CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo.pdf

Commissie Omgeving & Economie 9 maart 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7.: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan 'Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo'26.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het restant is afkomstig van de slooplocatie Oldenzaalseweg 84 in de gemeente Tubbergen. Hiertoe is de bedoelde verklaring overhandigd door de gemeente Tubbergen. 9. Wanneer een veelvoud van 850m² landschapsontsierende bebouwing of 4500m² kassen wordt gesloopt, kan naar rato van de sloopnorm extra compensatiewoningen worden gerealiseerd. a. Alle te slopen bebouwing wordt in één keer gesloopt. b. Als op basis van de sloopnorm meerdere compensatiewoningen kunnen worden gebouwd, terwijl nog niet voor iedere compensatiewoning een locatie beschikbaar is, dan kan overeengekomen worden dat de compensatiewoning later gebouwd wordt. Deze dient binnen 5 jaar na het sluiten van de overeenkomst in een bestemmingsplan bestemd te zijn (ontwerp bestemmingsplan ter inzage). Als de compensatiewoning niet binnen 5 jaar bestemd is, dan vervalt het recht hierop. In dit geval wordt in totaal 1.116 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Hiervan wordt in totaal 916 m² ingezet in het kader van de Rood voor Rood-regeling. Hiermee wordt voldoende gesloopt voor het realiseren van één compensatiewoning. 10. Indien een agrarisch bedrijf bestaat uit zowel een intensieve tak als een grondgebonden tak en men wil middels een Rood voor Rood project de intensieve tak beëindigen, dan bestaat de mogelijkheid dat de grondgebonden tak wordt voortgezet.

Als het gebouw of de gebouwen waarin de grondgebonden tak wordt voortgezet landschapsontsierende kenmerken heeft, dan kan deze toch worden uitgezonderd van de sloopverplichting. Hier is sprake van maatwerk. In dit geval is ter plaatse van geen van de deelgebieden meer sprake van een agrarisch bedrijf. 11. De sloop van de te slopen bebouwing en de uitvoering van het erfplan worden middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan verzekerd. De te slopen bebouwing dient gesloopt te worden na afronding van het bestemmingsplan, eventuele milieuvergunningen voor agrarische activiteiten worden ingetrokken. Deze noodzakelijke voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan en het bestemmingsplan voor de slooplocatie aan de Oldenzaalseweg 84 in Fleringen. Herbouwlocatie 1. Binnen de gemeentelijke Woonvisie moet ruimte zijn om een compensatiekavel te kunnen realiseren. Wanneer hierbinnen geen ruimte is, dan wordt de aanvraag afgewezen. Binnen de Woonvisie 2016+ is ruimte voor de realisatie van de gewenste compensatiewoning (zie paragraaf 4.3.2 in deze toelichting). 2. De compensatiewoning kan geen onevenredige aantasting van agrarische en/of andere belangen in de omgeving veroorzaken, zoals belemmering van de bedrijfsmatige activiteiten van een bedrijf in de omgeving.

Belemmeringen voor omliggende bedrijvigheid, als gevolg van voorliggend initiatief, zijn niet aan de orde (zie ook paragraaf 5.5 en paragraaf 5.6). 3. De te bouwen woning dient te voldoen aan de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, of aan de regels van het ter plaatse van de compensatiewoning geldende bestemmingsplan. Voor de gewenste compensatiewoning vormen de regels van bestemmingsplan ‘Buitengebied’ het uitgangspunt. 4. De maximale omvang van één compensatiekavel voor een enkele woning bedraagt 1.200 m². In voorliggend geval wordt de compensatiekavel gerealiseerd op een bestaand woonerf. Hierbij is geen sprake 28

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

van een vergroting van het ter plaatse al aanwezige bestemmingsvlak voor 'Wonen'. 5. Samenvoeging tot één grotere compensatiewoning is mogelijk als het recht bestaat op twee of drie bouwkavels, wanneer dit leidt tot goede ruimtelijke kwaliteit. Niet van toepassing. 6. De compensatiekavel wordt op de slooplocatie of één van de slooplocaties gerealiseerd. Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze teruggebouwd wordt op de slooplocatie. Het staat de initiatiefnemer echter ook vrij om een andere ruimtelijk verantwoorde locatie in te dienen wanneer men de slooplocaties niet wenst te benutten als herbouwlocatie. De compensatiewoning dient in dat geval wel aan te sluiten op bestaande bebouwing. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. Het erf aan de Ootmarsumsedijk 9 wordt geschikt geacht om de Rood voor Rood woning te situeren in aansluiting op de bestaande erfstructuur. De exacte locatie van de woning, de erf opzet en de landschappelijke inpassing is in samenspraak met het Kwaliteitsteam bepaald. 4.3.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het rood voor rood beleid van de gemeente Dinkelland. 4.3.4

