Bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp.pdf
Tekst van het document
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan, een motivering worden verstrekt aangaande geluidshinder, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: in stedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; in buitenstedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; - voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; - voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
Deze zonering geldt niet: voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Beoordeling van de plannen: Plaatsen voor recreatieverblijven worden niet aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Het huidig erf wordt behouden en daarmee worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd als gevolg van de plannen. Daarnaast is de dichtstbijzijnde weg (Kommiezendijk) een gebiedsontsluitingsweg met lage intensiteiten en ligt de weg op ruime afstand van het plangebied (het erf is bereikbaar via een meer dan 150 meter lange laan). Vanuit het aspect wegverkeerslawaai gelden derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Er blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. 28
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Beoordeling van de plannen: Een camperplaats voor 25 campers zal ten hoogste 50 verkeersbewegingen per dag genereren (door 25 vertrekkende en 25 arriverende gasten, worst-case). Middels de NIBM-tool is aangetoond dat uit de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit blijkt dat de luchtkwaliteit in 'niet betekende mate' zal verslechteren.
Afbeeld ing 4.2: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.7 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
29
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beoordeling van de plannen:
Afbeeld ing 4.3: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt) Onderstaande figuur toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 1,2 kilometer van het plangebied de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het betreft een mestvergister. Deze onderlinge afstand is dermate groot dat deze risicobron geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Bovendien voorziet het plan niet in de realisatie van extra kwetsbare objecten. Het aspect externe veiligheid is daarmee geen belemmering voor het initiatief. 30
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8 Water Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 2 Digitale watertoets. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.
Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.
Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Hemelwater wordt geïnfiltreerd. Afvalwater wordt verwerkt via het afvalwaterriool dan wel een IBA.
Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
31
parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
4.9 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Onderstaand wordt op deze aspecten ingegaan voor wat betreft de plannen. Beoordeling van de plannen: 4.9.1
Quickscan natuurwaarden
Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 3. In navolgende alinea's volgen de bevindingen hieruit. Er zijn concrete plannen om camperplaatsen (max. 25) met sanitaire voorziening te realiseren aan de Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland. Tevens wordt er verharding, een verharde weg en een houtopstand (met o.a. hazelaar, lijsterbes, vuilboom, meidoorn en krent) aangelegd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In het rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 14 februari 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied ligt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Er is sprake van een kleinschalige ontwikkeling binnen het NNN die mogelijk gemaakt mag worden indien de voorgenomen activiteit gepaard gaat met een onderzoek waaruit blijkt dat er een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar bezetten veldmuizen er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vogels bezetten geen nestplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied.
Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en benutten het ook niet als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor amfibieën. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat veldmuizen gedood worden. Ook worden mogelijk vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van veldmuizen beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden 32
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
zoogdieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Geen veldmuizen doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein ongeschikt maken); Mits de voorgenomen activiteit gepaard gaat met een onderzoek waaruit blijkt dat er een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden, kan de voorgenomen activiteit uitgevoerd worden; Stikstofberekening uitvoeren (gebruiks- en ontwikkelfase); 4.9.2
Stikstofdepositie
Natura 2000 In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De locatie Kommiezendijk 8 is gelegen op circa 190 meter van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 4 en Bijlage 5 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 190 meter van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.9.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
33
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Beoordeling van de plannen: Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de "Archeologische verwachtings- en advieskaart" van de gemeente Dinkelland (RAAP, 2007) geraadpleegd. Onderstaande afbeelding 4.4 toont een uitsnede van de kaart, het plangebied bevindt zich op overgangen van dekzandhoogten en - ruggen naar dekzandwelvingen en -vlakten en beekdalen en overige laagten.
Afbeeld ing 4.4: uitsnede archeologische verwachtingskaart Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland) Voor deze gronden geldt op basis van de dekzandhoogten en -ruggen een hoge verwachting, voor de dekzandwelvingen en -vlakten een middelmatige archeologische verwachting en voor de beekdalen en overige laagten een lage verwachting conform de beleidskaart. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. De bodemingrepen als gevolg van voorliggende plannen zijn zeer beperkt en blijven ruim beneden de 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch
34
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van een vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 4.10.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Beoordeling van de plannen: Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Verkeer Met een maximale capaciteit van de camperplaats voor 25 campers worden in een worst-case scenario maximaal 50 verkeersbewegingen gegenereerd (door 25 vertrekkende en 25 arriverende gasten). Opgemerkt wordt dat dit een onwaarschijnlijk scenario betreft dat zich niet vaak zal voordoen. Het verkeer wordt volledig via de Kommiezendijk ontsloten. Gelet op de inrichting van deze weg als ontsluitingsweg gaat het verkeer hier op in het heersende verkeersbeeld. Conform de NSL-Monitoringstool is geen sprake van congestie. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.11.2 Parkeren De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnotitie "Bouwen & parkeren 2018" vastgesteld. Het beleid is van toepassing op gebouwen en ontwikkelingen binnen de gemeente Dinkelland. In de beleidsnotitie is nader uitgewerkt wat de parkeerbehoefte bij een bepaald gebruik is (parkeernorm, als de extra parkeerbehoefte niet op eigen erf kan worden gerealiseerd). Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen in de beleidsnotitie vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit de publicatie 317 van CROW. Een camperplaats of kampeerterrein is niet opgenomen in de notitie. De camperplaats voorziet in 25 standplaatsen voor campers. Dit is de maximale capaciteit van de camperplaats.
