CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp.pdf

Commissie Omgeving & Economie 2 april 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen bestemminsplan Frensdorferweg, nabij 2227.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In combinatie met de uitbreiding van recreatie is ook aan een deel van de gronden de natuurbestemming behouden en toegekend. Deze 'groene' inpassing komt overeen met de uitgangspunten van de provincie ten aanzien van uitbreiding van bedrijven in het buitengebied. Bij de inpassing van de beoogde plannen wordt rekening gehouden met landschapskenmerken en wordt beoogd om een verbetering te creëren als het gaat om landschap en natuur. Bovendien wordt in dit geval een bijdrage geleverd aan een verbetering van het watersysteem rondom het plangebied. Dit door een bestaande visvijver om te vormen naar een geschikter habitat voor waterflora en fauna. Daarnaast wordt hier een bijdrage aan geleverd om de Dinkel beter beleefbaar te maken voor bezoekers, o.a. door het aanleggen van een voetgangersbrug. Door Bijkerk landschapsarchitecten is daarvoor een inpassingsplan opgesteld. Het initiatief doet geen onaanvaardbare afbreuk aan de hier beschreven kenmerken, aangezien het plan zorgvuldig in de omgeving ingepast wordt. Laag van het agrarisch cultuurlandschap

28

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'maten en flierenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.8 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.8: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen. Hierdoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan. Het plangebied ligt in het matenlandschap met de overgang naar het jonge heideontginningslandschap. Het is een kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw. Het was een coulisselandschap door de aanwezigheid van het vele hakhout in singels of houtwallen. Er was sprake van open kamers met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Het matenlandschap stond in functionele verbinding met het essenlandschap. De essen waren droog en onder meer geschikt voor granen. De maten waren juist ideaal voor graslanden. Aanvankelijk was het landschap zeer fijnmazig. Tijdens het ontstaan heeft men nooit nagedacht over de schoonheid van het landschap. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds plaats hebben gevonden. Het landschap was ooit een bolwerk van houtsingels en houtwallen. Nu zijn slechts relicten over. Zij vormen de belangrijke dragers van het gebied en daarmee ook de herkenning ervan.

Het opzetten van een kleinschalig landschap is niet realistisch. Een nieuw plan moet waar mogelijk voorzien in het versterken of behouden van de dragers van het gebied. De ambitie is dit landschapstype weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. De nog gave delen verdienen een intensief op cultuurhistorische waarden gerichte inrichting en beheer. Voor de andere delen is het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter, de continuïteit van het landschap het uitgangspunt. Nieuwe dragers als biomassateelt, (es)dorpsontwikkeling in de nabijheid, water(voorraad)berging, particulier natuurbeheer zijn voor dit landschap bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

29

aan de orde. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk indien rekening wordt gehouden met het bestaande landschap, specifiek de aanwezige dragers (relicten). Met behulp van voorliggend plan wordt dit landschap juist benadrukt. Op het relatief beperkte oppervlak van het plangebied wordt een diversiteit in landschapstypen terug gebracht door zowel te Dinkel en haar oevers, een waterpartij, een boszone en een grasland te verbinden in het initiatief. Het plan draagt juist bij aan het naar voren brengen van de karakteristieken uit de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Waar mogelijk wordt dit nader versterkt. Stedelijke laag De stedelijke laag kent geen kenmerken toe aan het plangebied en wordt daarom buiten verdere beschouwing gelaten. Laag van de beleving In de laag van de beleving is het kenmerk 'Donkerte' toegekend. Tevens ligt de planlocatie nabij historische infrastructuur (Frensdorferweg).

Figuur 3.9: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het kenmerk donkerte is uiteraard ook zeer relevant voor de positie van de Cosmos sterrenwacht in het gebied. De nu beoogde ontwikkeling houdt rekening met het zo min mogelijk zorgen voor lichtvervuiling. De donkerte is juist een element c.q. kwaliteit dat benadrukt en versterkt wordt met het voorliggend plan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

30

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis.

Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Toets Op de waardenkaart van de omgevingsvisie is de locatie als volgt aangeduid:

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

31

Figuur 3.10: waardenkaart Omgevingsvisie, plangebied in rood aangegeven De waarden van dit gebied 'gericht op behouden door hoge waarde en beperkte dynamiek' zijn als volgt gedefineerd: afwisseling van openheid en beslotenheid; landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon; veel variatie in beplanting en grondgebruik; recreatieve belevingswaarde. Bij ontwikkeling kan ingespeeld worden op: de schaal van het landschap en het afwisselende karakter; behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie; versterken van de biodiversiteit; vasthouden van water; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op recreatie. Toets Met het hiervoor beschreven initiatief wordt een impuls gegeven aan het recreatief nachtverblijf en dagrecreatieve mogelijkheden binnen de gemeente Dinkelland en wordt een bestaande toeristentrekker versterkt, waarbij gebruik gemaakt wordt van een innovatief concept. De ontwikkeling wordt op passende wijze ingepast. De ontwikkelingen zullen opgaan in het te herontwikkelen bos en oeverlandschap rond de Dinkel. Het landschap ter plaatse wordt hiermee versterkt en hersteld. Omdat de ontwikkeling in balans is met de investering in de ruimtelijke kwaliteit, is de ontwikkeling in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.

Door de ontwikkelingen nabij Frensdorferweg 22 in Lattrop wordt een versterking gedaan in het herstellen van het oorspronkelijke landschap en haar waarden. Daarmee worden vrijwel alle perspectieven bij ontwikkeling vanuit de omgevingsvisie aangetikt. De toelichting hierop is als volgt. Het betreft een ontwikkeling die juist terug verwijst naar de schaal en het afwisselende karakter van het landschap, die verder versterkt in natuurwaarden door meer diversiteit van groenelementen en landgebruik aan te brengen. Tevens draagt het plan ook bij aan een verbeterde waterhuishouding en -kwaliteit en zal de variatie ook een bijdrage leveren aan biodiversiteit in het gebied. De recreatiewoningen worden gebouwd conform duurzaamheidseisen en leveren een forse impuls op voor de belevingswaarde vna de omgeving. De plannen leveren een positieve bijdragen en passen binnen de omgevingsvisie Dinkelland.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

3.3.2

Buitengebied met kwaliteit

Het buitengebied van Dinkelland kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie Dinkelland. Doelstelling Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren.

Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Toets In hoofdstuk 7 van de beleidsnota wordt ingegaan op ontwikkelingen van 'overige functies'. Hierin wordt ook het volgende aangegeven: 7.4 Uitbreiden perceel Voor het uitbreiden van een bestaand perceel met een ‘Overige functie’, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1. 7.5 (Gedeeltelijk) omschakelen naar een andere ‘Overige functie’ Voor het (gedeeltelijk) toestaan van een andere ‘Overige functie’ passend binnen een perceel met een ‘Overige functie’ is sprake van maatwerk. Niet elk functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de functie op de omgeving een rol speelt. Indien het (gedeeltelijk) toestaan van een andere ‘Overige functie’ aanvaardbaar is, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1. Daarnaast gelden de volgende voorwaarden: 1.

Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop, maar worden ingepast in de nieuwe erfopzet; 2. Bedrijfsmatige buitenopslag van goederen of andere bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen is uitsluitend in ondergeschikte mate toegestaan en moet aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de aard van de bedrijvigheid. De buitenopslag mag geen substantieel onderdeel vormen van de bedrijfsvoering en mag geen grotere oppervlakte beslaan dan 200 m2. Daarnaast moet de buitenopslag goed landschappelijk ingepast worden; 3. In afwijking van lid 2 zijn activiteiten buiten de gebouwen uitsluitend toegestaan indien het gaat om toeristisch-recreatieve functies, horeca, zorgfuncties of daarmee vergelijkbare functies of indien deze activiteiten noodzakelijk zijn in verband met de buitenopslag als bedoeld in lid 2; 4. Ingeval van een functiewijziging naar de functie ‘Verblijfsrecreatie’, dient voldaan te worden aan het bepaalde in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente of indien deze beleidsnota wijzigt het op dat moment van toepassing zijnde verblijfsrecreatieve beleid; 5. Detailhandel in een andere vorm dan productiegebonden detailhandel is niet toegestaan. Maximaal 10% van de totale oppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m2 mag worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel.

