Bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo.pdf
Tekst van het document
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 29
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 30
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk".
4.5.3
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval wordt de bedrijfswoning als reguliere woning in gebruik genomen. Daarnaast wordt het deel van het hoofdgebouw dat nu in gebruik is ten behoeve van detailhandel in gebruik genomen als bedrijfswoning. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Nabij het plangebied bevinden zich een aantal (agrarische) bedrijven. Daarnaast blijft de bestaande detailhandelsbestemming in het plangebied grotendeels behouden.
Het voornemen voorziet in het in gebruik nemen van de bestaande bedrijfswoning als reguliere woning en het toevoegen van een bedrijfswoning. De bedrijfswoning komt op kortere afstand van het agrarische bedrijf aan de Kleinesweg 2 te liggen. Dit betreft een grondgebonden veehouderij waarvoor in het kader van milieuzonering een grootste richtafstand van 30 meter geldt voor het aspect geluid. Het aspect geur wordt in paragraaf 4.6 nader beschouwd. Om in kaart te brengen wat de gevolgen van het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als reguliere woning bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 31
zijn, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering. Het bijbehorende onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. In 2019 is ook al een akoestisch onderzoek voor de locatie uitgevoerd. Deze is als Bijlage 4 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LA r,LT Representatieve bedrijfssituatie (RBS) De ambitiewaarde in de RBS wordt op de oostgevel met 1 dBA overschreden met als oorzaak het gebruik van de shovel. De shovel heeft een gangbare geluidssterkte. Een stillere shovel is niet realistisch. Het terrein wordt al gedeeltelijk afgeschermd door een grote schuur. Extra afscherming door middel van een hoog scherm tussen de schuur en de woning is landschappelijk gezien niet gewenst en reëel. De oostgevel ligt op slechts 29 meter uit de as van de drukke N736 met een etmaalintensiteit van circa 6.000 motorvoertuigen op werkdagen waardoor in dat punt een hoge geluidbelasting LA eq heerst van ca 56 dBA in de dagperiode. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid LA 95 is gedefinieerd als LA eq -10 dBA en bedraagt ca 46 dBA op de oostgevel. De geluidbelasting LA r,LT op de oostgevel is ongeveer gelijk aan het niveau LA 95 waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De norm uit het Activiteiten Besluit wordt bij de extra woning niet overschreden Incidentele bedrijfssituatie (IBS) De ambitiewaarde in de IBS (doorslijpen zandsteen) wordt in punt 3 overschreden met als oorzaak de shovel en het doorslijpen. Het doorslijpen veroorzaakt zelfs bij de ten zuiden gelegen woning op 145 m nog te veel geluid. Bron- en schermmaatregelen zijn niet haalbaar tenzij het in een afgesloten ruimte gebeurd. Het doorslijpen is als incidentele activiteit met een ontheffing vergund. De norm uit het Activiteiten Besluit worden bij de extra woning niet overschreden. Maximale geluidniveaus LA max De norm wordt in de nachtperiode in het oostelijke dakvlak overschreden met als oorzaak het rijden van een auto in de nacht. Dit is een incidentele bedrijfsactiviteit die minder dan 12 keer per jaar plaatsvindt. Bronmaatregelen en afscherming zijn niet haalbaar en/of realistisch. Een piekgeluid van 64 dBA op de gevel betekent bij een minimale geluidwering van 20 dBA van de gevel een binnenniveau van (64 – 20=) 44 dBA waarmee de algemene norm van 45 dBA niet wordt overschreden. Het eventueel ’s nachts rijden van een auto levert dus geen onaanvaardbare hinder op. In de nieuwe omgevingswet (verwachting juli 2023) worden piekgeluiden daarom soepeler beoordeeld met als uitgangspunt het binnenniveau in een verblijfsruimte in plaats van het niveau voor de gevel.
