CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Bellinckhofweg 10”6.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestemmingsplan

Buitengebied, Bellinckhofweg 10

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld 28-05-2024 NL.IMRO.1774.BUIBPBELLINCKHW10-VG01

Buitengebied, Bellinckhofweg 10 bestemmingsplan

Vastgesteld

Datum: 28-05-2024

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1

Situatietekening sanitairgebouw

4

Bijlage 2

Landschappelijk inrichtingsplan

6

Bijlage 3

Digitale watertoets

29

2

bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10

3

Bijlage 1 Situatietekening sanitairgebouw

4

bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10

A

Achtergevel

Rechter zijgevel

Voorgevel

A

Linker zijgevel Plattegrond

Doorsnede A-A Materialen Bouwdeel

Materiaal

Kleur

Bouwdeel

Materiaal

Kleur

Brandwerende voorzieningen Symbool

Omschrijving

Bouwbesluitgegevens Indeling gebouw Omschrijving

Gebouwgegevens

Gebruiksfunctie

Gebruiksoppervlakte

Oppervlakte

Inhoud

Alle maten in het werk controleren

www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal

Nieuw te bouwen sanitair gebouw

Schaal:

Formaat:

Omgevingsvergunning: activiteit bouwen Plattegrond, doorsnede, gevelaanzichten en situatie

1:100

A1

Opdrachtgever:

Datum:

Maatschap Juninck-Bekhuis Bellinckhofweg 10 7595 LL Weerselo Telefoon: 074 3494787 Mobiel: 06-20951256 E-mail: mtsbekhuisjuninck@gmail.com

DLV Advies Postbus 546 7400 AM Deventer

Bouwlocatie:

Projectleider:

idem. idem.

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

E-mail:

ADVIES &RESULTAAT

23-02-2021

TdM

Wijzigingen:

26-02-2021 07-04-2021 C 13-01-2022 D 13-04-2023

TdM TdM TdM AvdR

Klantnummer:

Werknummer:

A

0570-501500 info.bmt@dlvadvies.nl

Dhr. T. Jansen 06-26544384 T.jansen@dlvadvies.nl

B

296644

E F G H

B201145-12

Blad:

V10

Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan

6

bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10

RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN Bellinckhofweg - Weerselo

Landschappelijke inpassing

COLOFON

Door: Telefoonnummer E-mail Internet Project Auteur Datum laatst gewijzigd

Otte Groenadvies bv Brilsweg 1a 7441 BV Nijverdal 06 511 77 946 info@ottegroenadvies.nl www.ottegroenadvies.nl 21.21 ing. L. Grote Gansey - landschapsontwerper Maart 2021

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Otte Groenadvies bv.

INHOUD

1. 1.1. 1.2.

Introductie Aanleiding Situatie

2. 2.1. 2.2. 2.3.

Vigerend beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

Ruimtelijk kwaliteitsplan Situatie Analyse van het landschap Uitgangspunten bij de ontwikkeling van het plangebied Ruimtelijk kwaliteitsplan

1. INTRODUCTIE 1.1. Aanleiding Otte Groenadvies BV heeft het voorliggende ruimtelijke kwaliteitsplan/inrichtingsplan opgesteld naar aanleiding van de ontwikkelingen nabij het perceel Bellinckhofweg10 te Weerselo. Door wijziging van de bedrijfsvoering wordenlandschapsontsierende stallen geamoveerd. Op dezelfde kavel wordt een mini camping gerealiseerd om medegebruik van het buitengebied te stimuleren en het tegengaan van verpaupering. De bestemmingsplanwijziging kan onder meer worden gerealiseerd op voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Het doel is om te komen tot een juridische en beleidsmatige medewerking voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. Onderdeel van de benodigde bescheiden vormt een basis ruimtelijk kwaliteitsplan. Het ruimtelijke kwaliteitsplan vormt de tekening van de nieuwe situatie waarop de landschappelijke inpassing inzichtelijk is. Hierbij is duidelijk gemaakt waar en hoe investeringen in het landschap vorm krijgen en de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft.

Middels een onderbouwing op basis van een analyse van het landschap, het toetsen van vigerend beleid, en het analyseren van de streekeigen kenmerken moet dit op een duidelijke manier geïmplementeerd worden.

