Bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein (toelichting en regels).pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPNOSSELTWEG25VG01
Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 11
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 14 19
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
23 23 23 25 26
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
26 27 28 29 31 32 32
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
35 35 35
Hoofdstuk 6
39
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
41 41 41
Bijlagen bij de toelichting
43
Bijlage 1
44
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
2
49 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
51 51 55
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Maatschappelijk - Zorgboerderij Wonen Leiding - Gas
57 57 59 61 65
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
67 67 68 69 70 71
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
73 73 74
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor de locatie Nosseltweg 25-25A in Denekamp is een plan ontwikkeld. Momenteel is op dit perceel een paardenhouderij met bedrijfswoning (Nosseltweg 25) en plattelandswoning (Nosseltweg 25A) gevestigd. Het erf aan de Nosseltweg 25 wordt door de huidige eigenaren gebruikt voor een tijdelijke zorginstelling (zorgboerderij). De eigenaren van de Nosseltweg 25 hebben de wens om dit om te zetten naar een permanente zorginstelling. Het gaat om een kleinschalige zorgboerderij met maximaal 11 cliënten. De huidige plattelandswoning aan de Nosseltweg 25A vormt geen onderdeel van de zorgboerderij en zal worden omgezet naar een reguliere burgerwoning. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging De locatie Nosseltweg 25-25A in Denekamp bestaat uit een erf bestaande uit een paardenhouderij met bedrijfswoning aan de Nosseltweg 25 en een plattelandswoning aan de Nosseltweg 25A. Het plangebied ligt in het buitengebied, ten noordwesten van de kern Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente kadastrale gemeente Denekamp, sectie M, perceelsnummers 1098, 1096, 1097 en 1041. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop de locatie Nosseltweg 25-25A te zien is. Voor de begrenzing van het plangebied is gekozen voor het plangebied zoals opgenomen in de partiële herziening 'Buitengebied, Nosseltweg 25a en Lattropperstraat 57'. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
7
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het initiatief heeft betrekking op het perceel dat gelegen is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Nosseltweg 25a en Lattropperstraat 57’. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied, Nosseltweg 25a en Lattropperstraat 57' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijf – Paardenhouderij’ inclusief aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’ en de bestemming ‘Agrarisch – 1’. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor een gebruiksgerichte paardenhouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Ter plaatse van de aanduiding 'plattelandswoning' is een plattelandswoning toegestaan. Dit betreft een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die is gelegen binnen een agrarisch bouwblok en die gebruikt mag worden door derden die geen functionele relatie hebben met het agrarisch bedrijf dat ter plaatse nog wordt uitgeoefend. 8
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om een permanente zorgboerderij mogelijk te maken. Hiervoor is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk, waarbij het perceel Nosseltweg 25 wordt gewijzigd in een 'Maatschappelijke' bestemming en de het perceel Nosseltweg 25A in een 'Wonen' bestemming.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPNOSSELTWEG25-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit de Nosseltweg 25-25A in Denekamp. In de huidige situatie is aan de Nosseltweg 25 sprake van een paardenhouderij. Daarnaast wordt het perceel momenteel gebruikt door een tijdelijke zorginstelling (zorgboerderij) die ruimte biedt voor maximaal 9 cliënten. Op het erf staat een woonboerderij en meerdere schuren. Ook zijn er diverse faciliteiten ten behoeve van de paardenhouderij, zoals een buitenbak en stapcirkels. Aan de Nosseltweg 25A is daarnaast sprake van een plattelandswoning. De bewoners van deze woning hebben geen binding met de bedrijfsvoering van Nosseltweg 25. In de directe omgeving van het plangebied liggen voornamelijk burgerwoningen en agrarische percelen. Daarnaast ligt ten noordwesten van het plangebied een voormalig mijnbouwlocatie van de NAM. Deze locatie is echter niet meer in gebruik en is al helemaal ontmanteld en opgeruimd.