Het maximale geluidsniveau wordt dan aanvaardbaar geacht. Beoordeling Omgevingsdienst Twente (ODT) De ODT heeft op 21 maart 2023 advies uitgebracht over het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Hieruit volgt dat er sprake is van een verlaging van de geluidbelasting ten opzichte van het vastgestelde maatwerkvoorschrift. Het vastgestelde maatwerkvoorschrift borgt de activiteiten dan ook voldoende. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6 Geur 4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. 32
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.6.2
Situatie plangebied
De afstand tussen het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak (Kleinesweg 2) en het bouwvlak van de te realiseren bedrijfswoning bedraagt circa 54 meter. De afstand tussen het meest nabijgelegen agrarische bouwperceel bedraagt 51 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstandseis van 50 meter zoals opgenomen in de Wgv. Gelet op vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren bedrijfswoning. Omliggende veehouderijen worden daarnaast ten gevolge van dit bestemmingsplan niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
4.7 Ecologie Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 4.7.1
Gebiedsbescherming
4.7.1.1 Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Volther, Agelerbroek en Achter de Voort” ligt op circa 1,5 kilometer van het plangebied. De planologische mogelijkheid voor het exploiteren van detailhandel wordt deels verwijderd. Daarvoor in de plaats wordt planologisch gezien één woning toegevoegd. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de barrièrewerking van tussenliggende bebouwing wordt geconcludeerd dat als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 4.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op circa 500 meter van het NNN. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN heeft. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 33
4.7.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Er worden geen fysieke ingrepen zoals sloop van bebouwing of het verwijderen van groenstructuren gepleegd. Van enige vorm van aantasting van beschermde dier- en/of plantensoorten is dan ook geen sprake. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna is dan ook niet benodigd. 4.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze, naar verwachting, in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 4.2. Het plangebied is met blauwe cirkel weergegeven.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Afbeelding 4.2 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten”, "Stuwwalhellingen met een plaggendek", "Erf" en "Bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen". Voor de gebiedstypen "Stuwwalhellingen met een plaggendek" en "Bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen" geldt de hoogste archeologische verwachting, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een groter oppervlak dan 2.500 m² en die dieper reiken dan 40 cm. Aangezien voorliggend bestemmingsplan geen bodemingrepen tot gevolg heeft, is archeologisch niet benodigd. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Het bestaande hoofdgebouw wordt wel als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt. De gewenste ontwikkeling gaat niet met fysieke ingrepen gepaard en zorgt voor een duurzaam toekomstperspectief van het hoofdgebouw. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie dan ook geen belemmering vormt voor dit plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9 Water 4.9.1
Vigerend beleid
4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 35
4.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.9.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijfdeelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door dewaterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Deltaen Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben dezewaterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen.
Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 4.9.2
Waterparagraaf
4.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'paragraaf geen waterschapsbelang' van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 5.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2 Opbouw van de regels 5.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
5.2.2
Inleidende regels
5.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 37
5.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 5.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 6): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels (artikel 7): in deze regel wordt de minimale afstand tot wegen en de omgang met eventueel afwijkende bestaande maatvoering geregeld. Algemene gebruiksregels (artikel 8): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens is in dit artikel het bestaande gebruik geregeld. Algemene afwijkingsregels (artikel 9): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels (artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan onder voorwaarden te wijzigen. Overige regels (artikel 11); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen. 5.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
5.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Detailhandel (Artikel 3) De gronden die bij het detailhandelsbedrijf blijven behoren zijn als Detailhandel bestemd.
