CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen.pdf

Commissie Omgeving & Economie 16 november 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen”22.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 En Bornsedijk 9 Deurningen

Status: vastgesteld

Status: vastgesteld Datum: IMRONL.IMRO.1774.BUIBPOSSEN4BORNSE9Code: VG01 Auteur(s):

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

1.1

Algemeen

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Geldende bestemming

7

1.4

De bij het plan behorende stukken

8

1.5

Opzet van de toelichting

8

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Gewenste situatie

11

Hoofdstuk 3

Beleid

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

18

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

21

4.1

Inleiding

21

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

21

4.3

Milieuzonering

22

4.4

Bodem

22

4.5

Geluid

23

4.6

Luchtkwaliteit

24

4.7

Geur

24

4.8

Externe veiligheid

25

4.9

Water

28

4.10

Archeologische en cultuurhistorische waarden

29

4.11

Ecologie

31

4.12

Verkeer en parkeren

32

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

33

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

35

6.1

Economische uitvoerbaarheid

35

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35

Bijlagen bij toelichting

37

Bijlage 1

KGO plan

38

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

40

Bijlage 3

Watertoets

51

Regels

57

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

59

Artikel 1

Begrippen

59

Artikel 2

Wijze van meten

64

2

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

65

Artikel 3

Agrarisch - 1

65

Artikel 4

Wonen

74

Hoofdstuk 3

Algemene regels

77

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

77

Artikel 6

Algemene bouwregels

78

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

79

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

80

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

81

Artikel 10

Overige regels

82

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

83

Artikel 11

Overgangsrecht

83

Artikel 12

Slotregel

84

Bijlagen bij regels

85

Bijlage 1

Kwaliteitscriteria voor serrestallen

86

Bijlage 2

Specifieke toetsingscriteria ondergeschikte tweede tak of deeltijdfunctie

100

Bijlage 3

Kwaliteitscriteria landschapsontwikkelingsplan

105

Bijlage 4

KGO plan

118

4

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Toelichting

6

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Algemeen

Op de locatie Ossendijk 4 staat een gebouw dat sinds medio de jaren 80 van de vorige eeuw ononderbroken wordt bewoond. Het perceel had in het verleden een agrarische bestemming. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied 2010, op 18 februari 2010, heeft het perceel een recreatieve bestemming gekregen en is bestemd als "Recreatie – Recreatiewoningen". Het betreffende gebouw met bijbehorende opstal(len) is nooit in gebruik geweest voor recreatieve doeleinden. De langdurig bestaande situatie met permanente bewoning is niet in overeenstemming met de toegekende recreatieve bestemming. De eigenaren willen door middel van deze bestemmingsplanherziening de bestemming (Recreatie) in overeenstemming brengen met het daadwerkelijke gebruik (Wonen). Daarvoor is een investering nodig in de ruimtelijke kwaliteit, welke plaatsvind aan de Bornsedijk 9.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied omvat het perceel Ossendijk 4 in Deurningen. Dit perceel ligt net ten westen van de kern Deurningen. Het plangebied grenst aan de dorpsrand maar wordt daar van gescheiden door de provinciale weg N738. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Weerselo, Sectie V, nummer 591. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Daarnaast is er voor dit plan een tweede plangebied aan de Bornsedijk 9 in Deurningen. Dit perceel ligt ten westen van het perceel aan de Ossendijk 4 en wordt omsloten door agrarische percelen.

Figuur 1.1: Ligging plangebieden

1.3

Geldende bestemming

Voor het perceel Ossendijk 4 geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 18 februari 2010. Het perceel is in dat plan opgenomen met de enkelbestemming "Recreatie – Recreatiewoningen". De voor "Recreatie – Recreatiewoningen" aangewezen gronden zijn op grond van artikel 29.1 bestemd voor recreatiewoningen en aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een recreatiewoning, met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen de bestemming is ten hoogste één recreatiewoning toegestaan. De inhoud (inclusief kelders) bedraagt maximaal 250 m3 dan wel de bestaande grotere inhoud. Er gelden maximale goot- en bouwhoogtematen van 3,

respectievelijk 4 meter. Er is maximaal één aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping toegestaan met een maximale oppervlakte van 6 m2. Als er een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping met een grotere oppervlakte aanwezig is dan geldt die grotere oppervlaktemaat in plaats van 6 m2. Tot strijdig gebruik van de van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor permanente bewoning.

Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan wordt permanente bewoning aangemerkt als gebruik dat in strijd is met de bestemming "Recreatie – Recreatiewoningen". De feitelijk sedert medio de jaren 80 bestaande situatie met bewoning van de opstal aan de Ossendijk 4 is derhalve in strijd met de woonbestemming. Om de situatie met permanente bewoning planologisch te formaliseren is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Voor de Bornsedijk 9 geldt de enkelbestemming "Agrarisch - 1" met een functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf". Hier is een gemengd agrarisch bedrijf mogelijk.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen' bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.BUIBPOSSEN4BORNSE9-OW01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.5

Opzet van de toelichting

In deze toelichting op het bestemmingsplan wordt na deze inleiding eerst in Hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan gegeven. Daarbij wordt zowel ingegaan op de huidige situaties ter plaatse van de deelgebieden, als op de ontwikkelingen die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het van toepassing zijnde nationale, provinciale en gemeentelijke beleid beschreven. Hoofdstuk 4 bevat de toets van het bestemmingsplan aan de omgevingsaspecten als bodem, geluid, luchtkwaliteit, etc. In Hoofdstuk 5 wordt een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop de regels zijn vormgegeven. Tot slot bevat Hoofdstuk 6 informatie over de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

8

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Ossendijk 4 In het hoofdgebouw, de "recreatiewoning", wordt nog (permanent) gewoond. Het terrein rondom is ingericht als tuin, behorend bij de woonruimte. In de tuin is een vijver met wandelbruggetje aanwezig. Op afbeelding 2.1 is de woonruimte met aanbouw te zien. De inhoud is ca. 490 m3. Afbeelding 2.2 geeft een impressie van de tuininrichting.

Figuur 2.1: woonruimte met aanbouw

Figuur 2.2: tuininrichting

Op het perceel zijn een aantal opstallen aanwezig. Deze opstallen waren in het verleden in gebruik ten behoeve van werkzaamheden als elektricien. De opstallen worden voor een deel nog gebruikt als bijgebouwen voor het wonen en voor onderhoudswerkzaamheden door de huidige eigenaar. De inrichting van het perceel en de daarop aanwezige bebouwing worden grotendeels aan het zicht onttrokken door de (groenblijvende) erfbeplanting langs de Ossendijk. Op afbeelding 2.3 is die erfbeplanting, ter weerszijden van de inrit van het perceel, goed zichtbaar.

10

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Afbeelding 2.3: Inrit Ossendijk 4 met aan weerszijden groenblijvende erfbeplanting De achterzijde van het perceel grenst aan de provinciale weg N738, de Deurningerstraat met vrij liggende fietspaden aan weerszijde. De kortste afstand tussen de woning en het hart van de N738 bedraagt 25 meter. Ook vanaf deze straat is de terreininrichting van de Ossendijk 4 en de aanwezige bebouwing niet zichtbaar door de erfbeplanting achter op het perceel. Bornsedijk 9 Aan de Bornsedijk 9 is een agrarisch bedrijf gevestigd, volgens het bestemmingsplan is er een gemengd bedrijf mogelijk. De daadwerkelijk aanwezige kuilvoerplaten bevinden zich niet binnen het huidige bouwperceel.

2.2

Gewenste situatie

De gewenste eindsituatie is een woonbestemming conform artikel 36 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" Zo kan de eigenaar aan de Ossendijk 4 in Deurningen gaan wonen en geldt voor deze locatie de regels voor wonen die overal in het buitengebied van de gemeente Dinkelland gelden. Daarvoor is een kwaliteitsimpuls nodig. Deze vindt plaats aan de Bornsedijk 9 door middel van het saneren van de intensieve tak en de sloop van een asbesthoudende schuur.