Uitsluitend indien het bestaande (bedrijfs)perceel of de bestaande bebouwing niet toereikend is voor de nieuwe functie, kan onder voorwaarden een uitbreiding van het (bedrijfs)perceel en/of een uitbreiding van bebouwing binnen het bestaande (bedrijfs)perceel worden toegestaan. Hiervoor gelden de regels uit respectievelijk paragraaf 7.3 of 7.4. In onderhavig geval is sprake van uitbreiding bij een bestaande overige functie (Cosmors Sterrenwacht). De betreffende gronden hebben op dit moment de bestemming 'Bos en Natuur'. Conform de tabel in paragraaf 8.1.1 bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

33

van het beleid dient voor een dergelijke ontwikkeling een taxatie uitgevoerd te worden. Door Aarnink makelaardij is daarom een taxatie verricht. Hieruit komt naar voren dat er als gevolg van de ontwikkelingen binnen het plangebied een waardevermeerding van de ondergrond ontstaat van: € 95.000,00 Een recreatieve functie betreft een functioneel aan het buitengebied gebonden functie, waardoor 25 % van de waardevermeerding geinvesteerd dient te worden in een extra investering ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor is een netto KGO-investering van €20.875,00 van toepassing. Vanuit het KGO-plan in Bijlage 2 blijkt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit fors hoger zijn dan de benodigde KGO-investering. Het plan geeft invulling aan de doelstellingen van het beleid Buitengebied met kwaliteit. Er is sprake van een goede invulling van beleid. 3.3.3

Beleidsnota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018

Doel van de nota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente is om kaders weer te geven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. In de analyse van deze nota kunnen aantal conclusies worden getrokken die van belang zijn voor het formuleren van de visie: De vrijetijdssector – in dit geval specifiek verblijfsrecreatie – is van groot economisch belang voor de regio Noordoost Twente. Een breed scala aan functies profiteert mee van een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product. In Noordoost Twente is sprake van de ‘verblijfsrecreatieparadox’. Er is een overaanbodsituatie ontstaan, waardoor de markt verzadigd is. Dit is met name het geval in de kampeersector. Het aanbod is in het laatste decennium sterker gegroeid dan de vraag. Met als resultaat teruglopende bezettingen, marges die onder druk staan en wisselend toekomstperspectief. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing en innovatie nodig binnen de sector. In een relatief verzadigde markt is het daarom van belang om te kijken naar de toegevoegde waarde van een initiatief; het moet niet ‘meer van hetzelfde’ zijn, bijdragen aan diversificatie van het aanbod en/of beter inspringen op de wensen vanuit de markt. De markt vraagt om vernieuwend en luxe aanbod, waarbij beleving en authenticiteit centraal staan.

De visie voor verblijfsrecreatie luidt dan ook als volgt: "Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod" Bungalows/recreatiewoningen op recreatieterreinen Voor recreatiewoningen op recreatieterreinen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: De provincie geeft in haar omgevingsverordening Titel 2.12 de kaders aan. In de verordening is beperkt ruimte voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen, te weten als er sprake is van: 1. een innovatief concept dan wel 2. een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterrein waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt en 3. als verzekerd is dat de vakantiebungalows voor de verhuur beschikbaar zijn en bedrijfsmatig en centraal geëxploiteerd zullen worden. Geen permanente bewoning. Inzet op het versterken van het aanbod aan vakantiebungalows op vakantieparken, in eerste instantie op bestaande vakantieparken. De mogelijkheid moet behouden blijven voor nieuwvestiging van een bungalowpark als dit een duidelijke meerwaarde oplevert en een versterking en verbreding van het recreatief-toeristisch product Noordoost Twente. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de toetsingscriteria zoals omschreven in hoofdstuk 5.