De gronden met de bestemming Detailhandel zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van detailhandelsbedrijven, met daaraan ondergeschikte bedrijfsactiviteiten, waaronder in ieder geval wordt begrepen het bewerken van goederen van steen, hout en soortgelijke natuurlijke materialen voor de verkoop, bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en ter plaatse van de aanduiding 'wonen' uitsluitend wonen, met daaraan ondergeschikte wegen, paden en water en de daarbij behorende tuinen, erven, terrein en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In het bestemmingsvlak mag enkel ten behoeve het ter plaatse gevestigde detailhandelsbedrijf worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen' gebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen zijn toegestaan. In totaal mag 381 m2 (de op basis van het bestemmingsplan toegestane 675 m2 minus de bedrijfswoning en reguliere woning van in totaal 294 m2) aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden. Het 38
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
aantal bedrijfswoningen mag maximaal één bedragen, waarbij een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding´bedrijfswoning´ is toegestaan. Het aantal woningen mag maximaal één bedragen, waarbij een woning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - woning'. De (bedrijfs)woningen mogen uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak worden gerealiseerd. De locaties waar stenen gebeiteld en geslepen mogen worden zijn op de verbeelding met respectievelijk de aanduidingen 'specifieke vorm van detailhandel - 1' en 'specifieke vorm van detailhandel - 2' aangegeven. Daarnaast is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'opslag' opslag is toegestaan en dat hier geen gebouwen en overkappingen gebouwd mogen worden. In de specifieke gebruiksregels is opgenomen dat het vaker dan 12x per kalenderjaar doorslijpen van stenen strijdig is met de bestemming. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek, zoals opgenomen in Bijlage 4. Groen (Artikel 4) De bomenrij aan de noord- en noordoostzijde van het plangebied zijn bestemd als Groen. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, in- en uitritten en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
Wonen (Artikel 5) De gronden die worden gebruik ten behoeve van de af te splitsen woning en bestaande reguliere woning zijn voorzien van de bestemming Wonen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor: 1. een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; 2. mantelzorg; Binnen de woonbestemming is een bouwvlak strak rondom de woning opgenomen, aangezien de hoofdvorm gehandhaafd dient te worden. Er is maximaal 1 woning toegestaan. De woning dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd en mag een inhoud van maximaal 750 m3 hebben, dan wel de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt. Per hoofdgebouw is 225 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Als gebruik strijdig met de bestemming is het gebruik van een hoofdgebouw voor bewoning, zonder het realiseren van een dove gevel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke aanduiding - dove gevel' opgenomen, zodat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering van het detailhandelsbedrijf niet wordt belemmerd.
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 39
40
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een planschadeovereenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Hoofdstuk 7 zienswijzen
Vooroverleg, inspraak en
7.1 Vooroverleg 7.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2
Provincie Overijssel
Gelet op de aard en omvang van het voornemen en het feit dat aan het provinciaal beleid wordt voldaan, wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht. 7.1.3
Waterschap Vechtstromen
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een 'paragraaf geen waterschapsbelang’. Vooroverleg met het waterschap is dan ook niet noodzakelijk.
7.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 10 november 2023 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er één zienwijze ingediend. In Bijlage 6 is de reactienot zienwijzen opgenomen. Hier wordt inhoudelijk op de zienswijzen gereageerd. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze en een ambshalve wijziging wordt het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 43
44
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo 45
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
46
bestemmingsplan Buitengebied, Rossumerstraat 2 en 2A Agelo
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Rossumerstraat 2, Agelo
November 2022
Status: Concept
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ROSSUMERSTRAAT 2, AGELO
Status: Datum: Projectnummer:
Concept November 2022
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1
INLEIDING .................................................................................. 4
HOOFDSTUK 2
WETTELIJK KADER ....................................................................... 5
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
ALGEMEEN ................................................................................................................................................ 5 ZONE LANGS WEGEN ................................................................................................................................... 5 GRENSWAARDEN ........................................................................................................................................ 5 BEREKENEN GELUIDSBELASTING ..................................................................................................................... 6 GEMEENTELIJK GELUIDSBELEID ...................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 3 3.1 3.2
SITUATIE PROJECTGEBIED ............................................................................................................................. 8 VERKEERSGEGEVENS.................................................................................................................................... 9
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4
UITGANGSPUNTEN ...................................................................... 8
RESULTATEN .............................................................................10
BEREKENINGEN ........................................................................................................................................ 10 GELUIDSBELASTING ................................................................................................................................... 10 HOGERE WAARDE .................................................................................................................................... 11 MAATREGELEN REDUCTIE GELUIDBELASTING .................................................................................................. 11
HOOFDSTUK 5
CONCLUSIE ...............................................................................13
BIJLAGEN BIJ HET AKOESTISCH ONDERZOEK ................................................................14 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3
REKENMODEL.................................................................................................................................. 14 ITEMEIGENSCHAPPEN........................................................................................................................ 15 RESULTATENTABELLEN ...................................................................................................................... 16
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Voorliggend akoestisch onderzoek heeft betrekking op het perceel gelegen aan de Rossumerstraat 2 in Agelo, ten zuiden van de kern Ootmarsum. Initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswoning te splitsen. Eén deel van de bestaande bedrijfswoning als detailhandelsfunctie in gebruik blijven. Het tweede deel van de bedrijfswoning wordt voorzien van een woonbestemming en zal regulier bewoond worden. In afbeelding 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van Ootmarsum en de directe omgeving weergegeven. Het projectgebied is indicatief met rode ster en contour aangegeven.
