Bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Frensdorferweg 7 En 9 En Kerkweg 27
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSKERKWG27VG01
Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 21
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
25 25 26 27 28
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
29 30 31 32 33 34 36
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
37 37 37
Hoofdstuk 6
41
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
43 43 43
Bijlagen toelichting
45
Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan
46
Bijlage 2
Ruimtelijk Kwaliteitsplan
49
Bijlage 3
Erfinrichtingsplan Frensdorferweg
67
Bijlage 4
Erfinrichtingsplan Kerkweg
69
2
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Bijlage 5
Geuronderzoek
71
Bijlage 6
Advies geuronderzoek omgekeerde werking
79
Bijlage 7
Bodemonderzoek Frensdorferweg
88
Bijlage 8
Bodemonderzoek Kerkweg
133
Bijlage 9
Watertoets Frensdorferweg
174
Bijlage 10
Watervergunning
177
Regels
183
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
185 185 193
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Wonen Waarde - Archeologie 2
195 195 201 206
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels
207 207 208 209
Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
210 211 212
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
213 213 214
Bijlagen regels
215
Bijlage 1
Ruimtelijk Kwaliteitsplan
216
Bijlage 2
Molenbiotoop
234
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor de locatie aan de Frensdorferweg 7-9 en de Kerkweg 27/27a, nabij het dorp Tilligte, is een plan ontwikkeld. Op het perceel aan de Frensdorferweg is een agrarisch bedrijf gevestigd met twee bedrijfswoningen. De wens bestaat het agrarische bedrijf te ontmengen waarbij de tweede bedrijfswoning wordt verplaatst naar de locatie van de te slopen stallen. Daarmee zal ter plaatse de landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij gesloopt worden. In combinatie met deze ontwikkeling bestaat de wens aan de Kerkweg de twee-aan-één gebouwde woningen te ontkoppelen en een vrijstaande woning aansluitend aan het bestaande erf te bouwen. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging De planlocatie bestaat uit twee percelen op de adressen Frensdorferweg 7-9 te Tilligte en de Kerkweg 27/27a te Tilligte. De percelen staan respectievelijk bekend als nummers 401 en 402, sectie K, en nummers 947 en 1128, sectie M te Denekamp. De planlocaties liggen buiten de bebouwde kom, ten noorden van de kern Tilligte. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De locaties van de plangebieden zijn rood omcirkeld, met links de Frensdorferweg en rechts de Kerkweg.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een kadastrale kaart, onderlegd met een topografische kaart weergegeven waarop de plangebieden te zien zijn. De begrenzing ter plaatse van de Frensdorferweg komt overeen met het bestaande erf (met vijver) en het plangebied aan de Kerkweg komt overeen met het bestaande erf en de benodigde ruimte voor de nieuwe woning conform het bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
7
erfinrichtingsplan. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor beide plangebieden geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het bestemmingplan 'Buitengebied 2010' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied aan de Frensdorferweg is de bestemming 'Agrarisch - 1' toegekend met een bouwvlak en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet grondgebonden agrarisch bedrijf' en de 'functieaanduiding specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor agrarische activiteiten en specifiek voor een niet grondgebonden agrarische bedrijf. De verplaatsing van de tweede bedrijfswoning is op basis van het huidige bestemmingsplan mogelijk. De ontmenging van het agrarische bedrijf echter niet. De intensieve veehouderij zal worden opgeheven en het akkebouwbedrijf zal blijven bestaan. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk. Aan het plangebied aan de Kerkweg is de bestemming 'Wonen' toegekend met de aanduiding 'twee-aaneen'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit en mantelzorg. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de woning aan de Kerkweg te ontkoppelen en één van deze woningen te verplaatsen. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSKERKWG27-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit twee percelen ten noorden van het dorp Tilligte in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het perceel Frensdorferweg 7-9 betreft een agrarisch bouwperceel. Het erf aan de Frensdorferweg omvat een intensieve veehouderij (varkens) en een akkerbouw bedrijf (grondgebonden) met twee bedrijfswoningen. De oudste bedrijfswoning is vrijwel direct aan de weg gesitueerd en de recenter gebouwde woning ligt verder van de weg af.