Gezien de vraag naar grotere vakantiebungalows waar meerdere families in kunnen worden ondergebracht, wordt de mogelijkheid tot de bouw van een aantal grotere vakantiebungalows op vakantieparken toegestaan cq. gestimuleerd, mits dit leidt tot een duidelijke kwaliteitsverbetering. Door bestaande woningen aan elkaar te koppelen, kunnen ook grotere vakantiewoningen gerealiseerd worden. Toets Onderliggend plan maakt de ontwikkeling van 28 verblijfsrecreatie objecten (sterrenkubussen) en bijbehorende (parkeer)voorzieningen mogelijk. De recreatieverblijven worden gerealiseerd in aansluiting op de bestaande sterrenwacht, waardoor het aanbod uitgebreid kan worden. Dit wordt gedaan in samenwerking met Erfgoed Bossem, dat reeds het concept van sterrenkubussen exploiteert nabij Lattrop. De sterrenkubussen nabij de sterrenwacht zorgen voor een aanvulling op het aanbod aan verblijfsrecreatieve mogelijkheden en betreft een uniek concept, waaraan ook behoefte is (zie ook de uitleg onder hoofdstuk 2 en paragraaf 3.1.2), en waardoor een samenwerking tussen twee recreatieve organisaties (Cosmos Sterrenwacht en Erfgoed Bossem) versterkt

34

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

wordt. De betreffende kubussen zijn tiny houses (max. 2 personen) en blijven ruimschoots beneden maximale maten. De recreatiewoningen zullen centraal worden geexploiteerd en alleen voor de recreatieve verhuur beschikbaar zijn. Permanente bewoning is in de regels van het bestemmingsplan ook specifiek uitgesloten, evenals het gebruik voor de huisvesting van elders werkzaam (tijdelijke) werknemers en het gebruik anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie. Het plan voldoet aan de uitgangspunten uit de beleidsnota. 3.3.4

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.11) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Figuur 3.11: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

35

ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Op basis van figuur 3.5 in samenhang met figuur 3.11 kan geconstateerd worden dat de aanwezige casco-elementen betrokken worden bij de nieuwe ruimtelijke kwaliteit. In het KGO-plan (Bijlage 2) zijn de casco-elementen (zowel het onderdeel als de niet onderdelen) verwerkt in de landschappelijke inpassing en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Het plan past binnen het casco-beleid van de gemeente Dinkelland.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets In het plangebied is sprake van nieuwvestiging van recreatieve verblijfsmogelijkheden in het plangebied.

In lijst D van het Besluit millieueffectrapportage is onder nummer 10.1 (uitbreiding recreatieve of toeristische voorzieningen) aangegeven dat bij een bezoekersaantal van 250.000 bezoekers of meer per jaar of een oppervlakte van 25 ha of meer, dan wel 10 ha of meer in een gevoelig gebied een onderzoek verricht dient te worden naar de gevolgen voor het milieu. Van een dergelijk grootschalige ontwikkeling is geen sprake. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project onder blijft. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Wel is een aanmeldnotitie m.e.r. vereist. Dit document is opgesteld en bijgevoegd in Bijlage 3. Conclusie De conclusie vanuit de Omgevingsdienst Twente (ODT) is dat gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt), de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Het besluit hiertoe is opgenomen in Bijlage 4. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

