Bestemmingsplan buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Eikweg 3 En 5 LattropBreklenkamp
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPEIKWEG3EN5-VG01
Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 10
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 22
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
27 27 28 29 30
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
30 31 32 33 35 35 37
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
39 39 39
Hoofdstuk 6
43
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg
45 45
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Beplantingsplan t.b.v. de bestaande tennisbaan Bijlage 2 Watertoets
47 48 50
Regels
55
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
57 57 62
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
63
2
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Artikel 3 Artikel 4
Agrarisch - 1 Wonen
63 65
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
69 69 70 71 72 73 74
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
75 75 76
Bijlage bij de regels Bijlage 1 Beplantingsplan t.b.v. de bestaande tennisbaan
77 78
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor de locatie Eikweg 3 en 5 in Lattrop is een bestemmingsplan ontwikkeld. Een vrijliggende bijgebouw dat kadastraal en in eigendom behoort tot de woning aan de Eikweg 5 ligt binnen het bestemmingsvlak van Eikweg 3. De planlogische en feitelijke situatie komen dus niet met elkaar overeen, waardoor de bouwmogelijkheden van initiatiefnemer (Eikweg 3) worden beperkt. Met voorliggend bestemmingsplan worden de planologische en feitelijke situatie met elkaar weer in overeenstemming gebracht. Naast voornoemde ontwikkeling wordt de tennisbaan, die nog voor de algehele bestemmingsplanwijziging van de gemeente Dinkelland in 2010 op agrarische gronden is aangelegd en met deze wijziging niet is meegenomen, onder de bestemming 'Wonen' gebracht. Hiervoor dient de huidige bestemming 'Wonen' enigszins te worden vergroot. Als tegenprestatie wordt er aan de zuidoost zijde van het plangebied een stuk grond dat behoort tot de bestemming 'Wonen' herbestemd naar de bestemming 'Agrarisch -1'. Daarmee wordt een strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan beëindigd en wordt de vergroting van de bestemming 'Wonen' niet onevenredig geacht.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit de percelen aan de Eikweg 3 en 5 in Lattrop en uit de omliggende agrarische gronden. Het plangebied ligt op ca. 100 meter ten noordoosten van het dorp Lattrop-Breklenkamp en ca. 2,6 km ten westen van de grens met Duitsland. De percelen die in het plangebied voorkomen staan bekend als gemeente Denekamp, sectie L, perceelsnummers 1384, 814 en 1.510. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied en de beoogde wijziging van de bestemmingsplangrenzen te zien is. De kadastrale grens tussen de woonpercelen Eikweg 3 en Eikweg 5 is met een rode stippellijn aangegeven. Zie de verbeelding, behorend bij dit bestemmingsplan, voor de exacte begrenzing van het plangebied.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 7
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer).
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland op 18 februari 2010 vastgesteld en is onherroepelijk. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: Ruimtelijke plannen). Zoals in figuur 1.3 te zien is, hebben de gronden binnen het plangebied, behoudens de gronden ter plaatse van de tennisbaan, de bestemming 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor woondoeleinden. De gronden plaatse van de tennisbaan hebben de bestemming 'Agrarisch - 1'. Deze gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik, waardoor het gebruik van een tennisbaan niet is toegestaan. Op de gronden met de bestemming 'Wonen' mag er per bestemmingsvlak ten hoogste één woning worden gebouwd. Daarnaast is het mogelijk om een woning bijgebouwen te bouwen die een gezamenlijke oppervlakte hebben van ten hoogste 100 m², tenzij de bestaande gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen meer bedraagt, in dat geval mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 350 m² bedragen. De initiatiefnemer (Eikweg 3) wil een nieuw bijgebouw op zijn perceel kunnen bouwen, maar het bijgebouw van zijn buurman (Eikweg 5) ligt ook op zijn perceel. Hierdoor heeft de initiatiefnemer planologisch gezien geen recht meer op een bijgebouw, aangezien de maximale oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden indien er nog een nieuw bijgebouw bij komt. Het voornemen is daarom om de bestaande planologische situatie te corrigeren en deze in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