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.4.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

29

Te compenseren elementen

Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). 4.3.4.3 Situatie plangebied Ter plaatse van of aangrenzend aan de deelgebieden zijn onderdelen van het casco aanwezig. Een en ander is weergegeven in de onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.5 Ligging plangebied op de Casco kaart Noordoost Twente (Bron: Casco kaart Noordoost Twente)

4.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" In paragrafen 3.2 en 3.3 is reeds ingegaan op de gewenste invulling ter plaatse van de deelgebieden. Op basis van het ruimtelijk kwaliteitsplan wordt geconcludeerd dat enkel ter plaatse van de deellocatie aan de Ootmarsumsedijk sprake is van het vellen van onderdelen van het casco. Het betreft echter een houtsingel zonder duidelijke functie, sortiment en verbinding met het achterliggende landschap. Als naar historische kaarten gekeken wordt dan liep van vroeger uit het landschapselement langs het erf in een rechte lijn en niet met een 'haakje' achter het erf langs. Het gaat om erfbeplanting met zeer matige kwaliteit. Redelijkerwijs mag er vanuit gegaan worden dat het 'haakje' aan de houtopstand niet op de cascokaart had moeten staan. De rechte lijn langs het erf wordt nu weer gerealiseerd. De nieuwe aanplant geeft winst in kwaliteit, biodiversiteit en landschap. Door deze houtsingel te vellen en ter plaatse te voorzien in nieuwe passende groenstructuren wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Het plan is hiermee in overeenstemming met de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente'. 4.3.5

Beeldkwaliteit

De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval niet van toepassing, omdat voor Rood voor Rood-projecten een algemeen beeldkwaliteitsplan geldt. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning. Voor de compensatiewoning geldt het algemeen beeldkwaliteitplan Rood voor Rood zoals opgenomen in Bijlage 2. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan.

30

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

4.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

31

32

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid, voor beide percelen, beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat slechts waar dit relevant wordt geacht wordt ingegaan op de beperkte uitbreiding van het oppervlak aan bijgebouwen op beide locaties.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebieden

In voorliggend geval wordt met de compensatiewoning één nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Deze woning ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Ootmarsumsedijk en de Hilbertweg. Kijkend naar het omliggende wegennet, wordt gesteld dat deze wegen voornamelijk door bestemmingsverkeer gebruikt worden en daarmee een lage verkeersintensiteit kennen. Er wordt mede gezien de positionering van de woning op het erf, op enige afstand van de weg, dan ook verwacht dat de geluidsbelasting onder de voorkeurswaarde van 48 dB zal blijven. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt hiermee niet noodzakelijk geacht. De te realiseren woning ligt niet nabij een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

33

5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Algemeen In voorliggend geval is enkel ter plaatse van het perceel Ootmarsumsedijk 9 sprake van de toevoeging en/of nieuwbouw van een gebouw ten behoeve van langdurig verblijf van personen, in casu de compensatiewoning. In dit kader is dan ook enkel ter plaatse van de planlocatie aan de Ootmarsumsedijk 9 een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Ter plaatse van de planlocatie aan de Hilbertweg 14 is enkel een milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Hierna wordt voor beide locaties een korte toelichting gegeven op de onderzoeksresultaten. 5.2.2.2 Ootmarsumsedijk 9 Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Terra Agribusiness een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van de nieuwbouwlocatie aan de Ootmarsumsedijk. De bijbehorende onderzoeksrapportage is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. In zowel de boven- als de ondergrond (BM1, BM2 en OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. 5.2.2.3 Hilbertweg 14 Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Terra Agribusiness een historisch vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd met betrekking tot de planlocatie aan de Hilbertweg 14.

De bijbehorende onderzoeksrapportage is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. De locatie bestaat uit een erf met woning en een varkensschuur en tuin. Er zijn geen bodemrelevante gegevens bekend van de onderzoekslocatie bij zowel de Provincie Overijssel als de Gemeente Dinkelland. Er zijn geen potentieel bodembedreigende objecten op de locatie aangetroffen. Gegeven het historische gebruik van de locatie en de resultaten van het historisch onderzoek wordt een verkennend onderzoek op de locatie niet noodzakelijk geacht. 5.2.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk is. De onderzoekslocaties worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik (wonen met tuin).