Figuur 2.1: huidige situatie Nosseltweg 25-25A in Denekamp (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemers zijn voornemens om het perceel aan de Nosseltweg 25 in Denekamp om te zetten naar de maatschappelijke functie. Momenteel is op de locatie een paardenhouderij gevestigd inclusief (tijdelijke) kleinschalige zorgboerderij. De initiatiefnemers zijn voornemens om de tijdelijke zorgboerderij om te zetten naar een permanente kleinschalige zorgboerderij voor maximaal 11 cliënten. De hoofdfunctie wordt daarmee een maatschappelijke functie met daaraan ondergeschikt het houden van dieren. Het betreft daarmee met name een planologische wijziging. Er vinden geen sloop- en of bouwwerkzaamheden plaats. Ook het perceel aan de Nosseltweg 25A wordt meegenomen in de bestemmingsplanwijziging. Hier is momenteel een plattelandswoning gevestigd. Een plattelandswoning is een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die is gelegen binnen een agrarisch bouwblok en die gebruikt mag worden door derden die geen functionele relatie hebben met het agrarisch bedrijf dat ter plaatse nog wordt uitgeoefend. Een plattelandswoning aan de Nosseltweg 25A is dus gekoppeld aan de agrarische functie van de Nosseltweg 25. Met de wijziging naar een maatschappelijke bestemming aan de Nosseltweg 25, kan de plattelandswoning aan de Nosseltweg 25A gewijzigd worden in een reguliere burgerwoning.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
11
Figuur 2.3: Toekomstige situatie Nosseltweg 25 Denekamp (bron: Leferink Architecten BV)
12
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Landschap is een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de onze, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen.
Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap. Dit wordt wordt verbonden met het Nationaal Programma Landelijk Gebied. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een planologische functiewijziging van een perceel in het buitengebied van Denekamp. Daarbij wordt de bedrijfsbestemming (paardenhouderij) gewijzigd in een maatschappelijke bestemming. De plattelandswoning krijgt een woonbestemming. Met voorliggend plan blijft een zorgboerderij, en daarmee een maatschappelijke drager in het landelijk gebied, behouden. Het plan is gericht op een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
13
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op een functiewijziging van een bestaand perceel aan de Nosseltweg 25-25A in Denekamp. Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) geldt dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, dan in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft). Daarbij is bepaald dat als een bestemmingsplan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan (bedrijfs)bebouwing mogelijk maakt, maar alleen in een planologische functiewijziging voorziet, het plan in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met voorgenomen ontwikkeling neemt het planologisch beslag op de ruimte niet toe.
Het betreft een bestemmingswijziging van een bedrijfsmatige naar maatschappelijke functie. De bebouwing neemt niet toe. Als enkel sprake is van een wijziging van de bestemmingsvlakken, dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). Dat is hier niet het geval. Met voorliggende ontwikkeling wordt een bedrijfsmatige bestemming voor een paardenhouderij herbestemd naar een maatschappelijke bestemming (kleinschalige zorgboerderij met ondergeschikt het houden van dieren). De toekomstige functie is qua aard en omvang juist minder ingrijpend en belastend dan de huidige bestaande functie. Er is daarmee geen sprake van een planologisch functiewijziging van een zodanige aard en omvang (RvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1601). Daarnaast wordt op grond van dit bestemmingsplan (herbestemmen van plattelandswoning naar burgerwoning) mogelijk gemaakt om in de woning te wonen door derden. Aangezien dit goed gepaard gaat met de woon- en maatschappelijke functie kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen betrekking heeft op een planologische functiewijziging van een zodanige aard en omvang.
Gesteld kan worden dat het plan geen betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
15
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Bij nieuwe ontwikkelingen moet in eerste instantie onderzocht worden of gebruik gemaakt kan worden van bestaande erven en bebouwing, voordat beslag wordt gedaan op nieuwe ruimte in de Groene Omgeving. Het doel hiervan is onder meer het voorkomen van verdere verstening van het landelijk gebied. Onderhavig plan bevat geen nieuwbouw.