Te behouden woning/opstallen Te amoveren schuren Bestaande waterstructuur Waardevolle groen-/boomstructuur Regionale fietsroute Regionale wandelroute Perceelsgrens afbeelding 1. Schematische weergave plangebied en directe omgeving

1.2. Situatie

ndom

t in eige

en nie l Houtwa en plangebied uit Deels b el intact he e Blijkt g

Schuur

Te amoveren schuur

Bestaande houtwal zichtbeperking op schuur

Mestsilo

Schuur

Opslag materiaal/materieel

Siertuin sober ingericht

Woning

Te amoveren schuur

Binnenplein erf Schuur

Bomenvlak Bomen staan dicht op elkaar

Bellinckhofweg

Ontsluiting kavel

Beeldbepalende bomen Veel dood hout aanwezig

Bestaande verhard pad Ontsluiting schuren

afbeelding 2. Plangebied bestaande situatie

1.3. Historie

afbeelding 3. Plangebied en omgeving rond 1910

afbeelding 4. Plangebied en omgeving rond 1950

Het landschap rondom het plangebied is grofweg te verdelen in drieën: het jonge heideontginningslandschap, maten en flierdenlandschap en het oude hoevenlandschap. Het vormt daardoor een aantrekkelijk en afwisselend gebied. Door het specifieke landbouwkundige gebruik heeft ook de mens bijgedragen aan de vorming van het landschap. In de 20e eeuw is het landschap meer onder druk komen staan door modernisering van de landbouw en de aanleg van onder andere infrastructuur. Dit heeft op verschillende plekken rondom het plangebied geleid tot vermindering van de kwaliteit en diversiteit van het landschap. De laatste jaren vragen de verandering van bestemming van agrarische gebouwen aandacht, en de toenemende burgererven en niet grondgebonden bedrijvigheid in het gebied. De gemeente Dinkelland kent nog steeds een grote variatie aan karakteristieke, streekgebonden landschappen.

afbeelding 5. Plangebied en omgeving anno nu

2.VIGEREND BELEID 2.1. Rijksbeleid De minister van Infrastructuur en Ruimte heeft de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de nota staat dat de verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies.

2.2. Provinciaal beleid Omgevingsvisie De Provincie Overijssel heeft het streekplan, het verkeeren vervoerplan, het waterhuishoudingsplan en het milieubeleidsplan samengevoegd tot de Om-gevingsvisie. Het vormt het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden beschermd en er moeten verbindingen worden gelegd tussen deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het behoud en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit vormen essentiële gebieds- kenmerken het uitgangspunt. Middels een verdeling in 4 lagen zijn de gebiedskenmerken binnen de Omgevingsvisie toegelicht: • De natuurlijke laag; • De laag van het agrarisch-cultuur landschap; • De stedelijke laag; • De lust en leisure laag.

afbeelding 6. Uitsnede omgevingsvisie - natuurlijke laag bron: provincie Overijssel

De natuurlijke laag Dekzandgronden De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Bodem: podzolgronden Hydrologie: lokale inzijging Natuurlijk bostype: van wintereiken- beukenbos op de hoogste delen, tot berkenzomereikenbos en elzen-eikenbos in de lagere delen De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Beekdalen en laagtes In de nabijheid van de dekzandgronden en het plangebied wordt het landschap omgeven door beekdalen en laagtes. Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren.

Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, ’s winters bredere stroomdraad met meestromende geulen. De dynamiek (water, wind) bepaalt de verschijningsvorm; de gedaante wisselt. Dynamisch landschap, open karakter met hogere randen. Bodem: beekeerdgronden Hydrologie: lokale en diepe kwel, stagnatie Natuurlijk bostype: elzen-eikenbos, eiken-haagbeukenbos, vogelkers-essenbos De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier.

afbeelding 7. Uitsnede omgevingsvisie - de laag van het agrarisch cultuurlandschap bron: provincie Overijssel

De Laag van het agrarisch cultuurlandschap Jonge heide- en broekontginningslandschap De grote oppervlakte aan – voormalige –natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden methet essen- en oude hoevenlandschap;hier werd geweid en werden de plaggengestoken voor in de stal; in de stalbemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvindingvan kunstmest ging deze functie verlorenen werden deze gronden grotendeels incultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginningplanmatig en grootschalig aangepakt(tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingeneen vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaastzijn vanaf 1750 vanuit de landgoederenen buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd ingrote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden.

Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’¬ landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is.

De stedelijke laag Elke ruimtelijke ontwikkeling bouwt voort op zijn karakteristieke structuur en ligging in en aan het landschap. De ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van bestaande paden en routes; waar mogelijk worden ontbrekende schakels toegevoegd en nieuwe mogelijkheden benut. Het regionale en lokale wegenpatroon blijft zich voegen in de structuur van stad, dorp en landschap.

Ondergrond: dekzandvlaktes Ontstaan: vanaf ± 1820 Structuur: planmatig, rechtlijnig Nederzetting: koloniedorpen van de maatschappij van weldadigheid, daarna alleen verspreide erven langs de ontginningswegen, enkel nieuw wegdorp Schaal erven: van oorsprong vaak kleine erven met carré van erfbeplanting Beplantingen: lanen, bosjes vaak met heiderelicten

In de stedelijke laag worden diverse gebiedstypen onderscheiden. De dichtbij zijnde gebiedstypen zijn: • Informele trage netwerk; • Verspreide bebouwing; • Gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Geen van de bovenstaande gebiedstypen hebben invloed op de ruimtelijke ontwikkeling.

De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.

afbeelding 9. Uitsnede omgevingsvisie - Laag van de beleving bron: provincie Overijssel

afbeelding 8. Uitsnede omgevingsvisie - de stedelijke laag bron: provincie Overijssel

Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de leefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen schoonheid en nut. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze leefbaar en tot een belevenis.

In de laag van de beleving worden diverse gebiedstypen onderscheiden. De dicht bijzijnde gebiedstypen zijn: • Donkerte. Donkerte Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige donkerte gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. De onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de ligging van het plangebied en zal in de toekomst ook deze donkerte te behouden. Leefgebieden agrarisch natuurbeheer In het agrarische gebied hebben wij leefgebieden voor te beschermen en te beheren planten, weidevogels en andere dieren aangewezen. De volgende leefgebieden zijn aangewezen: een leefgebied open grasland met voornamelijk weidevogelbeheer, een leefgebied open akker, en een leefgebied droge dooradering. Deze leefgebieden zijn onderscheiden op basis van voorkomen van soorten en kansrijkheid voor beheer. In deze leefgebieden zetten wij in op een efficiënt en effectief agrarisch natuurbeheer. We werken hierbij nauw samen met de collectieven voor agrarisch natuurbeheer. Het beheer van de leefgebieden wordt zoveel mogelijk afgestemd op het gebied van aangrenzende natuurgebieden.

Dit vraagt om goede samenwerking tussen de agrarische collectieven en beheerders van de natuurterreinen en waterschappen. Het plangebied ligt in een leefgebied droge dooradering.

afbeelding 10. Uitsnede omgevingsvisie - Natuur /leefgebieden agrarisch natuurbeheer bron: provincie Overijssel

2.3. Gemeentelijk beleid Structuurvisie Dinkelland Op 10 september 2013 is de Structuurvisie Gemeente Dinkelland vastgesteld. De structuurvisie bevat een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2020. Het bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland. In de structuurvisie spreekt de gemeente Dinkelland de volgende ambitie uit: Dinkelland wil zich profileren als een toeristisch agrarische gemeente. Kenmerken zijn: Kleinschaligheid, Twentslandschap, Ruimte voor de boer, Versterken toeristische sector en Wonen en (be)leven. In de toekomstplannen wordt aangesloten bij de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin spelen duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol. Dinkelland wil haar kernen, haar burgers en haar bedrijven ruimte en verantwoordelijkheid geven om te werken aan een samenleving die zich kenmerkt door duurzaamheid en kwaliteit. Het waarmaken van deze uitdaging betekent keuzes maken en daar helder over zijn: op bepaalde terreinen zal de gemeente haar bemoeienissen afbouwen, op andere terreinen zal sprake zijn van intensivering.