37

SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets De toekomstige recreatieve functies in het plangebied vinden qua activiteit het meeste aansluiting bij de functie 'kampeerterrein, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' uit de VNG-lijst. Volgens de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' zijn de recreatieve functies bepalend. Deze activiteiten kunnen gerangschikt worden onder categorie 3.1. Er is sprake van een rustig gebied, waardoor rekening moet worden gehouden met de indicatieve afstand van 50 meter. Het aspect geluid brengt deze grootste richtafstand van 50 m met zich mee. Externe werking In de bestaande situatie bedraagt de afstand tot de dichtstbijgelegen woning (Frensdorferweg 15) minimaal 120 m, dit betreft de afstand van grens woonperceel tot grens onderhavig plangebied. De uitbreiding, de bouw van de recreatiewoningen, komt nog verder van deze woning af te liggen, waardoor deze onderlinge afstand tussen recreatiewoning en woning Frensdorferweg 15 nog groter is. Andere woningen c.q. milieugevoelige objecten liggen op ruimere afstand van de ontwikkeling in onderhavig plan. Er wordt voldaan aan een goede miliezonering. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De recreatieverblijven zelf worden niet aangemerkt als een milieugevoelige functie.

Wel worden de objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij aangemerkt als geurgevoelige objecten. Bij de omliggende veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijfsperceel ligt op minstens 250 m van het plangebied. Dit betreft een grondgebonden veehouderij, waardoor een vaste afstand van 50 m geldt tussen het bedrijfsperceel en geurgevoelige objecten. Deze afstand wordt ruim gehaald, waardoor geen sprake is van onderlinge belemmeringen. Geconcludeerd wordt derhalve dat voldaan wordt aan de richtafstanden die gehanteerd zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering en de vaste afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij.

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

38

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van twee verkennende bodemonderzoek van Kruse Milieu om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De onderzoeken zijn bijgevoegd in Bijlage 5 en Bijlage 6. Locatie West In opdracht heeft Kruse Milieu in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 6900 m² aan de Frensdorferweg 22 in Lattrop-Breklenkamp. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie is grotendeels begroeid met gras, groenstroken en bomen.

De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van 20 sterrenkubussen (appartementen) en een theater. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 16 boringen verricht, waarvan er 4 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.65 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 11) is licht verontreinigd met barium en koper.

Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 11) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II, OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Locatie Oost In opdracht heeft Kruse Milieu in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 920 m² aan de Frensdorferweg 22 in Lattrop-Breklenkamp. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie is grotendeels begroeid met gras, groenstroken en bomen. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van 8 sterrenkubussen (appartementen). Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zwak siltig zand.

In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.15 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

39

de bovengrond (BG) is licht verontreinigd met PAK; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is niet verontreinigd. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG) is een lichte verontreiniging aangetoond. In de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie Met inachtneming van de bevindingen vanuit de verkennend bodemonderzoeken vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor het plangebied.

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Toets De te realiseren sterrenkubussen en zonnetempel worden op grond van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. Als gevolg van voorliggend plan worden dan ook geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van de plannen niet in de weg.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

40

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De verkeersaantrekkende onderdelen binnen dit bestemmingsplan zijn de sterrenkubussen en de zonnetempel. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 120 per dag gesteld worden. Voor motivering hiervan wordt verwezen naar de paragraaf voor verkeer in 4.10.1. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 120 extra voertuigbewegingen.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

41

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

42

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van ruim 2,8 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

43

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast.

Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Waterhuishouding plan De ontwikkeling van de sterrenkubussen en de zonnetempel zorgt voor een toename aan verhard oppervlak in het gebied. Het voornemen gaat uit van een gescheiden waterstelsel, waarbij hemelwater en afvalwater wordt gescheiden. Vanuit het waterschap geldt een bergingseis van 55 mm. Het verhard oppervlak neemt ten gevolge van de beoogde ontwikkeling toe met circa 1.200 m². Voor het afkoppelen van het verhard oppervlak wordt uitgegaan van afvloeiing naar onverhard terrein (bijv. gras/groen) waar het hemelwater kan infiltreren. Een deel van de sterrenkubussen zijn gesitueerd nabij of boven het water. Voor deze verharding geldt dat het hemelwater in de vijver opgevangen wordt waarbij het kan infiltreren. Overige verharding, de wegen, paden en parkeerplaatsen, wordt zodanig ingericht dat infiltratie mogelijk is, danwel afvloeit naar de zijkanten waar het ter plaatse kan infiltreren. Afwenteling naar benedenstrooms gelegen gebieden wordt voorkomen. Er vindt geen afstroming naar de Dinkel plaats.

