2 Handhaving

45 45 47

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiele uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49 49

Hoofdstuk 7 Procedure en overleg 7.1 Procedurestappen 7.2 Vooroverleg 7.3 Zienswijzen

51 51 51 51

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Inrichtingsplan Bijlage 2 KGO-plan

53 54 75

2

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Verkennend Bodemonderzoek Aanvulling verkennend bodemonderzoek Watertoets Natuurtoets Stikstofberekening

96 155 218 224 255

Regels

289

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

291 291 295

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Agrarisch -1 Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf Bos en Natuur

297 297 299 302

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

305 305 306 307 308 309 310

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

311

Artikel 12 Artikel 13

Overgangsrecht Slotregel

311 312

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Inrichtingsplan Westerikweg Bijlage 2 Herinrichting wandelpad

313 314 316

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

3

4

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

5

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

7

8

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer, eigenaar van de gronden aan de Westerikweg 3 te Saasveld, is voornemens het bestaande loonen grondverzetbedrijf uit te breiden. Dit in verband met de toekomstbestendigheid en uitbreidingsplannen van het bedrijf en het aldaar aanwezige woongenot. Hierbij dienen de bouwmogelijkheden te worden verruimd naast dat de enkelbestemming 'Bedrijf-Agrarisch loonbedrijf' dient te worden vergroot waarbij de maximale toegestane bedrijfsbebouwing wordt vastgelegd. Zo is initiatiefnemer voornemens de huidige bedrijfswoning met bijgebouw te slopen en vervolgens te verplaatsen gelet op een passende erfstructuur. Hierbij wordt per saldo de bedrijfsbestemming verruimd. Gelet op de gewijzigde invulling van de bouw- dan wel gebruiksplannen past het voornemen niet binnen het vigerende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010". Het plan is strijdig aangezien de uitbreiding gerealiseerd wordt buiten de huidige bestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf' waarbij de uitbreiding gedeeltelijk plaatsvindt binnen de huidige bestemming 'Agrarisch-1'. Deze bestemming voorziet in geen bouwdan wel gebruiksmogelijkheden om het voornemen toe te kunnen staan. Daarnaast dient de beoogde uitbreiding van bedrijfsmogelijkheid planologisch te worden geborgd. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan partieel te worden herzien.

Het doel van deze herziening is het creëren van een dusdanige planologisch-juridische situatie dat het voorliggende plan kan worden gerealiseerd. De gemeente Dinkelland heeft aangegeven om onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Westerikweg 3 te Saasveld. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie T met perceelnummers 1552, 1553, 1930 en 1932. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, ten noorden van de kern Saasveld en wordt voornamelijk omgeven door agrarische bedrijven en agrarische cultuurgronden. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven en in figuur 1.2 de begrenzing. Het plangebied is met een rode omcirkeling en rode omlijning aangeduid.

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

9

Figuur 1.1: de ligging van het plangebied ten opzichte van kern Saasveld

Figuur 1.2: de begrenzing van het plangebied 10

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

1.3 Vigerend bestemmingsplan Op onderhavige locatie is het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" (vastgesteld 2010-02-18) en het wijzigingsplan "Westerikweg 3 Saasveld" (vastgesteld 2011-07-15) van toepassing. Tevens geldt ter plaatse het 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland', vastgesteld op 2018-05-29. Het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf' en 'Agrarisch - 1' met daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt'. De maximum goot- en bouwhoogte voor bedrijfsbebouwing ter plaatse bedraagt respectievelijk 6 meter en 12 meter. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch - 1' is het niet toegestaan om bedrijfsbebouwing anders dan ten behoeve van de agrarische bestemming te realiseren. Tevens dient bebouwing binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Aangezien binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' geen bouwvlak aanwezig is, is nieuwe bebouwing ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch -1' niet toegestaan. De bouw van een vervangende bedrijfswoning en de uitbreiding van de bedrijfsbestemming binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' zijn daarom niet mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan.