De hoofdambitie voor Dinkelland luidt: “Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie." De ruimtelijke druk op het buitengebied wordt steeds groter. Verrommeling van het platteland is een actuele dreiging. De trend van de afnemende betekenis van de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied zal zich de komende jaren doorzetten. De verwachting is dat het huidige aantal van actieve agrarische bedrijven flink zal afnemen in Dinkelland. Het gemiddelde agrarische bedrijf zal in de toekomst groter in omvang zijn dan naar de huidige maatstaven. Vele agrarische percelen en agrarische bebouwing komen hierdoor vrij en zullen een andere functie in de toekomst vervullen. Andere economische activiteiten gaan plaatsvinden in het buitengebied. Activiteiten die veelal geen natuurlijke binding hebben met het platteland. De mogelijkheden om bestaande kwaliteit te borgen en nieuwe kwaliteit te creëren zullen volop worden benut. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de Catalogus Gebiedskenmerken behorend bij de Omgevingsvisie Overijssel en het Handboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

De gemeente heeft haar visie op het buitengebied opgedeeld in een viertal deelgebieden. Het plangebied ligt in deelgebied 4 West. Hiervoor gelden de volgende punten: • Verweving natuur en landschap; • Ruimte voor de agrariër met restricties nabij de beekdalen en ecologische verbindingzones; • Herstellen en versterken beekdalenstructuur • Versterken en ontwikkelen ecologische verbindingszone; • Aanwijzing Natura 2000 gebied in procedure Lemselermaten (56 hectare); • Versterken toeristische trekker Weerselo (‘t Stift) en toeristische trekker natuurlijke omgeving Weerselo en Saasveld. Casco-benadering in Noordoost-Twente De gemeenteraad van Dinkelland heeft in zijn vergadering van 10 juli 2012 de beleidsnota 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Deze nota bevat een generieke methode om vorm te geven aan het behoud en de ontwikkeling van het Nationaal-Landschap in Noordoost-Twente. Hiertoe is in het beleid een instrument opgenomen waarmee gemeenten en initiatiefnemers op voorhand duidelijkheid kunnen verkrijgen over het verwijderen, verplaatsen of ontwikkelen van landschapselementen bij toekomstige ontwikkelingen. Daartoe is per landschapstype bepaald of een daarin voorkomend landschapselement onderdeel is van de kenmerkende structuur van dat landschap, het casco, of niet. Daarnaast zijn richtlijnen geformuleerd voor de versterking van het landschap.

In de beleidsnota wordt de Kuiperberg als pilotproject uitgelicht. Uit de casco-kaart Noordoost Twente blijkt dat grote delen van de planlocatie behoren tot een cascogebied. Het plangebied behoort tot het heideontginningslandschap. In de nabijheid liggen de landschapstypen Maten en Flierdenlandschap en het Kampenlandschap.

De bouwstenen van dit type landschap zijn: • opgaande groene elementen langs infrastructuur en kavelblokgrenzen vormen het casco van het landschap; • opgaande groene elementen zijn ondergeschikt, het gebied is van oorsprong open; • beplanting die geen onderdeel is van het casco kan worden ingezet ter versterking van de hoofdstructuur van het landschap langs wegen en waterlopen; • gewenste kavelgrootte nieuwe kavels: 10-15 ha.

afbeelding 11. Uitsnede landschapstypen (geel: heideontginning) - Casco benadering in NoordoostTwente bron: Provincie Dinkelland

De kenmerken van het heideontginningslandschap zijn: • halfopen tot open landschap • rationele regelmatige blokverkaveling • zandige, vochtige tot droge terreincondities • beplanting in singels op perceelranden en in lanen langs wegen; daarnaast enkele bos- en heide-restanten • genormaliseerde beken en waterlopen • moderne erven langs wegen gesitueerd

afbeelding 11. Uitsnede bestaande natuurvlakken- Casco benadering in Noordoost-Twente bron: Provincie Dinkelland

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Het beleid Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt ruimte aan grootschalige uitbreidingen en ontwikkelingen in het buitengebied, onder de voorwaarde dat er tegelijkertijd wordt gei ̈nvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De kwaliteitsimpuls is van toepassing op ontwikkelingen die niet in het geldende bestemmingsplan passen. KGO is een instrument om ruimtelijke kwaliteit te realiseren en meer mogelijkheden te bieden tot maatwerk. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en de kwaliteitsimpuls. Dit onderscheid komt voort uit de omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Hierin staat het volgende: "Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van het bestaande) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd gei ̈nvesteerd in de omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning)". De gewenste ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de regels van het bestemmingsplan en het gemeentelijke beleid. Daarom is verzocht om een landschappelijk inpassingsplan. Zodra sprake is van een grootschalige ontwikkeling, geldt een meer gebiedsgerichte benadering. De KGO is dan van toepassing, náást de basisinspanning. Dat geldt voor nieuwe functies en grootschalige uitbreiding van bestaande functies in het buitengebied.