Afbeelding 1.1: Ligging van het projectgebied (Bron: PDOK).
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren woning te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Voorliggend onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het aspect wegverkeerslawaai. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het vigerende Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
HOOFDSTUK 2 2.1
WETTELIJK KADER
Algemeen
Artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Doel van dit onderzoek is de geluidsbelasting aan de gevel van een geluidsgevoelig object als gevolg van de weg te bepalen. Onderzoek is enkel noodzakelijk indien een geluidsgevoelige bestemming zich binnen de wettelijke geluidszone van een weg bevindt. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de wettelijke geluidszone van wegen.
2.2
Zone langs wegen
Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buiten stedelijk gebied is gelegen. In tabel 1 worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer Tabel 1
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buiten stedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
Wettelijke geluidszones wegen (Bron: wetten.overheid.nl).
De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. Binnen de zone van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting op de binnen de zone gelegen woning(en). Bij het berekenen van de geluidsbelasting wordt de L den-waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende waarden: • • •
Het geluidsniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); Het geluidsniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; Het geluidsniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur) + 10 dB.
De berekende geluidsbelasting dient aan de voorkeurswaarde en indien nodig aan de uiterste grenswaarde van de Wgh worden getoetst. Op basis van artikel 74.2 van de Wgh gelden de in tabel 1 opgenomen zones niet voor: • •
Wegen die als woonerf zijn aangeduid; Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur.
Het feit dat er voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’.
2.3
Grenswaarden
In de Wgh worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op gevels van nog niet geprojecteerde woningen of gebouwen die binnen de geluidszone van een weg liggen. Met niet geprojecteerde woningen of gebouwen worden bedoeld: BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief ‘woningen of gebouwen waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet toelaat’. De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting door wegverkeer bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Voor een hogere waarde geldt een maximum, afhankelijk van de ligging van een geluidsgevoelig object. In tabel 2 is de hoogst mogelijke grenswaarde voor woningen als gevolg van wegverkeerslawaai weergegeven. Locatie woning Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied Tabel 2
Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai 63 dB (art. 83 lid 2 Wgh) 53 dB (art. 83 lid 1 Wgh)
Hoogst mogelijke grenswaarde wegverkeerslawaai (Bron: wetten.overheid.nl)
Het vaststellen van een hogere waarde is enkel mogelijk indien maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hierbij moet afgewogen worden of de cumulatieve geluidsbelasting (het totaal van de geluidsbelasting van alle wegen gezamenlijk) niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet bij de bouwvergunningsaanvraag aangetoond worden dat aan de gestelde geluidseisen (binnenwaarde in de geluidgevoelige ruimten 33 dB) wordt voldaan zoals in artikel 3.1 van het bouwbesluit en in artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder genoemd wordt.
2.4
Berekenen geluidsbelasting
De geluidsbelasting moet per weg afzonderlijk berekend worden en aan de voorkeurswaarde getoetst worden. Voordat de geluidsbelasting aan de voorkeurswaarde van 48 dB getoetst wordt, mag de berekende geluidsbelasting op basis van artikel 110g van de Wgh, aangevuld met artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, worden verminderd. Reden hiervoor is de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen steeds verder af zal nemen. De geluidsbelasting mag in de volgende situaties worden verminderd met: •
• • •
5 dB voor wegen met een maximumsnelheid tot 70 km/uur; o Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/uur of meer mag de geluidsbelasting worden verminderd met: 4 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 57 dB bedraagt; 3 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 56 dB bedraagt; 2 dB voor overige geluidsbelasting.