Figuur 1.3: Uitsnede vigerende ruimtelijke plannen Het voorliggend plan voldoet op de volgende punten niet aan de regels uit het vigerend bestemmingsplan: 1. Het is op dit moment toegestaan om een maximaal bedrijfsoppervlak van 1.425 m2 te bebouwen, exclusief de bedrijfswoning. Het voorliggende plan betreft een nieuwe situatie waarbij de 1.425 m2 wordt overschreden en vergroot naar 1.614 m2, wat betekent dat het plan niet in lijn is met het vigerend bestemmingsplan. 2. Op de plek van de beoogde nieuwe bedrijfswoning is de grond bestemd als 'Agrarisch - 1' met de functieaanduiding 'Specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt'. Op deze gronden is geen bedrijfswoning toegestaan, wat betekent dat de ontwikkeling niet in lijn is met het vigerend bestemmingsplan. 3. Uitbreiding van de bedrijfsbestemming is beoogd op agrarische gronden wat niet past binnen de regels van het vigerend bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

11

1.4 Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.1774.BUIBPWESTERIKWEG3-VG01) regels; De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse bestemmingen. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan en tot slot wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven.

12

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het plan

2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt aan de Westerikweg 3 in het buitengebied van de kern Saasveld, ten noorden van het dorp Saasveld. In de directe omgeving van het plangebied liggen overwegend weilanden, agrarische bedrijven en verspreide woonpercelen. Het plangebied wordt omsloten door agrarische cultuurgronden met verspreid een aantal erven. Binnen het plangebied is een agrarisch loonbedrijf gesitueerd met een bijbehorende bedrijfswoning en bijgebouwen. Op het erf staan meerdere bedrijfsgebouwen en op het buitenterrein is een opslagplaats aanwezig voor de opslag van machines en materialen. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.

Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied

2.2 Toekomstige situatie In de beoogde situatie wordt de bestaande bedrijfswoning gesloopt en aan de oostzijde herbouwd. Hierdoor ontstaat een passende erfopzet met wonen aan de voorzijde en bedrijvigheid in het verlengde daarvan. De huidige bedrijfswoning heeft een inhoudsmaat van 983 m3. Deze inhoudsmaat blijft bij de nieuw te bouwen woning gehandhaafd waarbij sprake zal zijn van inwoning. Tevens zal er een nieuw te bouwen bedrijfsgebouw worden gerealiseerd met een totaal vloeroppervlak van 322 m2. De twee schuren blijven behouden. Gelet op de beoogde uitbreiding zal de bedrijfsbestemming worden verruimd. Het gaat hierbij zowel om een verruiming aan de noordzijde, noordwestzijde en zuidzijde. Tevens zal het perceel landschappelijk worden ingepast middels het handhaven van de houtopstanden, de nieuwe aanplant van een bomenrij, solitaire beplanting en versterken van de zichtlijnen. Voor het gehele ruimtelijk kwaliteitsplan wordt verwezen naar Bijlage 1. In figuur 2.2 is een uitsnede van het ruimtelijk kwaliteitsplan weergeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

13

Figuur 2.2: Indicatieve inrichtingstekening van het plangebied

14

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherpere keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan. 2.3.3

Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid is beschreven dat wanneer een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dit plan een beschrijving omvat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

15

worden voorzien. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van het rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het invullen van de vraag naar de behoefte en locatie zijn de volgende uit artikel 1.1.1. Bro van toepassing: 1. Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. 2. Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of er sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan dat er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Doorwerking in het onderhavige plan Voordat de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorliggend plan betreft de realisatie van een vervangende bedrijfswoning en het uitbreiden van de bedrijfsbestemming zowel in omvang als in bebouwing. Gelet op de begripsomschrijving is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het Rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze definitie. Op voorliggende ontwikkeling is onder andere de overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing.

Uit deze uitspraak blijkt dat wanneer een bestemming voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2 er in beginsel sprake is van en stedelijke ontwikkeling en er getoetst moet worden aan de ladder van Duurzame verstedelijking. Vervolgens moet worden bepaald of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Wanneer een ontwikkeling voorziet in de reducering of verplaatsing van bebouwing wordt dit niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een vervangende wooneenheid en de bedrijfsbestemming wordt vergroot. Tevens neemt de bebouwing, zie Inrichtingsplan, planologisch toe. Gelet op vorenstaande en de uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1724 kan geconcludeerd worden dat er derhalve sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee van toepassing op het plan en de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven.