12

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Hoofdstuk 3 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Beleid

3.1.1.1 Algemeen De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken 3.1.1.2 Opgaven van nationaal belang In de NOVI heeft het Rijk keuzes gemaakt. De belangrijkste zijn hieronder genoemd: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. 3.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijk ing aan de NOVI is de ladder voor duurzame verstedelijking gekoppeld. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke ontwikkelingen. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden geen rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI geraakt. Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie.

Op het realiseren van woningen in ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien sprake is van een planologische toevoeging van één woning. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

Op 13 november 2019 is door de Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 vastgesteld. De aanpassingen van de Omgevingsvisie die met de Actualisatie 2018/2019 zijn doorgevoerd zijn op 1 december 2019 in werking getreden. Met de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsvisie weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 van de provincie Overijssel. De Provinciale Staten van Overijssel hebben de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 op 13 november 2019 vastgesteld en is op 1 december 2019 in werking getreden. Met de vaststelling van de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsverordening weer bij de tijd gebracht. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

14

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

3.2.4

Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 2.1.3, lid 2 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) is het volgende bepaald:Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toets In onderhavig plan is sprake van het veranderen van de bestemming Recreatie naar Wonen. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaand erf. Het voornemen voldoet aan een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.1.5 is bepaald dat in de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Toets 16

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Voorliggend plan heeft betrekking op het wijzigen van de bestemming Recreatie naar Wonen. Door middel van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is dit te realiseren. De kwaliteitsimpuls zit in het slopen van een voormalige agrarische schuur met asbestdak aan de Bornsedijk 9. De huidige recreatiewoning is reeds op een landschappelijk passende wijze ingepast. De toets aan de gebiedskenmerken vindt plaats verderop in deze paragraaf. Solitair gelegen recreatiewoningen In artikel 2.12.9 is bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een solitair gelegen recreatiewoning in afwijking van artikel 2.12.5 een andere passende functies kan krijgen, als: a. de recreatiewoning geen bijdrage meer levert aan het recreatief product van het gebied; b. de nieuwe functie passend is op de locatie; c. de impact op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd; d. de nieuwe functie geen afbreuk doet aan omliggende functies; e. voldaan wordt aan de overige van toepassing zijnde regels in deze verordening. Toets De recreatiewoning wordt al vanaf de jaren 80 bewoond en maakt dan ook geen onderdeel uit van het recreatief product van de omgeving. Woningen zijn een passende functie in het buitengebied en komen veelvuldig voor. De impact van de nieuwe functie wordt door middel van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving gecompenseerd en doet geen afbreuk aan omliggende functies.

Daarmee voldoet de functiewijziging aan het gestelde in dit artikel. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke/stedelijke omgeving van belang. Het plangebied is grotendeels gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig landschap'. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. De voorgenomen ontwikkeling beperkt de mogelijkheden voor landbouw niet.

De ontwikkeling vindt op het huidige erf plaats, beperkt omliggende bedrijven niet en sluit aan op bestaande bebouwing en infrastructuur. De voorgenomen ontwikkelingen passen dan ook in de geldende ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Voor het plangebied geldt de volgende van belang zijnde gebiedskenmerk de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap - Essenlandschap'. De kenmerken van dit landschap zijn in de omgeving van het plangebied waar te nemen. De kenmerkende structuren vanuit het essenlandschap zijn ter plaatse (in de omgeving) wel zichtbaar. De bestaande structuren vanuit het agrarische cultuurlandschap is aanwezig en wordt ook in stand gehouden. De voorgenomen ontwikkeling tast de landschappelijke structuur ter plaatse niet aan en is dan ook passend binnen de gebiedskenmerken. 3.2.5

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Mijn Omgevingsvisie Dinkelland 2030

De omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het gemeentelijke ruimtelijk beleid. De nota vormt daarmee een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2030. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de wij, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat willen we behouden, versterken en ontwikkelen. Buitengebied in balans Wij willen een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Ons Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In ons buitengebied komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. We zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. We streven naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt ons buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doen we samen met onze inwoners, onze partners en de gebruikers. Onze speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Conclusie Het voorliggende plan past binnen het gestelde in de omgevingsvisie. De functie wonen maakt onderdeel uit van het buitengebied en er vindt een verbetering plaats van de ruimtelijke kwaliteit door de KGO investering. 3.3.2

Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018

De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen werken op het gebied van recreatie en toerisme samen hebben hiervoor in 2014 voor het eerst gezamenlijk beleid opgesteld. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. De vier Noordoost Twentse gemeenten hebben samen met de sector (Koninklijke Horeca Nederland en de Recron) een verdiepingsslag gemaakt met het onderzoek 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente. Onderzoek naar de vitaliteit van de sector (juni 2015). De uitkomsten van deze verdiepingsslag zijn verwerkt in een nieuwe nota 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018', waarmee de vier NOT-gemeenten weer over een actueel beleidskader beschikken, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. De visie van de gemeenten is gericht op het versterken van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. In de nota zijn per verblijfsvorm definities en uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen geformuleerd.

Een solitaire recreatiewoningen die sinds de jaren 80 bewoond wordt, levert geen bijdrage aan het verblijfstoerisme in Noordoost Twente.

18

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

3.3.3

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Als hoofdregel voor de toepassing van KGO geldt dat de waardestijging die het bedrijf ondervindt als gevolg van de realisatie van de ontwikkelingsplannen geïnvesteerd moet worden in de ruimtelijke kwaliteit. Aan de hand van de gemeentelijke beleidsnota is bepaald welk bedrag gehanteerd moet worden voor de waardebepaling en welk bedrag dus in de ruimtelijke kwaliteit moet worden geïnvesteerd. Er is een KGO plan opgesteld, waarin alleen de extra investering in de ruimtelijke kwaliteit is vertaald. Dit KGO plan is aan deze toelichting gekoppeld. Hieruit blijkt dat de benodigde investeringen worden gedaan. De basisinspanning is niet noodzakelijk, de inpassing is conform de kenmerken van het omliggende landschap. Tenslote wordt ook een bedrag geinvesteerd in het slopen van een asbesthoudende schuur aan de Bornsedijk 9 in Deurningen. Conform het KGO-beleid is de gemeente met initiatiefnemer een overeenkomst aangegaan om de uitvoering van de kwaliteitsimpuls te borgen. Daarnaast wordt de uitvoering van de maatregelen via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. 3.3.4

Woonvisie 2016+/ Uitvoeringsnota woningbouw 2018

De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen. De centrale ambitie van de woonvisie is daarin vastgelegd als wensbeeld voor Dinkelland in 2025: Voor alle doelgroepen, jong en oud, blijft het aantrekkelijk wonen in Dinkelland. Het woningaanbod is gevarieerd, comfortabel en toekomstbestendig zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Er is sprake van een passend voorzieningenniveau en inwoners zijn tot elkaar betrokken, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen versterkt. Kwalitatief en kwantitatief moeten er voldoende (passende) woonruimte beschikbaar zijn voor de verschillende doelgroepen. In de Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 heeft hebben B&W de Woonvisie 2016 geëvalueerd. Het overeengekomen regionale woningbouwprogramma voor Twente (RWP-T) heeft daarbij als uitgangspunt gediend. Op basis van de Uitvoeringsnota worden voor het hele buitengebied van Dinkelland 60 (in plaats van 35) woningen gereserveerd voor de periode 2018-2027. De Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 biedt ruimte voor een extra woning in het buitengebied. 3.3.5