Uit uitspraak 201304862/3/R2 van de Raad van State blijkt dat het voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur eveneens is toegestaan de geluidsbelasting met 5 dB te verminderen. Bij lagere snelheden wordt de geluidsemissie voornamelijk door motorgeluid veroorzaakt, bandengeluid speelt een minder grote rol. Toekomstige geluidsreductie is in de toekomst voornamelijk te verwachten door het gebruik van stillere motoren. De aftrek van 5 dB kan daardoor ook toegepast worden bij snelheden van 30 km/uur of minder.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
2.5
Gemeentelijk geluidsbeleid
2.5.1
Algemeen
In het gemeentelijk geluidbeleid wordt aangegeven dat wanneer een geluidbelasting onder de 48 dB niet kan worden gegarandeerd aandacht moet worden besteedt aan 30 km/uur wegen. 2.5.2
Situatie projectgebied
De gemeente Dinkelland beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het “Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland” en de “Nota hogere grenswaarden”. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Woongebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) en de bovengrens ‘onrustig’ (53 dB). Tevens is de bovengrenswaarde zeer onrustig (58 dB) mogelijk bij wegen met een verkeersfunctie GOW (gebiedsontsluitingsweg). Indien hier sprake van is, wordt er gerekend met 58 dB. Omdat het een functiewijziging van de huidige bebouwing betreft, wordt enkel gekeken naar de geluidsklasse criteria. Deze worden hieronder voor de geluidsklasse ‘onrustig’ en ‘zeer onrustig’ weergegeven. Geluidsklasse criteria ‘onrustig’ 1. 2. 3. 4. 5.
indien mogelijk bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere asfalttypen) treffen; indien mogelijk de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe woning(en) vergroten; in ieder geval dient bij woningen/appartementen de buitenruimte (tuin/balkon) te voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied; het stedenbouwkundig ontwerp vormgeven waarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; vanaf de geluidsklasse ‘onrustig’ dient bij een aanvraag om bouwvergunning voor een woning en scholen een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit.
Geluidsklasse criteria ‘zeer onrustig’ 1.
2. 3.
4.
bij appartementen en seniorenwoningen dient minimaal één verblijfsruimte (ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden) in de woning aan de geluidsluwe zijde te worden gesitueerd; bij eengezinswoningen minimaal drie verblijfsruimten in de woning aan de geluidsluwe zijde; wanneer de woning een balkon heeft dan moet deze afsluitbaar zijn, zodat men zelf kan kiezen of men zich wil afzonderen van de hoge geluidsbelasting of niet; bij een aanvraag behorend bij een bouwvergunning voor een woning en scholen dient een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit; buitenruimtes (tuin of balkon) worden bij voorkeur aan de geluidsluwe zijde gesitueerd
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
7
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
HOOFDSTUK 3 3.1
UITGANGSPUNTEN
Situatie projectgebied
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging binnen het de bestaande bebouwing. Dit bestaat uit een woonfunctie en een detailhandel functie. In afbeelding 3.1 is de gewenste situatie door middel van een situatietekening weergegeven. Het oppervlak onder de blauwe lijn zal functioneren als bedrijfswoning. Het oppervlak boven de blauwe zijn zal worden gewijzigd van bedrijfswoning naar een reguliere woning. Alleen voor de te realiseren bedrijfswoning dient de geluidbelasting in kaart worden gebracht.