De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling en bedrijfsuitbreiding. Bestaand stedelijk gebied Als een stedelijke ontwikkeling in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de Ladder. Gelet op de begripsbepaling voor 'bestaand stedelijk gebied', wordt gesteld dat de bestaande inrichting van het plangebied buiten bestaand stedelijk gebied betreft. In dit kader voldoet onderhavig plan niet aan de Ladder en is een extra motivering vereist. Behoeftebepaling De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. De Ladder verplicht niet in alle gevallen tot regionale afstemming. Op basis van de aard en de omvang van het bouwplan moet bepaald worden of regionale afstemming nodig is. Bij kleinschalige ontwikkelingen die geen gemeentegrens overstijgend effect hebben, is bovengemeentelijke afstemming niet nodig. In kwalitatieve zin kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een vervangende bedrijfswoning behorend bij een bedrijf dat genoodzaakt is om uit te breiden. Het gaat hierbij om een lokaal gevestigd bedrijf dat middels de beoogde ontwikkeling toekomstbestendig wordt gemaakt.

Gelet op de werkzaamheden ter plaatse is het noodzakelijk dat eigenaren van de bedrijfsvoering dichtbij het perceel 16

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

verblijven. Om te voorkomen dat het huidige woongenot onder de beoogde bedrijfsuitbreiding lijdt, dient een passende erfopzet te worden verkregen, waardoor de bedrijfswoning wordt verplaatst. De behoefte van onderhavig plan is gerechtvaardigd op basis van jurisprudentie (ABRvS 20 mei 2015; ECLI:NL:RVS:2015:1581). Het plan voorziet in de uitbreiding van een al bestaand bedrijf. De verhuizing van dit bedrijf naar een alternatieve locatie is gelet op financiële redenen niet wenselijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat aangrenzend aan de huidige bedrijfsvoering gronden beschikbaar zijn voor een gezonde, efficiënte, duurzame en bedrijfseconomische voortzetting van de bedrijfsvoering. Hierdoor kan ten opzichte van een algehele verplaatsing middels relatief beperkte maatregelen een toekomstbestendige situatie worden verkregen. Tevens zijn er in de gemeente Dinkelland nagenoeg geen alternatieve gronden waar de huidige bedrijfsvoering naar verplaatst kan worden, om waardevermindering van zowel de huidige locatie als de alternatieve locatie te voorkomen. Ruimtelijk verzorgingsgebied Het loon- en verzetsbedrijf betreft een lokaal geworteld bedrijf waarbij de werkzaamheden met name plaatsvinden binnen de gemeente Dinkelland en Tubbergen.

Daarnaast vinden sommige werkzaamheden dan wel de inzet van machines buiten de gemeentegrenzen plaats aangezien het loon- en verzetsbedrijf beschikt over machines waarbij landelijke schaarste van toepassing is. Hierbij komen de werknemers eveneens veelal binnen de gemeentegrenzen vandaan. Gelet op de activiteiten die binnen de bedrijfsvoering plaatsvinden zijn korte rijafstanden noodzakelijk. Daarnaast maakt het gebruik van machines en voertuigen die gelet op de verkeersveiligheid niet voor lange afstanden geschikt zijn. Op basis van input van de eigenaar ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden met name op de loontak. Juist voor deze activiteiten is de lokale gebondenheid van belang. Hierbij zal de uitbreiding van de huidige bedrijfsvoering niet resulteren in de bedrijfsvoering van omliggende loon- en verzetsbedrijven binnen de gemeentegrenzen. Ruimtebehoefte De machines behorende bij het loon- en verzet bedrijf gaan gepaard met een geruime omvang en maatvoering. Hierbij moet gedacht worden aan tractoren, graafmachines, wielladers en shovels. Deze machines dienen gelet op het behoud danwel de levensduur met zorg te worden gestald. Hiervoor is een passende maatvoering qua bedrijfsbebouwing noodzakelijk waar in voorliggend bestemmingsplan invulling aan wordt gegeven.

Conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt meer bebouwing mogelijk dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime mogelijk was, of kon worden gerealiseerd. Derhalve is er sprake van een nieuw beslag op de ruimte en dus is de Laddertoets van toepassing. Uit het bovenstaande volgt dat aantoonbaar sprake is van behoefte aan de beoogde stedelijke ontwikkeling. Ondanks dat de ontwikkeling plaatsvindt buiten bestaand stedelijk gebied voldoet het plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat het bedrijf met bijbehorende woning redelijkerwijs niet verplaatst kan worden naar bestaand stedelijk gebied waarbij invulling wordt gegeven aan een locatie die als meest geschikt wordt geacht.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Dit betekent dat de provincie ruimte wil bieden voor de ontwikkeling van werkgelegenheid en hoogwaardige woonmilieus tot stand willen brengen. Dynamiek ziet de provincie als een kans om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid te versterken. Dit wordt gedaan door in te zetten op een evenwichtige afweging van beleidsambities waaronder waterveiligheid, een gezond milieu en goede volksgezondheid. Daarnaast wordt ook gestuurd op het versterken van de waardevolle en karakteristieke kenmerken van het landschap. Om de omgevingsvisie tot uitvoering te brengen bevat deze een uitvoeringsmodel. In dat model staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing. Soms is deze sturing normstellend, maar meestal is de sturing richtinggevend of inspirerend.

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

17

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die ruimtelijke onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening richt zich dan ook - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - uitsluitend op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in de verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Voorliggend plan is getoetst aan de relevante beleidsregels uit de provinciale verordening en worden in de navolgende hoofdstukken beschreven. 3.2.2.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus.

Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. In navolgende afbeelding wordt het uitvoeringsmodel weergegeven.

Figuur 3.1:: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De betreffende niveaus worden hierna toegelicht waarbij het plan wordt getoetst aan het betreffende niveau uit het uitvoeringsmodel. 3.2.2.2 Generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de EU, het Rijk of de provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Als deze beleidskeuzes het gevolg zijn van provinciale keuzes zijn ze verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Doorwerking in plangebied Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' is met name artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op dit artikel wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) In artikel 2.1.3 stelt de provincie eisen aan bestemmingsplannen die voorzien in een extra ruimtebeslag in de Groene Omgeving. Dergelijke ontwikkelingen zijn mogelijk als aannemelijk is gemaakt: lid 1:Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: 18

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2: Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Gelet op de toekomstbestendigheid van het bedrijf, mede uitgewerkt in de ladderonderbouwing behorende bij het Rijksbeleid, is een uitbreiding van de huidige bedrijfsvoering noodzakelijk. Aangezien er een bedrijfsuitbreiding plaatsvindt en een passende erfontwikkeling, wil initiatiefnemer in één slag de gehele situatie passend wijzigen. Hierbij ontstaat een logischere erfopzet waarbij het woon- en leefklimaat positief wordt beïnvloed. De beoogde uitbreiding is gevonden aangrenzend aan het huidige perceel waarbij sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Tevens zal de nieuwe perceelsinrichting conform de aanwezige gebiedskenmerken worden ingepast. Verder zorgt de verplaatsing van de bedrijfswoning voor een logische perceelsopzet waarbij ondanks dat er sprake is van één bestemmingsvlak, een duidelijke scheiding is tussen wonen en de bedrijfsvoering. Tot slot dient te worden opgemerkt dat elders binnen de gemeente geen beschikbare bedrijfskavels aanwezig zijn waar, binnen stedelijk gebied een verplaatsing mogelijk is. Hierdoor worden de gronden aangrenzend aan de huidige bedrijfsvoering als 'best choice' beschouwd waarbij geen kapitaalsvernietiging plaatsvindt. Artikel 2.1.4 (Toekomstbestendigheid) In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus: de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijk voorraden; ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening Overijssel De nieuwe ontwikkeling is benodigd om het bedrijf te voorzien in hun behoefte om toekomstbestendig te worden.