Het betreft enkel een planologische herbestemming van een bestaand bedrijf (paardenhouderij) naar maatschappelijke functie én burgerwoning. Er wordt geen extra beslag gedaan op de Groene Omgeving en er worden ook geen extra bouwmogelijkheden toegekend ten opzichte van de huidige planologische situatie. Onderhavig plan is in overeenstemming met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
16
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Doorwerking in voorliggend plan: Onderhavig plan bevat geen nieuwbouw. Het betreft enkel een planologische herbestemming van een bestaand bedrijf (paardenhouderij) naar maatschappelijke functie én burgerwoning. Er wordt geen extra beslag gedaan op de Groene Omgeving en er worden ook geen extra bouwmogelijkheden toegekend ten opzichte van de huidige planologische situatie. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voornemen een positieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Artikel 2.1.6. Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Doorwerking in voorliggend plan: In dit geval vindt er geen vergroting plaats van de bestaande bestemming, maar een wijziging van de bestemming. De planlogische wijziging van een paardenhouderij naar een maatschappelijke bestemming (zorgboerderij voor 11 cliënten).
Er wordt hiervoor ruimte geboden binnen een bestaand agrarisch erf en geen extra beslag gelegd op de groene ruimte. Onderhavig plan is in overeenstemming met de principes kwaliteitsimpuls groene omgeving. Artikel 2.2.2 realisatie nieuwe woningen Lid 1: Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Lid 4: De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend plan voorziet in het omzetten van een plattelandswoning naar burgerwoning. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Onderhavig plan is derhalve in overeenstemming met de principes van het realiseren van nieuwe woningen. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang.
In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
17
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in kleinschalige mixlandschap' en 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Ontwikkelingsmogelijkheden worden nadrukkelijk verbonden met het behoud en de versterking van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch in het grootschalig landschap' omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Het biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. De plannen van de initiatiefnemer vinden plaats op gronden die reeds benut worden ten behoeve van een paardenhouderij en een plattelandswoning. Daarmee doen de plannen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied. De plannen leveren geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving. Het voornemen is passend binnen het toegekende ontwikkelingsperspectief. Gebiedskenmerken Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken: natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude hoevenlandschap en Essenlandschap stedelijke laag: n.v.t. laag van de beleving: Donkerte Voorliggende ontwikkeling betreft enkel een planologische functiewijziging. Er vinden geen fysieke ontwikkelingen plaats (bouw- of grondwerkzaamheden) die gevolgen kunnen hebben voor de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag of laag van het agrarisch cultuurlandschap. Om deze redenen wordt verder niet inhoudelijk ingegaan op deze gebiedskenmerken. De voorgenomen ontwikkeling tast de landschappelijke structuur ter plaatse niet aan en is dan ook passend binnen de gebiedskenmerken.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening
18
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
MijnOmgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. Buitengebied in balans: De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn.
Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. De gemeente Dinkelland heeft een waardekaart opgesteld. Deze is opgenomen in figuur 3.3.
Binnen de waardenkaart is een onderscheid gemaakt tussen drie kleuren groen. Het plangebied ligt binnen het 'middelgroen' gebied. Het middel groene landschap is gericht op gemiddelde waarde en dynamiek. In deze gebieden zijn waarden aanwezig voor moden, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Toets
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
19
Figuur 3.3: Waardenkaart gemeente Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Met voorliggend plan wordt het perceel aan de Nosseltweg 25-25A in Denekamp omgezet van een bedrijfsbestemming (paardenhouderij) naar een maatschappelijke- en woonbestemming. Het plangebied ligt in 'middelgroen gebied'. In dit gebied zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. De wijziging van de bestemming naar maatschappelijk en wonen past binnen dit gebied en draagt bij aan een toekomstbestendig, economisch sterk buitengebied. De bouwmogelijkheden van het perceel worden hiermee niet vergroot. De ontwikkeling past daarmee binnen de waarden van het 'middelgroene' gebied zoals opgenomen in de Waardenkaart van de gemeente Dinkelland. Met voorliggend plan worden de landschappelijke waarden en structuren niet gewijzigd en is reeds sprake van een landschappelijk ingepast perceel. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Dinkelland. 3.3.2
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het 20
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
casco.
Figuur 3.4: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Er bevinden zich geen cascoelementen binnen het plangebied. Voor het overige blijven de bestaande cascoelementen behouden als gevolg van de planvorming. Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van het casco-beleid.