Afbeelding 3.1
Huidige en gewenste situatie (Bron: Initiatiefnemer
Het projectgebied ligt binnen de wettelijke zone van de Rossumerstraat. Er geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur en 80 km/uur op deze weg. Deze weg kan beschouwd worden als een gebiedsontsluitingsweg en daardoor is de maximale ontheffingswaarde 58 dB. Daarnaast ligt er ook een 30 km/uur weg (Berend Vinckenstraat) nabij het projectgebied. 30 km/uur wegen kennen geen wettelijke geluidszone, maar in het kader van goede ruimtelijke ordening kunnen deze wegen worden meegenomen in het onderzoek. Door de aanzienlijke verkeersintensiteit, is niet uit te sluiten dat er relevante geluidbelasting afkomstig is van de Berend Vickenstraat. Deze weg is dan ook meegenomen in voorliggend onderzoek. In de onderstaande tabel is weergegeven welke uitgangspunten voor het hierbij behorende rekenmodel zijn gehanteerd. Locatie projectgebied Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai Wgh van toepassing Vermindering geluidsbelasting Tabel 3
Stedelijk gebied 63 dB 58 dB (Gemeentelijk beleid) Ja 5 dB
Uitgangspunten akoestisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
8
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
3.2
Verkeersgegevens
De weg- en verkeersgegevens voor de Rossumerstraat zijn afkomstig van de Atlas van Overijssel, wat onder het beheer van de Provincie Overijssel valt. De verkeersintensiteit is afkomstig uit het jaar 2021. Om tot het prognosejaar 2033 te komen is gerekend met een autonome groei van 1,5% per jaar. De weg- en verkeersgegevens voor de Berend Vinckenstraat zijn afkomstig uit het Regionaal verkeersmodel Overijssel. Hierin zijn de gegevens uit het jaar prognose midden 2040 meegenomen. In tabel 4 zijn de ingevoerde gegevens voor de wegen weergegeven.
Weg
Wegdektype
Rossumerstraat (50/80 km/uur)
Berend Vinckenstraat (30km/uur) Tabel 4
Referentiew egdek
Referentiew egdek
Etmaal intensiteit (mvt/etm) (2033 en2040) 6554,38
2000
Dag
Uurintensi teit (% van de etmaalintensiteit) 7,18
Avond
2,1
94,90
4,40
0,70
Nacht
0,64
88,80
8,50
2,70
Dag Avond Nacht
6,7 3,7 0,6
97 97 97
1,5 1,5 1,5
1,5 1,5 1,5
Periode
lmv (%)
mzv (%)
zv (%)
89,70
8,30
2
Ingevoerde weggegevens (gemeente Dinkelland, bewerkt door BJZ.nu)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
9
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief
HOOFDSTUK 4 4.1
RESULTATEN
Berekeningen
De overdrachtsberekening voor de wegen is uitgevoerd overeenkomstig Standaard Reken Methode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In het model zijn de begroeide gebieden (bodemfactor 1,0) en de wegen ingeladen (bodemfactor 0,0). Bij de berekening is uitgegaan voor de overige gebieden (voornamelijk erven en tuinen) van een standaard bodemfactor van 0,5. In het model zijn de volgende zaken opgenomen: • • • •
wegen met intensiteiten; gebouwen inclusief hoogte (PDOK 3D geluidbestand); bodemgebieden (PDOK 3D geluidbestand); rekenpunten op 1,5 meter,4,5 en 7,5 meter op de relevante gevels van de woningen.
In bijlage 1 is de uitsnede van het rekenmodel weergegeven en in bijlage 2 zijn de itemeigenschappen weergegeven.
4.2
Geluidsbelasting
Om de geluidbelasting te berekenen zijn er 2 toetspunten geplaatst op de verschillende gevels op twee waarneemhoogtes. In afbeelding 4.1 zijn deze toetspunten weergegeven. Alle resultatentabellen zijn in bijlage 3 toegevoegd.
Afbeelding 4.1
Geplaatste toetspunten (Bron: Geomilieu, BJZ.nu)
De geluidbelasting ten gevolge van de Rossumerstraat bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 50 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Wel wordt voldaan aan BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
10
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder dB en aan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid. De geluidbelasting ten gevolge van de Berend Vinckenstraat bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 41 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder en de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 48 dB. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt, exclusief reductie, hoogstens 54 dB.
4.3
Hogere Waarde
Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai afkomstig van de Rossumerstraat is in voorliggend geval benodigd. Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk als bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard, een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd kan worden en wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. In de volgende paragraaf worden mogelijke maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren onderzocht.