Watertoetsproces Op 2 augustus 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 7. Op basis van de watertoets is de normale procedure van toepassing verklaard. Op 9 juni 2021 en 28 januari 2022 heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap Vechtstromen, gemeente Dinkelland en initiatiefnemers. Het plangebied ligt in de nabijheid van de Dinkel. Het waterschap Vechtstromen heeft belangen in dit gebied en is op moment van schrijven bezig met plannen voor herinrichting voor een verbeterde waterhuishouding en vismigratie in het Dinkelgebied. In de overleggen is afgesproken dat initiatiefnemers rekening houden met nieuwe maximale waterhoogtes van de Dinkel. Uit de beoogde peilhoogten blijkt dat op voorhand geen belemmeringen te verwachten zijn. Tevens is de intentie uitgesproken om bij te dragen aan doelen van het waterschap, bijvoorbeeld het geschikt maken van de vijver in het plangebied voor waterberging en/of paaigronden voor vissoorten. De concrete invulling is vanwege het lopende gebiedsproces vanuit het waterschap Vechtstromen voor de plannen met de Dinkelland echter nog niet inzichtelijk te maken. Op 28 maart 2022 heeft het waterschap tevens gereageerd op het concept bestemmingsplan.

De onderstaande randvoorwaarden worden meegenomen in de planvorming: De afstand van de kubussen tot de insteek van de huidige Dinkel bedraagt minimaal 10 meter Hoewel nog niet exact bekend is wat de toekomstige peilen van de Dinkel na uitvoering van de plannen van het waterschap Vechtstromen zullen worden, dient bij de aanleg van de recreatieverblijven rekening gehouden te worden met een mogelijk incidenteel optredend peil van 20,8m +NAP Met inachtneming van de toetsresultaten en de uitgangspunten vanuit de gevoerde contactmomenten met het waterschap wordt invulling gegeven aan het vooroverleg en is het waterschap positief over de ontwikkelingen.

44

bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-Breklenkamp

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). 4.8.1

Quickscan natuurwaarden

Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden, zie ook Bijlage 8. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Er zijn concrete plannen om een terrein ten westen van Cosmos Sterrenwacht aan de Frensdorferweg te Lattrop (ongenummerd) geschikt te maken voor verblijfsrecreatie en een multifunctioneel informatiecentrum te bouwen. Verspreid in het plangebied worden een soort trekkershutten (kubussen genoemd) geplaatst en wordt het terrein toegankelijk gemaakt door middel van paden. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 april 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.

Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort gedeeltelijk tot gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Het initiatief dient getoetst worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland, zoals opgenomen in de omgevingsverordening Overijssel. Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Gelet op de toename van verkeer in de gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Om hier zekerheid over te krijgen dient een stikstofberekening uit te voeren. Tevens dient een effectbeoordeling NNN en effectbeoordeling bos opgesteld te worden. Op basis van deze effectbeoordelingen kunnen (wettelijk) consequenties vastgesteld worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rusten voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt om beplanting en de bebouwing te verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en/of vernield. Voor amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.

Met uitzondering van de grote bosmuis geldt deze vrijstelling ook voor alle beschermde grondgebonden zoogdieren die er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats bezetten. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën en het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats van de grote bosmuis. Vanwege de beschermde status van de grote bosmuis wordt geadviseerd te werken conform een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Als gevolg van het gedeeltelijk bebouwen en verharden van het plangebied, neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg nabij 22 Lattrop-B reklenkamp

45

wettelijke consequenties. het plangebied komen geen beschermde vissoorten voor. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt er geen beschermde vissoort gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vissoorten niet af. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties die aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan. 4.8.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/823/documents/21432