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
21
22
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt.
In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Er wordt middels dit bestemmingsplan een een bedrijfsbestemming (paardenhouderij) gewijzigd naar een maatschappelijke bestemming. De huidige plattelandswoning krijgt een woonbestemming. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2.
Het wijzigen van bedrijfsbestemming naar maatschappelijke en woonbestemming is in algemene zin niet te kwalificeren als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
23
voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.
In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt aan de Nosseltweg, een rustige weg in het buitengebied van Denekamp. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk burgerwoningen en agrarische percelen. Derhalve is het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' van toepassing. Bij de milieuzonering kan onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe werking. Externe werking: past de nieuwe functie in de omgeving? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Als gevolg van onderhavig plan wordt een bedrijfsmatige paardenhouderij omgezet naar maatschappelijke functie (kleinschalige zorgboerderij). Binnen de milieuzonering komt de categorie 'zorgboerderij' niet voor. Er is daarom gekeken naar de meest vergelijkbare categorie. Aangezien het gaat om een kleinschalige zorginstelling waar cliënten verblijven en wonen, is de categorie 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven' het meest passend. Voor de categorie 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven' geldt milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter in verband met het aspect geluid.
De dichtstbijzijnde gevel van een woning ligt aan de Nosseltweg 25A. Het perceel aan de Nosseltweg 25A ligt direct naast de maatschappelijke functie. De bijgebouwen bij de woning aan de Nosseltweg 25A liggen op circa 7 meter afstand van de maatschappelijke functie. De bijgebouwen bij de woning aan de Nosseltweg 25A betreft echter geen verblijfsfunctie. Sterker nog, bewoning van (vrijstaande) bijgebouwen is niet toegestaan. De gevel van de woning aan de Nosseltweg 25A ligt daarentegen op minimaal 10 meter afstand. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Voor het ondergeschikt houden van dieren bij de zorgboerderij wordt verwezen naar de motivering in paragraaf 4.3. Daarnaast is in 2018 door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op gevels van woningen vanwege het mogelijk maken van een zorgboerderij. In dit onderzoek is uitgegaan van 9 cliënten. In voorliggend plan wordt dat opgehoogd naar 11 cliënten. Dit is een toename van maximaal 2 cliënten. Door deze toename van het aantal cliënten zal het geluidsniveau niet significant toenemen, aangezien de inrichting van het terrein hetzelfde blijft. De uitkomsten van dit onderzoek zijn dan ook nog bruikbaar voor voorliggend bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat aan de de ambitiewaarde (L ArLT) en grenswaarden voor piekgeluid (L Amax) wordt voldaan.
Daarmee blijft met de zorgfunctie sprake van een 24
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De zorgfunctie en extra parkeerplaatsen liggen op voldoende afstand uit de bestaande woningen. Het woon- en leefklimaat van de woning aan de Nosseltweg 25A is hiermee voldoende geborgd. Ook voor de overige woningen in de omgeving is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor vindt juist een verbetering plaats. De bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij', met milieucategorie 3.1 en een richtafstand van 50 meter verdwijnt. Het perceel had een milieuvergunning voor 89 paarden. Deze milieuvergunning is teruggebracht naar 12 paarden. Daarbij wordt het perceel gewijzigd naar een maatschappelijke bestemming met milieucategorie 1 en een richtafstand van 10 meter. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Interne werking: laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Onderhavig plan betreft een planologische wijziging naar een maatschappelijke bestemming (zorgboerderij). In de huidige situatie is al een tijdelijke zorgboerderij toegestaan voor maximaal 9 cliënten. Deze wordt met voorliggend bestemmingsplan omgezet naar een permanente zorgboerderij voor 11 cliënten. Er wordt een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt.
