CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp.pdf

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Dorpermeienweg 8 Denekamp26.653 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitstoets. Conclusie Het omzetten van de bestemming 'Wonen' in de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' is in overeenstemming met het gemeentelijk VAB+ beleid.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan extra bijgebouwen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is wonen.

Bedrijfsbebouwing wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Uit voorgaande volgt dat de bouw van 230 m² aan bijgebouwen in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. Gezien de drempelwaarden (200.000 m² of meer) wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 2. Uit deze notitie blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

In Bijlage 3 is het besluit van de Omgevingsdienst Twente opgenomen, waarin de conclusie uit de m.e.r.-beoordeling wordt bevestigd. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 29

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.

De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de kern Denekamp. Het plangebied wordt overwegend omgeven door burgerwoningen en agrarische- en natuurgronden (bos). Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied' voor het plangebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Als gevolg van onderhavig plan wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt in het plangebied. Wel wordt het huidige aannemersbedrijf vastgelegd in het bestemmingsplan middels een aanduiding. Voor 'Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m²' geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter in verband met aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevel van een woning ligt aan de Dorpermeienweg 7.

De woning aan de Dorpermeienweg 7 is binnen de richtafstand van 30 meter gelegen. Nader akoestisch onderzoek, stap 2, is nodig om de ruimtelijke inpassing te kunnen toetsen. Overige woningen liggen buiten de richtafstand. Voor deze woningen is er hiermee voldoende ruimtelijke scheiding tussen de realisatie van J. Wigger Bouw & Timmerwerken en de omliggende woningen en is de bestemmingswijziging hiermee inpasbaar voor het aspect geluid. Voor de Dorpermeienweg 7 is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 4.4 en Bijlage 4. Conclusie van het onderzoek luidt dat wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. Omdat voldaan wordt aan het Activiteitenbesluit is er, in het kader van goede ruimtelijke ordening, tevens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De verkeersaantrekkende werking van J. Wigger Bouw & Timmerwerken voldoet aan de richtwaarde van 50 dB(A) conform de Circulaire inzake indirecte hinder. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. 30

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. De huidige locatie heeft reeds een 'Wonen' bestemming. Onderhavig plan maakt enkel extra bijgebouwen mogelijk. Er wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Functies in de omgeving moeten in de huidige situatie dan ook al rekening houden met de woonbestemming aan de Dorpermeienweg 8. Volledigheidshalve is wel toets verricht naar functies in de omgeving. De dichtbijzijnde milieubelastende functie in de omgeving betreft het agrarisch perceel aan de Priorweg 10 in Denekamp. Het betreft een rundvee bedrijf op een afstand van 210 meter. Voor 'Fokken en houden van rundvee' geldt milieucategorie 3.2, met een richtafstand van 100 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). In voorliggende ontwikkeling wordt een verruiming van het bestemmingsvlak met ca. 290 m2. Het betreft een erf dat momenteel is voorzien van de functie wonen, maar in het verleden als een agrarisch bedrijf in gebruik is geweest en was voorzien van een agrarische bestemming. Ter voorkomen van leegstand en verval heeft het erf een nieuwe (duurzame) functie gekregen. De schuren worden in gebruik genomen door het aannemersbedrijf van de bewoners. Daarbij worden de schuren vooral gebruikt voor opslag van materialen t.b.v. het aannemersbedrijf.

Het betreft dan ook bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven, waardoor de objecten niet als een gevoelig object wordt beschouwd op grond waarvan een bodemonderzoek vereist is. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 31

psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Als gevolg van onderhavig plan worden extra bijgebouwen mogelijk gemaakt op een bestaand woonerf. Het plangebied is gelegen aan de Dorpermeienweg.

Dit betreft een rustige weg in het buitengebied van Denekamp, vooral gebruikt voor bestemmingsverkeer (60 km/u). Gelet op de functie als erftoegangsweg en de breedte van de weg kan geconcludeerd worden dat het aantal verkeersbewegingen op deze weg zeer gering is. Derhalve kan gesteld worden dat het wegverkeerslawaai ten gevolge van deze weg zeer gering is. Daarnaast wordt er momenteel reeds gewoond aan de Dorpermeienweg. Er wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Industrielawaai J. Wigger Bouw & Timmerwerken betreft een inrichting met milieucategorie 2, “aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m². De woonomgeving van de omliggende bedrijven betreft een rustig landelijk gebied. Daarmee bedraagt de VNG-richtafstand 30 meter. In figuur 4.2 is het terrein van de inrichting en de richtafstand van 30 meter uitgezet.