In het KGO-beleid is bepaald wanneer er sprake is van een kleinschalige of een grootschalige ontwikkeling. In de gevallen waarbij medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling welke in het bestemmingsplan zijn geregeld, hetzij bij recht, hetzij met toepassing van een afwijking, dan geldt deze ontwikkeling in principe als een ontwikkeling met een kleinschalige impact en hoeft er geen KGO te worden geleverd en kan er worden volstaan met de basisinspanning. Is er wél een bestemmingsplanprocedure nodig, zoals in dit geval, dan is er sprake van een ontwikkeling met een grootschalige impact. Hierbij is opgemerkt dat partiële wijzigingen evenwel dusdanig beperkt zijn qua impact dat het reëel is deze niet onder de reikwijdte van de KGO te laten vallen, tenzij hogere regelgeving anders voorschrijft.

3.RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN 3.1. Situatie De eerste bewoning op deze locatie sedert rond 1900. Sinds die tijd is het perceel veelvuldig gewijzigd, eveneens het landschap. Het perceel ligt ingeklemd tussen een agrarische percelen aan de oost-, zuid- en westzijde en aan een bosstrook aan de noordzijde. De ligging van de schuren ten opzichte van de woning zorgt ervoor dat er een soort binnenplein op het erf wordt gecreëerd. De structuur van het landschap is oprekkend, van oost naar west verkavelde percelen. Het landschap is rationeel en blokvormig verkaveld. In de loop der tijd is het halfopen landschap steeds meer opener geworden door de ruimtelijke ontwikkelingen, de veranderde boerenleven en door de opkomst van kunstmest. Veel van deze oude houtstructuren zijn verdwenen.

Het erf is in de loop der jaren opgeschaald, maar de oorspronkelijke structuur van het erf is reeds zichtbaar. Een erf is een wereld op zich. Meerdere gebouwen vormen met elkaar als het ware een gehucht. Een erf bestaat in hoofdopzet uit twee delen: • de 'mooie', groene voorkant; • de stenige 'rommelige' achterkant (functioneel gebruik). Aan de voorkant van de boerderij bevonden zich de woonkeuken, bedsteden en opkamers. De achterkant van de boerderij was de werkkant. Hier stond het vee. Op zolder lag de oogst. De bebouwing - stallen, schuren en bijgebouwen - richten zich over het algemeen op één centrale gebruiksruimte: het verharde binnenplein. Dit is dan ook het logistieke centrum van het boerenbedrijf. Het binnenplein is een compositie op zich. Ook bijgebouwen en rommelige schuurtjes horen daarbij.

Met de amovatie van de varkensstal en schuur verdwijnt de functie van het verhard binnenplein. Met het toevoegen van de nieuwe bedrijfsvoering (camping) en de compositie van het groen dient de compositie van het besloten binnenplein worden teruggebracht. Om het erf heen - aan de zij- en achterkant - bevinden zich houtwallen en hagen. Zij smeden de bouweenheden nog meer aaneen. De boerderij met voorerf is gericht op het oosten met een kleine siertuin. Het achtererf is gericht op het westen en kent een functionele inrichting. Op het erf staan verschillende beeldbepalende bomen, waaronder een bomenrij staande langs de toegangspad en de waardevolle, cultuurhistorische houtstructuur aan de noordzijde van het perceel. Naast een te behouden schuur, nabij het pad wat leidt richting de achterzijde van de schuren, staat een klein bosje. Als zichtbeperking op de schuur heeft de eigenaar van het perceel destijds een houtwal aangelegd. Deze is beplant met inheemse soorten. Voor zowel de bomenrij als het bosje geldt dat er veel dood hout aanwezig is en in slechte conditie verkeren.