Daarnaast is het voornemen om de tennisbaan, die nog voor de algehele bestemmingsplanwijziging van de gemeente Dinkelland in 2010 op agrarische gronden is aangelegd en met deze wijziging niet is meegenomen, onder de bestemming 'Wonen' gebracht. Daarmee wordt het strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan beëindigd. Beide ontwikkelingen passen niet bij recht in het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan maakt deze ontwikkelingen mogelijk.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPEIKWEG3EN5-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 9
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
10
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is aan de Eikweg 3 en Eikweg 5 in Lattrop sprake van een woning. De woning aan de Eikweg 5 beschikt over bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 500 m². Volgens de planologische situatie behoren deze echter tot de woning aan de Eikweg 3, waardoor de maximale oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse wordt overschreden. Er zijn daardoor geen extra bouwmogelijkheden meer aan de Eikweg 3. Verder bevindt zich ten oosten van het perceel aan de Eikweg 5 een tennisbaan, die in 2008 door de bewoners van de woning aan de Eikweg 5 is aangelegd. De ontsluiting van de genoemde woonerven vindt plaats via de Eikweg. Dit is een weg in buiten stedelijk gebied met een maximumsnelheidsregime van 60 km/u. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein van de woningen. Daar is voldoende ruimte om in parkeergelegenheden te voorzien. In de omgeving van Eikweg 3 en Eikweg 5 ligt de kern Lattrop op een afstand van circa 90 meter. Daarnaast liggen in de omgeving diverse agrarische functies. In figuur 2.1 is een vooraanzicht opgenomen van de woningen gelegen aan de Eikweg 3 en 5. In figuur 2.2 een vogelaanzicht opgenomen, waarop de feitelijke situatie van de erven goed te zien is.
Figuur 2.1: Links: Eikweg 3, Rechts: Eikweg 5 (bron: Cyclomedia).
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 11
Figuur 2.2: Vogelaanzicht van Ekweg 3 en 5 (bron: Cyclomedia).
2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan worden de huidige bestemmingsvlakken van de bestemming 'Wonen' aangepast, zodat het bijgebouw van de woning aan de Eikweg 5 planologisch toebehoort aan die woning. Daarmee wordt de woning aan de Eikweg 3 niet meer beperkt in zijn bouwmogelijkheden, waardoor er een bijgebouw kan worden gerealiseerd. De toekomstige bestemming 'Wonen' zal ten opzichte van de huidige bestemming 'Wonen' enigszins worden vergroot, zodat de bestaande tennisbaan onder de woonbestemming kan worden gebracht. Deze tennisbaan was destijds op agrarische gronden aangelegd en niet meegenomen met de algehele bestemmingsplanwijziging van de gemeente Dinkelland in 2010. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de tennisbaan positief bestemd. Een strijdig gebruik met het vigerende bestemmingsplan wordt daarmee beëindigd. In ruil hiervoor wordt een stuk grond (Oost en zuidwest zijde van het plangebied) met de bestemming 'Wonen' omgezet naar de bestemming 'Agrarisch -1'. Dit in het kader van een zorgvuldig en zuinig ruimte gebruik. Aangezien destijds voor de tennisbaan geen beplantingsplan was opgesteld, voorziet voorliggend bestemmingsplan in een beplantingsplan. Dit beplantingsplan is als Bijlage 1 bij het voorliggende bestemmingsplan opgenomen.
Door invulling te geven aan de uitgangspunten van het beplantingsplan, zal de tennisbaan landschappelijk goed worden ingepast. Voor het borgen van de landschappelijke inpassing in de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In figuur 2.3 wordt op voorhand de verbeelding behorende bij voorliggend bestemmingsplan weergegeven. In figuur 2.4 wordt de beplantingsplan voor de tennisbaan weergegeven.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Figuur 2.3: Toekomstig indeling van het plangebied (bron: Ad Fontem)
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 13
Figuur 2.4: Beplantingsplan tennisbaan (bron: Zandhuis)
14
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de NOVI wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot.