Het bedrijf is zodanig gegroeid dat het de laatste jaren niet naar behoefte heeft kunnen fungeren. Met het oog op de toekomst biedt voorliggend bestemmingsplan de mogelijkheid om invulling aan de behoefte te geven. Tevens wordt middels het voornemen een kapitaalsslag gemaakt waarbij verrommeling wordt voorkomen. Op die manier wordt verrommeling tegengegaan. Daarnaast worden de gebiedskenmerken middels een landschappelijke inpassing zowel in het plangebied als een KGO-investering buiten het plangebied versterkt. Artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (of-, waar- en hoe benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De landschappelijke inpassing, behorende bij onderliggend bestemmingsplan draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt ingezet op een passende invulling van het perceel in overeenstemming met de aldaar aanwezige gebiedskenmerken. In Bijlage 1 Inrichtingsplan is het gehele kwaliteitsplan bijgevoegd. bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

19

Daarnaast worden de cultuurhistorische elementen hersteld bij het wandelpad middels de benodigde KGO-investering. Hierdoor wordt de dorpsrand versterkt en neemt de ruimtelijke kwaliteit, niet alleen binnen het plangebied maar ook nabij de kern toe. Hierbij wordt verwezen naar Bijlage 2 KGO-plan. Voor verdere motivering van dit artikel wordt verwezen naar de paragrafen 'Ontwikkelingsperspectieven (waar)' en 'Gebiedskenmerken (hoe)'.

2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen voorzien in nieuw vestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een KGO-plan opgesteld. In dit plan zijn de investeringen in ruimtelijke kwaliteit beschreven. In het KGO-plan is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate is gecompenseerd. Het KGO-plan is toegevoegd als Bijlage 2 KGO-plan behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. 3.2.2.3 Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.

Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.; Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. 3.2.2.4 Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. Natuurlijke laag. 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. 3. Stedelijke laag. 4. Laag van beleving.

Natuurlijke laag Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Beekdalen en natte laagtes'.

20

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Figuur 3.2: Gebiedskenmerken Natuurlijke laag Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Ambitie De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Sturing Norm - Het waterpeil is niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is. Richting - Beekdalen en laagtes krijgen een beschermende bestemmingsregeling gericht op instandhouding van het watersysteem, de waterkwaliteit en voldoende ruimte voor water en indien het bestaande (agrarisch) gebruik dat toelaat natuurlijke dynamiek.

- Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Inspiratie - De onderdelen vanuit een perspectief op het geheel van het lineaire beeksysteem inrichten en beheren. De oeverlanden komen onder invloed van de waterdynamiek. (Broek)bos op de hogere randen. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In of nabij het plangebied zijn geen beekdalen aanwezig. Dit betekent dat er geen natuurlijke kenmerken van dit landschap worden geschaad. Laag van het agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' aangeduid met de gebiedstype 'Essenlandschap'. bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

21

Figuur 3.3: Gebiedskenmerken Laag van het agrarisch cultuurlandschap Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, -voormalige- heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreiden erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Ambitie De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplanting, routes en open ruimtes wordt versterkt. Sturing Norm - De essen krijgen een beschermde bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de huidige bodemkwaliteit en het huidige reliëf.

- Op de flanken krijgen de kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen, een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van dit kleinschalige patroon. Richting - Als ontwikkelingen plaatsvinden in het essenlandschap dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Inspiratie - Op grote essen is ruimte voor grootschalige grondgebonden landbouw. Accentueren en zichtbaar houden van de rand van de es als groene 'mantel'. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In het landschapsplan is aandachtig omgegaan met het oorspronkelijke essenlandschap. Er is rekening gehouden met het behouden van de openheid van het gebied. Ondanks dat er vele landschapselementen zijn verdwenen door de jaren heen, wordt er tevens nagedacht over het herstel van het oorspronkelijke raamwerk en/of het robuust inpassen van erven. Stedelijke laag 22

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Verspreide bebouwing'.