Figuur 2.1: Huidige situatie Frensdorferweg 7-9 Tilligte (bron: atlasvanoverijssel.nl) De agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij bestaat uit circa 480 m2 aan agrarische opstallen. Deze opstallen worden aangemerkt als landschapsontsierend door de verouderde staat van de gebouwen. De andere aanwezige opstallen zijn vrij recent gebouwd (2014), goed onderhouden en bruikbaar als opslag voor het akkerbouwbedrijf. Het erf is toegankelijk vanaf de Frensdorferweg middels 3 opritten. In figuur 2.1 is de ligging van het perceel ten opzichte van de omgeving weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
11
Figuur 2.2: Huidige situatie Kerkweg 27/27a Tilligte (bron: atlasvanoverijssel.nl) Het perceel aan de Kerkweg betreft een woonerf en betreft een karakteristiek Twents erf met een boerderij en een schuur. De boerderij bestaat uit twee woningen. Om de woningen te bereiken is er één oprit aanwezig. In figuur 2.2 is een bovenaanzicht van de Kerkweg 27/27a te zien.
2.2 Toekomstige situatie De ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit het voornemen van initiatiefnemers om op het perceel aan de Frensdorferweg 7-9 het agrarische bedrijf te ontmengen door de intensieve veehouderij te staken. De stallen behorende bij de intensieve veehouderij zullen worden gesloopt. De sloopmeters zullen worden ingezet om ter plaatse van de Kerkweg 27-27a de twee-aaneen woning te ontkoppelen. Tevens zal aan de Frensdorferweg de bestaande tweede bedrijfswoning worden verplaatst. De woning is momenteel direct aan de Frensdorferweg gesitueerd waardoor er veel overlast ervaren wordt als gevolg van het doorgaande verkeer. Bovendien is de woning verouderd en aan verval onderhevig. In onderstaand figuur is de erfinrichting in de nieuwe situatie weergegeven.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Figuur 2.3: Toekomstige situatie Frensdorferweg 7-9 Tilligte (bron: Borgerink Groendesign) In bovenstaand figuur is de toekomstige situering van de tweede bedrijfswoning te zien (zwarte stippellijn). Met de witte lijn zijn de te slopen opstallen aangegeven. De schuren ten behoeve van het akkerbouwbedrijf zullen behouden blijven en zullen dienst blijven doen als werktuigenberging danwel opslag. De bestaande oprit naar de bedrijfswoning en de oprit naar de tweede bedrijfswoning zullen gehandhaafd blijven. De oprit naar de te bouwen bedrijfwoning zal gebruikt worden voor het agrarische landbouwverkeer in verband met de benodigde ruimte voor de voertuigen. De oprit naar de intensieve veehouderij stallen zal worden opgeheven. Het geheel wordt landschappelijk ingepast door enkele elementen te verwijderen, toe te voegen en te verplaatsen. Zie Bijlage 2 en Bijlage 3 voor de investeringen ter plaatse van de Frensdorferweg 7-9. Aan de Kerkweg zal het bestaande woonhuis met twee woningen worden gesplitst in twee vrijstaande woningen. De bestaande woning wordt teruggebracht tot één woning. In onderstaand figuur zijn bouwtekeningen toegevoegd welke aantonen dat het bestaande hoofdgebouw met twee woningen zal worden teruggebracht naar één woning.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
13
Figuur 2.4: Bestaade situatie en nieuwe situatie Kerkweg 27/27a bestaand hoofdgebouw (bron: Familie ten Dam) De tweede woning zal op het bestaande erf worden gebouwd zodat er een erfemsemble ontstaat. Het erf zal daarbij landschappelijk worden ingepast. Bovendien wordt een bestaand waterhoudkundig probleem opgelost door de sloot ten westen van het erf te situeren. Daarnaast worden diverse landschapsontsierende groene elementen verwijderd en worden landschapselementen toegevoegd. Het erf is toegankelijk via één oprit met een splitsing naar beide woningen. Op onderstaande figuur is het erfinrichtingsplan weergegeven.