De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. Middels het voorliggende bestemmingsplan worden de planologische bestemmingsvlakken overeen gebracht met de feitelijke situatie, waardoor initiatiefnemer (Eikweg 3) zijn bouwmogelijkheden terugkrijgt en weer de mogelijkheid krijgt om een bijgebouw te realiseren. Daarnaast wordt een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan beëindigd, door de tennisbaan onder de bestemming 'Wonen' te brengen. Gelet op de NOVI waarin goed wonen als prioriteit wordt gezien en het woongenot van initiatiefnemer middels de beoogde ontwikkelingen vergroot zal worden, wordt geacht dat voorliggend bestemmingsplan binnen de prioriteiten van de NOVI past. En dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 15
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de planologische en feitelijke situatie van de Eikweg 3 en 5 met elkaar overeen te brengen. Daarnaast is voorliggend plan opgesteld om een strijdig gebruik met het bestemmingsplan te beëindigen, door een bestaande tennisbaan onder te bestemming 'Wonen' te brengen. Aangezien de bebouwde oppervlakte niet toeneemt, wordt geacht dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1): Deze bewoording wordt enigszins bijgesteld door een recente uitspraak door de Raad van State van 18 februari 2015 (zaak nr. 201311211/1/R3).
Daarin is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units in een bedrijfsverzamelgebouw. De afdeling suggereert hiermee dat er functiewijzigingen - zonder enige toename van bebouwing - kunnen zijn die wel 'zodanig' zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met zodanig wordt in dit geval een ontwikkeling met zodanige impact/invloed bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan een functie wijziging "sec" die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, en door die invloed kan kwalificeren als "zodanige functie wijziging", zodat sprake is van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat in het onderhavige plan: er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte; er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling waarbij het slechts gaat om het in overeenstemming met elkaar brengen van de planologische en feitelijke situatie van de voornoemde erven; kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel
16
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 17
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In de navolgende alinea's wordt er ingegaan op de van toepassing zijnde artikelen van de Omgevingsverordening. artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het corrigeren van de bestemmingsplangrenzen (woonbestemming) en om deze in overstemming te brengen met de feitelijke situatie. De initiatiefnemer krijgt daardoor de mogelijkheid om een bijgebouw te realiseren.
Daarnaast wordt de tennisbaan die destijds op agrarische gronden is aangelegd onder de bestemming 'Wonen' gebracht, zodat er geen sprake meer is van een strijdig gebruik met het vigerende bestemmingsplan. Het corrigeren van de bestemmingsvlakken leidt niet tot extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving aangezien de feitelijke inrichting niet veranderd, de tennisbaan die onder de bestemming 'Wonen' wordt gebracht leidt echter wel tot extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving aangezien de gronden ter plaatse van de tennisbaan momenteel een agrarische bestemming hebben en middels voorliggend plan een woonbestemming krijgen. Voor de tennisbaan is er binnen het bestaande erf/woonbestemming geen verdere ruimte, maar de legalisatie van de tennisbaan is wel noodzakelijk om de plannen van initiatiefnemer te realiseren. Daarbij kan opgemerkt worden 18
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
dat de tennisbaan reeds voorzien is van beplanting en vormt in functioneel opzicht al eigenlijk onderdeel van het erf. Als tegenprestatie wordt een stuk grond aan de zuidoost zijde van de huidige woonbestemming bestemd tot de bestemming "agrarisch - 1". Zie ook de verbeelding behorende bij het voorliggende bestemmingsplan ten opzichte van de huidige verbeelding behorende bij het huidige bestemmingsplan. Daarnaast is voor de tennisbaan een beplantingsplan opgesteld om te zorgen dat de huidige beplanting middels voorliggend plan wordt vastgelegd en in stand blijft. Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels behorende bij het voorliggende bestemmingsplan. Geacht wordt hiermee dat de impact op de omgeving minimaal zal zijn en dat voorliggend plan aan artikel 2.1.3 uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel voldoet. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Zoals reeds aangegeven is voor de tennisbaan een beplantingsplan opgesteld en als Bijlage 1 opgenomen in de toelichting en regels van het voorliggende bestemmingsplan.
