Bestemmingsplan buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10.pdf
Tekst van het document
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland beschikt over archeologiebeleid. Het plangebiedaan de Peddemorsweg ligt in de 'dekzandwelvingen en -vlakten' laag. Voor deze laag geldt een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² 52
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart ter plaatse van de Peddemorsweg 6 en 8 te Saasveld, met de bouwlocatie van de schuren blauw omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland)
Figuur 4.6: uitsnede archeologische verwachtingenkaart ter plaatse van de Frensdorferweg 37-41 te Lattrop-Breklenkamp, met de bouwlocatie van de compensatiewoning en de te verplaatsen reguliere woning blauw omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied aan de Frensdorferweg is aangemerkt als 'beekdalen en overige laagten'. De verwachting is laag voor archeologische resten uit alle perioden. Hoofdzakelijk archeologische resten die in verband staan met beekdalgebonden activiteiten, zoals bruggen, voordes, watermolens etc. en mogelijk archeologische resten, bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
53
bijvoorbeeld afvaldumps, die in verband staan met bewoning op nabij gelegen, hoge gronden. Verder diverse categorieën losse vondsten. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdereverwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten.
Figuur 4.7: uitsnede archeologische verwachtingenkaart ter plaatse van de Bellinckhofweg met het erf waar de schuur gesloopt wordt blauw omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied aan de Bellinckhofweg is aangemerkt als 'dekzandhoogtes en - ruggen'. De verwachting is hoog voor archeologische resten uit alle perioden. Archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdereverwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Toets Voor de Peddemorsweg geldt dat de locatie waar de bijgebouwen zullen komen te staan reeds verstoord zijn. Daarnaast is het gebied waar bodemingrepen zullen plaatsvinden kleiner dan 5.000 m2 en daarmee geldt er vrijstelling van archeologisch onderzoek voor de locatie Peddemorsweg 6-8 te Saasveld. Voor de locatie Frensdorferweg geldt dat ter plaatse van de nieuwe woningen reeds bebouwing heeft gestaan en de grond reeds geroerd is. Bovendien bestaat er vrijstelling voor bodemingrepen die dieper gaan dan 40 cm. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek voor het plangebied.
Aan de Bellinckhofweg is sprake van sloop waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten gelegen zijn in of in de directe omgeving van de plangebieden. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. 54
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
4.11
Verkeer en parkeren
Peddemorsweg De uitbreiding van het bestemmingsvlak van de Peddemorsweg 6 ten behoeve van het bouwen van een groter oppervlak aan bijbehorende bouwwerken heeft geen extra verkeersbewegingen tot gevolg. De gebouwen zijn immers voor eigen gebruik. Het woonvlak ter plaatse van de Peddemorsweg 8 zal verplaatst worden conform de bestaande situatie en brengt eveneens geen gevolgen met zich mee met betrekking tot verkeer en parkeren. De bestaande ontsluiting op de Peddemorsweg blijft gehandhaafd. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Frensdorferweg De tweede bedrijfswoning van de paardenhouderij aan de Frensdorferweg 37-39 zal verplaatsen naar de bedrijfswoning aan de Frensdorferweg 41. Het daarmee vrijgekomen woonrecht van de bestaande bedrijfswoning op het voormalige agrarische erf zal verplaatst worden naar het nieuwe erfensemble van de Frensdorferweg 41. Samen met de compensatiewoning wordt er één erf gevormd ter plaatse van het voormalige agrarische erf waar het agrarische bedrijf zal verdwijnen. De ontwikkeling aan de Frensdorferweg zal zorgen voor één extra woning ter plaatse van het erf aan de Frensdorferweg 41. De erven worden ontsloten via de Frensdorferweg, een 60km/h weg. Deze weg kan een (zeer beperkte) toename van verkeersbewegingen als gevolg van de extra woning eenvoudig afwikkelen.