Figuur 2.5: Toekomstige situatie Kerkweg 27-27a Tilligte (bron: Borgerink Groendesign) De landschappelijke inpassing zal daarmee eveneens bestaan uit het oplossen van een waterafvoerprobleem ter hoogte van de Kerkweg 27 te Tilligte. De oplossing bestaat uit het omleiden van de watergang over het eigen terrein waardoor tevens een natuurlijkvriendeljke watergang wordt ontwikkeld. Zie Bijlage 2 en Bijlage 4 voor de investeringen ter plaatse van de Kerkweg 27/27a.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig): Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
15
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Uit de uitspraak (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt namelijk dat de ontwikkeling van 11 woningen niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Onderhavig plan biedt de mogelijkheid de twee-aaneen woning te ontkoppelen waarbij het tweede contigent op het bestaande erf wordt gerealiseerd middels de ontwikkeling van een vrijstaande woning. Hierbij is echter geen sprake van het toevoegen van een wooncontigent.
De ontkoppelde woning en tevens ook de te verplaatsen bedrijfswoning worden gerealiseerd op het bestaand (agrarische) erf. In ruil voor de genoemde ontwikkeling wordt op het erf aan de Frensdorferweg landschapsontsierende bebouwing gesloopt en worden beide erven landschappelijk ingepast. Gelet op de ontkoppeling van een twee-aan-een woning naar twee vrijstaande woningen, het verplaatsen van een bedrijfswoning én de vermindering van de bebouwde oppervlakte door de sloop van agrarische opstallen, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op het voorliggende plan. Ook is in de uitspraak van 16 september 2015 bepaald dat wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en aanvaardbaar is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld.
Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij.
Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan 16
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
initiatieven van onderop. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
17
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 2.1.3 staat dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied worden benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. De bestaande (agrarische) bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij op het erf aan de Frensdorferweg in Tilligte heeft geen toekomstperspectief en dreigt in verval te raken. Om te voorkomen dat de bebouwing in verder verval treedt en een ongewenste situatie ontstaat, wordt ervoor gekozen de bebouwing te saneren. Het voornemen draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik en zorgt ervoor dat voormalig agrarische bebouwing gesloopt wordt. In ruil hiervoor mag een twee-aaneen woning worden gesplitst.
Het plan past daarmee binnen artikel 2.1.3. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting bij bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaiteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Voor beide percelen is een landschapsplan opgesteld waarbij rekening is gehouden met de gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld. Hiermee wordt voldaan aan artikel 2.1.5. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de 18
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Binnen het plangebied is het ontwikkelperspectief voor de Groene Omgeving (licht groen) wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Voor het mixlandschap geldt dat er ruimte is voor landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, vrije tijd, wonen en overige bedrijvigheid. Er is met recht sprake van een mix van functies zoals dat wordt nagestreefd binnen het perspectief 'Mixlandschap'. De plannen van de initiatiefnemer doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor omliggende functies in de omgeving. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) In de gebieden aangeduid als 'dekzandvlakte en ruggen' is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Het plan vormt geen belemmering voor de kenmerken van de gebiedstypen waar het onderdeel van is. Ter plaatse van de Frensdorferweg zal een bedrijfswoning worden verplaatst naar de locatie van de te slopen stallen. Aan de Kerkweg zal de twee-aan-een woning ontkoppeld worden en worden herbouwd aansluitend aan het bestaande erf. Daarnaast vindt er landschappelijke inpassing plaats van de te (ver)plaatsen woningen die bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
19
aansluit bij de uitgangspunten vanuit de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'essenlandschap' en gedeeltelijk het 'oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest - heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen steeds de lange ‘luie’ lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element. Het oude hoevenlandschap is een landschap met verspreide erven.
Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. De kenmerken van beide landshappen zijn gebruikt voor de landschappelijke inpassing van beide erven. De ontwerpen dragen bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. De mate van openheid is zeer belangrijk aan de Kerkweg en wordt door de landschappelijke inpassing in ere gehouden. Laag van de beleving De 'laag van de beleving' kent het kenmerk 'donkerte' aan het gebied toe.
Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De 20
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. De ontwikkeling is niet in strijd met het behoud van het rustige en onthaaste karakter van de ‘donkere’ gebieden. De 'Stedelijke laag' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis.
Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Toets De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het ontmengen van een agrarische bedrijf waarbij de tweede bedrijfswoning wordt verplaatst naar de locatie van de te slopen stallen.
Daarmee zal ter plaatse de landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij gesloopt worden. In combinatie met deze ontwikkeling bestaat het voornemen aan de Kerkweg de twee-aan-één gebouwde woningen te ontkoppelen en een vrijstaande woning aansluitend aan het bestaande erf te bouwen. Beide erven worden landschappelijk ingepast. De gemeente wil functies in het buitengebied slim combineren met oog voor balans tussen economische voordelen, de leefbaarheid, voorkomen van leegstand en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Gezien vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten van de omgevingsvisie.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
21
3.3.2
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.5) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Figuur 3.5: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Ter plaatse van de Frensdorferweg zullen geen casco elementen verwijderd en/of toegevoegd worden. Conform het erfinrichtingsplan zullen er investeringen gedaan worden in het landschap. 22
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Ter plaatse van de Kerkweg 27 zal een deel van een casco element verwijderd worden. Aan de noordzijde zal een kwalitatief laagwaardig element verwijderd worden. Ten noorden van het te verwijderen casco element wordt gecompenseerd. Zo worden er onder andere bomen aangeplant en wordt de watergang omgelegd, zie Bijlage 4. Het casco element wordt versterkt. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van het cascobeleid. 3.3.3
Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de gemeente Dinkelland. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveau’s van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst.
Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de inititatiefnemer en/of ontwerper. Toets Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau 'Buitengebied - Niveau Midden' toegekend heeft gekregen. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de inititatiefnemer en/of ontwerper. De beoogde erfinrichting (zie Bijlage 3 en 4) is al beoordeeld en akkoord bevonden door het kwaliteitsteam. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning.
Daarbij zal worden voldaan aan het standaard beeldkwaliteitsplan dat geldt voor rood voor rood ontwikkelingen, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting. Er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
23
24
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan een woning met bijgebouw ter plaatse van de Kerkweg middels ontkoppeling van de twee-aan-een woning mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is gedeeltelijk wonen en gedeeltelijk agrarisch.
Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.
Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de ontkoppeling van twee woningen waarbij er één woning op het erf wordt bijgebouwd in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. ligt), de plaats van het onderhavige project en de bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
25
kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de kern Tilligte. Het plangebied wordt overwegend omgeven door burgerwoningen en agrarische-, en natuurgronden (bos). Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied' voor het plangebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Bij agrarische bedrijven geldt, op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. In dit kader zullen de richtafstanden voor veehouderijen wat betreft het aspect geur derhalve in deze paragraaf buiten beschouwing worden gelaten. Wel worden de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 4.3 wordt daarom voor dit aspect een nadere onderbouwing verschaft. 26
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Het perceel aan de Frensdorferweg 7-9 te Tilligte betreft een agrarisch erf met een akkerbouwbedrijf. Op het erf wordt een milieugevoelig object, een van de bedrijfswoningen, verplaatst naar de locatie van de te slopen opstallen. De afstand van het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf tot het bestemmingsvlak waar de bedrijfswoningen in liggen betreft 110 meter. Deze afstand wordt niet verkleind door het verplaatsen van een van de twee bedrijfswoningen. Een akkerbouwbedijf heeft op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid een richtafstand van 10 meter voor het aspect geur en een richtafstand van 10 meter voor het aspect stof. De voorgenomen ontwikkeling voldoet ruimschoots aan de richtafstanden. Door het verplaatsen van de bedrijfswoning binnen het bestemmingsvlak worden er geen agrarische bedrijven in de omgeving belemmerd. Het perceel aan de Kerkweg 27 betreft een woonerf.