Casco-benadering in Noordoost-Twente

De gemeenteraad van Dinkelland heeft in zijn vergadering van 10 juli 2012 de beleidsnota 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Deze nota bevat een generieke methode om vorm te geven aan het behoud en de ontwikkeling van het Nationaal-Landschap in Noordoost-Twente. Hiertoe is in het beleid een instrument opgenomen waarmee gemeenten en initiatiefnemers op voorhand duidelijkheid kunnen verkrijgen over het verwijderen, verplaatsen of ontwikkelen van landschapselementen bij toekomstige ontwikkelingen. Daartoe is per landschapstype bepaald of een daarin voorkomend landschapselement onderdeel is van de kenmerkende structuur van dat landschap, het casco, of niet. Daarnaast zijn richtlijnen geformuleerd voor de versterking van het landschap.

Afbeelding 3.2: Ligging deelgebieden op Casco-kaart Ten noorden van het plangebied en aan de noordwestkant van het plangebied van de Ossendijk 4 bevindt zich een casco element. Dit element wordt in stand gelaten. Conclusie Onderhavig plan is niet in strijd met het beleid uit de beleidsnota 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'.

20

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt bij een bestemmingsplan een toelichting gegeven op de relatie tussen de voorgenomen ontwikkeling en relevante milieuaspecten. Voor het merendeel van de diverse milieuaspecten is specifieke regelgeving opgesteld (bodem, geluid, water, flora- en fauna, etc.). Toch is er bij de vaststelling van een bestemmingsplan sprake van een aanvullende werking, omdat met het bestemmen van gronden ook richting gegeven kan worden aan de uitvoering van het milieubeleid. Uiteraard geldt ook hier het uitgangspunt dat er sprake dient te zijn van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zal daarom per milieuaspect de relatie tot de voorgenomen ontwikkeling worden beschreven.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets De planlocatie Ossendijk 4 is ingericht, bebouwd en wordt feitelijk gebruikt voor bewoning. Dit plan voorziet in de legalisatie van die situatie door de geldende bestemming "Recreatie – recreatiewoning" te wijzigen in "Wonen". Feitelijk wijzigt er niets in de inrichting, bebouwing en het gebruik binnen de planlocatie.

Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Het onderhavige project is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: "Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen." Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. Als er geen sprake is van een "stedelijke ontwikkeling" zoals bedoeld in het Besluit mer dan is dat Besluit m.e.r. ook niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Omdat de terreininrichting, bebouwing en het gebruik niet worden gewijzigd is er sprake van een puur formele en milieuneutrale ontwikkeling. De ruimtelijke uitstraling wijzigt niet. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.

4.3

M ilieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Toets Bij het voorliggende plan is er in beginsel sprake van het omgevingstype "rustige woonwijk/buitengebied". Er is sprake van een "rustige woonwijk/buitengebied" indien het een gebied betreft met overwegend verspreid liggende woningen en een beperkte mate van functiemeningen met bedrijvigheid/bedrijven. Rondom de planlocatie is bijna uitsluitend sprake van verspreid liggende woningen.

In dit geval is in de nabijheid een autoherstelbedrijf gevestigd. Net zoals de planlocatie is het autobedrijf gevestigd langs de doorgaande provinciale weg N738. In dat geval worden de gebieden getypeerd als "gemengd gebied". Dat het plangebied in "gemengd gebied" gelegen is betekent dat de richtafstand met één stap kan worden terug gebracht. Dit betekent dat voor bedrijvigheid tot en met categorie 3.1 een richtafstand van 30 meter (in plaats van 50 meter) kan worden aangehouden. De bedrijvigheid die aan de overzijde van de Deurningerstraat planologisch is toegestaan betreft bedrijvigheid tot en met categorie 2. Ook is (middels een aanduiding) een garagebedrijf toegestaan. Een autoherstelinrichting kan gecategoriseerd worden in milieucategorie 3.1. De kleinste afstand tussen die bedrijfsbestemming en de woonbestemming aan de Ossendijk 4 bedraagt circa 20 meter. Op basis van de tabel "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bedraagt de richtafstand buiten de bestemming "Bedrijf" waarbinnen mogelijk geluidhinder kan optreden, 30 meter. De woning Ossendijk 4 ligt op een grotere afstand uit de rand van de bedrijfsbestemming, op ruim 35 meter. De woning ligt dus buiten het aandachtsgebied waar milieuhinder (in dit geval geluidhinder) ten gevolge van het autoherstelbedrijf mogelijk is.