1

Erftoegangsweg

4

Te behouden schuurtje

2

Bosje, pad richting schuur

3

Cultuurhistoriche houtwal

5

Achterzijde schuur - houtwal

6

Binnenplein erf

3.2. Analyse van het landschap Landschap Het gebied maakt onderdeel uit van het jonge heideontginningslandschap. In de nabijheid, ten zuiden van de planlocatie/Bentinckhofsweg maakt het onderdeel uit van een maten en flierdenlandschap. Daar waar de maten en flierdenlandschap een organische verkavelingsstructuur kent, kent het jonge heideontginningslandschap een regelmatige, rationele verkaveling. Het is een half open landschap. De beplanting in singels op staan op de perceelranden of in lanen langs de wegen. Her en der staan enkele bospercelen. Rationele verkaveling

Organische verkaveling heideontginningslandschap

Planlocatie

maten en flierdenlandschap afbeelding 12. Schematische weergave landschap rondom het plangebied

Perceelniveau Structuren van erven eninheemse beplantingen zijn gebonden aan het bodemtype en de grondwaterstand. De soortsamenstelling is bepalend voor de identiteit van de locatie. De noordelijk gelegen houtwal, de houtsingel rondom de schuur, het bosje, de laanbomen en situering van de boerderijen verdelen het landschap op regelmatige blokvormige kavel. De oude relicten, te weten houtsingels, zijn door de jaren heen behouden gebleven en dienden vroeger als omheining van hun (wei)landen. Gebouwen, erven en landschappen zijn sterk met elkaar verweven. De fysieke ondergrond zijn van vroeger uit bepalend geweest voor de ontwikkeling van het erf. De erf en gebouwen vormen ensembles in het landschap, van oudsher gesitueerd langs de Bellinckhofweg. Nadat de ontwikkeling in het ontwateringssysteem vorderde, ontstonden enkele bouwenclaves meer in het land. Van oudsher is op erven een indeling in 'voor' en 'achter' te herkennen. Deze functionele scheiding tussen 'voor' en 'achter', tussen wonen en werken, is terug te vinden in de architectuur en de situering van de gebouwen en de erfaankleding. Het erf kent een agrarisch karakter door de aanwezige schuren en een voormalig boerderij. Van oorsprong betreft het een boerderij met een traditionele opbouw, het wonen voor en werken achter.

Dit resulteerde in de siertuin aan de voorzijde en het veel soberder, maar functionele deel werken aan de achterzijde. De begrenzingen bestaat aan de noordzijde uit een cultuurhistorische houtwal, aan de westzijde aan de achterzijde van de schuur een houtsingel met daarachter een agrarische percelen (buiten plangebied). De overige begrenzingen bestaan uit agrarische percelen.

Belangrijkste ruimtelijke kenmerken:

-

Het plangebied is onderdeel van het jonge heideontginningslandschap;

-

Het landschap kent een regelmatige blokvermige verkaveling met verspreid staande boerderijen gesitueerd met name langs de Bellinckhofweg;

-

Het landschap kent een grote afwisseling in agrarische percelen, boerderijen en bosstroken;

-

Ontsluiting op de Bellinckhofweg.

3.3. Uitgangspunten

3.4. Ruimtelijk kwaliteitsplan

Uitgangspunten opdrachtgever: • Amovatie van een tweetal schuren; • Bestaande ontsluiting op de Bentinckhofweg behouden; • Behoud zicht op het landschap; • Behoud karakter en opbouw van een boerenerf; • Voldoende privacy; • Ontwikkeling van camping op locatie schuren; • Onttrek de camping zoveel mogelijk uit het zicht, voor zowel de naaste boeren als voor de eigenaar zelf; • Privé ruimte tussen de te amoveren schuur en toekomstige camping; • Centraal gelegen sanitaire voorzieningen; • Efficiënt en praktisch erf.

In het ruimtelijk kwaliteitsplan wordt uitsluitend de landschappelijke inpassing van het erf besproken. Door amovatie van de schuren ontstaat er ruimte voor inpassing camping.