Door het ontkoppelen van een twee-aan-een woning wordt er geen milieugevoelig object toegevoegd, maar verplaatst naar een locatie elders op het erf. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Ten zuiden van het plangebied aan de Frensdorferweg is een horeca gelegenheid aanwezig en ten westen van het erf ligt een agrarisch bedrijf. Door het verplaatsen zal de afstand tot deze bedrijven vergroot worden, de afstand van de bedrijven tot een van de bedrijfswoningen op het erf blijft ongewijzigd. Ten oosten van het plangebied aan de Kerkweg, aan de Kerkweg 48, is het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf, een varkenshouderij gevestigd op een afstand circa 76 meter, gemeten vanaf het bouwvlak van de woonbestemming tot aan het bouwvlak van de agrarische bestemming. Dit bedrijf valt in de categorie 4.1, fokken en houden van vleesvarkens waarbij een richtafstand geldt van 30 meter voor het aspect stof en 50 meter voor het aspect geluid. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde richtafstanden voor deze aspecten. Het plan leidt niet tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van het veehouderijbedrijf aan de kerkweg 48. Voor wat betreft het aspect geur gelden wettelijke normen.
In paragraaf 4.3 wordt daarom voor dit aspect een nadere onderbouwing verschaft. Met inachtneming van vorenstaande voldoet het voornemen voor wat betreft milieuzonering.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Het perceel aan de Frensdorferweg 7-9 te Tilligte betreft een agrarisch erf. Door de verplaatsing van een bedrijfswoning wordt de afstand tussen de aanwezige bedrijfswoningen op het erf en de naastgelegen agrarische bedrijven niet verkleind. Door het verplaatsen van de woning worden er dus geen agrarische bedrijven in de omgeving belemmerd. bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 7 en 9 en Kerkweg 27
27
Het perceel aan de Kerkweg 27 te Tilligte betreft een bestand woonerf. Het bouwvlak van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van circa 76 m van het woonvlak binnen het plangebied. Door het verplaatsen van de woning wordt de afstand van het agrarische bedrijf en de gevoelige functie binnen de woonbestemming verkleind. De (toekomstige) woning is te beschouwen als object gelegen buiten de bebouwde kom met een maximaal toelaatbare geurbelasting van 14,0 OUE/m3. Geuronderzoek heeft aangetoond dat het bouwvlak voldoet aan de individuele geurnormen. Het geuronderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5. Aangetoond is dat vanuit het aspect geur ter hoogte van het voorgenomen plangebied sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. De te verplaatsen woning heeft een kortere afstand tot de varkenshouderij dan de huidige locatie van de woning waardoor het plan kan leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van het veehouderijbedrijf aan de kerkweg 48. Naar aanleiding van de zienswijze van dit bedrijf in de ontwerpfase is er de nodige afstemming geweest tussen beide partijen. Dat heeft geresulteerd in een brief d.d. 23 maart 2021 waarin de de eigenaar van het veehouderijbedrijf zich akkoord verklaard met de aangepaste positie van de compensatiewoning.
De aangepaste positie, voorzien van de kadastrale x- en y-coördinaten, is opgenomen in de stukken voor het bestemmingsplan. Het agrarische bedrijf kan uitbreiden tot de 14 odeurs norm. In de brief aan de Raad is aangegeven dat partijen de nieuwe situatie overeengekomen zijn. Tevens is onderzocht middels de omgekeerde werking op welke afstand tot voornoemd agrarisch bedrijf de betreffende woning kan worden gerealiseerd zonder dat de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderij worden belemmerd. Het resultaat betreft een locatie ver achter de voorgevellijn en geeft geen wenselijk beeld in het erfensemble. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 6. Derhalve is gekozen voor de loactie waar consensus over is bereikt. Op basis van het bovengenoemde blijft voor het aspect geur sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (projectnummer 18080216 (Frensdorferweg), d.d. 18 januari 2019 en projectnummer 18080110 (Kerkweg) , d.d.
11 januari 2019) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen, zie Bijlage 7 voor Frensdorferweg en Bijlage 8 voor Kerkweg. Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie Frensdorferweg 7-9 grotendeels beschouwd als niet verdacht. De bovengrond is beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. In totaal zijn er 4 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop). Twee gaten zijn doorgeboord waarvan een boring is afgewerkt tot peilbuis. De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht op aanwezigheid van asbest” van het terrein dient te worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het voorgenomen nieuwbouwplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Voor het aspect 'bodem' is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie Kerkweg 27/27a beschouwd als onverdachte locatie. In totaal zijn er in het plangebied 6 boringen verricht.