Omdat gasten met de camper naar de camperplaats komen worden geen aanvullende verkeersbewegingen gegenereerd. Met 25 camperplaatsen wordt daarmee voorzien in de maximaal verwachte parkeerbehoefte. Het plan voorziet in de eigen gegenereerde parkeerbehoefte, het bestaande wegennet is geschikt voor de ontsluiting van het gegenereerde verkeer. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen oplevert voor het onderhavige plan. Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
35
36
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels.
Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. Opzet planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 'Agrarisch - 1' De bestemming 'Agrarisch - 1' is overgenomen van het geldend bestemmingsplan. Het akkerbouwbedrijf blijft namelijk bestaan, wel wordt het huidig bouwperceel en bouwvlak verkleind en qua oppervlakte aan bebouwing gemaximaliseerd. De camperplaats wordt door middel van functieaanduiding aangegeven in aansluiting op het agrarisch bedrijfsperceel. 'Bos - Natuur' Omliggend aan de camperplaats wordt een extra KGO-investering verricht in de vorm van aanplant van bomen en onderbeplanting. Deze gronden krijgen daarmee een groene invulling en zijn daarom bestemd als 'Bos Natuur'. Hoofstuk 3 Algemene regels bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
37
Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels Onder dit artikel wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven wat algemene gebruiksregels betreffen die gelden in het plangebied, dit kan zowel strijdig als toegestaan gebruik omvatten. Algemene afwijkingsregels Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Overige regels Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en parkeren en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Hoofstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een camperplaats. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten alsmede afspraken voor het risico van planschade. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.?
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
39
40
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan.
7.1 Procedurestappen Dit bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is het bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4 'Nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding met KGO', waardoor vooroverleg niet nodig is. Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen waterschapsbelangen gemoeid zijn. Een vooroverleg is daarom niet noodzakelijk geacht.
7.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan ligt vanaf 24 november 2023 gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de zienswijzennota.
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
41
42
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklen kamp
43
Bijlage 1
44
KGO-plan
bestemmingsplan Buitengebied, Kommiezendijk 8 te Lattrop-Breklenkamp
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N B U IT E N G E B I E D •
Ko m m i e ze n d i j k 8 - L a tt r o p •
Tubbergen, 23 januari 2024 - Definitief
Bergvennenweg
L 1447
L 1445
v Berg
L 1446
enne nweg
L 573 Kommiezendijk
J I
L
L 1519 L 1520 E
G8
K
C
L 1596
A
A”
A M F
H
D
L 1521
B
L 570
L 1054
Project: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Afbeelding: Ontwikkeling Kommiezendijk 8, Lattrop (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
2 L 569
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Locatie: Kommiezendijk 8 Lattrop
Titel rapport
RKP Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving - Kommiezendijk 8 Lattrop
Opgesteld:
15 augustus 2023, Tubbergen
Gewijzigd:
23 januari 2024, Tubbergen
Status:
Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. DE / Ing. DA Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
14
1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie Aan de Kommiezendijk 8 is het erf van de initiatiefnemer gelegen. In 1979 is hier begonnen met een gemengd agrarisch bedrijf, dat later overgegaan is van vader op zoon. Jarenlang heeft de familie hier een bedrijf gerund met varkens. En de familie is voornemens om er nu een camperplaats te realiseren. De planlocatie ligt in een dekzandgebied dat ten zuidoosten ligt van het stuwwallencomplex van Ootmarsum. Het dekzand is hier in de laatste ijstijd met de wind mee naartoe genomen. Door de hoogteverschillen die ontstaan waren werd het dekzand in dit gebied neergelegd. Het gebied rondom de planlocatie werd een grootschalig heidegebied dat in de loop van de 20e eeuw is ontgonnen en klaargemaakt als landbouwgebied. Mede door de komst van kunstmest konden deze, van oorsprong schrale gronden, vruchtbaarder worden gemaakt. Deze gebieden werden door vee begraasd. In het landschap is duidelijk te zien dat het een ontginningsgebied is, aan de rechte wegen en rechtlijnige verkaveling, de erven een stuk van de weg af gelegen en lanen met bomen. Direct ten oosten van de planlocatie bevindt zich het natuurgebied ‘de Bergvennen’. Dit is een lagergelegen, relatief nat, gebied dat ligt tussen het stroomgebied van de Vecht en de Dinkel.