Figuur 4.2: richtafstand milieucategorie 2 (bron: Geluids Plus) Uit figuur 4.2 blijkt dat de woning aan de Dorpermeienweg 7 binnen de richtafstand van 30 meter is gelegen. Nader akoestisch onderzoek, stap 2, is nodig om de ruimtelijke inpassing te kunnen toetsen. Overige woningen liggen buiten de richtafstand. Voor deze woningen is er hiermee voldoende ruimtelijke scheiding tussen de realisatie van J. Wigger Bouw & Timmerwerken en de omliggende woningen en is de bestemmingswijziging hiermee inpasbaar voor het aspect geluid. 32

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Voor de Dorpermeienweg 7 is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd door Geluid Plus adviseurs. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het bedrijf J. Wigger Bouw & Timmerwerken betreft een inrichting met milieucategorie 2. Binnen de richtafstand voor deze bedrijvigheid is één woning, aan de Dorpermeienweg, gelegen. Voor de ruimtelijke inpassing is vanwege deze woning nader akoestisch onderzoek nodig. Voor overige omliggende woningen in de inrichting ruimtelijk inpasbaar in de woonomgeving. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting bedraagt ten hoogste 36 dB(A) in de dagperiode, in de avond- en nachtperiode zijn er geen activiteiten, ter plaatse van omliggende woningen en referentiepunten. Met deze waarde wordt aan de ambitiewaarde van het gemeentelijk beleid en aan de normen van het Activiteitenbesluit voldaan. Het maximaal geluidniveau vanwege de inrichting bedraagt ten hoogste 69 dB(A) in de dagperiode, in de avond- en nachtperiode zijn er geen activiteiten, ter plaatse van omliggende woningen en referentiepunten. Met deze waarde wordt de richtwaarde overschreden maar er wordt voldaan aan normen van het Activiteitenbesluit voldaan. Bron- en overdachtsmaatregelen kunnen niet getroffen worden.

Omdat voldaan wordt aan het Activiteitenbesluit is er, in het kader van goede ruimtelijke ordening, tevens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De verkeersaantrekkende werking van J. Wigger Bouw & Timmerwerken voldoet aan de richtwaarde van 50 dB(A) conform de Circulaire inzake indirecte hinder. Op basis van het voorliggende onderzoek blijkt dat J. Wigger Bouw & Timmerwerken in het kader van goede ruimtelijke ordening en het Activiteitenbesluit voldoet aan de daarvoor gestelde richtwaarden en geluidnormen. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Onderhavig plan maakt geen nieuwe woning mogelijk. Het betreft enkel de toevoeging van extra bijgebouwen bij een bestaand woonerf aan de Dorpermeienweg 8 in Denekamp. Daarnaast wordt een aannemersbedrijf mogelijk bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 33

gemaakt. Voor de verkeersgeneratie van het aannemersbedrijf wordt enerzijds aangesloten bij de verkeersgeneratie van een tweetal categorieen uit de CROW-publicatie 381: 1. 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)'. De werkplaats mag maximaal 500 m² bedragen. Voor deze categorie geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 10 verkeersbewegingen per 100 m². Dit komt neer op in totaal maximaal 50 verkeersbewegingen. 2. 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Dit geldt voor het overige bedrijfsoppervlakte, namelijk 150 m². Voor deze categorie geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 verkeersbewegingen per 100 m². Dit komt neer op in totaal 7 verkeersbewegingen. Als gevolg van het plan neemt de verkeersgeneratie op basis van de CROW-normen toe met 57 verkeersbewegingen per dag. Daarbij moet de opmerking worden gemaakt dat dit een theoretische toename is. Gelet op het feit dat de grootste bedrijfsactiviteit betrekking heeft op het opslaan van goederen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk (veel) minder zijn. In onderstaande figuur is de worst-case scenario berekening weergegeven met 57 extra voortuigbewegingen.

Figuur 4.3: worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Daarnaast wordt een woning niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.4: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 300 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 35

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 12-05-2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 6. Op grond van de digitale watertoets geldt de korte procedure. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland 36

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 2,2 kilometer afstand (Natura 2000 gebied: Dinkelland). Vanwege de lokale invloedsfeer en kleinschaligheid van de ontwikkeling hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Soortenbescherming De gronden waar de bebouwing is voorzien zijn reeds verhard (bestrating). Gelet op de terreingesteldheid van de gronden is het locatie ongeschikt voor beschermde flora en/of fauna. Op basis hiervan lijkt van aantasting van leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake, daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland beschikt over een Archeologische verwachtings- en advieskaart. Deze is opgenomen in onderstaande figuur.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 37

Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in de 'dekzandwelvingen en -vlakten' laag. Voor deze laag geldt een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Toets Het perceel van de voorliggende ontwikkeling is kleiner dan 5000 m² waardoor vrijstelling voor archeologisch onderzoek geldt. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat de dichtstbijzijnde cultuurhistorische waarde de Nordhornsestraat (historische infrastructuur) betreft. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor deze historische infrastructuur. Verder bevinden zich geen cultuurhistorische elementen in of direct nabij de planlocatie. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10

Verkeer / parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpermeienweg en vervolgens de Nordhornsestraat. De afstand van het plangebied aan de Dorpermeienweg tot de Nordhornsestraat bedraagt circa 150 meter. De Dorpermeienweg 38

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

betreft een betonweg en heeft een wegbreedte van 3,5 meter. Om de weg te verbreden zijn er langs weerzijden van de Dorpermeienweg grasbetonblokken geplaatst waardoor tegemoetkomend verkeer elkaar kan passeren zonder de berm te beschadigen. Voor de genoemde wegen geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. Voor de verkeersgeneratie van het aannemersbedrijf wordt enerzijds aangesloten bij de verkeersgeneratie van een tweetal categorieen uit de CROW-publicatie 381: 1. 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)'. De werkplaats mag maximaal 500 m² bedragen. Voor deze categorie geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 10 verkeersbewegingen per 100 m². Dit komt neer op in totaal maximaal 50 verkeersbewegingen. 2. 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Dit geldt voor het overige bedrijfsoppervlakte, namelijk 150 m². Voor deze categorie geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 verkeersbewegingen per 100 m². Dit komt neer op in totaal 7 verkeersbewegingen. Zoals is aangegeven heeft de Dorpermeienweg een wegbreedte van 3,5 meter en geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur.

Op grond van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) voor Dinkelland 2019 wordt de Dopermeienweg aangemerkt als 'overige wegen' en betreft een erftoegangsweg van het type zonder fietsvoorzieningen (woonstraten en plattelandswegen). Hoewel deze wegen een op grond van het GVVP een rijbaanbreedte van 4,50 tot 6,00 meter hebben met een verkeersintensiteit van minder dan 6.000 verkeersbewegingen per dag, heeft de Dorpermeienweg een smallere wegbreedte. Over het algemeen is de breedte van een weg historisch bepaald en zijn de mogelijkheden voor een aanpassing van de weg (bijvoorbeeld de verbreding) ruimtelijk begrensd. Als gevolg van het plan neemt de verkeersgeneratie op basis van de CROW-normen toe met 57 verkeersbewegingen per dag. Daarbij moet de opmerking worden gemaakt dat dit een theoretische toename is. Gelet op het feit dat de grootste bedrijfsactiviteit betrekking heeft op het opslaan van goederen zal het aantal verkeersbewegingen in de praktijk (veel) minder zijn. De Dorpermeienweg is met name bestemd voor de ontsluiting van de aangrenzende percelen in het buitengebied met de kern Denekamp. De Dorpermeienweg wordt aan weerszijden begrensd door sloten met bestaande bomenstructuren waardoor de mogelijkheden voor de verbreding van de weg ruimtelijk begrensd zijn.

Hoewel de Dorpermeienweg een relatief smal wegdek heeft van 3,5 meter kan de toename van het aantal verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur worden afgewikkeld. Al met al kan gesteld worden dat de Dorpermeienweg voldoende uitgerust is om de toename van het aantal verkeersbewegingen af te wikkelen. Daarnaast zijn er - vanwege de ruimtelijke begrenzingen langs de Dorpermeienweg - geen mogelijkheden om de weg te verbreden. Geconcludeerd wordt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Ten aanzien van parkeren geldt voor een werkplaats een parkeernorm van minimaal 2,1 parkeerplaatsen per 100 m². De theoretische parkeerbehoefte voor de werkplaats bedraagt derhalve 10,5 parkeerplaatsen (uitgaande van 500 m² werkplaats). Voor opslag geldt een parkeernorm van minimaal 1,05. De theoretische parkeerbehoefte voor opslag bedraagt derhalve 1,5 parkeerplaats (uitgaande van 150 m² opslag). De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 12 parkeerplaatsen. In praktijk zal de parkeerbehoefte echter veel lager komen te liggen. Het betreft immers een kleinschalig aannemersbedrijf (zzp'er). Echter is er op eigen terrein voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien.