Voor de borging van de maatregelen die in dit plan zijn opgenomen voorziet voorliggend bestemmingsplan in een voorwaardelijke verplichting. Wanneer hier geen invulling aan wordt gegeven, dan kan de gemeente een handhavingsprocedure starten. Daarmee blijft de ruimtelijke kwaliteit intact. Geacht wordt hiermee dat er aan artikel 2.1.5 uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel voldaan wordt. artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Doorwerking voor voorliggend plan: Zoals de provincie heeft aangegeven bij de toelichting van artikel 2.1.6 uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel valt onder het toepassingsbereik van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving onder meer de volgende gevallen: Nieuwe verblijfsrecreatieve verblijven en complexen Uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen De bouw van nieuwe woningen Nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden Grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden. Voorliggend plan heeft geen betrekking op de genoemde gevallen. Het gaat slechts om een planologische aanpassing van de bestaande bestemmingsvlakken zodat deze overeenkomen met de kadastrale situatie. Daarbij wordt de bestaande tennisbaan, die momenteel op agrarische gronden is gerealiseerd, onder de bestemming 'Wonen' gebracht zodat het strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan eindigt. Dit wordt gedaan door de bestaande woonbestemming te vergroten. De vergroting heeft een omvang van circa 525 m², waarbij een deel van het zuidoostelijke deel van de bestaande woonbestemming circa 45 m² als compensatie tot agrarisch -1 wordt bestemd. Per saldo bedraagt de uitbreiding 480 m².
Gelet op de geringe extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving en het feit dat de tennisbaan in functioneel opzicht reeds onderdeel is van het erf, wordt geacht dat de uitbreiding als kleinschalig uitbreiding kan worden aangemerkt. Kleinschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving worden reeds afgewogen via het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3). Daarvoor is het voldoende dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand van de Catalogus Gebiedskenmerken duidelijk wordt gemaakt hoe de ontwikkeling wordt ingepast in het landschap. Dit wordt nader gemotiveerd verder in deze paragraaf bij het in kaart brengen van de geldende gebiedskenmerken. Derhalve wordt geacht dat voorliggend plan aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel voldoet. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 19
van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven met een markering (bron: provincie Overijssel) Het plangebied bevindt zich in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In dit perspectief staat de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel continu en beleefbaar watersysteem Voorliggend bestemmingsplan doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen belemmeringen op voor de zowel de woon als agrarische functies in de omgeving. Er vindt immers enkel een planologische wijziging plaats waarbij de kadastrale percelen aansluiten op de feitelijke situatie. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3). Het plangebied is aangegeven door middel van een markering.
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van deze aanduiding zijn relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie bij dit kenmerk is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Bijvoorbeeld door middel van een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke soorten'. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te 20
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
dragen aan het beter zichtbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Middels voorliggend bestemmingsplan worden de bestaande bestemmingsvlakken gewijzigd, zodat deze aansluiten op de feitelijke situatie van het erf. Daardoor krijgt de initiatiefnemer (Eikweg 3) weer de mogelijkheid om een bijgebouw te bouwen, wat nu niet mogelijk is. Daarnaast wordt de tennisbaan die voorheen op agrarische gronden is aangelegd onder de bestemming 'Wonen' gebracht, zodat het strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan eindigt. Nadelige gevolgen voor de Dekzandvlakte en ruggen zijn niet te verwachten, aangezien het plangebied geen feitelijke wijzigen zal ondergaan. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van deze aanduiding is een landschap met verspreide erven, qua opbouw vergelijkbaar met het essenlandschap. De ambitie bij dit kenmerk is het kleinschalige afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingspuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Wanneer nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, dan dienen deze bij te dragen aan het behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. Voorliggend plan heeft geen nadelige gevolgen voor de laag van het agrarische cultuurlandschap. De dragende structuren van het oude hoevenlandschap blijven behouden doordat geen feitelijke wijzigingen plaatsvinden op het erf. Daarnaast is een beplantingsplan opgesteld voor het landschappelijk goed inpassen van de bestaande tennisbaan.
Door een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de regels behorende bij het voorliggende bestemmingsplan en die te koppelen aan het beplantingsplan kan de uitvoering en instandhouding van de landschapsmaatregelen worden geborgd. Stedelijke laag Deze laag wordt buiten beschouwing gelaten gezien het feit dat de locatie zich niet in stedelijk gebied bevindt. Laag van de beleving De laag van de beleving kent het kenmerk 'Donkerte' aan het gebied toe. In figuur 3.5 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 21
Figuur 3.5: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van deze aanduiding is dat bij deze gebieden 's nachts nog echt donker is, waar de sterrenhemel goed waar te nemen is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie van dit kenmerk is donkere gebieden, tenminste zo donker houden en bij ontwikkelingen nog wat donkerder maken. Middels voorliggend plan worden geen nieuwe lichtbronnen mogelijk gemaakt. Daarmee kan worden geconcludeerd dat voorliggend geen afbreuk doet aan de kenmerken van de laag van de beleving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Mijn Omgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. Buitengebied De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland en Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn.
Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende 22
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Waardenkaart
Figuur 3.6: Waardenkaart gemeente Dinkelland, het plangebied is globaal rood omcirkeld (bron: gemeente Dinkelland). Toets en conclusie De gemeente Dinkelland wil de goede functies op de goede plek hebben, zodat het buitengebied mooi blijft. Met de aanpassing van de bestemmingsvlakken en de tennisbaan worden twee ongewenste situaties opgelost. De aanpassing van de tennisbaan gaat daarbij gepaard met een landschappelijke inpassing, teneinde te zorgen dat de tennisbaan goed in het bestaande landschap wordt opgenomen. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 23
3.3.2
Buitengebied met kwaliteit
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 15 februari 2022 de beleidsregel "buitengebied met kwaliteit" vastgesteld. In deze beleidsregel zijn meerdere beleidsnota's samengevoegd. De aanleiding hiervoor is dat het ruimtelijk beleid voor het buitengebied op onderdelen onnodig ingewikkeld is geworden en is zowel vanuit aanvragers en hun adviseurs als gemeente de wens geuit voor eenvoudiger en overzichtelijker beleid voor het buitengebied. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. In het buitengebied zijn allerlei functies te vinden die om ruimte vragen. De gemeente heeft te maken met landbouw en natuur, maar ook toerisme en bedrijvigheid en plekken te recreëren en te wonen. Al deze functies leggen druk op het buitengebied. Om ervoor te zorgen dat er ook in de toekomst al deze functies behouden kunnen worden, moeten ze worden gecombineerd. Een van de grootste uitdagingen die op de gemeente afkomt is de toenemende leegstand van agrarische bebouwing.
Daarom wordt met dit beleid de sloop van vrijkomend agrarisch vastgoed gestimuleerd en worden economische vervolgfuncties mogelijk gemaakt. Daarmee wordt het buitengebied van de gemeente Dinkelland niet alleen leefbaar gehouden, maar ook aantrekkelijk. Om dit te kunnen bereiken beschikte de gemeente al over verschillende beleidsregelingen, zoals Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en Schuur voor Schuur. Deze en andere beleidsnota's zijn nu samengevoegd in de nieuwe regeling. Ook is er een nieuwe mogelijkheid toegevoegd. Namelijk die voor het uitbreiden van woningen in het buitengebied in ruil voor de sloop van landschap ontsierende bebouwing, zoals een leegstaande stal of schuur. Daarnaast wordt er voor de uitbreiding van niet-agrarische bedrijven een sloopcompensatie gevraagd. Ook de Rood voor Rood sloopnorm voor een extra woning in het buitengebied is verhoogd van 850 m² tot 1.200 m². Al deze regelingen zijn bedoeld voor plannen waarbij zowel grote als kleine schuren worden gesloopt. Hiermee wil de gemeente de kwaliteit van de leefruimte vergroten. Toets en conclusie Op basis van onderdeel 3.3 van het beleid 'buitengebied met kwaliteit' gelden voor het uitbreiden van een woonperceel met de functie 'Wonen' de volgende voorwaarden: 1.
Alleen toegestaan wanneer dit nodig is om extra bebouwing of een betere erfopzet te kunnen realiseren of indien noodzakelijk in verband met een optimale situering van gebouwen voor zonnepanelen op het dak; 2. Alleen toegestaan wanneer er geen reële mogelijkheden zijn om het bestaande woonperceel met gelijkblijvende oppervlakte te verschuiven; 3. Alleen de reëel noodzakelijke uitbreidingsruimte ten behoeve van een goede erfopzet wordt toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het corrigeren van de huidige bestemmingsplangrenzen van de bestemming 'Wonen' en om deze in overstemming te brengen met de kadastrale situatie. Hierbij wordt de tennisbaan die in het verleden gerealiseerd is op agrarische gronden tevens meegenomen, in die zin dat de tennisbaan onder de bestemming 'Wonen' wordt gebracht. Het aanpassen van de bestemmingsplangrenzen is nodig, omdat het bijgebouw van de woning aan de Eikweg 5 planologisch gezien binnen het bestemmingsvlak van de woning aan de Eikweg 3 ligt. Hierdoor worden de bouwmogelijkheden aan de Eikweg 3 beperkt. Met deze aanpassing krijgt initiatiefnemer (Eikweg 3) weer de mogelijkheid om een bijgebouw te bouwen. Met de herbestemming van de tennisbaan wordt een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan beëindigd, maar om dit te realiseren dient de woonbestemming enigszins te worden vergroot.