investering (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) worden gedaan en zal het geheel worden ingepast in het landschap. 1.3 landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als voorwaarde. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
1.2 Wens initiatiefnemer De initiatiefnemer is de zoon van de familie die op het betreffende erf woont. Om de locatie toekomstbestendig te maken is de initiatiefnemer voornemens om een camperplaats te realiseren voor 25 campers. Het terrein voor de camperplaatsen zal achter het erf waar wordt gewoond gerealiseerd worden. Daarvoor is een aanpassing nodig van de toegangsweg, zal een KGO
5
2. Huidige situatie
2.1 Het natuurlijke landschap, dekzandvlakte en -ruggen Het plangebied is gelegen in een dekzandgebied dat doorsneden wordt door beekdalen. Het dekzandgebied is ontstaan in de laatste ijstijd (Weichselien). De stuwwallen waren al gevormd wat ervoor zorgde dat er aanzienlijke hoogteverschillen waren ontstaan. Nederland zag er in de laatste ijstijd uit als een poolwoestijn en de Noordzee stond destijds droog. Tussen de stuwwallen liggen vlakkere gebieden met dekzand aan het oppervlak. Het dekzand werd in de laatste ijstijd aangevoerd door poolwinden vanuit de Noordzeebodem. Kenmerkend voor dekzandgebieden is dat er relatief grote verschillen zijn tussen hoog en droog en laag en nat gebied. Deze verschillen zijn ook te zien in het plangebied. Ten westen liggen de lager gelegen beekdalen rondom bijvoorbeeld de Dinkel. Ook het gebied ten westen van de planlocatie waar de Bergvennen te vinden zijn, ligt lager. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Op enige afstand van de lagen de heidegebieden die later werden ontgonnen. Het plangebied ligt in een heideontginningsgebied.
2.2 Het agrarisch cultuurlandschap, jonge heideontginning De planlocatie ligt in het ontginningslandschap, dat omgeven is door het kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met de zogenaamde eenmansessen. Het landschap kent eenzelfde structuur als de essen en kampen. De combinatie van essen/kampen en heideontginning was uiterst functioneel, aangezien de heideplaggen vroeger werden gebruikt in de stal. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kleinere kampen gebracht. Doordat de mest en heideplaggen naar de hogere delen werden gebracht kwamen deze essen nog hoger in 6
het landschap te liggen. Vanaf de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden de heidevelden ook interessant als landbouwgebied. Door de uitvinding van kunstmest konden de, minder vruchtbare, heidegronden ook gebruikt worden als landbouwgrond. Vanaf dat moment is dan ook te zien dat de verkaveling functioneler en rechtlijniger werd. Daar is ook sprake van op de planlocatie. Hier zijn rechte wegen en kavels te zien. Richting het westen vormt zich de overgang naar een kampenlandschap, dat ook duidelijk de kenmerken heeft die bij dat landschap horen, zoals de bochtige wegen en blokverkaveling. Op de historische kaart van 1935 is dit patroon al deels terug te zien. 2.3 Het omliggende landschap Aan de noord- en oostkant van de planlocatie zijn de Bergvennen te vinden. Dit is een relatief lager gelegen gebied tussen het stroomgebied van de Vecht en de Dinkel. Het water van de hoger gelegen vennen stroomde geleidelijk af naar de lager gelegen vennen. De Bergvennen liggen op een dekzandrug, dus ze liggen relatief hoog in het landschap. Dit maakt dat de vennen vooral worden gevoed door regenwater. Naast deze vennen is de overgang naar de heide te zien. De planlocatie ligt in het heide ontginningsgebied. 2.4 Huidige indeling Het erf heeft een herkenbare opzet, met een laan richting het erf. Vooraan staat het woonhuis met daarachter de opstallen.