Kortom: het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 39

40

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 41

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Bedrijf - Voormalig agrarisch Het plangebied bestaat uit de bestemming 'Bedrijf - Voormalig agrarisch'. Het bestemmingsvlak zal aan de zuidkant ongeveer 10 meter worden vergroot, zodat de huidige bebouwing binnen het bestemmingsvlak ligt. Het bestemmingsvlak blijft verder ongewijzigd. De voor 'Bedrijf - Voormalig agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een aannemersbedrijf aan de Dorpermeienweg 8 in Denekamp, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Met de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, waterhuishoudkundige voorzieningen en gebouwen van algemeen nut. De vrijstaande hoofdgebouwen mogen alleen binnen het bestemmingsvlak worden gesitueerd. Per bestemmingsvlak is één woning toegelaten. De bouwhoogte van de bedrijfswoning bedragen 9 meter. Bijgebouwen zijn binnen het bestemmingsvlak toegelaten met een maximale bouwhoogte van 12 meter.

42

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

De maximale oppervlakte aan bijgebouwen wordt vergroot. Voor de bedrijfsgebouwen is het maximum bijgebouwen vastgelegd op 562 m². Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning geldt een gezamenlijk oppervlakte van 100 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 45

46

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 12-05-2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 4 december 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 47

48

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp 49

Bijlage 1

50

Landschappelijke inpassing

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Dorpermeienweg 8, Denekamp

a= b= c1= c2= c3= d= e= f=

g= h=

i=

Bestaande woning Bestaande bijgebouwen bij de woning Privé bijgebouw VAB aannemersbedrijf VAB opslag Weiland t.b.v. hobbyvee met een afrastering van natuurlijke materialen, toegang van het erf naar het weiland geschiet voornamelijk via houten landhekken Bestaande beukenhaag Tuin bestaande uit een boomgaard gedeeltelijk omzoomd door een natuurlijk hekwerk, gebiedseigen beplanting en vaste planten. Bij nieuwe aanplant bestaat de voorkeur om gebiedsvreemde grote heesters te voorkomen (coniferen, laurierkers) gebiedseigen of passende beplanting als hortensia, rhododendron, vaste planten in de tuin aan te brengen. Bestaande eiken (Quercus robur) Aan te planten houtsingel met inheemse beplanting, 3m breed, 25m lang, met de soorten meidoorn (Crataegus monogyna), sleedoorn (Prunus spinosa), sporkehout (Rhamnus frangula), hazelaar (Corylus avellana) en zomereik (Quercus robur) in driehoeksverband 1x1m, maat 80-100, in gelijke verdeling, 75 stuks aanplant). Parkeerplaatsen (12 stuks) waarvan 4 stuks op halverharding aansluitend aan het karrenspoor gesitueerd zijn.

Landschap op locatie Het plangebied ligt tussen de voormalige dorpsche hooimaten (later de Dorper Meien, de met groen versierde hooilanden) en het Almelo-Nordhorn kanaal, een gebied welke gekenmerkt wordt als heideontginning gelegen tussen de nattere gronden richting het zuidoosten (matenlandschap bij de Sombeek) en de drogere en hogere gronden richting het noordwesten van het essen- en kampenlandschap rond Denekamp en Noord-Deurningen. Deze heidegronden waren oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. Op deze gronden werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. De in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk werden de gronden individueel, door ‘keuterboertjes’, in cultuur gebracht, pas later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw).Er ontstond een rationeel boerenland met de lange rechte wegen in een schaakbordachtige structuur, de regelmatige, grote landbouwkavels en de regelmatige verspreide boerderijen. De erven werden gerangschikt en ingericht naar de bedrijfsvoering en eigen inzicht van de boer. De omgeving van de planlocatie is dan ook een gebruikslandschap.

Het is een grootschalig landschap gericht op de landbouw met over het algemeen weinig perceelrandbegroeiingen. De dragende structuur in dit landschap wordt gevormd door het landschappelijk raamwerk van lanen (wegen), bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren accentueren. Het erf aan de Dorpermeienweg is halverweg de 20ste eeuw ontstaan in het voor het landschap kenmerkende blokverkavelingspatroon. Het erf kent de gebruikelijke haakse ligging op de weg en de opstelling van een erf in een ontginningslandschap waarbij de woning aan de voorzijde van het erf en de opstallen achter op het erf gesitueerd zijn. Het betreft een jong erf welke nabij de weg is gesitueerd zoals kenmerkend is voor erven in jonge ontginningen met de blokverkavelingsstructuur. De hoofdinrit geeft toegang tot het erf waarbij de verharding logischerwijs te midden ligt van de bebouwing. Op het erf zijn enkele robuuste groenelementen aanwezig welke behouden dienen te worden (eiken, beukenhaag en boomgaard). Het erf heeft reeds een esthetisch positieve ontwikkeling ondergaan waarbij de bestaande woning is vervangen en de bestaande schuren duurzaam zijn opgeknapt. De toegevoegde schuren zijn in de lineaire structuur van het erf gebouwd, zijn ondergeschikt aan de bestaande schuren en doen daarom geen afbreuk aan het landschap. De schuren mogen gezien worden in dit gebruikslandschap.