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. 34

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat ten aanzien van de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2

Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de plangebieden. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

35

In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het plangebied is indicatief met de blauwe omlijning weergeven.

Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart Overijssel) Uit de inventarisatie blijkt dat de deelgebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich twee buisleidingen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De buisleiding welke langs de Hilbertweg loopt betreft een DPO-leiding (Defensie Pijpleiding Organisatie). Door deze leidingen wordt brandstof getransporteerd. Ten behoeve van de bepaling inzake externe veiligheid is op deze leiding de circulaire 'Bekendmaking van regels ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de k1, k2 en k3 categorie'. De DPO-leiding heeft een diameter van 8 inch en een druk van 80 bar. Op basis van tabel 4 uit de circulaire geldt een minimale afstand tot bebouwing van 5 meter en een toetsingsafstand van 27 meter bij nieuwe bebouwing. De te realiseren woning bevindt zich niet binnen de minimale en de toetsingsafstand.

Hiermee is ter plaatse sprake van een verwaarloosbaar risico. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de betreffende DPO-leiding geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Onder de Ootmarsumsedijk bevindt zich een aardgasleiding van de Gasunie. Het betreft NEN 3650-leiding 201130. Deze aardgasleiding heeft een uitwendige diameter van 6,26 inch en een werkdruk van 40 bar. De bijbehorende 1% en 100% letaliteitsgrens bevindt zich respectievelijk op 70 en 40 meter. Ter plaatse van de Ootmarsumsedijk 9 wordt een nieuw kwetsbaar object toegevoegd in de vorm van de te realiseren compensatiewoning. Op basis van de gewenste positionering van deze nieuwe woning (ruimtelijk kwaliteitsplan) bedraagt de afstand tot deze buisleiding meer dan 40 meter. Hiermee valt de woning enkel binnen de 1% letaliteitsgrens waarmee een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. 5.4.2.1 Verantwoording groepsrisico In het kader van externe veiligheid is een CAROLA-berekening uitgevoerd. De CAROLA-berekening toont aan dat het Groepsrisico kleiner is dan 0,1 van de oriëntatiewaarde (GR < 0,1). Met andere woorden: de uitvoering van het voornemen is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. De CAROLA-berekening is toegevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

5.5.2.1 Algemeen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor en langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in een gebied waar nauwelijks sprake is van functiemenging. Het deelgebied wordt dan ook aangemerkt als gebiedstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

37

5.2 5.3 6

700 m 1.000 m 1.500 m

5.5.3

500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake wanneer het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggend geval wordt er één nieuwe woning gerealiseerd. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval wordt er een compensatiewoning gerealiseerd aan de Ootmarsumsedijk 9. De compensatiewoning wordt aangemerkt als nieuwe milieugevoelige functie.

In de directe nabijheid van dit deelgebied bevindt zich enkel een grondgebonden veehouderij in de vorm van een paardenfokkerij en -houderij aan de Hilbertweg 3. In de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' geldt voor een paardenfokkerij een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geur'. Bij veehouderijen zijn echter de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren bepalend. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.6. Als het aspect geur buiten beschouwing gelaten wordt, geldt voor een paardenfokkerij een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten 'geluid' en 'stof'. Het deelgebied Ootmarsumsedijk 9 ligt op minimaal 180 meter afstand van het bestemmingsvlak behorend bij dit bedrijf. Omliggende milieubelastende functies bevinden zich op aanzienlijk grotere afstand tot dit deelgebied. Op basis van het bovenstaande wordt verwacht dat er ter plaatse van de compensatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. 38

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van één nieuwe geurgevoelige functie in de vorm van de te realiseren compensatiewoning aan de Ootmarsumsedijk in het buitengebied. In dit geval geldt in beginsel dan ook de vaste afstand van 50 meter. Zoals al bleek uit paragraaf 5.5 bevindt de dichtstbijzijnde veehouderij zich aan de Hilbertweg 3, op minimaal 180 meter afstand van het deelgebied. Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter voldaan ten opzichte van de bedoelde veehouderij en overige veehouderijen in de omgeving. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Omgekeerd wordt het agrarische bedrijf niet in haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Lemselermaten' bevindt zich op een afstand van minimaal 2 kilometer van het plangebied. De ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de 'Lemselermaten' is hieronder weergegeven in afbeelding 5.2.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

39

Afbeelding 5.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Lemselermaten' (Bron: AERIUS Calculator) Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangemerkt als NNN-gebied ligt op circa 1,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten het plangebied hebben. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatste van alle binnen deze ontwikkeling betrokken locaties. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet voor zover het de locaties Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 betreft. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 6.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

5.7.3.2 Situatie plangebied De locaties Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 bestaan uit bebouwing, erfverharding, moestuin, gazon en opgaande beplanting en liggen in het buitengebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken deze plandelen niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de soorten, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats'.