De gebouwen staan in een rechtlijnige structuur die karakteristiek is voor de ontginningsgebieden. 2.5 Nieuwe elementen Op de planlocatie zal een camperplaats gerealiseerd worden voor 25 campers. Ook zal er een bijbehorende sanitaire voorziening worden gerealiseerd. Er zullen geen houtopstanden verdwijnen, maar er worden wel nieuwe houtopstanden aangelegd.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Planlocatie omstreeks 1935. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten oosten van Lattrop. (Bron: geo.overijssel.nl)
Planlocatie. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
3.2 Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
3.4 Ontwikkelingsperspectieven In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
3.3 Generieke beleidskeuzes Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid,
3.5 Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving).
8
Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
systeem. Rond de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden ook de heidegebieden ontgonnen en bruikbaar gemaakt als landbouwgrond. Dit was in die tijd mogelijk, omdat toen kunstmest werd uitgevonden die de grond vruchtbaarder kon maken. Het plangebied is gelegen in een heideontginningsgebied en heeft ook de kenmerken van dit landschap overgenomen. Er is sprake van een rechtlijnige verkaveling en een open karakter. De begroeiing zie je vaak terug in de vorm van lanen en kleine bosjes.
3.5.1 Natuurlijke laag, dekzandvlakte De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een dekzandgebied dat door beekdalen wordt doorsneden. Het dekzand is in het verleden aangevoerd door de wind, in de tijd dat Nederland weinig begroeiing kende door een droger en kouder klimaat. De wind had toen vrij spel en bedekte de hogere delen van Nederland met dekzand. Door de stuwwallen in de omgeving van het plangebied is ook de planlocatie bedekt met dekzand. Dit proces heeft 120.000 tot 12.000 jaar geleden plaatsgevonden.
3.6 Buitengebied met kwaliteit (ruimtelijk beleid buitengebied) De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking van de omgevingsvisie opgepakt. Het beleid is opgesteld ter vervanging van vele andere ruimtelijke regelingen. Volgens de gemeente werd dit onnodig ingewikkeld. De absolute doelstelling van het beleid is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
3.5.2 Laag van cultuurlandschap, heideontginning Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en/of dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal
10
Er zijn algemene randvoorwaarden opgesteld: 1. De ontwikkeling moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. 2. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning. 3. Er is een balans tussen ontwikkeling en de kwalitatieve investeringen. 4. De ontwikkeling past naar aard en omvang. 5. De bestaande infrastructuur is toereikend. 6. Parkeren vindt op eigen erf plaats. 7. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Natuurlijke laag. Plangebied is omschreven als: “dekzandvlakte”.
Laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “jonge heideontginning”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
8. Er is geen onevenredige afbreuk voor aanwezige functies. 9. Er is geen onevenredige afbreuk aan de belangen van derden. 10. Indien noodzakelijk wordt er een bedrijfsplan gevraagd. 11. In het bestemmingsplan worden de ruimtelijke verplichtingen opgenomen. 12. Gecombineerde toepassingen van de beleidsregels is mogelijk. 13. Niet actuele vergunningen kunnen niet worden benut. De aanvraag betreft een functiewijziging waarbij de bestemming “Agrarisch-1” nabij het erf wordt aangeduid als locatie voor een kleinschalig camperterrein. Deze aanpassing binnen de agrarische bestemming, past niet binnen de huidige bestemmingsplanmogelijkheden, waardoor de bestemming aangepast moet worden. De waardesprong bedraagt volgens de uitgevoerde taxatie € 15.000,-. Naast de waardesprong is er ook sprake van afwaardering. Aan de noordoostkant van het perceel zal 604 m2. word omgezet naar bos met een afwaardering van 4,- per m2. Derhalve kan de afwaardering van € 2.416,- in mindering worden gebracht. Daarom is er sprake van een waardesprong van € 12.584,-. Een camperplaats is functioneel gebonden aan het buitengebied, wat betekent dat er 25% van € 12.584,- geinvesteerd moet worden in de groene omgeving, dat maakt een totaal van € 3146,-. Van dit bedrag wordt 10% van de advieskosten in mindering gebracht (totaal € 314,60). Voorgenoemde levert een netto investering op van € 2.831,40.
3.7 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. Aan de noordkant van de planlocatie zijn bestaande houtopstanden aangegeven als casco element. Deze bomen zullen blijven bestaan in de nieuwe situatie. De ontwikkeling heeft daarom geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.
Telt mee voor KGO
Telt niet mee voor KGO Pas vanaf 10 meter buiten de bestemming
414 m2
Telt wel mee voor afwaardering.
Dit bedrag zal aansluitend aan het eigen erf worden geinvesteerd. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan het gestelde beleid. Het te investeren bedrag ligt ruimschoots hoger dan de gevraagde KGO.