Figuur 3.4: Gebiedskenmerken Stedelijke laag De agrarische erven hebben van oudsher een sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen die nu nog steeds herkenbaar zijn, zoals het essenlandschap Ambitie De ambitie is levende erven. Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Deze ervenensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra bebouwing een alternatief bieden voor de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale/regionale sociaal-economische ontwikkeling. Sturing Norm - De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

Richting - Als ontwikkelingen plaatsvinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid tussen voorkant-achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. Inspiratie - Reanimatie agrarisch erfgoed wordt gestimuleerd. - Kwaliteitsadvies bij de transformatie van erven bijvoorbeeld via een 'erven-consulent' van het Oversticht. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling is middels de landschappelijke inpassing en de KGO-investering ingezet op het versterken van de bebouwing in de omgeving naast een tegenprestatie door de voorgenomen ontwikkeling middels het wandelpad. Er is rekening gehouden met het oorspronkelijke essenlandschap waarbij passende bomen worden aangeplant. Door de bedrijfswoning in zekere zin te draaien waardoor de woning weer richting de openbare ruimte is gericht, wordt de connectie tussen het perceel, het landschap en de publieke ruimte bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

23

versterkt. Tevens wordt hierdoor de toegankelijkheid verbeterd, omdat het gebied weer zichtbaar en herkenbaar wordt. Laag van de beleving Het plangebied is op de 'Laag van de beleving' niet aangeduid.

Figuur 3.5: Gebiedskenmerken Laag van de beleving 3.2.2.5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling niet strijdig is met de uitgangspunten van het provinciale beleid. Het voornemen voorziet in een passende uitbreiding waarbij eveneens een passende tegenprestatie van toepassing is. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. 2. 3. 4.

We doen het samen. We geven het goede voorbeeld. We wentelen niet af op volgende generaties. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

De gemeente Dinkelland wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap 24

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. In figuur 3.6 is een uitsnede van de waardenkaart weergegeven. Het plangebied is met een blauwe omcirkeling aangeduid. Hierna wordt op de toetsing ingegaan.

Figuur 3.6: De Waardenkaart uit de Omgevingsvisie Gemeente Dinkelland

Het plangebied ligt zowel in de zone 'middelgroen' als 'Donkergroen' waarbij de nadruk ligt op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek en gericht op behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek. Hierna wordt verder op deze lagen ingegaan; Beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek; Waarden afwisseling van openheid en beslotenheid; landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon; veel variatie in beplanting en grondgebruik; recreatieve belevingswaarde. Behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek; Waarden passend in de schaal van het landschap; veel variatie in beplanting; open-gesloten;

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

25

licht-donker; hoge ecologische waarde; hoge biodiversiteit; veel beleefbare cultuurhistorie; hoge belevingswaarde. Toets Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de sloop van een oude bedrijfswoning, de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en de uitbreiding van het al bestaande bedrijf middels bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden. Hiervoor dient het oppervlak van de bedrijfsbestemming te worden vergroot, de bestemming te worden aangepast en wordt een nieuwe opstal gerealiseerd. Dit in het kader van toekomstbestendigheid. De bouw van de nieuwe bedrijfswoning zorgt eveneens voor een beter woon- en leefklimaat voor de bewoners waardoor de bedrijfsvoering voor een langere tijd uitgevoerd kan worden en er een win-win situatie plaatsvindt, bestaande uit een passend woonerf en aangrenzende bedrijfsgronden. Op basis van het KGO-plan, bijgevoegd als Bijlage 2 KGO-plan wordt het plangebied landschappelijk ingepast, waardoor de biodiversiteit op en om het perceel vergroot wordt en een passende afscherming komt in relatie tot het landschap. Hierbij vindt een ruimtelijke kwaliteitswinst plaats, zowel ter plaatse van het plangebied als het wandelpad. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. 3.3.2