Door het slopen van opstallen, het verwijderen van opgeslagen goederen en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge jonge vogels gedood. Er nestelen alleen vogelsoorten in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is half augustus-maart. In voorliggend geval geldt dat mits geen bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, de voorgenomen activiteiten niet leiden tot wettelijke consequenties in het kader van gebieds- en soortenbescherming. 5.7.4

Conclusie

Indien de maatgevende activiteiten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Er worden daarnaast geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Afbeelding 5.3 toont de ligging van het plangebied (rode omlijning) binnen deze kaart.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

41

Afbeelding 5.3 Het plangebied op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Dinkelland) Zoals te zien is op bovenstaande afbeelding ligt het plangebied binnen verschillende geomorfologische verwachtingsgebieden. Echter zijn voornamelijk de locaties waar bodemingrepen gaan plaatsvinden in dit kader van belang. De bodemingrepen vinden in voorliggend geval uitsluitend plaats ter plaatse van de gebieden 'dekzandwelvingen en –vlakten' en 'beekdalen en overige laagten'. Voor deze gebieden gelden voorwaarden voor vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht zoals weergegeven in afbeelding 5.3. Aan deze voorwaarden wordt voor beide gebieden voldaan. Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 42

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r.

(beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie projectgebied

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een Rood voor Rood-ontwikkeling waarbij één compensatiewoning wordt gerealiseerd ter compensatie voor de sloop van een veelvoud aan landschapsontsierende bebouwing. Netto wordt één woning en enkele bijgebouwen toegevoegd. De aard en omvang van dit project is hiermee beperkt en de omvang van de woonpercelen wordt in vergelijking met de huidige situatie niet tot nauwelijks vergroot.

Daarnaast wordt het project gerealiseerd in een omgeving die zich kenmerkt door (verspreid liggende) woonbebouwing. De betrokken woonpercelen worden op passende wijze ingepast in het landschap. Dit is een herinrichting van ondergeschikte aard. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie (woning) die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. 5.9.3

Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

45

waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

46

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels 7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 1 4 Weerselo

47

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. Overige regels (Artikel 13) In dit artikel worden de overige regels beschreven.

Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch - 1' (Artikel 3) Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, en het uitvoeren van ruimtelijke kwaliteitsplannen. In het kader van voorliggend plan wordt ter plaatse van de reeds aanwezige woonpercelen meerdere voormalige agrarische opstallen gesloopt.

De betrokken woonpercelen en de omliggende agrarische gronden worden passend bij de resterende bebouwing en de toekomstige bouwmogelijkheden op landschappelijk verantwoorde wijze ingepast in de omgeving. De agrarische bedrijfsmogelijkheden zijn ingeperkt vanwege de ligging nabij de woonbestemming. Wonen' (Artikel 4) 48

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsedijk 9 en Hilbertweg 14 Weerselo

Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken en het uitvoeren van de landschapsmaatregelen gekoppeld aan ruimtelijke kwaliteitsplannen. Hilbertweg 14 Ter plaatse van een Rood voor Rood slooplocatie is het uitgangspunt dat het toegestane oppervlak aan bijgebouwen het bestaande oppervlak is na sloop van de te slopen gebouwen. In voorliggend geval wordt hier echter van afgeweken omdat er sprake is van een overschot aan sloopmeters. In dit kader wordt 100 m² afkomstig van de slooplocatie aan de Hilbertweg 14 ingezet ten behoeve van de uitbreiding van het ter plaatse toegestane oppervlak aan bijgebouwen. In het kader van de Rood voor Rood ontwikkeling wordt ter plaatse enkel een schuur van 711 m² gesloopt. Hiermee blijft er nog een aangebouwd bijgebouw van 50 m² over. Door 100 m² van het sloopoppervlak in te zetten wordt het mogelijk om het toegestane oppervlak aan bijbehorende bouwwerken vast te stellen op 200 m². Compensatiekavel Ootmarsumsedijk Met gebruikmaking van de zogenaamde 'hobbyboer regeling' (artikel 36.3 onder d van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010') is de maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m² voor de nieuwe woning aan de Ootmarsumsedijk vergroot tot 200 m². Hiermee komt het totaal voor deze woning op 200 m². Dit is mogelijk omdat wordt voldaan aan de voorwaarden behorend bij deze regeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/467/documents/14893