Uitgangspunt gemeente: • Erfinrichting moet aansluiten bij de karakteristiek van het landschap; • Streekeigen beplanting toepassen, behoud van de waardevolle groenelementen zoals solitaire bomen en overige houtopstanden en/of het terugbrengen van de historische waardevolle groene opbouw; • Op het erf kan veilig geparkeerd en gekeerd worden; • Bestaande ruimtelijke kwaliteiten waarborgen en versterken, een duidelijke indeling van het erf; • Het karakter van de boerderij en opbouw erf dient gerespecteerd te worden; • Opbouw erf zo inrichten dat het een 'gehucht' op zich wordt. Uitgangspunt provincie: Het erf moet aansluiten bij de gebiedskenmerken; Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Onderstaande afbeelding geeft een concept weer met de bovengenoemde uitgangspunten.

Te amoveren schuren bieden ruimte voor ontwikkeling camping

Behouden cultuurhistorische houtswal

PRIVE RUIMTE

Zoekgebied sanitaire voorzieningen

behouden van een 'binnenplaats'

Behouden bestaande houtwal

bEHOUD VAN BESTAANDE PERCEELSCONTOUREN Entree gebied camping Ombouwen tot campingwinkel/ receptie. Behoud van de bouwstijl afbeelding 13. Concept

Onderstaand de toelichting op het inrichtingsplan dat is afgebeeld op de volgende pagina. Ontsluiting De ontsluiting van het erf verloopt zoals benoemd via de bestaande inrit. Deze toegangsweg behoudt zijn informeel en landelijk karakter. De bomen aan weerszijden van de toegangspad blijven dan ook behouden. Halverwege splitst dit pad op, enerzijds naar de privégronden van de eigenaar, anderzijds naar de camping. Dit pad zal semi onverhard om het landschappelijk karakter te behouden te worden uitgevoerd. Hiermee wordt de percentage verharding op de camping tot het minimum te beperkt. Parkeren voor privédoeleinden en campinggasten vinden uitsluitend op eigen terrein plaats. De parkeerplaatsen voor de campinggasten zal volledig uit het zicht worden aangelegd.

1

Semi (on)verhard pad parkeerplaats

2

Houtsingel/-wal

4

Hagen op camping

Bestaande houtstructuren Vanuit de beleidsstukken is het gewenst om structuren te herstellen en zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Het bosje, ingekaderd tussen de schuren en de ontsluitingsweg, en de laanbomen langs de oprit dienen dan ook behouden te blijven. Beide elementen dienen groot onderhoud te krijgen vanwege de slechte conditie waar het zich in verkeren. De houtsingel ten noorden van het plangebied blijft ongemoeid. Houtsingel/-wal In de huidige situatie staat aan de westzijde van de schuur een houtwal. Deze wordt doorgetrokken met een hoogte van circa 75 cm naar de Bentinckhofweg en langs de noordelijke rand van de camping. Dit zorgt ervoor dat de caravans of soorgelijk aan het zicht onttrokken wordt aan het straatbeeld en voor de buurt. Ook de parkeerplaats wordt aan het zicht onttrokken door een houtsingel. Beide elementen worden met inheemse plantsoorten voorzien met uitzondering van de eik in verband met de processierups. Vooral opgaand groen verzorgt hier de landschappelijke eenheid. Het nu reeds open landschap wordt halfverdicht en past binnen de landschappelijke structuren rond 1900/1950. Landschappelijke haag Op de overgang van privégronden - camping komt een landschappelijke haag te staan met enkele solitaire bomen. Ook enkele velden en parkeerplaats worden door middel van deze hagen van elkaar gescheiden.

Van belang is ten behoeve van begeleidende hagen een uniforme soort te gebruiken.

3

Halfopen landschap

Bebouwing Bij de verbouw van de schuur en bouw sanitairgebouw dient bij de bouwwijze rekening gehouden te worden met de ligging in het landschap, het landschap zelf en de cultuurhistorische waarde van de agrarsiche gebouwen. Overig Het bijgebouw (receptie/campingwinkel) is een gegeven en als het ware gesitueerd op het voorerf en architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw. In het voorterrein zijn naast (te behouden bomen en het bosje), welke het zicht op de camping beperken en in de benodigde privacy voorzien. Ten aanzien van het bijgebouw is het kleurgebruik ingetogen en sober, dakbedekking en materiaalgebruik is afgestemd op, maar altijd ondergeschikt aan de omgeving. Benodigde afrasteringen, hekwerken en omheiningen rondom het bosje en entree privéterrein zijn van natuurlijke materialen (hout) zijn met een gedekte kleurstelling. Met de nieuwe inrichting moet rekening gehouden worden met het plaatsen van kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen en de donkerte te respecteren. Dit betekent dat de plaatsing, intensiviteit, soort armatuur en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht optreedt. Voorkeur voor een landschappelijke armatuur met dynamische verlichting.