Volledigheidshalve is daarom een toets verricht naar functies in de omgeving. Ten noordwesten van het plangebied, op circa 80 meter afstand, ligt een mijnbouwlocatie van de NAM. Deze locatie is echter in zijn totaliteit ontmanteld en is daarmee niet meer in gebruik en is opgeruimd. Deze functie vormt derhalve geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan. Tot slot zijn er in de omgeving enkele agrarische bedrijven gelegen. Voor agrarische bedrijven is het aspect 'geur' het meest van belang om de toetsen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In paragraaf 4.3 worden de agrarische bedrijven getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Op grond van artikel 1 van de Wgv wordt een geurgevoelig object gedefinieerd als: "gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor mensenlijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder gebouw bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.'' De woning(en) aan de Nosseltweg 25-25A zijn op grond van de Wgv aan te merken als een geurgevoelig object. De dichtstbijzijnde agrarische functie voor de burgerwoning aan de Nosseltweg 25A, betreffen de dieren die worden gehouden (o.a. paarden) bij de zorgboerderij van de Nosseltweg 25. De dieren die gehouden worden aan de Nosseltweg 25 zijn ondergeschikt aan de zorginstelling. De dieren die hier gehouden worden hebben dan ook geen bedrijfsmatig motief of verdienmodel. Daarbij is er voor de Nosseltweg 25A juist alleen maar sprake van een verbetering. De bedrijfsmatige bestemming (paardenhouderij), waarbij het was toegestaan hier 89 paarden te houden, wordt gewijzigd in een maatschappelijke bestemming waarbij het huidige aantal paarden bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
25
(12 paarden) is vastgelegd. Dit betekent een verbetering voor de woning aan de Nosseltweg 25A. Tot slot ligt het dichtstbijzijnde agrarische perceel, een niet grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Lattropperstraat 47, op circa 260 meter afstand. Dit betreft een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief kwekerijbedrijf of een intensief veehouderijbedrijf. Hiervoor gelden de minimumafstanden van artikel 4 Wgv. Dit betekent een afstand van ten minste 50 meter (buiten de bebouwde kom). Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Onderhavig plan betreft een planologische wijziging. De status van de bedrijfsbestemming (paardenhouderij) met plattelandswoning aan de Nosseltweg 25-25A wordt gewijzigd naar een maatschappelijke bestemming en burgerwoning. Ruimtelijke ingrepen c.q. bodemingrepen vinden niet plaats en de woonfunctie wijzigt niet.
Een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect 'bodem' vormt derhalve geen belemmering voor het wijzigen van een bedrijfsperceel met paardenhouderij naar een maatschappelijke bestemming met burgerwoning.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de 26
bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Onderhavig plan betreft een planologische wijziging. De status van het bedrijfsperceel met bedrijfswoning en plattelandswoning wordt gewijzigd naar een maatschappelijke- en woonbestemming aan de Nosseltweg 25-25A in Denekamp. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige voorgenomen situatie is sprake van een geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Het omzetten van de bedrijfs- en plattelandswoningen naar een reguliere woning kan niet worden aangemerkt als de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 Wgh geldt dat bij een vaststelling van een bestemmingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. Nadere toetsing aan het aspect wegverkeerslawaai is niet aan de orde. Industrielawaai en railverkeerslawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (gezoneerde) industrieterreinen of spoorwegen aanwezig. Nader onderzoek naar industrielawaai wordt niet noodzakelijk geacht.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met voorliggend plan wordt de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij' gewijzigd naar een maatschappelijke bestemming ten behoeve van een kleinschalige zorgboerderij voor maximaal 11 cliënten. Het perceel is echter momenteel al in gebruik als kleinschalige zorgboerderij voor 9 cliënten.
Met voorliggend plan worden maximaal 2 cliënten meer. Dit zal echter naar verwachting niet veel extra verkeersbewegingen met zich meebrengen. Het effect op de verkeersbewegingen is dan ook verwaarloosbaar. Wel is er door de functiewijziging sprake van een nieuwe (extra) gevoelige bestemming volgens 'besluit gevoelige bestemmingen'. Doordat er, per saldo, geen tot nauwelijks een toename van de verkeersbewegingen is te verwachten, is er geen sprake van overschrijdingen. De luchtkwaliteit van de 'gevoelige bestemming' blijft dan ook voldoende gewaarborgd. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve bestemmingsplan Buitengebied, Nosseltweg 25 - Erve Zoklein
27
niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.