4.4
Maatregelen reductie geluidbelasting
Om de geluidbelasting te reduceren kan gebruik worden gemaakt van bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen, zoals in het vervolg van deze paragraaf beschreven. 4.4.1
Bronmaatregelen
Het geluid van een voertuig wordt veroorzaakt door het motorgeluid en het geluid van de banden. Vooral vrachtwagens zijn de afgelopen jaren veel stiller geworden. In het rekenmodel is hier al rekening mee gehouden. Daarnaast is de verwachting dat voertuigen in de toekomst nog stiller worden. Hier wordt rekening mee gehouden door de in paragraaf 2.4 beschreven aftrek toe te passen. De initiatiefnemer van het bouwplan waar voorliggend onderzoek voor wordt uitgevoerd heeft geen invloed op het reduceren van het geluid van voertuigen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer ook geen invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteit en het snelheidsregime. Een aanpassing van het wegdektype kan leiden tot een reductie van het bandengeluid van voertuigen en daarmee het geluid van een voertuig. De wegbeheerder zal niet instemmen met het stiller maken van een klein deel van de weg, omdat dit tot onderhoud technische problemen leidt. Daarnaast is het aanpassen van het wegdek voor de geluidbelasting van één woning niet realistisch in verband met de hoge kosten. 4.4.2
Overdrachtsmaatregelen
Een grotere afstand tussen de gevel en de weg zorgt voor een lagere geluidsbelasting op de gevel. Om een lagere geluidsbelasting van 2 dB te realiseren moet de afstand tussen de gevel en de weg met 50% worden vergroot. In dit project is er echter sprake van bestemmingswijziging van detailfunctie naar wonen. Daarnaast kan er een geluidsscherm geplaatst worden tussen de bron en het geluidgevoelig object. Het plaatsen van een geluidsscherm is vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt echter onwenselijk. Daarnaast brengt het plaatsen van een geluidscherm hoge kosten met zich mee en zal het de geluidbelasting ter plaatse van de bovenste bouwlaag niet verminderen. Overdrachtsmaatregelen zijn dan ook niet doelmatig. 4.4.3
Gevelmaatregelen
Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan dient het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd te worden. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de aftrek bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. De cumulatieve geluidsbelasting exclusief aftrek bedraagt hoogstens 54 dB. Er is dan ook een gevelwering van minimaal 54-33 = 21 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
11
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief Met het plaatsen van HR++ glas kan een geluidwering van 28 dB worden bewerkstelligt. Ten tijde van de vergunningaanvraag moet aangetoond worden of met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan dit binnenniveau van 33 dB. 4.4.4
Gemeentelijk geluidbeleid
Het project voldoet aan de hoofdcriteria omdat de toepassingen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai onvoldoende doeltreffend zijn en/of er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeer- en vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het project voldoet aan de locatie specifieke criteria dat de woningen gebonden zijn aan de bestaande bebouwing en dus grondgebonden zijn. Voor het aanvragen van een hogere waarde stelt de gemeente Wierden aanvullende eisen voor de verschillende geluidsklassen. In paragraaf 2.5 zijn deze criteria weergegeven. Geluidsklasse criteria ‘onrustig’ Aan punt 1 en 2 kan niet voldaan zoals blijkt uit bovenstaande alinea’s. Aan punt 3 wordt voldaan aangezien er een geluidsluwe buitenruimte is aan de zuidzijde van de woning. De bebouwing dient in het huidige ontwerp als voldoende afscherming voor de achterliggende bebouwing, dus ook aan punt 4 wordt voldaan. Om aan punt 5 te kunnen voldoen dient bij een aanvraag om bouwvergunning voor de woningen een akoestisch onderzoek te worden gevoegd en worden getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit. Met het in achtnemen van deze criteria kan een hogere waarde worden verleend.
4.4.5
Conclusie maatregelen
De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoend ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 21 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Met het plaatsen van de buitenruimtes aan de geluidsluwe zijde en het aanleveren van een bouwakoestisch onderzoek ten tijde van de vergunningverlening wordt voldaan aan de gemeentelijke criteria. Er kan dan ook een hogere waarde verleend worden voor de woning (gevel). Er dient een hogere waarde van 50 dB voor de woning te worden verleend voor de geluidbelasting afkomstig van de Rossumerstraat.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
12
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rossumerstraat 2, Agelo Definitief