12
Bestemming af- en opwaardering. (Bron: N+L)
Deze beplan�ng mag ook meetellen voor de KGO investering. (zie tabel volgende pagina). Deze oppervlakte telt ook mee voor de afwaardering.
Onder: KGO berekening voor de ruimtelijke investering. (Bron: N+L)
Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel. nl)
13
4. Nieuwe situatie 4.1 Samenvatting huidige situatie Aan de Kommiezendijk 8 is het erf van de initiatiefnemer gelegen. In het verleden was hier een varkensbedrijf gevestigd. De familie is voornemens om er camperplaatsen te realiseren. De planlocatie ligt in grootschalig dekzand gebied op enige afstand van het stuwwallencomplex van Ootmarsum. Het gebied is te typeren als een een heide ontginningsgebied, nabij het lagergelegen natuurgebied ‘de Bergvennen’. In de omgeving is naast de openheid een rechtlijnige verkaveling te herkennen, rechte wegen en bomenrijen die gepositioneerd zijn langs lanen. Het erf zelf ken ook een rechtlijnige opzet die ook weer wordt aangehouden in de nieuwe situatie. 4.2 Nieuwe situatie Het woonhuis (G) en de bestaande opstallen zullen behouden blijven. Aangesloten op een bestaand bijgebouw zal de sanitaire voorziening voor de camping gasten worden gerealiseerd (E). De camperplaatsen zullen in een rechtlijnige positie worden gerealiseerd achter het bestaande erf (gekeken vanuit de toegangsweg), zoals te zien bij D. De bestaande toegangsweg zal een aftakking krijgen richting de camperplaatsen (F). De bestaande houtopstand zal in stand gehouden worden (A en C) en er zal nieuwe aanplant plaatsvinden aan de zuidzijde van de camperplaatsen (B en M).
De beplanting zal bestaan uit een inheems bosplantsoen, zoals hazelaar, lijsterbes, vuilboom, meidoorn en krent. Met daartussen een aantal zomereiken (B). Deze houtopstand is passend in de bestaande structuur en zorgt ervoor dat de camperplaatsen deels worden beschermd tegen de wind en enige afscherming verzorgt richting de omgeving. Daarnaast zorgt het voor een wat meer intiem gevoel dat passend is bij een camping. De openheid van het landschap blijft hiermee behouden, omdat zowel richting het westen als richting het oosten lange zichtlijnen behouden blijven. Het jonge heideontginningslandschap staat 14
bekend om haar openheid. De aanplant zal deze beleving daarmee ook waarborgen. De campers worden door deze aanplant onttrokken uit het zicht. 4.3 KGO investering De KGO investering zal op het eigen perceel worden gedaan. Daarbij wordt minimaal 10 meter buiten de bestemming aangehouden, zoals in het beleid als voorwaarde wordt gesteld. De KGO investering wordt voltooid door een deel van de agrarische bestemming om te zetten naar bos-natuur (J). De totale oppervlakte is c.a. 600 m2. Deze strook wordt aangeplant met onderbeplanting en bomen. De onderbeplanting zal bestaan uit inheems bosplantsoen, zoals meidoorn, hazelaar, lijsterbes en veldesdoorn. Tevens worden er bomen aangeplant. Dit zal gebeuren met de soorten eik, berk en grove den. 4.4 Maatregelen in de ruimtelijke kwaliteit Maatregelen die worden genomen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit zijn: - Behoud bestaande houtopstanden (A, C); - Nieuwe aanplant van inheems bosplantsoen en een aantal bomen (B, M). Maatregelen die worden genomen ten behoeve van de KGO-investering zijn: - Nieuwe aanplant van inheems bosplantsoen en boomvormers (J).
g
Bergvennenwe
L 1447
L 1445
Best aande bomenlaan best aand uit zomereiken
B:
Aan te planten houtopst anden met inheems bosplantsoen in de maat 80-10 0 (hoogte in centimeters). Plant afstand 1 x 1 meter
Bergv
L 1446
A:
enne
in een driehoeksverband. Soorten: Hazelaar, lijsterbes, vuilboom,
nweg
meidoorn en krent. Aanplanten in gelijke verhouding . Totaal: 615 stuks in 6 plantrijen op een totale breedte van 8 meter. Houtopstand aanvullen met bomen in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) en elk voor zien van twee boompalen. Aant al bomen: 9 stuks
L 573 Kommiezendijk
C:
Best aande houtopst and.
D:
Camperplaats voor maximaal 25 campers.
E:
Sanitaire voorziening aan best aand bijgebouw.
F:
Inrit.
G:
Woonhuis.
H:
Terrein voor de camperplaats, opper vlakte van 2675 m2.
I:
Te behouden bijgebouw.