Bovendien zorgt het verwijderen van het agrarische bedrijf voor een aanzienlijk vermindering van de bedrijfsmatige verkeersbewegingen. Binnen het plangebied zal worden voorzien in de hoeveelheid parkeerplaatsen voor de woningen. Daarbij wordt conform de beleidsnotitie "Bouwen en parkeren 2018" van de gemeente Dinkelland de hoeveelheid parkeerplaatsen bepaald. Een vrijstaande woning heeft een parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaatsen. Bij iedere woning in het plangebied is op eigen terrein voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Bellinckhofweg 10 Het verwijderen van de schuur heeft geen negatieve invloed op het aspect verkeer en parkeren. Het aspect 'verkeer en parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
55
56
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
57
In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch - 1 Het agrarische bedrijf aan de Frensdorferweg 41 is beëindigd en zal plaatsmaken voor een erf met twee reguliere woningen. De woonbestemming zal niet het gehele aanwezige bouwvlak in gebruik nemen en de gronden zullen agrarisch blijven waarbij het bouwvlak verwijderd wordt. Deze gronden zullen worden bestemd als 'Agrarisch - 1'. De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ hebben als hoofdfunctiede uitoefening van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. De keuze voor het toekennen van de bestemming 'Agrarisch - 1' komt mede voort uit het feit dat in het onderhavige plan maatregelen voor landschappelijke inpassing opgenomen zijn. Deze dienen geborgd te worden en dit is vormgegeven door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels. De gronden waarop de maatregelen voorzien zijn vallen dan ook binnen de plangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan. 58
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Agrarisch - 2 Het agrarische bedrijf aan de Bellinckhofweg 10 zal voortgezet worden met een beperking op de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. De bestemming met het bijbehorende bouwvlak en bouwperceel blijft behouden. De gronden waarop de maatregelen voorzien zijn voor de landschappelijke inpassing vallen binnen de plangrenzen van het voorliggende bestemmingsplan. Bedrijf - Paardenhouderij Het bestemmingsvlak van de paardenhouderij aan de Frensdorferweg 37-39 zal uitgebreid worden ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning van de Frensdorferweg 41. De bestemming ziet op een regeling voor de gebruiksgerichte paardenhouderijen. Bij een gebruiksgerichte paardenhouderij staat het gebruik van de paarden voorop, dat wil zeggen het gebruik ten behoeve van recreatie en sport. Bos - natuur De bestemming ‘Bos - natuur’ betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, zoals de bestaande natuurgebieden behorende bij het landgoed. Met het oog op een goede landschappelijke inpassing van de nieuw te bouwen bijgebouwen, wordt een nieuw deel bos aangeplant. Verkeer Onder de bestemming ‘Verkeer’ zijn de bestaande wegen in het buitengebied gebracht. Het zijn wegen waar de doorgaande verkeersfunctie voorop staat. Bruggen, dammen of duikers, sloten, bermen en beplanting, parkeervoorzieningen, en parkeerterreinen vallen ook onder deze bestemming.
Wonen - Landhuis Deze bestemming heeft betrekking op landhuizen die zijn gerealiseerd op voormalige agrarische bouwpercelen, ter vervanging van het voormalige agrarisch bedrijfsgebouw en woonhuis. Vanwege de ontwikkeling van bijbehorende bouwwerken bij het landhuis zal de bestemming ter plaatse van die gebouwen uitgebreid worden. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de functie wonen. Onder de woonfunctie vallen woonhuizen, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. De inhoud van de hoofdgebouwen mag maximaal 750 m3 zijn. Voor de aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen geldt een maximale oppervlakte van 100 m2. Het bestemmingsvlak van de bestaande woning aan de Peddemorsweg 8 zal gewijzigd worden zodat de bestaande situatie binnen het bestemingsvlak valt. Op de slooplocatie worden de overbodige agrarische opstallen gesaneerd en de bedrijfsactiviteiten - voor zover nog aanwezig - gestaakt, zodoende vindt er een omschakeling naar regulier woonerf plaats en wordt de bestemming 'Wonen' toegekend. Aan de Frensdorferweg 41 mag op basis van het rood voor rood-beleid de compensatiewoning gerealiseerd worden en deze wordt conform het beleid voorzien van een passende woonbestemming.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
59
60
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
61
62
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1 en 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 3 maart en 16 november 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 28 januari 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen. Wel heeft een ambtelijke wijziging plaatsgevonden op het ontwerpbestemmingsplan. Voor een overzicht van de ambtelijke wijziging wordt verwezen naar de Nota ambtelijke wijziging. Deze nota is bijgevoegd in het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
63
64
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
65
Bijlage 1
66
Sloopopgave
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Sloopopgave Frensdorferweg 41 Lattrop-Breklenkamp
Te slopen gebouwen t.b.v. de SvS/RvR regeling
Sloopopgave Bellinckhofweg 10 Weerselo
Te slopen gebouwen t.b.v. de SvS regeling
Bijlage 2 Bodemonderzoek Frensdorferweg
68
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Frensdorferweg 41 - Lattrop-Breklenkamp
Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Frensdorferweg 41 7635 NK Lattrop-Breklenkamp April 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Tel: 0546 - 63 96 63
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (Asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Frensdorferweg 41 - Lattrop-Breklenkamp
Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Frensdorferweg 41 7635 NK Lattrop-Breklenkamp Projectcode: 21003210 Rapportagedatum: 9 april 2021 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.1 2.2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
8 8 8 11 11 12 12
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
13
6
Literatuur en bronvermelding
15
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, april 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Frensdorferweg 41 in Lattrop-Breklenkamp door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van twee woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond als verdacht wordt beschouwd voor zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden als onverdacht beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5725, “Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een verdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in maart en april 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 1 van 15
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Frensdorferweg 41, op circa 850 meter ten zuidoosten van de bebouwde kom van Lattrop-Breklenkamp. Het te onderzoeken deel van het terrein heeft de RD-coördinaten x = 264.031 en y = 493.702 en is kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, nummer 1149 (ged.). De Frensdorferweg bevindt zich ten zuiden van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Op de onderzoekslocatie bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf. Inpandig zijn betonvloeren aanwezig. De schuren zijn voorzien van betonvloeren met (mest)kelders. Het onbebouwde terrein rondom de gebouwen is verhard met klinkers en beton. Op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is een mestsilo en een weiland voor paarden aanwezig. Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande nieuwbouw van een bedrijfswoning (ten behoeve van Frensdorferweg 39) en een woning aan de Frensdorferweg 41, dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op het terreindeel. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en verhard (beton en klinkers) en omvat circa 12000 m2. In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van april 2021 opgenomen. 2.1
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente Dinkelland. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (agrarische) bestemming. De woning met schuren dateren van 1950, 1967 en 1973. Voordien was het terrein in gebruik voor landbouwkundige doeleinden. Het mestbassin (folie) is in 1988 gerealiseerd. - Voor het varkensbedrijf is een milieuvergunning verleend in 2005 met een revisievergunning van 2007 - Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. In de machineberging op het noordoostelijke deel van het terrein is een (kleinschalige) werkplaats aanwezig. Voor zover bekend hebben er geen calamiteiten op de onderzoekslocatie plaatsgevonden.
- Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Op de meeste schuren zijn asbesthoudende golfplaten aangetroffen. Tevens zijn asbesthoudende golfplaten en vlakke platen in opslag op het maaiveld aangetroffen (rapport asbestinventarisatie Kruse Milieu BV van 12 maart 2021 met projectnummer 21002291). Er is geen sprake van asbestverdachte druppelzones. - Vanwege de ouderdom en het historische gebruik van het erf wordt de bovengrond van de onderzoekslocatie als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest. Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 2 van 15
- Er zijn geen eerdere onderzoeken bekend van de onderzoekslocatie of in de nabije omgeving. 2.2
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 21 meter boven NAP. - De locatie is gelegen in het bekken van Lattrop, ten oosten van de stuwwal bij Ootmarsum en ten noorden van de stuwwal bij Oldenzaal. - De dikte van de kwartaire afzettingen bedraagt ter plekke 50 meter. De basis van het bekken wordt gevormd door kleiige tertiaire afzettingen. Het bekken bestaat voornamelijk uit fluvioglaciale afzettingen, die veelal fijnzandig en slibhoudend zijn. In vrijwel het gehele gebied komen waarschijnlijk afdekkende lagen voor, die uit slibhoudende zanden en kleien van de Eemformatie bestaan. De dikte van deze afdekkende lagen varieert. - Het doorlatend vermogen van het bekken van Lattrop is ter plekke van de onderzoekslocatie naar schatting 500 m²/dag. De k-waarde bedraagt 10 m/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich ongeveer 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in oostelijke richting onder invloed van de Gele Beek. - Direct ten oosten van de huidige onderzoekslocatie stroomt de Gele Beek en op circa 750 meter ten zuiden stroomt de Dinkel. - Op circa 4.0 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied Rodenmors.
- De invloed van deze watergangen en het grondwaterbeschermingsgebied op het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 3 van 15
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de norm NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. De hypothese “verdachte locatie” uit de norm NEN 5740 (VED-HE) en asbestverdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor de bovengrond gebruikt. De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN 5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL) wordt voor de ondergrond en het grondwater gebruikt. De 3 strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten.
Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Tevens dient te worden vermeld dat er geen inpandige boringen worden verrichten, aangezien de woning nog in gebruik is en de schuren voorzien van mestkelders. Inpandig zijn geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten uitgevoerd en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de inpandige bodemkwaliteit afwijkt van de uitpandige bodemkwaliteit. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden.
Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 4 van 15
3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 12000 m² worden in totaal 26 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld). Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Zes inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie worden twee diepe boringen overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuizen. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 10 grondmengmonsters (waarvan 4 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket
Bovengrond (4x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Grondwater (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Bovengrond (4x)
Asbest en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 5 van 15
3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.
Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 6 van 15
3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities.
Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 7 van 15
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en besproken in paragraaf 4.6. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in maart en april 2021 uitgevoerd door de heren J. Hartman, N. Pepping, B. Dierink en L. Haverkort. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 15 maart 2021, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuizen, twee boringen verricht met behulp van een Edelmanboor. Er zijn geen grondmonsters genomen uit deze boringen 1 en 2 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. De boringen 1 en 2 zijn op een later tijdstip opnieuw geplaatst voor het nemen van grondmonsters (1A en 2A). Op 22 maart en 2 april 2021 zijn, na maaiveldinspectie, in totaal 26 inspectiegaten gegraven. De boringen 1A, 2A, 3, 4, 5 en 6 zijn met behulp van een Edelmanboor verdiept tot circa 1.5 m-mv (grondwaterniveau). Ter plekke van de boringen 8 en 9 is van circa 0.25 - 2.0 m-mv een demping (met sporen baksteen) en een oude slootbodem aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van gras en klinkers, niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag).
Door de veldwerkers is nabij gat 20 op het maaiveld (gras) een opslag van asbesthoudende vlakke platen (18 mm) aangetroffen. Op het zuidoostelijke deel is op het maaiveld nabij gat 10 asbest (vlakke plaat 18 mm) aangetroffen. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit matig fijn zand met vanaf 0.7 - 1.2 meter diepte een zwak tot sterk zandige leemlaag. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn weergegeven in tabel 2. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 8 van 15
Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming
5
0.24 - 0.65
Sporen baksteen
6
0 - 0.6
Sporen baksteen en sporen metaal
8
0.08 - 1.5
Sporen baksteen
9
0.23 - 1.25
Sporen baksteen
10
0 - 0.3
Sporen baksteen
11
0.18 - 0.5
Sporen baksteen, sporen metaal (spijker)
12
0.08 - 0.5
Sporen baksteen
13
0 - 0.55
Sporen baksteen
14
0 - 0.5
Sporen baksteen
15
0 - 0.6
Sporen baksteen
18
0.7 - 0.85
Sporen baksteen
19
0.15 - 0.65 0.65 - 1.05
Sporen baksteen Sporen plastic en sporen metaal
20
0 - 0.7 0.85 - 1.0
Sporen baksteen Sporen baksteen
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
BG I (sporen baksteen)
5 9 11 19
0.24 - 0.65 0.23 - 0.73 0.18 - 0.5 0.15 - 0.65
Standaard pakket
BG II (sporen baksteen)
6, 13 en 14 12
0 - 0.5 0.28 - 0.5
Standaard pakket
BG III (visueel schoon)
7 en 16 10 17
0 - 0.5 0.3 - 0.65 0.3 - 0.5
Standaard pakket
BG IV (visueel schoon)
3 4, 21 en 25
0 - 0.25 0 - 0.5
Standaard pakket
OG I
5 5 6 6
0.9 - 1.2 1.2 - 1.65 1.0 - 1.25 1.25 - 1.5
Standaard pakket
OG II
3 3 4 4
0.25 - 0.7 1.0 - 1.5 0.5 - 0.8 1.0 - 1.5
Standaard pakket
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Analyse
Pagina 9 van 15
Vervolg tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
MM FF - 01
5 11 12 19
0.24 - 0.65 0.18 - 0.5 0.28 - 0.5 0.15 - 0.65
Asbest
MM FF - 02
8 9
0.08 - 1.5 0.23 - 1.25
Asbest
MM FF - 03
10 13 20
0.3 - 1.0 0 - 0.55 0 - 0.7 0.85 - 1.0
Asbest
MM FF - 04
6, 14 en 15
0 - 0.5
Asbest
De boringen 1 en 2 zijn doorgezet tot respectievelijk 2.7 en 2.8 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 2 april 2021 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU)
PB 1
1.70 - 2.70
1.25
7.2
910
6.3
Goed
PB 2
1.80 - 2.80
1.40
7.1
670
3.5
Goed
De waarden voor de pH, de EC en de troebelheid worden normaal geacht.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 10 van 15
4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 6. In de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tabel 6: Verhoogde concentraties (μg/l).