In het bestemmingsplan is, afgestemd op ligging van de woning, een bouwvlak opgenomen binnen de bestemming "Wonen" waarbinnen de woning is toegestaan. Regeltechnisch is het daarmee uitgesloten dat de woning tot binnen de milieuzone van het autoherstelbedrijf verplaatst wordt. Dat de woning niet dichterbij gesitueerd kan en mag worden houdt overigens met name ook verband met het verkeerslawaai ten gevolge van Deurningerstraat. Op dat aspect wordt hierna afzonderlijk ingegaan in 4.5 Geluid.

4.4

Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

22

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet in nader onderzoek bepaald worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Er is geen sprake is van wijzigingen in het feitelijke gebruik, terreininrichting en bebouwing. De bodem wordt niet geroerd en er wordt geen grond verzet. Er heeft daarom verkennend bureauonderzoek plaatsgevonden naar mogelijke (historische) bodemverontreinigingen, hieronder de bevindingen. Het perceel is van oudsher in gebruik geweest als weiland. Daarop waren enkele opstallen aanwezig, waaronder een kippenschuur en een stalletje voor kalveren. Vanaf medio de 80-er jaren is het perceel in gebruik genomen voor woondoeleinden. Daarvoor is de kalverstal verbouwd en uitgebreid en zijn een aantal bijgebouwen gerealiseerd.

Ook is er een tuin met vijverpartij aangelegd en zijn bomen en struiken aangeplant. Een van de opstallen is een tijdlang in gebruik geweest als opslag/magazijn en werkplaats. Voor langere tijd (tot ongeveer 2012) was er sprake van opslag van antiek en 2e hands goederen. Momenteel is een deel van de bijgebouwen niet meer als zodanig in gebruik. De overige bijgebouwen zijn in gebruik ten behoeve van de woonfunctie. Vanuit het historisch gebruiksperspectief is er geen reden om aan te nemen dat ter plekke sprake is van bodemverontreiniging. Ook in de praktijk en tijdens het gebruik is niet gebleken van bodemverontreinigingen. De planlocatie staat niet geregistreerd als potentieel van bodemverontreiniging verdachte locatie op de Bodemkwaliteitskaart Twente. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de herziening van de bestemming ter plekke. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

4.5

Geluid

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Deze bescherming komt tot stand door middel van zonering. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet bekeken worden of er een geluidsgevoelige bestemming wordt ontwikkeld en er sprake is van een acceptabel geluidsniveau. De gemeente Dinkelland heeft hiervoor ook geluidbeleid opgesteld met de nota 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Dinkelland'. Daarin staan per gebiedstype nadere ambitiewaarden- en bovengrenzen opgenomen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dienen deze grenswaarden in acht te worden genomen. In het gemeentelijke geluidbeleid liggen alle onderhavige deelprojecten in het gebiedstype 'Buitengebied'. Hiervoor geldt voor geluidsgevoelige objecten voor het aspect verkeerslawaai de ambitiewaarde 'redelijk rustig, 43-48 dB' en de bovengrens 'onrustig, 48-53 dB'. Onderzoek Voor de bepaling van de geluidbelasting door het wegverkeer zijn berekeningen uitgevoerd conform Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. In het rekenmodel (Geomilieu, versie 20.1) zijn de gebouwen, bodemgebieden bronnen (wegen) ingevoerd. Berekend is de 57 dB –geluidcontour binnen het perceel Ossendijk 4 op een hoogte van 1,5 m als op 4,5 m.