Rondom het plangebied liggen gronden in agrarisch gebruik.

Dorpermeienweg 8

20AF035

A.Veenendaal

Familie Wigger

Versie 1.4

-

Dorpermeienweg 8

22-07-2021

A3

7591 NK Denekamp

Definitief

1:500

Bijlage 2 Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling

52

bestemmingsplan Buitengebied, Dorpermeienweg 8 Denekamp

Aan: Gemeente Dinkelland College van B&W Postbus 11 Borne, 10 juni 2021 Ons kenmerk: 20AF035 Bijlagen: -

Betreft:

aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Dorpermeienweg 8 Denekamp

Geachte heer/mevrouw, Voor de locatie aan de Dorpermeienweg 8 in Denekamp is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen met dit bestemmingsplan een aantal clandastiene opgerichte gebouwen (163 m²) legaliseren en extra bijgebouwen (62 m²) mogelijk maken door middel van het doorlopen van de zogenoemde Schuur voor Schuur regeling van de gemeente Dinkelland en Tubbergen. Daarnaast wenst de initiatiefnemer om het reeds bestaande aannemersbedrijf op deze locatie middels een aanduiding mogelijk te maken. Dit wordt planologisch geregeld door middel van het VAB+ beleid van de gemeente Dinkelland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is voorliggende m.e.r.-beoordeling opgesteld. Een aanmeldnotitie is, sinds 16 mei 2017, nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dus ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan is een aanmeldnotitie nodig.

Kenmerken van het betreffende project Aan de Dorpermeienweg 8 te Denekamp bestaat er het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de legalisatie van een aantal clandastiene opgerichte gebouwen en het planologisch vastleggen van een reeds bestaande aannemersbedrijf. In de huidige situatie kent de locatie de bestemming ‘Wonen’, deze zal worden gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf – Voormalig agrarisch’. De maximum oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zal worden vastgelegd. Plaats van het project Het plangebied bestaat uit een erf aan de Dorpermeienweg 8 in Denekamp. Het plangebied ligt in het buitengebied, ten noorden van de kern Denekamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie P, perceelnummer 980. De dichtstbijzijnde NNN-gronden liggen op een afstand van 1,7 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied ligt op circa 2,2 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Dinkelland’. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant.

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37  7622 LW Borne  T 074 255 70 20  IBAN NL92RABO 0331 6534 27  BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851  Btw nr. NL 8151.28.939.B01  info@ad-fontem.nl  www.ad-fontem.nl

Milieuzonering Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de kern Denekamp. Het plangebied wordt overwegend omgeven door burgerwoningen en agrarische- en natuurgronden (bos). Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied' voor het plangebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig wordt aangetast. Als gevolg van onderhavig plan wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt in het plangebied. Wel wordt het huidige aannemersbedrijf vastgelegd in het bestemmingsplan middels een aanduiding. Voor 'Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m²' geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter in verband met aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevel van een woning ligt aan de Dorpermeienweg 7. De woning aan de Dorpermeienweg 7 is binnen de richtafstand van 30 meter gelegen.

Nader akoestisch onderzoek, stap 2, is nodig om de ruimtelijke inpassing te kunnen toetsen. Overige woningen liggen buiten de richtafstand. Voor deze woningen is er hiermee voldoende ruimtelijke scheiding tussen de realisatie van het aannemersbedrijf en de omliggende woningen en is de bestemmingswijziging hiermee inpasbaar voor het aspect geluid. Voor de Dorpermeienweg 7 is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Conclusie van het onderzoek luidt dat wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. Omdat voldaan wordt aan het Activiteitenbesluit is er, in het kader van goede ruimtelijke ordening, tevens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De verkeersaantrekkende werking van het aannemersbedrijf voldoet aan de richtwaarde van 50 dB(A) conform de Circulaire inzake indirecte hinder. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt derhalve niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. De huidige locatie heeft reeds een 'Wonen' bestemming. Onderhavig plan maakt enkel extra bijgebouwen mogelijk. Er wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Functies in de omgeving moeten in de huidige situatie dan ook al rekening houden met de woonbestemming aan de Dorpermeienweg 8.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/496/documents/16414