In ruil hiervoor worden de gronden aan de oost en zuidwestzijde van het plangebied die tot de bestemming 'Wonen' behoren bestemd tot de bestemming 'Agrarisch-1'. Gelet op de noodzaak van het plan, de tegenprestatie, het bijkomende voordeel dat een strijdig gebruik met het bestemmingsplan wordt beëindigd, de kleinschaligheid van de beoogde wijzigingen en gelet op dat er feitelijk gezien geen veranderingen voor het erf zijn, wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkelingen in overeenstemming zijn met onderdeel 3.3 van het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met de doelstellingen bepaald in de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit'.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 25
26
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de planologische rechtzetting van de bestaande bestemmingsvlakken, zodat deze aansluiten op de feitelijke situatie. Daardoor krijgt de initiatiefnemer de mogelijkheid om een bijgebouw te bouwen, wat nu niet mogelijk is.
Daarnaast heeft voorliggend bestemmingsplan betrekking op de beëindiging van een strijdig gebruik met het geldende bestemmingsplan, door de bestaande tennisbaan die in de huidige situatie op agrarische gronden is aangelegd onder de bestemming 'Wonen' te brengen. Ten aanzien van de tennisbaan voorziet onderhavig plan dus in een functiewijziging, van Agrarisch -1 naar Wonen. Het aanpassen van een bestemming wordt niet expliciet in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage benoemd. De meest logische aansluiting kan in de D-Lijst gemaakt worden bij: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Volgens vaste jurisprudentie gaat het bij een stedelijk ontwikkelingsproject om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, dan zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.
Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen. Uit voorgaande volgt dat onderhavig project in algemene zin niet te kwalificeren is als 'stedelijk ontwikkelingsproject' in de zin van het Besluit m.e.r. Er is namelijk geen sprake van een toename in de bebouwde oppervlakte. Voorliggend plan heeft enkel betrekking op een planologische wijziging. In dat geval is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft er geen mer-beoordelingsbesluit te worden genomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 27
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets en conclusie Middels voorliggend bestemmingsplan worden de bestaande bestemmingsvlakken van de bestemming 'Wonen' op basis van het vigerende bestemmingsplan gewijzigd, zodat deze aansluiten op de kadastrale situatie van het erf. Daarmee krijgt de woning aan de Eikweg 3 zijn bouwmogelijkheden terug die nu beperkt worden, aangezien het bijgebouw van de woning aan de Eikweg 5 planologisch gezien bij de woning aan de Eikweg 3 behoort. Daarnaast wordt de tennisbaan van de woning aan de Eikweg 5 - die in het verleden op agrarische gronden was aangelegd - onder de bestemming 'Wonen' gebracht, zodat het strijdig gebruik met het vigerende bestemmingsplan wordt beëindigd. Om de tennisbaan onder de bestemming 'Wonen' te brengen, dient deze bestemming enigszins te worden vergroot. Bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied kunnen daardoor beperkt worden, omdat de bestemming 'Wonen' groter wordt (gevoelige bestemming). Het dichtstbijzijnde milieubelastende functie ligt aan de Eikweg 4 en Hoofdstraat 2 in Lattrop-Breklenkamp (agrarisch bedrijf). Aan de Eikweg 4 is planologisch gezien een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan (bijv. melkvee, akkerbouw, paardenhouderij etc.) en aan de Hoofdstraat 2 een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf (bijv. varkensveehouderij, rundvee etc.).