1
Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
Peilbuis 1
Barium Minerale olie
110 69
110 * 69 *
50 50
625 800
Peilbuis 2
Barium
220
220 *
50
625
AW2000
In de vierde kolom van tabel 6 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan S; * concentratie groter dan S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Grondwater - PB 1 en PB 2 - Barium De licht verhoogde bariumgehalten in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Grondwater - PB 1 - Minerale olie Minerale olie is een bestanddeel van olieproducten en brandstoffen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is het zeer licht verhoogde gehalte aan minerale olie niet direct verklaarbaar. Aangezien het gemeten gehalte de tussenwaarde niet overschrijdt, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 11 van 15
4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 04 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 5 weergegeven. Tabel 5: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
MM FF - 01
Asbest
16
-
100
MM FF - 02
Asbest
n.a.
-
100
MM FF - 03
Asbest
n.a.
-
100
MM FF - 04
Asbest
0.1
-
100
(Meng)monster
In de derde kolom van tabel 5 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.4 is weergegeven, is er in de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 04 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 02 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 12 van 15
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht Ad Fontem is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 12000 m2 aan de Frensdorferweg 41 in LattropBreklenkamp. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en verhard (beton en klinkers). De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van twee woningen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond als verdacht wordt beschouwd voor zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden als onverdacht beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven en 2 boringen verricht. Twee diepe boringen zijn afgewerkt met peilbuizen op respectievelijk 2.7 en 2.8 meter diepte. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand met vanaf 0.7 - 1.2 meter diepte een zwak tot sterk zandige leemlaag. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (sporen baksteen). Ter plekke van de boringen 8 en 9 is van circa 0.25 - 2.0 m-mv een demping (met sporen baksteen) en een oude slootbodem aangetroffen.
Door de veldwerkers is nabij gat 20 op het maaiveld (gras) een opslag van asbesthoudende vlakke platen (18 mm) aangetroffen. Op het zuidoostelijke deel is nabij gat 10 asbest (vlakke plaat 18 mm) aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuizen is gemiddeld aangetroffen op 1.33 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG II) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG IV) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd barium en minerale olie; - het grondwater (PB 2) is zeer licht verontreinigd barium.
Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd: - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 bevat asbest; het gewogen gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 bevat geen asbest; - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 03 bevat geen asbest; - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 04 bevat evat asbest; het gewogen gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.. Hypothese De hypothese "verdachte locatie" voor de bovengrond met betrekking tot zware metalen en PAK dient te worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden zijn aangetoond. Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 13 van 15
De hypothese "onverdachte locatie" voor de ondergrond kan worden aangenomen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" voor het grondwater dient formeel te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "asbestverdachte locatie" voor de bovengrond van de onderzoekslocatie kan worden aangenomen, aangezien er plaatselijk asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 04 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 02 en MM FF -03 is geen asbest aangetoond. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren.
De bodem wordt geschikt geacht voor het huidig en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 14 van 15
6
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Dinkelland Kruse Milieu BV, asbestinventarisatie Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp, d.d. 12 maart 2021 met projectnummer 21002291 NEN 5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017 De kamerbrief “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, 8 juli 2019 De kamerbrief “Aanpassing tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, geactualiseerde versie 2 juli 2020 Document “Indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen (INEV’s) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 15 januari 2020 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Ministerie van I&M Topografische kaarten, kaartblad 29 A,Topografische Dienst Kadaster Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en
Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV Bodematlas Overijssel www.ahn.nl www.topotijdreis.nl www.dinoloket.nl
Kruse Milieu BV
Project: 21002316
Pagina 15 van 15
Bijlage I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, april 2021
Frensdorferweg 41 in Lattrop-Breklenkamp
Kruse Milieu BV Kaartmateriaal: Topografische dienst Kadaster
Topografische kaart Projectnummer: 21003216 Schaal: 1:25000 Bijlage: I Kaartblad: 29 A
Ad Fontem Frensdorferweg 41 7635 NK Lattrop-Breklenkamp