Buitengebied met kwaliteit

Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen. Al deze functies leggen veel druk op het buitengebied, daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Het voormalige ruimtelijke beleid (Rood voor Rood, Schuur voor Schuur, VAB+) was op onderdelen onnodig ingewikkeld waardoor de vraag naar een eenvoudiger en overzichtelijker beleid voor het buitengebied kwam. In deze beleidsregel wordt per functie in het buitengebied de mogelijkheden tot uitbreiding, sloop en functiewijziging weergegeven. Hieronder wordt op de mogelijkheden ingegaan; Uitbreiden bedrijfsgebouwen Voor de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen binnen een bestaand bedrijfsperceel met de functie 'Bedrijf (niet-agrarisch), is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1 van het beleidsdocument 'Buitengebied met kwaliteit'. Voor de uitwerking hiervan wordt verwezen naar de toetsing van dit hoofdstuk. KGO berekening Hieronder wordt op de KGO invulling wat betreft de locatie Westerikweg ingegaan. Voor de gehele invulling wordt verwezen naar Bijlage 2 KGO-plan.

De aanvraag betreft een uitbreiding van het bedrijfsperceel (paragraaf 5.4 van het beleid). De hoogte van de kwaliteitsimpuls wordt in dat geval bepaald door vooraf bepaalde bedragen. De waardestijging van agrarisch gebied naar een “niet-agrarisch bedrijf” bedraagt € 50,- per m2 exclusief btw. De totale vergroting is in dit geval netto 3.964,80 m2. Dat levert een waardestijging van € 198.239,80. Omdat de gebouwen via de schuur voor schuur benadering toegevoegd moeten worden zou de ondergrond van de schuren twee keer gerekend worden. Nu vanwege de uitbreiding, later vanwege de sloop- en proceskosten omtrent de aan te kopen schuren. Derhalve is een grondvlak van 600 m2 uit de berekening gehouden als reservering. Over de gestelde € 30.000,- wordt afgesproken: 1. De verplichting voor het (alsnog) afstorten in een fonds van het genoemde bedrag vervalt bij het invullen van de vierkante meters door de schuur voor schuur regeling. 2. Wordt binnen 5 jaar geen gebruik gemaakt van deze regeling, dan dient de aanvrager het genoemde bedrag af te storten. De bestemming bos/natuur kan (ook) in mindering worden gebracht. Het subtotaal is daarom € 166.007,80. Er kan en mag gebruik worden gemaakt van een maatwerkclausule. In dit geval kan onderbouwd worden dat de uitbreiding minimaal vanwege werkgelegenheid, logistiek, veiligheid en ruimtegebrek heeft plaatsgevonden.

Daardoor kan 20% af worden getrokken. Hoewel de kosten veel hoger liggen, mogen daarnaast 10% van de 26

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

advieskosten (met een maximum van € 5.000,-) worden afgetrokken en tot slot de kosten van het kwaliteitsteam van de gemeente Dinkelland. Dat geeft als resultaat dat men € 127.306,24 moet investeren. Deze investering is als volgt voorgesteld: Loonbedrijf Stege initieert de werkzaamheden en reserveert € 124.653,40 ex BTW aan het herstel en de herinrichting van wandelpad “De Burcht” / het kerkepad gelegen in Saasveld. Daartoe is een plan opgesteld door NTP. ten opzichte van het gepresenteerde plan is post 631 teruggenomen. Dat betekent dat de tweede beoogde brug in het plan geen onderdeel is van deze KGO bijdrage. Het plan is gepresenteerd aan omwonenden en daartoe is een calculatie opgesteld met de genoemde totaalsom. Het plan is kort omschreven in paragraaf 5 van dit schrijven, maar als separaat plan inclusief tekening opgemaakt en opgesteld. Indien het gereserveerde geld niet binnen de gestelde termijn van 2 jaar na datum van vaststelling van het voorgestelde bestemmingsplan Westerikweg 3 is benut dient het geld, dan wel het restant, overgemaakt te worden aan de gemeente Dinkelland. De gemeente stuurt hiervoor t.z.t. een nota indien nodig. Het geld kan vanaf dat moment worden gebruikt voor ruimtelijke initiatieven elders in de gemeente Dinkelland.