Voor wat betreft het bedrijf aan de Eikweg 4 kan niet worden achterhaald wat de agrarische activiteiten exact zijn. Het bedrijf aan de Hoofdstraat 2 is een varkensveehouderij. Ten aanzien van het bedrijf aan de Eikweg 4 wordt opgemerkt dat de bestaande afstand met de 28
bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp
woonbestemming in het plangebied niet wordt verkleind. Bovendien kan dit bedrijf enkel uitbreiden aan de westzijde van zijn perceel. Er zal daarom geen sprake zijn van een belemmering in de ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Verdere toetsing is niet noodzakelijk. Ten aanzien van het bedrijf aan de Hoofdstraat 2 wordt opgemerkt dat de bestaande afstand met de woonbestemming in het plangebied enigszins wordt verkleind, van circa 124 meter naar circa 116 meter. Voor een varkenshouderij geldt op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een grootste richtafstand van 200 meter voor het aspect geur. Opgemerkt wordt dat bij agrarische bedrijven in plaats van de voornoemde uitgave de Wet geurhinder en veehouderij geldt. Hierop wordt in paragraaf 4.3 van de toelichting van voorliggend bestemmingsplan nader ingegaan. Voor wat betreft de overige aspecten (stof, geluid en gevaar) wordt voldaan aan de richtafstanden van het aspect stof (30 m), geluid (50 m) en gevaar (0 m). Omdat andere milieubelastende functies op grotere afstand van het plangebied liggen en die afstand in mindere mate niet wordt verkleind, wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'milieuzonering' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie De bestemming 'Wonen' wordt groter, zodat de tennisbaan positief kan worden bestemd en de woning aan de Eikweg 3 ruimte heeft voor een bijgebouw. Door de vergroting van de bestemming 'Wonen' kunnen agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Aan de Eikweg 4 is een grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig. In 2013 is geconstateerd dat sinds 1995 geen dieren meer zijn gehouden op het erf en een groot deel van de bedrijfsgebouwen zijn gesloopt. Omdat er geen planologische mogelijkheden zijn voor het houden van dieren met een geuremissie en dit met voorliggend bestemmingsplan niet wordt gewijzigd, wordt uitgegaan van de wettelijke afstand van 50 meter voor in het bestemmingsplan Buitengebied, Eikweg 3 en 5 Lattrop-Breklenkamp 29
buitengebied. Opgemerkt wordt dat hieraan niet kan worden voldaan. De onderlinge afstand tussen de bestemmingsgrens van het agrarische bedrijf aan de Eikweg 4 en de dichtstbijzijnde gevel van de woning (Eikweg 5) binnen het plangebied bedraagt namelijk circa 32 meter. Deze afstand blijft echter gehandhaafd. Als gevolg van voorliggende bestemmingsplanherziening wordt de afstand immers niet kleiner. Bij een eventuele gewijzigde situering van de woning (Eikweg 5) kan worden opgemerkt dat de afstand met het agrarische bedrijf alleen maar groter zal worden, wat zal leiden tot een gunstigere woon- en leefklimaat. Naast het agrarische bedrijf aan de Eikweg 4 ligt een agrarisch bedrijf aan de Hoofdstraat 2. Dit bedrijf betreft een varkensveehouderij, waarvoor geuremissies zijn vastgesteld. Deze mogen op geur gevoelige objecten buiten de bebouwde kom niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De dichtstbijzijnde woning betreft de woning aan de Eikweg 3. Door de vergroting van de bestemming 'Wonen' wordt de situering van deze woning niet gewijzigd, in die zin dat deze op een kortere afstand komt te liggen ten opzichte van het agrarische bedrijf. De huidige geuremissies van het agrarische bedrijf aan de Hoofdstraat 2 op de gevel van deze woning zullen daarom niet wijzigen.
Bovendien is een gewijzigde situering van de woning door vergroting van de woonbestemming niet aannemelijk, aangezien daarvoor geen ruimte aanwezig is. Er past alleen nog een bijgebouw dat niet kan worden aangemerkt als een geur gevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets en conclusie Middels voorliggend bestemmingsplan worden de bestaande bestemmingsvlakken gewijzigd, zodat deze aansluiten op de kadastrale situatie van het erf. Daardoor krijgt de initiatiefnemer de mogelijkheid om een bijgebouw te bouwen.