Beeldkwaliteitsaspecten Geen schuttingen en/of exoten langs de kavels; Voorliggend grasland blijft open; Daar, waar de overgang ligt naar het achterliggend grasland, een landschappelijke afscheiding creëren dat wegvalt in de omgeving. Voor een meer gedetailleerd beeld wordt verwezen naar het hierna opgenomen beplantingsplan en de bijbehorende plantlijst.

Latijnse naam

Nederlandse naam

Aanplantmaat

Plantafstand

%

Aantal

Betula pendula

Gewone berk

100-120

driehoeksverhouding

15%

150

Crataegus leavigata

Tweestijlige meidoorn

100-120

driehoeksverhouding

15%

150

Carpinus betulus

Haagbeuk

100-120

driehoeksverhouding

20%

200

Corylus avellana

Hazelaar

100-120

driehoeksverhouding

5%

50

Ilex aquifolium

Hulst

100-120

driehoeksverhouding

5%

50

Larix decidua

Europese lariks

100-120

driehoeksverhouding

5%

50

Prunus spinosa

Sleedoorn

100-120

driehoeksverhouding

10%

100

Prunus avium

Gewone vogelkers

100-120

driehoeksverhouding

10%

100

Sorbus aucuparia

Lijsterbes

100-120

driehoeksverhouding

15%

150

Kleinbladige linde

10-12

solitair

100%

5

Veldesdoorn

100-120

Lijnverband

100%

960

HOUTWAL/-SINGEL (1000 m2)

BOMEN Tilia cordata 'Savaria'

LANDSCHAPPELIJKE HAAG (240 m1) Acer campestre

Bomen met boompalen en band Indien beplanting grenst aan terreinen die worden beweid door vee of waar men met voertuigen rijdt, dient deze beplanting te worden beschermd tegen vraatschade/aanrijschade/verdichting van de wortelzone. Bosplantsoen aanplanten in groepen van 3 tot 7 stuks - evenredig verdeeld op de ruimte

Bijlage 3

Digitale watertoets

bestemmingsplan Buitengebied, Bellinckhofweg 10

29

Digitale Watertoets

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure

Op basis van onderstaande locatie

06-04-2023 13:54

1

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?

nee

Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

nee

Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast?

nee

Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?

nee

Wordt op het perceel hemelwater (HWA) en afvalwater nee (DWA) verzameld in dezelfde rioolbuis? Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is?

nee

Worden er op bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht nee waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Bedraagt het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 80 centimeter?

nee

bargerveen

nee

beekherstel

nee

grondwaterbes_en_stiltegebied

nee

ruimtevoorvecht

nee

verbodszone diepe boringen

nee

zoekgebied

nee

primaire watergebieden

nee

RWZI

nee

strokenkaart

nee

persleidingen

nee

rioolgemalen

nee

keurzone

nee

gewijzigd klimaat

nee

huidig klimaat

nee

06-04-2023 13:54

2

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Details 1. Korte procedure Wat moet ik doen?

06-04-2023 13:54

3

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Geachte heer/mevrouw,

U heeft een watertoets uitgevoerd op de website http://www.dewatertoets.nl//. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Dit houdt in dat u direct door kunt gaan met de planvorming van uw plan onder de voorwaarde dat u de standaard waterparagraaf uit dit document toepast.

STANDAARD WATERPARAGRAAF

Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater) . Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe """"eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren"""" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe """"eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren"""" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het 06-04-2023 13:54

4

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): een gemengd stelsel een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geinfiltreerd. ja een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel.

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geinformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.

De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.

Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. "" "

06-04-2023 13:54

5

https://dewatertoets.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/830/documents/21796