Het restant: € 2.652,84 exclusief BTW dient loonbedrijf Stege binnen de gestelde termijn van 2* jaar na datum van vaststelling van het voorgestelde bestemmingsplan met betrekking tot de Westerikweg 3 over te maken naar de gemeente Dinkelland. Aansluitend wordt de afspraak gemaakt dat, als de werkzaamheden rondom het kerkepad onbedoeld meer kosten vragen (onder meer door de hoge inflatie), in overleg met de gemeente Dinkelland kan worden overwogen om het restant daaraan beschikbaar te stellen. In dat geval stuurt de gemeente Dinkelland geen nota. Gesteld moet worden dat de voorgenomen ontwikkeling kan voldoen aan het gestelde beleid.

Figuur 3.7: KGO berekening

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

27

28

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 Bodem 4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2

Onderzoek

In juli 2021 is conform BRL DIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002 in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op enkele terreindelen aan de Westerikweg 3 in Saasveld. De nieuwbouwlocatie is onbebouwd en onverhard (weiland). De uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de zuidzijde is verhard met klinkers en de noordelijke uitbreiding is grotendeels verhard met stelconplaten. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging ter plekke van de uitbreiding van het bedrijfsterrein en de geplande nieuwbouw van een woning met bijgebouw. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een wasplaats met tankplaats, dieseltank en slibvangput met olie/benzine-afscheider (SP+OBAS) aanwezig is. Deze wordt geheel beschouwd als één verdachte deellocatie. De nieuwbouwlocatie is onverdacht voor chemische componenten. In de bovengrond (BG - Dieseltank en BG - Wasplaats) en in het grondwater (PB 1 en PB 11) zijn enkele verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in Bijlage 3 Verkennend Bodemonderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

In de bovengrond (BG) en in de ondergrond (OG en OG - SP+OBAS) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het sterk verhoogde zinkgehalte geeft aanleiding voor een nader onderzoek. Een herbemonstering van de peilbuis is noodzakelijk om vast te stellen of er inderdaad sprake is van een sterke zinkverontreiniging in het grondwater. De (zeer) licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium en nikkel geven geen aanleiding voor een nader onderzoek. In juni 2023 heeft een aanvulling op het uitgevoerde bodemonderzoek plaatsgevonden. Het sterk verhoogde zinkgehalte in het grondwater gaf aanleiding voor een herbemonstering. In Bijlage 4 Aanvulling verkennend bodemonderzoek is de gehele rapportage bijgevoegd. Bij de tweede bemonstering van het grondwater is een matig verhoogd zinkgehalte aangetoond. Vanwege de langere rusttijd van de peilbuis worden de resultaten van de herbemonstering als maatgevend beschouwd. Aangezien de interventiewaarde niet overschreden wordt, wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Een matig verhoogd zinkgehalte leidt niet tot humane of ecologische risico's. Advies Omgevingsdienst Twente (ODT) Het onderzoek voldoet aan de geldende normen en richtlijnen. Het onderzoek geeft voldoende inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocaties. Er is geen aanleiding om de aanwezigheid van een sterke bodemverontreiniging te vermoeden.

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

29

Op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Gezien de matige verhoging met zink in het ondiepe grondwater adviseren wij geen freatisch grondwater op te pompen ten behoeve van consumptieve doeleinden. 4.2.3

Conclusie

Het bodemonderzoek geeft voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwbouwlocatie van de bedrijfswoning. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen voor de bedrijfswoning, aangezien de vastgestelde verontreinigen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin). Bij de tweede bemonstering van het grondwater is een matig verhoogd zinkgehalte aangetoond. Vanwege de langere rusttijd van de peilbuis worden de resultaten van de herbemonstering als maatgevend beschouwd. Aangezien de interventiewaarde niet overschreden wordt, wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Een matig verhoogd zinkgehalte leidt niet tot humane of ecologische risico's. Een nader onderzoek wordt in voorliggende situatie dan ook niet noodzakelijk geacht.

4.3 Water 4.3.1

Algemeen

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.1.1 Beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 4.3.2

Onderzoek

4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de 30

bestemmingsplan Buitengebied, Westerikweg 3, Saasveld

waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2.2 Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Lycens in december 2022 een watertoets uitgevoerd. De korte procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/828/documents/21804