Voor de berekende 57 dB-contour mag namelijk de gebruikelijke wettelijke aftrek conform art. 110g Wgh van 4 dB worden afgetrokken. Deze contour bepaald derhalve de maximale grens voor het vaststellen van een hogere grenswaarde van 53 dB en dient als uitgangspunt voor het bestemmingsplan. De rekenresultaten exclusief 4 dB aftrek ex artikel 110g Wgh, zijn opgenomen in Bijlage 2 Akoestisch onderzoek. Conclusie Door het opnemen van een bouwvlak kan er niet binnen de geluidscontouren van de weg worden gebouwd. Daarmee is er voor het aspect geluid sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.6

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn kaders opgenomen om een goede luchtkwaliteit te bevorderen en ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. In de algemene maatregelen van bestuur: en de bijbehorende ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate' is een lijst van gevallen opgenomen die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het gaat om plannen die zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd kunnen worden. Daarbij gaat het onder meer om woningbouwlocaties waar minder dan 1500 woningen worden gerealiseerd. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een rekentool ontwikkeld waarmee voor kleinere ruimtelijke planen getoetst kunnen worden. "Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht" (Kenniscentrum Infomil). Zie onderstaande afbeelding voor de uitkomst van de rekentool.

Afbeelding 4.1: Rekentool NIBM Bij voorliggend plan worden er maximaal 10 extra voertuigbewegingen verwacht. Dit plan is aan te merken als een plan dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarmee is er voor het aspect luchtkwaliteit sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.7

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

De raad van de gemeente Dinkelland heeft een Geurverordening vastgesteld waarbij de afstandsmaten van 100 en 50 meter zijn verkleind naar respectievelijk 50 en 25 meter. Daarbij geldt de voorwaarde dat de bedrijven niet hebben uitgebreid binnen de oorspronkelijke zone door daarbinnen meer dieren te houden. De Wet Geurhinder laat ruimte om de afstanden te beperken. Toets Het perceel Ossendijk 4 wordt formeel een woonerf. Het bouwvlak van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt hemelsbreed op een afstand van circa 240 meter van de rand van de nieuwe woonbestemming. Ruim buiten de 24

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

geurhinderzone rond het betreffend bedrijf . Het maakt daarbij geen verschil of de zoneafstand 25 of 50 meter bedraagt. Het bedrijf wordt niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden, waardoor aannemelijk kan worden gemaakt dat vanuit het aspect geur het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

4.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Het plan voorziet in het toekennen van een woonbestemming. Een woning is een kwetsbaar object. Er is onderzocht of er in het plangebied of in de omgeving van het plangebied risico's op het gebied van externe veiligheid aanwezig zijn. Uit de inventarisatie blijkt dat op ongeveer 300 meter afstand van de woonbestemming een risicovolle BEVI-inrichting aanwezig is. Het betreft tankstation "De Witte Beer" aan de Deurningerstraat.

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart Er zijn een drietal risicofactoren aanwezig. Het LPG-vulpunt, het LPG-reservoir en de LPG-afleverinstallatie. Uit het bij de risicokaart horende attribuutrapport (zie afbeelding 4.3) blijkt dat de maximale afstand van het invloedsgebied rondom, 150 meter bedraagt.

26

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

afbeelding 4.3; attribuutrapport BEVI-inrichting tankstation "De Witte Beer" De woonbestemming Ossendijk4 ligt op 300 meter afstand en dus buiten het risicoinvloedsgebied rond BEVI-inrichting tankstation "De Witte Beer". Andere risicofactoren (vervoer gevaarlijke stoffen, buisleidingen, vuurwerk, etc.) zijn niet aanwezig binnen een straal van 1 km rondom de woonbestemming. Dat betekent dat het toekennen van de woonbestemming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.9

Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2021 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is met name verwoord in het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterk eten Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoets Op 29 december 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. De toets had betrekking op het plan "Woonbestemming Ossendijk 4". Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid.

De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen.

28

Bestemmingsplan Buitengebied, Ossendijk 4 en Bornsedijk 9 Deurningen

4.10 Archeologische en cultuurhistorische waarden Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/499/documents/16483